BIJL 2a Bijlage 1 - Milieueffectbeoordeling
Tekst van het document
M.e.r.-beoordelingsbesluit Bolderkade, Ouderkerk aan den IJssel
1
Aanleiding
In verband met de voorgenomen ontwikkeling van Adromi B.V. hebben wij beoordeeld of een milieueffectrapportage (MER) moet worden opgesteld in het kader van het vaststellen van een plan bedoelt in artikel 3.8, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening. De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op het realiseren van 42 appartementen in drie verschillende gebouwen op een buitendijks gelegen perceel met een bedrijfsbestemming aan de IJsseldijk-Noord 55b. Op grond van de aanmeldnotitie m.e.r. beoordelen wij of, voorafgaand aan de besluitvorming het plan, een milieueffectrapport moet worden opgesteld.
2
Besluit
Wij besluiten, gelet op de overwegingen die zijn opgenomen in dit besluit, dat bij de voorbereiding van het plan voor hierboven genoemde ontwikkeling door Adromi B.V. geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld. De toelichting van het plan (R201920/2100b) maakt onderdeel uit van dit besluit.
3
Rechtsmiddelen
Op grond van artikel 6:3 van de Algemene wet bestuursrecht is deze beoordeling een voorbereidingsbesluit waarop geen bezwaar en beroep mogelijk is, tenzij aangetoond kan worden dat dit besluit belanghebbende rechtstreeks treft. In de bestemmingsplanprocedure kan door een ieder zienswijzen over het ontwerpbestemmingsplan naar voren worden gebracht. De zienswijzen kunnen ook betrekking hebben op dit voorbereidingsbesluit.
4
Procedure
De voorbereiding van het m.e.r.-beoordelingsbesluit heeft plaatsgevonden overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. De aanmeldnotitie en de daarbij gevoegde bescheiden voldoen aan de eisen die het Besluit milieueffectrapportage daaraan stelt.
5
Overwegingen
De volgende inhoudelijke overwegingen liggen aan dit besluit ten grondslag: 5.1 Toetsingskader De aangevraagde activiteit komt niet voor in onderdeel C van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Hierdoor is geen directe plicht om een milieueffectrapport op te stellen.
Identificatie 2021221231
1 van 3
De aangevraagde activiteit komt wel voor in onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapport, namelijk onder D 11.2 In kolom 2 van D11.2 is de m.e.r-beoordelingsdrempel opgenomen: In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Op grond van het Besluit milieueffectrapportage moet het bevoegd gezag, ook voor activiteiten die beneden de m.e.r-beoordelingsdrempel liggen, bepalen of de activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft en of al dan niet een MER opgesteld dient te worden. Dit dient te gebeuren aan de hand van de criteria genoemd in bijlage III bij de EG-richtlijn milieueffectbeoordeling (2011/92/EU en 2014/52/EU). Deze criteria omvatten: de kenmerken van het project (onder andere omvang en cumulatie); de locatie van het project (de kenmerken van het plangebied in relatie met kwetsbaarheid omgeving); soort en kenmerken van het potentiële effect (mogelijke effecten van de activiteit, onder andere bereik, waarschijnlijkheid en omkeerbaarheid). Als uitgangspunt geldt dat alleen een MER hoeft te worden opgesteld, indien het bevoegd gezag van oordeel is dat dit noodzakelijk is vanwege belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben.
5.1.1 De kenmerken van het project De omvang van het project Realiseren van 42 woningen in drie verschillende gebouwen op een perceel met oppervlakte van 6205 m2. De cumulatie met andere projecten Geen. Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen Voor het realiseren van de nieuwbouw zullen indirect natuurlijke hulpbronnen worden gebruikt, onder meer bouwmaterialen, water en energie. Er worden geen uitzonderlijke bouwmethoden of materialen toegepast. Er wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van prefab bouwelementen om hinder te verminderen. Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen zal zich na het voltooien beperken tot het gebruik van nutsvoorzieningen in de context van de bewoning. Verontreiniging en hinder De toename van verkeer heeft een beperkte invloed op de omliggende (woon)gebieden. Dit komt omdat het gebied direct is aangesloten op de hoofdontsluitingsweg van het gebied. Verder is er geen sprake van verontreiniging en hinder. Risico van ongevallen Geen sprake van risicovolle stoffen of technologieën. Er zou sprake kunnen zijn van ongevallen in relatie tot verkeer, echter zijn dit geen specifieke risico’s voor op deze locatie. Voor het risico op
Identificatie 2021221231
2 van 3
calamiteiten door overstroming, is van belang dat sprake is van een buitendijks terrein dat vrijwel op dijkhoogte is gelegen. Het overstromingsrisico is dan ook gering. 5.1.2 De plaats van het project Het bestaande grondgebruik Het bestaande gebruik betreft bedrijfsmatig gebruik. Rijkdom aan en kwaliteit en regeneratieve vermogen natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het projectgebied bevat geen natuurlijke hulpbronnen. Uit het onderzoek naar de stikstofdepositie blijkt dat er geen drempelwaarden worden overschreden. Het opname vermogen van het natuurlijke milieu (met aandacht voor wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, HA/ Richtlijnengebied, gebieden waar milieunormen worden overschreden, gebieden met hoge bevolkingsdichtheid, landschappelijk historische cultureel of archeologische gebieden van belang). Vanuit ecologie is beoordeeld dat als er volgens de aanbevelingen wordt gewerkt het risico op schade aan beschermde soorten en gebieden verwaarloosbaar is. 5.1.3 Kenmerken van het potentiële effect Bereik van het effect (Geografisch en grootte getroffen bevolking) Het mogelijke effect van het project beperkt zich tot de belendende percelen en ook daar is het milieueffect gering. Vanuit ecologie is beoordeeld dat als er volgens de aanbevelingen wordt gewerkt het risico op schade aan beschermde soorten en gebieden verwaarloosbaar is.
Grensoverschrijdend karakter Niet van toepassing. Orde van grootte en complexiteit effect De ontwikkeling is weinig complex, ook wat betreft het effect daarvan. Duur, frequentie en omkeerbaarheid effect De ontwikkeling zal voor onbepaalde tijd worden bestemd, aangevraagd en vergund. De gebouwen zijn daar voortdurend aanwezig. Door verhuizing van bewoners, sloop van de gebouwen en verwijdering van verdere infrastructuur is het effect van de ontwikkeling omkeerbaar, zij het dat in geval van sloop fundatiepalen in de grond aanwezig zullen blijven. 5.2 Conclusie Gelet op bovenstaande overwegingen kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Het opstellen van een milieueffectrapport is daarom niet nodig.
Stolwijk, 7 december 2021 Burgemeester en wethouders van de gemeente Krimpenerwaard,
J. Hennip, gemeentesecretaris
Identificatie 2021221231
mr. R.S. Cazemier, burgemeester
3 van 3
IJsseldijk Noord 55B Ouderkerk aan den IJssel Toets milieueffectbeoordeling
IJsseldijk Noord 55B Ouderkerk aan den IJssel Toets milieueffectbeoordeling
Adromi B.V. Reeweg 146 3343 AP Hendrik-Ido-Ambacht T 078 – 684 55 55 F 078 – 684 55 59 algemeen@adromi.nl www.adromi.nl K.v.K. 230.825.46 te Rotterdam BTW: 8050.63.286.B.01 IBAN: NL75RABO0385477481
Projectnummer: Versie: Status: Datum:
R201920/2001 b Ontwerp 27-9-2021
Auteur:
J. Wildschut
Geaccordeerd:
S. Zonneveld
IJsseldijk Noord 55B Ouderkerk aan den IJssel
Inhoudsopgave 1.1.
Aanleiding ................................................................................................................................ 4
1.2.
M.e.r.-richtlijn.......................................................................................................................... 4
1.3.
Beoordelingsplicht ................................................................................................................... 4
2.1.
Kenmerken van het project ..................................................................................................... 5
2.2.
Plaats van het project .............................................................................................................. 8
2.3.
Kenmerken van het potentiële effect ..................................................................................... 9
Adromi B.V.
R201920/2001
Pagina 3 van 11
IJsseldijk Noord 55B Ouderkerk aan den IJssel
Inleiding 1.1. Aanleiding Het perceel aan de IJsseldijk Noord 55b ligt momenteel braak. Het betreft een buitendijks gelegen perceel dat een bedrijfsmatig gebruik kende. Er rust ook nog een bedrijfsbestemming op het perceel. Er bestaan plannen de locatie te gaan gebruiken ten behoeve van de woningbouw. Het is de bedoeling dat hier in drie verschillende gebouwen tot 42 appartementen worden gerealiseerd. De appartementengebouwen zullen over maximaal 5 bouwlagen beschikken. 1.2. M.e.r.-richtlijn Blijkens de considerans van de Richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling (2011/92/EU, OJ L 26, 28.1.2012, pp. 1-26 hierna ook: de Richtlijn) van bepaalde openbare en particuliere projecten is de richtlijn bedoeld voor openbare en particuliere projecten die mogelijk aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. Voor dergelijke projecten dient alleen een vergunning te worden verleend na een beoordeling van de aanzienlijke milieueffecten die deze projecten kunnen hebben, mede de specifieke kwetsbaarheid van het milieu in de omgeving van het beoogde project in aanmerking genomen.
Blijkens de richtlijn zijn in het kader van een beoordeling van de aanzienlijke milieueffecten van een bepaalde ontwikkeling voornamelijk de volgende aspecten relevant: - Een hoog beschermingsniveau van het milieu en de menselijke gezondheid; - Efficiënt gebruik van hulpbronnen, waaronder zo veel mogelijk beperking van het grondgebruik; en beperking van het ruimtebeslag; - Duurzame groei in de Unie waartoe de voorziene procedures moeten worden vereenvoudigd en moeten worden geharmoniseerd; - Bescherming van biodiversiteit en ecosysteemdiensten, waaronder het mariene milieu; - Het voorkomen en tegengaan van klimaatverandering, waaronder bescherming tegen de gevolgen van klimaatverandering; - Preventie en beheersing van rampen en voorkomen van kwetsbaarheid bij rampen. Het bevoegd gezag dient blijkens de considerans de directe en indirecte aanzienlijke milieueffecten van een project volledig te beoordelen en af te wegen. Hiertoe moet het bevoegd gezag een analyse uitvoeren door de inhoud van de door de initiatiefnemer verstrekte informatie en de via raadplegingen ontvangen informatie te onderzoeken, alsmede in voorkomend geval door aanvullende zelfstandig verzamelde informatie in overweging te nemen. 1.3. Beoordelingsplicht Gelet op artikel 2, vijfde lid, onder b, van het Besluit m.e.r.
bestaat de verplichting voor het bevoegd gezag om de artikelen 7.16, 7.17, eerste tot en met vierde lid, 7.18, 7.19, eerste en tweede lid en 7.20a van de Wet milieubeheer toe te passen. Dit komt erop neer dat het bevoegd gezag verplicht is om een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van een besluit voor een in de bijlage van het Besluit m.e.r. genoemde activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Deze beslissing wordt een m.e.r.-beoordelingsbesluit genoemd.
Adromi B.V.
R201920/2001
Pagina 4 van 11
IJsseldijk Noord 55B Ouderkerk aan den IJssel
Een dergelijk m.e.r.-beoordelingsbesluit is niet alleen vereist indien sprake is van een besluit als bedoeld in kolom 4 van onderdeel D van de bijlage bij het besluit m.e.r. en de drempelwaarden voor de desbetreffende activiteit worden overschreden, maar ook indien de drempelwaarden niet worden overschreden. Zowel het college als de raad zijn op grond van artikel 7.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer bevoegd om een dergelijk m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen. Daarbij dient aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III bij de Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (de m.e.r.-richtlijn) te worden beoordeeld of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Onderhavige ontwikkeling kan in principe worden aangemerkt als de wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in de bijlage van het Besluit m.e.r. onder D categorie 11.2. Een milieueffectbeoordeling is dus noodzakelijk, ook al wordt de drempel van 2.000 woningen of 100 hectare hierbij niet overschreden.
Beoordeling Zoals aangegeven is een sprake van een project waarvoor een milieueffectbeoordeling dient plaats te vinden. Ten einde te beoordelen of belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten, wordt aan de hand van de criteria van bijlage III van de Richtlijn betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten een m.e.r. beoordeling uitgevoerd. 2.1. Kenmerken van het project Bij de kenmerken van een project moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a) de omvang van het project Er is sprake van de realisatie van appartementen met bijbehorende ontsluiting en parkeerplaatsen. Gelet op de schaal en omvang van de infrastructuur en de bedrijfsfuncties in de directe omgeving is het project van geringe omvang. b) de cumulatie met andere projecten Het project is solitair gelegen. Er is geen sprake van cumulatie met andere projecten die nog in ontwikkeling zijn. Eventuele cumulatieve effecten hebben betrekking op de verkeersbewegingen / verkeersaantrekkende werking. Het plan voorziet op eigen terrein in parkeren, zodat in zoverre geen rekening behoeft te worden gehouden met cumulatieve milieueffecten vanwege parkeren.
Adromi B.V.
R201920/2001
Pagina 5 van 11
IJsseldijk Noord 55B Ouderkerk aan den IJssel
Eventuele cumulatie op het vlak van verkeer is verdisconteerd in het Nationaal samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Uit raadpleging van deze online informatie blijkt niet van een geprognosticeerde (dreigende) overschrijding van de luchtkwaliteitseisen ter plaatse. Er blijkt evenmin van een relevante stikstofdepositie op daarvoor gevoelige beschermde natuurgebieden1. c) het gebruik van natuurlijke hulpbronnen Voor het realiseren van de nieuwbouw zullen indirect natuurlijke hulpbronnen worden gebruikt in de vorm van onder meer bouwmaterialen, water en energie. Gebruik van deze hulpbronnen zal gangbaar zijn voor hedendaagse woningbouw. Er worden in het kader van dit project geen uitzonderlijke bouwmethoden of materialen toegepast. Waar mogelijk worden gerecyclede materialen en/of recyclebare materialen toegepast. Verder wordt zo veel mogelijk gebruik gemaakt van prefab bouwelementen. Dit vermindert de hinder die voor de omgeving zal worden veroorzaakt op de bouwplaats (bouwgeluid e.d.). Dit vermindert verder het ontstaan van bouw- en sloopafval doordat materialen op de bouwplaats op maat dienen te worden gemaakt, met bijbehorende extra aan- en afvoerbewegingen. Voor materiaalgebruik en energieprestatie zijn de eisen zoals opgenomen in het Bouwbesluit leidend.
Het plan zal, binnen de randvoorwaarden voor een sluitende planontwikkeling, zo materiaal- en energie-efficiënt mogelijk worden uitgevoerd. Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen zal zich na voltooiing beperken tot het gebruik van nutsvoorzieningen in de context van de bewoning. Er dient in lijn daarmee rekening te worden gehouden met het gebruik van natuurlijke hulpbronnen voor verwarming, ventilatie, koeling, warm water en het bereiden van maaltijden. Voor zover de grond beschouwd dient te worden als natuurlijke hulpbron is relevant dat deze hulpbron al in gebruik is geweest voor de bedrijvigheid. De aanwezige bodemverontreiniging is reeds gesaneerd en kan zo nodig met aanvullende saneringsmaatregelen geschikt worden gemaakt voor woongebruik. Onderhavig project draagt bij aan efficiënt hergebruik van grond als natuurlijke hulpbron. Het project maakt optimaal gebruik van de reeds aanwezige infrastructurele voorzieningen, waardoor uitbreiding van infrastructuur ter ontsluiting van het plangebied niet aan de orde is. d) de productie van afvalstoffen Er dient rekening te worden gehouden met het ontstaan van bouw- en sloopafval tijdens de bouw. Hierbij moet gedacht worden aan de gangbare restanten van bouwmaterialen. Na realisatie zal rekening moeten worden gehouden met regulier communaal afval afkomstig van de bewoners.
Geconcludeerd kan worden dat er op dit punt geen bijzonderheden te verwachten zijn, zowel qua aard als qua omvang van het te verwachten afval.
1
Adromi B.V., Notitie stikstofdepositie bouwfase en gebruiksfase, 8 januari 2020
Adromi B.V.
R201920/2001
Pagina 6 van 11
IJsseldijk Noord 55B Ouderkerk aan den IJssel
e) verontreiniging en hinder De locatie kende een bedrijfsmatig gebruik en is nog als zodanig bestemd. Als gevolg van onderhavig plan dient rekening te worden gehouden met enige toename van verkeer van en naar de locatie. De toename van verkeer heeft een beperkte invloed op de omliggende (woon)gebieden. Dit komt omdat het gebied direct is aangesloten op de hoofdontsluitingsweg van het gebied. Verder zal er als gevolg van deze ontwikkeling geen sprake zijn van verontreiniging en hinder. Het bodembelastingsrisico ten aanzien van woongebruik is minimaal. Uit de aard der functie en de ligging in het bebouwingslint wordt er geen verontreiniging van bodem of lucht voorzien noch geurhinder of lichthinder verwacht. f) risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën Met onderhavig plan wordt enkel voorzien in nieuwe appartementen. Vanuit de aard der functie is dan ook geen sprake van gebruik van risicovolle stoffen of technologieën. Als het gaat om ongevallen zou sprake kunnen zijn van ongevallen in relatie tot verkeer. Dit zijn echter geen risico’s specifiek voor deze locatie maar van toepassing op alle verkeerssituaties. Voor wat betreft het risico op calamiteiten vanwege aanwezige scheepvaartverkeer is een separate beoordeling uitgevoerd. Hieruit blijkt dat zich op dit vlak geen bijzondere beperkingen voordoen2.
De Hollandsche IJssel is gèèn onderdeel van het basisnet-binnenvaartroutes. Het risico dat desalniettemin een calamiteit optreedt in verband met het transport van gevaarlijke stoffen over het water is in de planvorming verdisconteerd. Voor wat betreft het risico op calamiteiten door overstromingen, bijvoorbeeld vanwege klimaatverandering, is van belang dat sprake is van een buitendijks terrein dat vrijwel op dijkhoogte is gelegen. Het overstromingsrisico ten opzichte van het lagere binnendijkse gebied is dan ook gering. Evenmin ondervindt de locatie negatieve effecten van bodemdaling, nu de gronden ter plaatse door het sinds jaar en dag aanwezige aanwezige dijklichaam en de ophoging al maximaal zijn voorbelast. Gelet op het feit dat ter plaatse ook een transformatorstation op dijkhoogte aanwezig is, kan de elektriciteitsvoorziening ter plaatse in principe ook blijven functioneren in geval van een overstroming van het achterland. Alle daarop gebaseerde voorzieningen, zoals communicatievoorzieningen en verwarming zullen op die wijze ook operationeel kunnen blijven in geval van een overstroming. Los hiervan betreft dit een projectoverschrijdend aspect dat in dit kader niet het hoofd kan worden geboden, mede omdat het stedenbouwkundig onwenselijk is om het perceel nog verder op te hogen tot een waterveiliger niveau.
Vooralsnog bestaan er geen plannen de Krimpenerwaard te ontvolken om te dienen als bufferopvang in geval van hoogwater. Evenmin blijkt dat het vanwege klimaatverandering onverantwoord zou zijn hier de komende 30 jaar (de economische afschrijving van de nieuwe investeringen) de beoogde functies te vestigen.
2
AA Planadvies, QuickScan Aanvaringsrisico’s langs de Hollandsche IJssel, 6 november 2019
Adromi B.V.
R201920/2001
Pagina 7 van 11
IJsseldijk Noord 55B Ouderkerk aan den IJssel
Gelet op de afstand tot grote watermassa’s (zee, meren en rivieren) en de hoogteligging van de dijk, zal er in principe enige tijd zijn om het plangebied te ontruimen en te vluchten in een richting van de dijkdoorbraak af. De aanwezige infrastructuur biedt hier voldoende mogelijkheden voor. De capaciteit van deze infrastructuur kan worden vergroot door deze eenrichting te maken, waarbij de hulpdiensten die het gebied nog in moeten rijden gebruik kunnen maken van andere routes. In het kader van de vormgeving van de nieuwbouw zal het voorzorgbeginsel worden gehanteerd met het oog op het voorkomen van zoönose. Van belang is hoe dan ook dat er in de directe nabijheid geen sprake is van veehouderijen of andere functies waar grote concentraties van dieren te verwachten zijn. Verder zullen waar nodig maatregelen worden genomen om te voorkomen dat vleermuizen zich vestigen in/aan woongebouwen op locaties waarbij sprake zal zijn van een verhoogd contactrisico met uitwerpselen en/of dode vleermuizen, bijvoorbeeld in relatie tot een terras of balkon. Dit is overeenkomstig de richtlijnen van de WHO3. 2.2.
Plaats van het project Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn, moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a) het bestaande grondgebruik De projectlocatie en de wijde omgeving zijn sinds jaar en dag droog gelegd en in cultuur gebracht. Het bestaande grondgebruik van de projectlocatie zelf betreft bedrijfsmatig gebruik. Dit gebruik is onder druk komen te staan vanwege de omliggende milieugevoelige bestemmingen en de naar huidige inzichten minder optimale ontsluiting. b) de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied De projectlocatie en het omliggende gebied bevatten geen natuurlijke hulpbronnen. Het betreft in cultuur gebracht terrein. Er bestaan geen concrete plannen om ter plaatse natuurgebied te realiseren. Voor wat betreft het effect op aanwezige natuurgebieden heeft onderzoek plaatsgevonden naar de stikstofdepositie. Uit het onderzoek blijkt dat geen drempelwaarden zullen worden overschreden. c) het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: i) wetlands Er is geen sprake van een wetland in het gebied. Het plan leidt evenmin tot een aantasting van het bestaande waterbergende en/of -afvoerende vermogen van het systeem. ii) kustgebieden Er is geen sprake van kustgebied.
De zee bevindt zich op een afstand van circa 31,5 kilometer. iii) berg- en bosgebieden; 3
PREDICT, Living safely with bats, juli 2018, Africa version
Adromi B.V.
R201920/2001
Pagina 8 van 11
IJsseldijk Noord 55B Ouderkerk aan den IJssel
Er is geen sprake van berg- of bosgebied. iv) reservaten en natuurparken; Er is geen sprake van reservaten of natuurparken in de directe omgeving. v) gebieden die in de wetgeving van de lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones, door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (1) en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (2). De ontwikkeling heeft geen effecten voor beschermde natuurgebieden, zie het uitgevoerde stikstofdepositieonderzoek. vi) gebieden waarin de bij wetgeving van de Unie vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden Er is geen sprake van overschrijding van de milieukwaliteitsnormen in het gebied. Dit geldt ook voor de luchtkwaliteit, mede gelet op het NSL-2. vii) gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid Er is in Europese context geen sprake van gebied met een hoge bevolkingsdichtheid, ook al is Nederland als zodanig een dichtbevolkt land. Reden hiervoor is gelegen in de omstandigheid dat relatief weinig hoogbouw aanwezig is. viii) landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang Het landschap is niet van beperkt historisch of cultureel belang.
Er is sprake van een bebouwingslint dat typerend is voor het gebied. De beoogde nieuwbouw sluit aan bij de van oorsprong meer volumineuze bedrijfsbebouwing welke van oudsher buitendijks gevestigd was. Wat betreft archeologie is van belang dat geen rekening wordt gehouden met relevante archeologische waarden vanwege de op het terrein uitgevoerde bodemsanering. 2.3. Kenmerken van het potentiële effect De potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 in beschouwing worden genomen en in het bijzonder betrekking hebben op: a) het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking); Het mogelijke effect van het project beperkt zich tot de belendende percelen en ook daar is het milieueffect gering. Op dit punt kan ook worden verwezen naar de informatie die is opgenomen onder het kopje ‘cumulatie’. b) het grensoverschrijdende karakter van het effect; De ontwikkeling zal geen gevolgen hebben voor de bevolking van België, het Verenigd Koninkrijk of Duitsland. Dit geldt ook voor de bevolking van verderaf gelegen nationale staten. c) de orde van grootte en de complexiteit van het effect; Adromi B.V.
R201920/2001
Pagina 9 van 11
IJsseldijk Noord 55B Ouderkerk aan den IJssel
De ontwikkeling kan als weinig complex worden gekarakteriseerd, ook wat betreft het effect daarvan.
d) de waarschijnlijkheid van het effect; Het is waarschijnlijk dat het effect van de ontwikkeling zich zal beperken tot enkele meters afstand van de perceelgrens en ook daar gering zal zijn. e) de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect; De ontwikkeling zal voor onbepaalde tijd worden bestemd, aangevraagd en vergund. De gebouwen zullen voortdurend aanwezig zijn. Het gebruik zal gedurende het gehele etmaal en het gehele jaar plaatsvinden. Door verhuizing van de bewoners, sloop van de gebouwen en verwijdering van verdere infrastructuur is het effect van de ontwikkeling omkeerbaar, zij het dat in geval van sloop fundatiepalen in de grond aanwezig zullen blijven.
Conclusie Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding om voor onderhavig project een m.e.r.-procedure te doorlopen, gelet op de schaal en omvang van het project, de te verwachten effecten op de omgeving en de aard van de omgeving.
Adromi B.V.
R201920/2001
Pagina 10 van 11
IJsseldijk Noord 55B Ouderkerk aan den IJssel
Bijlagen Bijlage 1: Stikstofdepositieonderzoek Bijlage 2: QuickScan Aanvaringsrisico’s langs de Hollandsche IJssel.
Adromi B.V.
R201920/2001
Pagina 11 van 11