CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJL 2 Plantoelichting Bestemmingsplan Steinsedijk 33 Haastrecht

Raadsvergadering 16 april 2024, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (H) Bestemmingsplan Steinsedijk 33 Haastrecht15.978 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

•

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;

•

het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

26

In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) wordt onderscheid gemaakt in nietbindende richtafstanden voor de omgevingstypen 'gemengd gebied'" en 'rustige woonwijk/ rustig buitengebied'. De omgeving van het plangebied wordt gezien de ligging aangemerkt als een gemengd gebied. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verminderd, met uitzondering van het aspect gevaar. Planspecifiek Met het voorliggende bestemmingsplan wordt de realisatie van nieuwe gevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Derhalve dient er beoordeeld te worden of omliggende milieubelastende activiteiten invloed hebben op het woon- en leefklimaat bij de woningen en of deze activiteiten niet belemmerd worden als gevolg van het plan. De ligging van het plangebied kan aangeduid worden als gemengd gebied, gezien de matige functiemenging (lintbebouwing in het buitengebied met afwisselend (agrarische) bedrijven en woningen). In een gemengd gebied kunnen de richtafstanden met een afstandsstap worden verkleind. Met behulp van bestemmingsplannen in de omgeving is bepaald welke milieubelastende activiteiten aanwezig zijn. Deze zijn weergegeven in de navolgende tabel. Bedrijf/activiteit

Adres

SBIcode

Milieucategorie

Richtafstand gemengd gebied (m)

Melkrundveebedrijf

Steinsedijk 37 Steinsedijk 31 Steinsedijk 29a

0141

3.2

50

Afstand tot bestemming 'Wonen' in het plangebied (m) 115

0141

3.2

50

110

-

3.2

50

150

Melkrundveebedrijf The Old Barn

Tractor

Er wordt voldaan aan de richtafstanden van de bedrijven in de omgeving, uitgaande van het omgevingstype 'gemengd gebied'. Tevens wordt er voldaan aan de afstanden die volgen uit de Wet geurhinder en veehouderij en de gemeentelijke geurverordening voor veehouderijen waar dieren zonder geuremissiefactor worden gehouden. Er kan geconcludeerd worden dat het plan uitvoerbaar is in het kader van het aspect milieuzonering.

4.6 Cultureel erfgoed 4.6.1 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'.

27

Planspecifiek De gemeente Krimpenerwaard heeft een archeologische beleidskaart voor haar grondgebied op laten stellen. Het plangebied behoort tot de categorieën WA-3 en WA-4 (zie navolgende afbeelding). In de zone WA-3 is een onderzoeksplicht van kracht bij bodemingrepen dieper dan 0,3 m -Mv en groter dan 100 m². In de zone WA-4 is een onderzoeksplicht van kracht bij bodemingrepen dieper dan 0,30 m - Mv en groter dan 1.000 m².

Uitsnede archeologische beleidskaart (Bron: Atlas archeologie ODMH)

De twee nieuwe woningen zijn voor het grootste gedeelte voorzien op het achterste gedeelte van het plangebied, in de zone WA-4. Een klein deel van het bouwvlak van de 'voorste' woning (kleiner dan 100 m²) is gelegen in zone WA-3. De exacte vorm en ligging van de woningen staat nog niet vast. Dit wordt op een later moment definitief uitgewerkt. Dit kan betekenen dat de nieuw te bouwen woningen de vrijstellingsgrenzen niet overschrijden. Als in het vervolg blijkt dat de vrijstellingsgrenzen wel overschreden worden, dan zal in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen een archeologisch onderzoek uitgevoerd moeten worden. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.

28

4.6.2 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen rijksmonumenten en/of gemeentelijke monumenten aanwezig. Echter is de bedrijfswoning, bekend onder de naam 'Oudervrucht', in een recente gemeentelijk inventarisatie van erfgoed gewaardeerd als 'middelhoge cultuurhistorische waarde'. Deze term wordt gebruikt voor erfgoed dat geen potentiële monumentale waarde heeft, maar wel een ondersteunende rol speelt binnen de historische ruimtelijke opbouw en zo bijdraagt aan het verbeelden van de unieke geschiedenis van de gemeente Krimpenerwaard. Om de cultuurhistorische waarde van Oudervrucht, Steinsedijk 33 te Haastrecht, te beoordelen is er een cultuurhistorische quickscan uitgevoerd door Bureau Helsdingen (d.d. 3 maart 2023, bijlagen bij toelichting bijlage 5).

Aanleiding voor dit rapport is de wens van de eigenaar om de boerderij te splitsen in twee woningen. Om de boerderij te mogen splitsen moet het pand volgens artikel 45.2.a van bestemmingsplan Landelijk gebied (voormalige gemeente Vlist) de aanduiding ‘karakteristiek’ hebben. Volgens artikel 45.1.a van hetzelfde bestemmingsplan is het college van B&W bevoegd om de aanduiding ‘karakteristiek’ toe te voegen aan het bestemmingsplan indien dit op basis van een nadere inventarisatie door een deskundige op het gebied van monumenten gewenst is en na advies van de monumentencommissie. Dit rapport doet verslag naar deze inventarisatie en doet een uitspraak over de vraag of Oudervrucht in aanmerking komt voor de aanduiding ‘karakteristiek’. In het vigerende bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist)’ wordt het begrip ‘karakteristiek’ niet gedefinieerd. Wel is een definitie opgenomen van het begrip ‘cultuurhistorische waarden’ namelijk: ‘belang in geschiedkundig opzicht; onder andere met betrekking tot het ontstaan van het gebied, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het occupatiepatroon en de bebouwing.’ De definitie van ‘karakteristiek’ (als bijvoeglijk naamwoord) in het woordenboek is ‘tekenend, kenmerkend’.

In het ‘Handboek erfgoed’ van de gemeente Krimpenerwaard zijn de volgende criteria beschreven: architectuurhistorische waarde, stedenbouwkundige waarde, cultuurhistorische waarde, gaafheid/herkenbaarheid en zeldzaamheid. Al deze criteria hebben eigen sub criteria. Na een in 2017 uitgevoerde inventarisatie van de gemeente Krimpenerwaard bleken meer dan 2000 objecten aan één of meerdere van deze criteria te voldoen. Hierom heeft de gemeente besloten om de criteria aan te scherpen en als aanvullende eis gesteld dat het object het verhaal van de Krimpenerwaard moet vertellen. Dit betekent dat de criteria cultuurhistorische waarden en herkenbaarheid zwaarder wegen dan de overige criteria. Ook objecten met een hoge mate van zeldzaamheid kunnen een hoge waardering krijgen. Tijdens de inventarisatie uit 2017 is Oudervrucht ook gewaardeerd. De boerderij kreeg een middelhoge cultuurhistorische waarde. Hieruit volgt dat Oudervrucht zowel van cultuurhistorische waarde als karakteristiek is. De boerderij is middelhoog gewaardeerd en heeft een kenmerkende (=karakteristieke) hoofdvorm. Door bij te dragen aan de afleesbaarheid en herkenbaarheid van de historische ruimtelijke ontwikkeling vertelt Oudervrucht het verhaal van de Krimpenerwaard (of specifieker: van Het Land van Stein.

De boerderij is wel onderdeel van de gemeente Krimpenerwaard maar is ten noorden van de IJssel gelegen, waardoor het waterstaatkundig beschouwd niet bij de streek Krimpenerwaard hoort). Resumerend krijgt boerderij Oudervrucht 11 punten. Dit betekent dat de boerderij qua cultuurhistorische waarden vergelijkbaar is met de panden die naar aanleiding van de inventarisatie van Nederlek in 2007 de aanduiding ‘karakteristiek’ in het bestemmingsplan hebben gekregen. Uit het oogpunt van homogeen erfgoedbeleid in de gemeente Krimpenerwaard zou het voor de hand liggend zijn als de aanduiding ‘karakteristiek’ ook bij Oudervrucht aan het bestemmingsplan wordt toegevoegd.

29

Verder ligt het plangebied niet binnen een beschermd dorpsgezicht. Het plangebied is wel gelegen in het gebied van de Hollandsche IJssel. In de erfgoednota wordt de Hollandsche IJssel benoemd als bijzondere waterweg die in de ontwikkeling van de gebieden in de Krimpenerwaard en daarbuiten een belangrijke historische rol heeft gespeeld. In het voorgenomen plan wordt rekening gehouden met deze waterweg en worden er geen aanpassingen voorzien die een negatieve verandering ten gevolg hebben. Daarmee kan geconcludeerd worden dat er als gevolg van het voorgenomen plan geen cultuurhistorische waarden verloren gaan en er een bouwwerk wordt voorzien van de aanduiding 'karakteristiek'.

4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming zijn de tabellen 1, 2 en 3 vervallen waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek Met het initiatief wordt bebouwing gesloopt en worden nieuwe woningen gerealiseerd, wat mogelijk een negatief effect heeft op beschermde flora en fauna, beschermde natuurgebieden en/of beschermde houtopstanden. Daarom is er een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd (Bui-teGewoon, d.d. juni 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. De directe omgeving van het plangebied is geschikt als foerageer- en migratiehabitat voor vleermuizen. Om verstoring te voorkomen dient zo veel als mogelijk te worden afgezien van bouwplaats verlichting. Indien dit als nog noodzakelijk wordt bevonden dient met gerichte lichtbronnen en afschermingsmaatregelen voor uitstralend licht te worden gewerkt. Voor het projectgebied wordt geconcludeerd dat er geen ontheffing aanvraag voor het onderdeel broedvogels en jaarrond beschermde nesten noodzakelijk is, mits buiten het broedseizoen wordt gewerkt en of voorafgaand aan werkzaamheden een broedvogelcheck op de te bewerken locaties wordt uitgevoerd. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli).

Als preventieve maatregelen dient de aanwezigheid van op hopen geplaatste bouwmaterialen als zand, grind en grond in de periode half maart eind juli te worden voorkomen. Indien materialen in deze periode moeten worden geplaatst dienen ze in flauw talud of als laag depot te worden afgewerkt. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk.

30

Stikstofdepositie Een plan mag geen significante gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied. Om de uitstoot van stikstof door de activiteit bouwen en het gebruik vanuit het projectgebied op de omliggende Natura 2000 gebieden te bepalen is gerekend met de het rekenprogramma Aerius. De uitkomsten zijn opgenomen in een memo (Verstoep Bouwadvies, kenmerk: 3586, d.d. 12 oktober 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6). Uit de berekening voor de aanlegfase blijkt dat er een stikstofemissie is aan NOx van 111,9 kg/j en <1 kg/j aan NH3. De Aerius calculator geeft aan dat er geen depositie resultaten zijn op de omliggende Natura 2000 gebieden boven de 0.00 mol/ha/jr. Uit de berekening voor de gebruiksfase blijkt dat er een stikstofemissie is aan NOx van <1 kg/j en <1 kg/j aan NH3. De Aerius calculator geeft aan dat er geen depositie resultaten zijn op de omliggende Natura 2000 gebieden boven de 0.00 mol/ha/jr. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat zowel de aanlegfase als de gebruiksfase niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000 gebied. Significante gevolgen kunnen worden uitgesloten. Conclusie De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent gebiedsbescherming en soortenbescherming in het kader van de Wet natuurbescherming.

Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels (in het kader van algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Er wordt tevens rekening gehouden met natuurinclusief bouwen. Bijvoorbeeld door vleermuiskasten en nestkasten voor vogels toe te passen en de erven met (bij voorkeur streekeigen) groen in te richten.

4.8 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10 -5contour.

31

Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang.

Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen.

Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.

Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.

32

Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De volgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.

Uitsnede risicokaart (plangebied rood omcirkeld) (bron: atlasleefomgeving.nl)

Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat ten zuidwesten van het plangebied een risicovolle inrichting aanwezig is. De afstand tot deze inrichting is circa 600 meter, waarmee het plangebied zich buiten de PR 10-6 contour bevindt. Nadere beschouwing is in dit kader dan ook niet noodzakelijk. Ten noorden van het plangebied ligt een transportroute voor gevaarlijke stoffen. Het betreft de spoorlijn Woerden-Rotterdam die op minimaal 1,1 kilometer afstand van het plangebied ligt. Gezien deze relatief grote afstand, kan ervan uitgegaan worden dat het plangebied buiten het invloedsgebied van deze transportroute ligt Daarnaast zijn er in de omgeving van het plangebied geen buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

33

4.9 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 e eeuw worden twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.

Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. 4.9.1 Beleid hoogheemraadschap van Rijnland Waterbeheerprogramma 2022 - 2028 Voor de planperiode 2022 - 2028 is het waterbeheerprogramma (WBP6) van het hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing. Met het programma WBP6 maakt Rijnland duidelijk hoe het, in samenwerking met de omgeving, invulling geeft aan zijn wettelijke taken en zijn eigen ambities voor de periode 2022 - 2028. In het WBP zijn voor een aantal onderdelen verschillende doelen geformuleerd. Het gaat daarbij in hoofdlijnen om het volgende: 1.

Waterveiligheid: Rijnland beschermt het beheergebied, de inwoners en bedrijven tegen overstromingen vanuit zee, de rivieren en het regionale watersysteem.

34

2. 3. 4.

5. 6. 7.

Voldoende water: Samen met de omgeving zorgt Rijnland voor voldoende water. Niet te veel, niet te weinig, maar precies genoeg voor inwoners, bedrijven en natuur. Schoon water: Rijnland zorgt voor een goede ecologische en chemische waterkwaliteit, afgestemd op de verschillende functies en versterkt de biodiversiteit. Waterketen: Rijnland zuivert afvalwater van huishoudens en bedrijven. Hiermee draagt het waterschap bij aan een goede volksgezondheid, een goede waterkwaliteit en een gezonde leefomgeving. Rijnland duurzaam: Samen met de omgeving zet Rijnland in op duurzaam werken door de kringloop van water, energie en grondstoffen zoveel mogelijk te sluiten Rijnland klimaatadaptief: Rijnland maakt het beheergebied klimaatadaptief door de inrichting van de omgeving aan te passen aan de gevolgen van klimaatverandering. Financiën: Rijnland voert een financieel beleid dat betaalbaar en volhoudbaar is, maar ook uitvoerbaar en uitlegbaar.

Het watersysteem is niet de verantwoordelijkheid van Rijnland alleen. Ook inwoners, bedrijven, overheden en andere organisaties hebben er invloed op en zijn dus medeverantwoordelijk. Denk bijvoorbeeld aan woningbouw, dempen of graven van watergangen of activiteiten waarbij stoffen vrijkomen die de waterkwaliteit beïnvloeden. Rijnland zorgt ervoor dat ook anderen doen waar ze verantwoordelijk voor zijn. Daarvoor geven ze voorlichting en advies, verlenen we vergunningen en controleren we of iedereen zich aan de afspraken houdt. Rijnland staat initiatieven zoveel mogelijk toe, vanuit het principe 'ja, tenzij' dat ze sinds 2015 hanteren. Door minder regels en meer ruimte voor initiatieven voldoet Rijnland aan één van de belangrijkste uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Keur 2020 en Uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is het hoogheemraadschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:

• • • •

waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); de bodem van kwelgevoelige gebieden.

Maar ook aan:

• •

het onttrekken en lozen van grondwater; het aanbrengen van verhard oppervlak.

De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningsplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de Uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Hemelwater Indien een toename van het verhard oppervlak plaatsvindt, dient de initiatiefnemer een verhard oppervlak ter grootte van minimaal 15 % van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak te reserveren voor extra open water (bij een toename aan verhard oppervlak vanaf 500 m² tot 5.000 m²). Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met het hoogheemraadschap afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat het hoogheemraadschap uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende

35

bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat. Zorgplicht en preventieve maatregelen voor hemelwater Voor de verwerking van hemelwater wijst het hoogheemraadschap op de zorgplicht en op het nemen van preventieve maatregelen. Het verdient aanbeveling daar waar mogelijk aandacht te besteden aan maatregelen bij de bron. Preventie heeft de voorkeur boven ‘end-of-pipe’ maatregelen. Uitgangspunt is dat het te lozen hemelwater geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater mag veroorzaken en emissie van vervuilende stoffen op het oppervlaktewater waar mogelijk wordt voorkomen door bijvoorbeeld:

• • •

duurzaam bouwen;

•

het regenwaterriool uit te voeren met (straat)kolken voorzien van extra zand- slibvang of zakputten (putten met verdiepte bodem) op tactische plekken in het stelsel;

•

adequaat beheer van straatoppervlak, straatkolken en zakputten (straatvegen en kolken/putten zuigen); het toepassen van duurzaam onkruidbeheer;

• • •

het toepassen berm- of bodempassage; toezicht en controle tijdens de aanlegfase en handhaving tijdens de beheerfase ter voorkoming van verkeerde aansluitingen;

de bewoners, gebruikers en beheerders voor te lichten over de werking van de riolering en een juist gebruik hiervan; het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en repareren en chemische onkruidbestrijding.

Daar waar ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen gemeente en waterschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden stelsel of - als laatste keus - aansluiten op het gemengde stelsel. Ook kan de gemeente in overleg met het hoogheemraadschap kiezen voor een generieke ‘end-of-pipe’ aanpak. Deze keuze moet dan expliciet gemaakt worden in het GRP. 4.9.2 Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek In het kader van de watertoets worden de voor onderhavig plan relevante waterthema's beschouwd. In onderhavige situatie is sprake van herstructurering van een perceel in het buitengebied. Waar mogelijk zal het hemelwater op een duurzame manier worden geborgd. Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd waterneutraal uit te voeren.

Er wordt dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan.

36

Watercompensatie De gronden van het plangebied zijn in de huidige situatie grotendeels verhard. Met voorliggend plan is in planologische zin een toevoeging van drie woningen beoogd. Een groot deel van de voormalige agrarische opstallen worden gesloopt met een omvang van circa 1.650 m². Hier voor in de plaats worden twee woningen met bijgebouwen gebouwd. Gezien het voorgaande kan uitgesloten worden dat de toename aan verhard oppervlak groter is dan de gestelde vrijstellingsgrens van 1.000 m² voor het landelijk gebied. Watercompensatie is in dit geval niet benodigd. In het plangebied wordt er aanvullend nog extra water toegevoegd door het verbinden van diverse sloten. Waterkeringen en watergangen Uit de kaarten van het hoogheemraadschap blijkt dat het plangebied, in tegenstelling tot de dubbelbestemming en gebiedsaanduiding die in het geldende bestemmingsplan zijn opgenomen, niet is gelegen binnen de beschermingszone of kernzone van de waterkering van de Hollandsche IJssel (zie navolgende afbeelding).

Kernzone en beschermingszones in en rondom het plangebied (rood omkaderd) (bron: hoogheemraadschap van Rijnland Keur 2020)

37

Riolering en afkoppeling De afvalwaterafvoer (DWA) van de nieuwe woningen zal aangesloten worden op de gemeentelijke drukriolering. Het hemelwater infiltreert in de bodem en/of vloeit af naar het oppervlaktewater. Er zal geen gebruik worden gemaakt van uitlogende materialen. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.10 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.10.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen zijn kencijfers voor de verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Met het plan worden ten opzichte van de huidige situatie drie extra woningen mogelijk gemaakt, waardoor de hoeveelheid verkeersbewegingen licht toe zal nemen. De verkeersgeneratie is gebaseerd op de kenmerken 'buitengebied' en 'weinig stedelijk' uit CROW-publicatie 381.

In onderstaande tabel is de verkeersgeneratie weergegeven. Functie CROWpublicatie 381 Koop, huis, vrijstaand Koop, huis, tweeonder-een-kap Totaal

Kencijfer voertuigbewegingen etmaal per eenheid) 8,2 7,8

(aantal per

Aantal eenheden 2 2

Kencijfer (aantal voertuigbewegingen per etmaal per eenheid) 16,4 15,6 32,0

De totale extra verkeersgeneratie komt op 32 verkeersbewegingen per etmaal. Dit is een hoeveelheid die de huidige ontsluiting goed kan verwerken. Daarnaast wordt de agrarische functie beëindigd. Dit leidt tot een afname van de verkeersbeweging die horen bij de agrarische bedrijfsfunctie. 4.10.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling

38

(wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeren is vastgelegd in het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard' (vastgesteld op 29 januari 2019). Hierin wordt verwezen naar de gemiddelde parkeernormen van het CROW en dient op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid voorzien te worden. Planspecifiek Doordat er drie woningen worden toegevoegd en er verder geen functies bij komen neemt de parkeereis ten opzichte van de bestaande situatie toe. In onderstaande tabel is de parkeereis weergegeven voor de toekomstige situatie, op basis van buitengebied, weinig stedelijk conform CROW publicatie 381. Functie CROW-publicatie 381

Kencijfer (per woning)

Aantal eenheden

Koop, huis, vrijstaand

2,4

2

Kencijfer (per woning) 4,8

Koop, huis, twee-onder-een-kap

2,2

2

4,4

Totaal

9,2

Voor de toekomstige situatie zijn er dus 9,2 parkeerplaatsen nodig. Doordat de woningen beschikken over een ruim erf kan de parkeereis hier gemakkelijk opgevangen worden. In het voorliggende bestemmingsplan is een regeling opgenomen die borgt dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, waarbij, gelijk aan het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard', wordt verwezen naar CROW-publicatie 381 of diens rechtsopvolger, dan wel later door het bevoegd gezag vastgestelde beleidsregels over parkeren.

4.11 Niet gesprongen explosieven Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Tot op heden worden bij grond- en waterwerkzaamheden nog nagenoeg dagelijks conventionele explosieven gevonden. Onder Conventionele Explosieven wordt verstaan: elk explosief dat niet als geïmproviseerd, nucleair, biologisch of chemisch kan worden aangemerkt. Voorheen werden CE ook wel aangeduid als Niet Gesprongen Explosieven. Volgens een mondiale, militaire inschatting is van al het materieel dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) verschoten of afgeworpen is, ondergronds 10% en onder water 15% niet tot ontploffing gekomen. Wanneer deze explosieven bij werkzaamheden worden aangetroffen, kunnen deze gevaar opleveren voor de publieke veiligheid. Daarnaast kunnen deze vondsten een zware belasting voor het milieu vormen. Planspecifiek Om te onderzoeken of niet gesprongen explosieven op de locatie van het plangebied relevant zijn is er gekeken wat er bekend is over de aanwezigheid van niet gesprongen explosieven in Haastrecht en omgeving. Hiervoor is gekeken naar de VEO Bommenkaart die raadpleegbaar is op https://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/. Daarop is te zien dat voor een grootdeel van het plangebied er een vooronderzoek is uitgevoerd door AVG Explosieven Opsporing Nederland.

Bij AVG is navraag gedaan naar de uitkomst van het vooronderzoek ter plaatse van het plangebied. Het deel van het plangebied dat in het door hen onderzocht gebied valt kan als niet verdacht worden beschouwd. Daarmee kan er voor het grootste gedeelte geconcludeerd worden dat dit niet verdacht is voor niet gesprongen explosieven. Echter het noordelijke deel van het plangebied waar twee van de nieuwe woningen deels worden gebouwd valt net buiten deze contour.

39

Deze woningen zijn geprojecteerd ter plaatse van de huidige stal in het plangebied. Deze stal is gebouwd in 1984 en is daarbij grotendeels uitgevoerd met een mestkelder. De bodem ter plaatse is daarmee reeds geroerd tot een zekere diepte. In ogenschouw nemende dat het overgrote deel van het plangebied als niet verdacht kan worden beschouwd en het gedeelte dat niet is beoordeeld bebouwd is met een stal met mestkelder kan worden aangenomen dat de gronden in het plangebied waar gebouwd gaat worden niet verdacht is voor niet gesprongen explosieven. Het is dan ook niet noodzakelijk om een aanvullend oriënterend onderzoek uit te voeren naar niet gesprongen explosieven.

40

5 Juridische Planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

5.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:

• • • • • • •

bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

41

5.4 Wijze van bestemmen In het voorliggend bestemmingsplan is aangesloten bij de planregels zoals deze zijn opgenomen in het geldende bestemmingsplan 'Landelijk gebied (voormalige gemeente Vlist)'. De volgende (dubbel)bestemmingen komen voor in dit bestemmingsplan. Agrarisch met waarden De gronden ten noorden van het voormalig agrarisch bouwperceel behouden de bestemming 'Agrarisch met waarden', maar hier is niet langer een bouwvlak opgenomen. Deze gronden zijn bestemd voor agrarisch aanverwant gebruik, zoals het beweiden van dieren, water, kleinschalige landschapselementen, behoud en herstel van de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden, extensief recreatief medegebruik en bij deze bestemming behorende voorzieningen. De gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden' worden niet als erf als bedoeld in het Besluit omgevingsrecht beschouwd, waarmee er geen mogelijkheden zijn voor vergunningvrij oprichten van bijbehorende bouwwerken. In de bouwregels is vastgelegd dat uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming mogen worden gebouwd. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, hiervan mag niet meer bedragen dan 1,5 m. Wonen De beoogde woningen en de omliggende gronden zijn voorzien van de bestemming ‘Wonen’. Binnen het bestemmingsvlak mogen vier woningen worden gebouwd.

Een woning mag een goot- en bouwhoogte van respectievelijk ten hoogste 4 m en 10 m hebben. Bij de woning mogen aanbouwen, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen worden gebouwd. Aan- en uitbouwen en bijgebouwen tellen niet mee bij het berekenen van de inhoud van de woning, die maximaal 700 m³ mag bedragen. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum volume (m3)' is in afwijking van de hoofdregel de aangegeven inhoud (950 m³) toegestaan, waarbij aan- en uitbouwen en bijgebouwen wel meetellen bij het berekenen van de inhoud. De gezamenlijke oppervlakte aanbouwen, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mag maximaal 100 m² bedragen, de bij de woning behorende gronden mogen voor niet meer dan 50% bebouwd zijn en bijgebouwen, aanbouwen, uitbouwen en overkappingen minimaal dienen 3 m achter het verlengde van de voorgevel te zijn gelegen. In afwijking van deze hoofdregels voor de positie en de gezamenlijke oppervlakte zijn vrijstaande bijgebouwen alleen ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' toegestaan. Dit geldt voor de pensionstal die getransformeerd wordt naar een gezamenlijk bijgebouw voor de twee woningen in de bestaande boerderij. Tevens is dit van toepassing voor de hooiberg die nieuw wordt gebouwd.

Binnen de bestemming ‘Wonen’ is voorts bij recht de uitoefening van beroepsmatige activiteiten aan huis mogelijk, tot maximaal 40% van de oppervlakte van de bebouwing (woning, aan- en uitbouwen en bijgebouwen) tot een maximum van 50 m². Belangrijke voorwaarden zijn dat de activiteit moet worden uitgeoefend door de bewoner van de woning, er geen nadelige invloed mag ontstaan op de normale afwikkeling van het verkeer en geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte mag optreden. Via een afwijking onder voorwaarden zijn ook bedrijfsmatige activiteiten aan huis mogelijk tot een oppervlakte van maximaal 30% van de bebouwing tot een maximum van 30 m². De voorwaarden zijn gelijk aan die voor het uitoefenen van een beroep aan huis. 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 4' De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' heeft betrekking op gebieden met aanwezige archeologische waarden of verwachtingswaarde. Alvorens hier grondbewerkingen volgens de onderliggende bestemmingen kunnen plaatsvinden, moet er eerst archeologisch onderzoek plaatsvinden om te bezien of er geen archeologische waarden aanwezig zijn. Als er geen archeologische waarden aanwezig zijn, kunnen de grondbewerkingen plaatsvinden. Als er wel archeologische waarden worden aangetroffen zal bekeken moeten worden hoe die het beste zeker gesteld kunnen worden.

42

6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid Wro of naar aanleiding van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 2º en 3°van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

• • •

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. De gemeente zal met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst sluiten. In deze overeenkomst wordt onder andere de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de planschade, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. De kosten zijn dankzij de overeenkomst anderszins verzekerd waardoor een exploitatieplan niet nodig is. De economische uitvoerbaarheid van het plan is derhalve verzekerd.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub c Wro overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Een ontwerp bestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

43

Participatie Initiatiefnemer is in het kader van participatie bij de directe buren (Steinsedijk 31 tot en met 37) langs geweest voor een gesprek om het initiatief toe te lichten. Uit deze gesprekken komt naar voren dat de buren geen bezwaren hebben tegen initiatief. 6.2.1 Vooroverleg De vooroverlegpartners hebben geen bezwaren tegen het plan kenbaar gemaakt. 6.2.2 Verslag zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 15 november 2023 voor 6 weken ter inzage gelegen tot en met 26 december 2023. Een ieder is gedurende deze periode in de gelegenheid gesteld een zienswijze op het plan in te dienen. In deze periode is een zienswijze ingediend. De zienswijze is in de nota van beantwoording zienswijzen samengevat en van een gemeentelijke reactie voorzien (gemeente Krimpenerwaard, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 7).

44

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=b4335463-29b1-48fc-a520-4da97301a31f