BIJL 2 Plantoelichting Bestemmingsplan Bredeweg 3 Haastrecht
Tekst van het document
Conclusie Het plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het besluit NIBM (gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit <3%), waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Uit het oogpunt van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) en goede ruimtelijke ordening zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van dit plan.
37
4.5 Bedrijven- en milieuhinder Beleidskader De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). Tabel 4: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Onderzoek Het plan betreft de realisatie van nieuwe woningen. In het kader van bedrijven en milieuzonering is hiermee sprake van toevoeging van milieugevoelige objecten. Het plan dient daarom getoetst te worden aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In de nabije omgeving van het plangebied is er echter geen enkel bedrijf aanwezig, behalve nutsvoorzieningen (op minimaal 50 meter). De eerste maatschappelijke/bedrijfsmatige functies zijn gelegen op minimaal 200 meter afstand van het plangebied. Daarmee kan gesteld worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat voor de nieuwe woningen en dat eventuele omliggende bedrijven niet in de bedrijfsvoering worden beperkt door het plan. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bedrijf- en milieuhinder (milieuzonering) geen belemmeringen.
38
4.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon overlijdt door een ongeval met een risicobron, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) onbeschermd op een bepaalde plaats in de buurt van die risicobron zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Binnen de contour van PR 10-6 per jaar mogen zich geen kwetsbare objecten (objecten als gebouwen of terreinen waar zich veel mensen of waar zich beperkt zelfredzame mensen bevinden) en bij voorkeur ook geen beperkt kwetsbare objecten bevinden (objecten of terreinen waar zich een beperkt aantal mensen bevinden). Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal 10 personen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met een risicobron. Voor het groepsrisico geldt geen normering. Er is wel een zogenaamde oriëntatiewaarde vastgesteld.
Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. De regels voor externe veiligheid zijn voor inrichtingen vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen en voor het transport over weg, rail en water in het Besluit externe veiligheid transportroutes en Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. De toetsing aan het plaatsgebonden risico is in al deze besluiten hetzelfde, voor de toetsing van het groepsrisico zijn er enkele (kleine) verschillen. Onderzoek Risicovolle inrichtingen Uit de risicokaart externe veiligheid (zie onderstaande afbeelding) blijkt dat het plangebied niet in de nabijheid is gelegen van Bevi-inrichtingen of andere stationaire risicobronnen. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen Binnen en in de directe omgeving daarvan komen geen voor het aspect externe veiligheid relevante buisleidingen voor. Transport gevaarlijke stoffen via transportroutes In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de autoweg, spoorweg of vaarweg plaats.
39
Plangebied
Afbeelding 19: Uitsnede externe veiligheidskaart
Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.
40
4.7 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Het onderhavige plan betreft de sloop van enkele voormalige agrarische opstallen en de realisatie van woningen. Om de invloed van de geplande bouw- en sloopwerkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is door Blom Ecologie een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Deze is toegevoegd in de bijlage van deze toelichting. De resultaten uit dit onderzoek luiden: ‘Soortenbescherming De te slopen bebouwing en het omliggende terrein hebben geen essentiële betekenis voor beschermde soorten.’ Hetgeen behoudens de naastgelegen woning, waar vleermuisverblijfplaatsen niet kunnen worden uitgesloten. Ten behoeve van die potentie dienen er enkele maatregelen te worden getroffen om verstoring van de eventuele vleermuizen te voorkomen.
‘De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). (…) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Dit is reeds gedaan middels de AERIUS-Calculator. Deze stikstofberekening is gerapporteerd in een separate notitie. (…) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. (…) Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een berekening door middel van de AERIUS-Calculator uitgevoerd te worden.
Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren, rugstreeppadden en algemene broedvogels (in het kader van algemene Zorgplicht). 41
Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Vervolgstappen Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Dit is reeds gedaan middels de AERIUS-Calculator. Deze stikstofberekening is gerapporteerd in een separate notitie. Te treffen maatregelen - Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). - Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. - Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. - Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. - Gedurende de werkzaamheden dient de planlocatie bij voorkeur niet extra verlicht te worden in de periode april-oktober. Derhalve dienen de werkzaamheden zo veel mogelijk overdag plaats te vinden.
Indien extra verlichting noodzakelijk is, dient lichtverstoring hierbij zo veel mogelijk voorkomen te worden. De verlichting mag derhalve niet omhoog of in de richting van de te behouden woning gericht worden. In de gebruiksfase dient de planlocatie bij voorkeur zo minimaal mogelijk verlicht te worden. De verlichting dient niet direct omhoog of op de woning gericht te worden. Indien het gebruik van verlichting gewenst is dient gebruikt gemaakt te worden van vleermuisvriendelijke verlichting (lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel en eventueel toepassen van amberkleurig licht). - Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Het ontoegankelijk maken dient bij voorkeur voor de migratie- en voortplantingsperiode plaats te vinden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. Zie voor meer instructies bijlage 3.
- De sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden 42
uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect ecologie geen belemmeringen.
43
4.8 Stikstofdepositie Beleidskader Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is ondervangen in het onderdeel ‘gebiedsbescherming’. Bij significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden geldt een ontheffingsplicht. Uit een passende beoordeling dient te blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan voordat een ontheffing op basis van de Wnb verleend kan worden. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. De wet regelt dat er artikels worden toegevoegd aan de Wnb. In de toegevoegde artikels zijn de doelstellingen opgenomen met betrekking tot de reductie van de stikstofdepositie. Om de doelen te realiseren worden maatregelen genomen welke worden opgenomen in het programma stikstofreductie en natuurverbetering. Deze wet voorziet hierin. Daarnaast is de partiële vrijstelling van de Natura 2000 vergunningplicht voor activiteiten in de bouwsector toegevoegd. Dit betekent onder andere dat de tijdelijke gevolgen van de door de bouw veroorzaakte stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden buiten beschouwing worden gelaten bij de Wnb-vergunning. Deze vrijstelling geldt alleen voor de aanlegfase, niet voor de gebruiksfase.
Bouw-, sloop- en aanlegwerkzaamheden tijdens de aanlegfase hoeven daardoor niet meer beoordeeld te worden op het aspect stikstofdepositie. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. Onderzoek In het kader van een goede ruimtelijke ordening is middels de AERIUS Calculator een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. Deze is bijgevoegd in de bijlage van deze toelichting. ‘Uit de berekening blijkt dat de ontwikkeling niet voorziet in rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Daarnaast geeft AERIUS geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j op de 10 extra gemodelleerde rekenpunten langs het Natura 2000-gebied ‘Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein’. De invoergegevens en rekenresultaten zijn opgenomen in de bijlage. Geconcludeerd wordt dat stikstofgevoelige habitats Binnen Natura 2000-gebieden geen negatieve effecten ondervinden ten aanzien van stikstofdepositie als gevolg van de ontwikkeling.
Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming in het kader van stikstofdepositie.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft stikstofdepositie geen belemmeringen.
44
4.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem in kaart te brengen is door Lawijn Advies & Management een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Deze is toegevoegd in de bijlage van deze toelichting. ‘Conclusies Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd: Algemene bodemkwaliteit • In de bovengrond ter plaatse van de onverharde terreindelen, verspreid over de onderzoekslocatie, zijn lichte verontreinigingen met koper, kwik, lood, zink en PAK geconstateerd. Zintuiglijk is zwakke bijmenging van puinresten waargenomen.
• In geroerde tussenlaag ter plaatse van het graslandgedeelte op het westelijk gedeelte van de locatie zijn lichte verontreinigingen met cadmium, koper, kwik, lood, zink en PAK aangetroffen. Zintuiglijk is zwakke tot matige bijmenging van resten puin en beton waargenomen. Bij het onderzoek op asbest is analytisch geen verontreiniging geconstateerd. • In bodemlaag onder de terreinverharding op het oostelijk gedeelte van de locatie zijn lichte verontreinigingen met kwik, molybdeen, zink en PAK aangetroffen. Zintuiglijk zijn geen afwijkingen waargenomen in de ondergrond. • In geroerde tussenlaag bij de schuur op het zuidoostelijk gedeelte van de locatie zijn lichte verontreinigingen met kwik en lood geconstateerd. Zintuiglijk is matige bijmenging van puinresten (brokken baksteen) waargenomen. • In de zandige laag in de bovengrond op het middengedeelte van de locatie zijn lichte verontreinigingen met cadmium, koper, kwik, PCB en PAK aangetroffen, alsook lichte tot matige verontreinigingen met lood en zink. Zintuiglijk is zwakke tot matige bijmenging van resten puin en grind waargenomen. Bij het onderzoek op asbest is analytisch geen verontreiniging geconstateerd. • Bij het onderzoek op asbest in de aanwezige grind- en puinverharding in de toplaag van de oprit en het erfgedeelte, is een licht verhoogd gehalte gemeten (16 mg/kg d.s.).
Het gemeten gehalte voldoet aan de hergebruiknorm voor asbest. 45
Slootdemping • In de geroerde onderlaag ter plaatse van het zuidelijk gedeelte van de voormalige sloot zijn sterke verontreinigingen met lood en zink geconstateerd, alsook lichte verontreinigingen met overige zware metalen, PCB, PAK en minerale olie. Bij het onderzoek op asbest is analytisch geen verontreiniging geconstateerd. Zintuiglijk is zwakke tot matige bijmenging resten hout, slib, puin en afval waargenomen. • In de geroerde onderlaag ter plaatse van het middengedeelte en het noordelijk gedeelte van de voormalige sloot zijn lichte verontreinigingen met kobalt, koper kwik, nikkel, lood, zink, PCB en PAK geconstateerd. Bij het onderzoek op asbest is analytisch geen verontreiniging geconstateerd. Zintuiglijk is zwakke tot sterke bijmenging resten puin, grind en hout waargenomen. • In het grondwater uit de peilbuis op het terreindeel bij de voormalige sloot is een matig verhoogde concentratie barium gemeten, welke vermoedelijk kan worden beschouwd als een verhoogde achtergrondwaarde. Voor overige parameters is geen verontreiniging aangetoond.
Advies Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten bestaat, conform de richtlijnen van de Wet Bodembescherming, aanleiding tot nader onderzoek voor de volgende terreindelen: • sterke verontreiniging met lood en zink in de onderlaag ter plaatse van het zuidelijk gedeelte van de voormalige sloot; • matige verontreiniging met lood en zink in de puinhoudende bovenlaag op het middengedeelte van de locatie (mogelijk mede in relatie met de aanwezigheid van de voormalige sloot). Het doel van het nader bodemonderzoek is vaststellen of op de locatie sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging (indien volume met sterke verontreiniging in grond / sediment > 25 m3), en het verkrijgen van inzicht in de omvang van de verontreiniging en eventuele verspreiding van verontreiniging naar het grondwater. Op basis van de verkregen resultaten voor de overige terreindelen bestaat geen aanleiding tot nader onderzoek. Indicatieve beoordeling hergebruikmogelijkheden grond (Besluit bodemkwaliteit) Indien bij de herinrichting van de locatie licht verontreinigde grond of verhardingmateriaal zal vrijkomen buiten de contouren van de sterke verontreiniging, dient er rekening mee te worden gehouden dat hiervoor beperkte hergebruikmogelijkheden bestaan.
De toepassingsmogelijkheden voor dit materiaal op een andere locatie dienen te worden bepaald aan de hand van de voorwaarden van het Besluit bodemkwaliteit en/of de Bodemkwaliteitskaart van de gemeente Krimpenerwaard (regio Midden-Holland).‘ Conclusie Ter plaatse van het zuidelijke gedeelte van de gedempte sloot en in de puinhoudende bovenlaag op het middengedeelte van de locatie dient nader
46
bodemonderzoek plaats te vinden. Hetgeen als voorwaarde wordt opgenomen in de omgevingsvergunning.
47
4.10 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Archeologienota Krimpenerwaard In 2015 is de gemeente Krimpenerwaard gevormd uit vijf gemeenten die elk een eigen archeologiebeleid kenden. Het archeologiebeleid van deze gemeenten is ‘geharmoniseerd’ in de ‘Archeologienota Krimpenerwaard’. Het archeologiebeleid is samengevat in elementen te weten: de beleidsnota en een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart, opgesteld door het adviesbureau RAAP (december 2016). De nota gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die er op is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodemverstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het plan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de beleidskaart, zie onderstaande afbeelding, ligt het plangebied geheel binnen de verwachtingszone Waarde Archeologie – 7. Hierbinnen is een archeologisch onderzoek pas verplicht bij bodemingrepen dieper dan 3 m -mv en groter dan 10.000 m2. De bodemingrepen ten behoeve van het plan blijven ruimschoots onder deze grenswaarden waardoor archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is.
48
Plangebied Afbeelding 20: Uitsnede archeologische verwachtingskaart
Conclusie Het plan ondervindt geen belemmeringen wat betreft archeologie. Conform artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet dient de uitvoerder van grondwerk archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag (zijnde gemeente Krimpenerwaard).
49
4.11 Duurzaamheid en klimaatadaptatie Beleidskader Gemeentelijk beleid De gemeente Krimpenerwaard heeft de volgende ambitie opgesteld: “In 2060 is de samenleving van de Krimpenerwaard fossiele brandstofvrij en energie- en CO2 neutraal en vrij van restafval”. Dat staat in het Programmaplan Duurzaamheid 2018 2021. De volgende doelstellingen uit het Programmaplan zijn relevant voor het plan: • De CO2-uitstoot is in 2030 met 50% afgenomen t.o.v. 2015. • In 2030 is het afvalscheidingspercentage minimaal 80%. In het coalitieakkoord 2018-2022 zijn aanvullende relevante doelen en aandachtspunten opgenomen: • In 2021 is de hoeveelheid duurzaam opgewekte energie toegenomen met tenminste 0,02 PetaJoule. • Bij de inrichting van de publieke en private buitenruimte wordt rekening gehouden met wateren hittestress. • Het afval van de één wordt grondstof voor de ander. Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland zijn de afspraken van het convenant klimaatadaptief bouwen vertaald in de beleidsbeslissingen klimaatadaptatie en toekomstbestendig bouwen. In de Omgevingsverordening ZuidHolland is artikel 6.50 Risico’s van klimaatverandering toegevoegd.
Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a) Wateroverlast door overvloedige neerslag; b) Overstroming; c) Hitte; d) Droogte. Onderzoek Duurzaamheid De woningen worden gebouwd conform de meest actuele normen uit het Bouwbesluit. Deze normen schrijven een zeer hoge kwaliteit voor met betrekking tot energiezuinige bouwwerken en duurzame materialen. Het plan zal conform de BENG-norm gerealiseerd worden. Deze eis wordt gehaald met zoveel mogelijk permanente oplossingen, zoals isolatie en kierdichting, en gebruiksvriendelijke installaties. De toegepaste materialen zijn duurzaam en voor hergebruik geschikt. De woning wordt zonder gasaansluitingen gerealiseerd. De energievraag wordt ingevuld met warmtepompsystemen, in combinatie met zonne-energie, vloerverwarming en zonnepanelen. Waarbij de zonnepanelen op de daken zal worden geplaatst en wordt opgemerkt dat de panelen bij het hooibergvolume niet op de rietenkap zullen komen, maar op de aanbouw. Bij de nadere uitwerking van de ontwerpen van het plan zal nader worden bekeken of het mogelijk is nestkastjes te integreren voor diverse diersoorten, denk aan
50
vogels en vleermuizen. Dit zou bijvoorbeeld mogelijk kunnen zijn in de kopgevels van de woningen. Klimaatadaptatie Gezien het natter wordt moet de waterhuishouding geschikt zijn om zware regenbuien te kunnen opvangen. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het hemelwater te snel in het open water verdwijnt. Het moet de gelegenheid krijgen om de infiltreren in de bodem. Dit plan houdt hier rekening mee, door het erf zo groen en zacht mogelijk te realiseren, daarnaast de bestaande watergangen te behouden. Waardoor hemelwater beter kan infiltreren in de bodem. Denk daarbij aan grasdalen, regentonnen, grindkoffers etc. In de directe omgeving van het plangebied zijn meerdere watergangen gelegen. Er worden geen ingrepen gedaan in de watergangen, wellicht met uitzondering van de opwaardering van de oever. Het stijgen van de zeespiegel raakt het project niet direct. De woning wordt op een aanleghoogte gerealiseerd waarmee maximaal wordt voorgesorteerd op het voorkomen van schade door hoge waterstanden. In het plan wordt uitvoerig aandacht besteed aan duurzaamheid. De woning worden gebouwd conform de BENG-norm. Gezien het warmer wordt, wordt bij de uitwerking van de woning rekening gehouden met de accumulatie van warmte. Hierbij wordt gekeken naar de positionering van gevelopeningen en de toe te passen glassoorten.
Bovendien is vanuit de BENG-norm een goede thermische schil vereist en is het toepassen van een doordacht ventilatiesysteem van groot belang. De installaties in de woning worden geschikt gemaakt om naast verwarmen ook te kunnen koelen. Het plangebied wordt groen ingericht middels streekeigen beplanting die bestand zijn tegen deze weersomstandigheden. De hittestress dient zoveel mogelijk beperkt te worden, door daarnaast zoveel mogelijk blauw en groen. De erfbomen dienen zoveel mogelijk schaduw op te leveren, met uitzondering van de daken in verband met zonnepanelen. Gezien het droger wordt is het van belang om de beplanting hierop af te stemmen. De beplanting moet blijven voorzien in het afbreken van CO2 en het produceren van zuurstof voor mens en dier. Er dienen type planten te worden gebruikt die bestand zijn tegen deze weersomstandigheden en erosie terugdringen. Dit komt naast de klimaatadaptatie de groene uitstraling van het gebied ten goede.
51
5
Juridische planbeschrijving
5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Haastrecht, Bredeweg 3’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Haastrecht, Bredeweg 3’ is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.
5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het onderhavige bestemmingsplan ‘Haastrecht, Bredeweg 3’ is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan ‘Dorpskernen 2014’. De regels van het bestemmingsplan ‘Haastrecht, Bredeweg 3’ bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
5.3 Bestemmingen Tuin De tuinen achter/naast de nieuwe woningen verkrijgen de bestemmin ‘Tuin’. Daarbij een expliciete regel dat de gronden geen achtererven (in de zin van het Besluit omgevingsrecht) zijn, waarmee ongewenste verrommeling door vergunningsvrije bouwwerken kan worden voorkomen. Water De enkelbestemming ‘Water’ wordt ongewijzigd overgenomen uit het moederbestemmingsplan. Wonen De enkelbestemming ‘Wonen’ wordt gewijzigd. Deze bestemming wordt qua oppervlakte verkleind tot de positie van de nieuwe woningen en het erf. Daarnaast worden de regels verruimd met meerdere bouwvlakken en enkele bouwregels ten einde het onderhavige plan en de bouw van de woningen mogelijk te maken.
5.4 Aanduidingen • •
Bouwvlak; Bouwaanduiding: vrijstaand;
52
• • • • • •
Bouwaanduiding: twee-aaneen; Bouwaanduiding: gestapeld; Bouwaanduiding: bijgebouwen; Maatvoering: maximum bouwhoogte: 10; Maatvoering: maximum goothoogte: 6; Maatvoering: maximaal aantal wooneenheden: 1, 2 & 10.
53
6 Economische & maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1 Exploitatie Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van de voorgenomen nieuwbouw, voor verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer, welke hierbij aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Er wordt een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer getekend, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt en wat de plankosten zijn. Er wordt dan ook geen exploitatieplan vastgesteld met het bestemmingsplan, omdat het verhaal van kosten anderszins is verzekerd (artikel 6.12, lid 2 sub a Wro). Op basis hiervan kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.
6.2 Participatie In de voorfase van de bestemmingsplanprocedure is er reeds geparticipeerd met de direct omwonenden en belanghebbenden. Onderstaand is het participatietraject tot het moment van schrijven globaal uiteengezet: Bredeweg 1 Met de directe buren op de Bredeweg 1 is vanaf december 2021 persoonlijk contact. De buren hebben het plan over het algemeen positief ontvangen. De gesprekken met deze buren hebben geleidt tot één planaanpassing. Naar de wens van de buren wordt er een nieuwe brug, aparte ontsluiting, gerealiseerd ten behoeve van de Bredeweg 1. Hetgeen heeft geen gevolgen voor onderhavig bestemmingsplan, gezien hetgeen reeds is toegestaan in de vigerende bestemming; Omwonenden / Woningbouwvereniging Groen Wonen Vlist De omwonenden van het plangebied zijn middels een brief op 12 januari 2022 geïnformeerd over het plan. Middels de brief zijn de omwonenden geïnformeerd, is men uitgenodigd voor een informatiedag op de locatie en is gevraagd of men op de hoogte gehouden wil worden van het verdere traject. De omwonenden welke hebben aangegeven dit te willen, zijn uitgenodigd voor een informatiebijeenkomst op locatie op 19 februari 2022. Met enkele omwonenden die niet op die dag aanwezig konden zijn, is afgesproken op een ander moment de situatie op locatie te bespreken. Over het algemeen is het plan positief ontvangen.
Voornamelijk het ontwerp, de ruime en landelijke opzet van het plan worden als positief bestempeld. Enkele omwonenden waren negatief gestemd en stelde kritische vragen, welke zijn beantwoord door de initiatiefnemers en waarbij getracht is eventuele zorgen weg te nemen. De informatiebijeenkomst en opmerkingen van de omwonenden hebben niet geleidt tot aanpassingen op het bestemmingsplan.
54
6.3 Vooroverleg ex. Art. 3.1.1 Bro Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat de gemeente Krimpenerwaard bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg is het plan voorgelegd aan de overlegpartners van de gemeente Krimpenerwaard. Daarbij gaat het onder andere om de provincie en het hoogheemraadschap. Gemaakte opmerkingen zijn waar nodig verwerkt. Betrokken partijen kunnen instemmen met het plan.
6.4 Zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Op de voorbereiding van een bestemmingsplanprocedure is afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het ontwerpbestemmingsplan en bijbehorende stukken zijn gedurende zes weken ter inzage gelegd. De terinzagelegging is bekend gemaakt in de Staatscourant. Het ontwerpbestemmingsplan kon worden ingezien in het gemeentehuis, op de gemeentelijke site en de website www.ruimtelijkeplannen.nl. Binnen het termijn zijn drie zienswijzen binnen gekomen. In de Nota Zienswijzen in de bijlage van deze toelichting zijn de zienswijzen inhoudelijke behandeld, beantwoord en wordt aangegeven of de zienswijzen hebben geleid tot aanpassingen in het bestemmingsplan.
55