CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJL 1e Bijlage toelichting quickscan flora en fauna

Raadsvergadering 16 november 2021, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (B) Bestemmingsplan 'Lekdijk-Oost 66 en 68 te Bergambacht'6.446 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan flora en fauna Lekdijk Oost 66 & 68 te Bergambacht (2003/132/ROS-02, versie 2)

documentkenmerk: 2003/132/ROS-02, versie 2

Quickscan flora en fauna

in opdracht van Mark van Rijn en Désirée van Rijn - Hesselveld Lekdijk - Oost 66 2861 GB BERGAMBACHT

betreffende locatie Lekdijk Oost 66 & 68 Bergambacht (gemeente Krimpenerwaard) documentkenmerk 2003/132/ROS-02 versie 2 vestiging Nuenen datum 16 februari 2021

opgesteld door: ing. J.H.J. van Bree

gecontroleerd door: ing. A. Paulusse

Projectleider ecologie

Projectleider ecologie

Dit document is digitaal gegenereerd en derhalve niet voorzien van een handtekening. De inhoud is aantoonbaar gecontroleerd en vrijgegeven. Het document mag uitsluitend in zijn geheel worden gereproduceerd. Door derden aangebrachte wijzigingen en/of toevoegingen dan wel oneigenlijk gebruik van het document vallen niet onder de verantwoording van Tritium Advies.

Tritium Advies B.V. Adviseurs in bouwen, milieu en veiligheid

Tritium Advies is gevestigd in:

T.

088 44 02 900

E.

info@tritium.nl

Arkel >> Neer >> Nuenen >>

I.

www.tritium.nl

Prinsenbeek >> Rijkevoort

KvK-nr.

17108024

documentkenmerk: 2003/132/ROS-02, versie 2

Inhoudsopgave pagina 1

Inleiding

1

2

Bronnenonderzoek

3

2.1

Gebieden

3

2.2

Soorten

5

3

Veldbezoeken

6

4

Resultaten

7

4.1

Flora

7

4.2

Vogels

7

4.3

Grondgebonden zoogdieren

12

4.4

Vleermuizen

12

4.5

Amfibieën, reptielen en vissen

14

4.6

Ongewervelden/ overige soorten

15

5

Conclusies

16

5.1

Beschermde gebieden

16

5.2

Soorten

16

5.3

Zorgplicht

17

5.4

Eindconclusie

18

5.5

Advies

18

6

Literatuurlijst

19

Bijlage aantal pagina's (excl. voorblad) 1.

fotobijlage veldbezoeken 16 juni en 29 september 2020

9

documentkenmerk: 2003/132/ROS-02, versie 2

1 Inleiding Er is een quickscan flora en fauna uitgevoerd ten behoeve van het voornemen om op de locatie Lekdijk Oost 66 en 68 de thans aanwezige bebouwing te slopen en drie nieuwe woningen te realiseren. Het plangebied betreft de kadastrale percelen gemeente Bergambacht, sectie B, nummers 5310, 5467 en een deel van nummer 5469. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 21.341 m2. Op dit moment is het plangebied voor een groot deel gebouwd en bestraat.

Figuur 1: huidige situatie plangebied (blauw omlijnd) met bestaande bebouwing (geel omlijnd)

Het plan is in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Voor deze locatie wordt derhalve een juridisch-planologische procedure doorlopen conform de Wet ruimtelijke ordening. In het kader van deze procedure dient onder andere een quickscan flora en fauna te worden uitgevoerd. Hiermee kan worden voorkomen dat in strijd met de geldende natuurwetgeving wordt gehandeld. Doel van het onderhavige onderzoek is om te bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming (verder: Wnb). Het is noodzakelijk om voorafgaande aan ruimtelijke ingrepen en inrichting te toetsen of de geplande activiteiten geen negatief effect hebben op beschermde plant- en/of diersoorten en leefgebieden. Op basis van de ecologische waarden van een planlocatie zal uit een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) blijken of er een overtreding te verwachten is van de Wnb. Tevens wordt vastgesteld of er meer soortgegevens nodig zijn door middel van inventarisatie en of er een uitgebreide studie noodzakelijk is naar de effecten van een ruimtelijke ingreep. In veel situaties zal het uitvoeren van een verkennend onderzoek echter reeds voldoende zijn om aan te tonen of een plan uitgevoerd kan worden met of zonder enkele eenvoudige maatregelen of aanpassingen om een overtreding van de Wnb te voorkomen.

pagina 1 van 19

documentkenmerk: 2003/132/ROS-02, versie 2

Uit onderstaande luchtfoto (figuur 2) kan worden opgemaakt dat het plangebied aan de rand van Ammerstol is gelegen.

Figuur 2: luchtfoto van de omgeving van het plangebied (rood omcirkeld) (bron: Google Earth)

Er is een aanvullend veldbezoek uitgevoerd na verstrekking van de rapportage 2003/132/ROS-02 versie 0 d.d 15 september 2020. Hieruit zijn aanvullende resultaten gekomen, welke zijn verwerkt in voorliggend rapport (versie 1). Het rapport van 15 september jl. is hiermee komen te vervallen.

pagina 2 van 19

documentkenmerk: 2003/132/ROS-02, versie 2

2 Bronnenonderzoek Onderhavig onderzoek richt zich met name op soortenbescherming en in beperktere mate op het gebiedsbeschermingsdeel van de Wnb (Natura 2000). In het uitgevoerde bronnenonderzoek is gekeken naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Onder andere is hierbij gebruik gemaakt van de zoogdierenatlas (Broekhuizen et al., 2016) en enkele digitale verspreidingsatlassen. De bevindingen van dit literatuuronderzoek zijn weergegeven in de navolgende twee paragrafen.

2.1 Gebieden In navolgende figuren 3 en 4 is het plangebied met haar ecologisch waardevolle gebieden in highlights weergegeven. In figuur 3 is het Natura 2000-gebied met de gele, limegroene en blauwe kleuren aangeduid. In figuur 4 (op de volgende pagina) betreffen de donkergroene en donkerblauwe highlights het Natuurnetwerk Nederland (verder: NNN). De Natura 2000-gebieden liggen grotendeels binnen het NNN. Van de gebieden die binnen NNN zijn gelegen worden, naast de specifieke soorten en habitattypen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), ook de wezenlijke kenmerken en waarden beschermd.

Figuur 3: plangebied en omgeving (rood omcirkeld) met relevante natuurgebieden (bron: https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten)

Uit figuur 3 kan worden afgeleid dat het plangebied niet in Natura 2000-gebied is gelegen.

pagina 3 van 19

documentkenmerk: 2003/132/ROS-02, versie 2

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is op een afstand van circa 3,8 kilometer ten zuidwesten van het plangebied gelegen en betreft “Donkse Laagten”. Dit gebied bestaat uit vochtige en natte graslanden in de nabijheid van een zandopduiking. De graslanden worden doorsneden door een boezemkanaal. Doelsoorten betreffen enkele niet-broedvogels zoals de kleine zwaan en de brandgans. Het gebied dat daarna het dichtstbij is gelegen betreft het natura 2000-gebied “Uiterwaarden Lek” en is op circa 7,2 kilometer ten noordwesten van het plangebied gelegen. Het gebied Uiterwaarden Lek bestaat uit een viertal terreinen in het stroomdal van de Lek tussen Vianen en Schoonhoven, namelijk de Willige Langerakse Waard, het nabijgelegen schiereiland De Bol, de Koekoeksche Waard en de Kersbersche- en Achthovensche Uiterwaarden. Samen bevatten deze vier terreinen de best ontwikkelde stroomdalgraslanden langs de Lek, een habitattype waarvoor Nederland een internationale verantwoordelijkheid draagt. Naast stroomdalgraslanden zijn ook slikkige rivieroevers, ruigten en zomen en vochtige alluviale bossen deel van de instandhoudingsdoelstellingen. Verder is de kamsalamander een belangrijke habitatrichtlijnsoort. In de navolgende figuur 4, overgenomen uit de kaart van het Natuurbeheerplan van de provincie Zuid-Holland is wederom het aandachtsgebied omcirkeld.

Ook uit deze figuur blijkt dat het plangebied niet in een beschermd gebied ligt. Het dichtstbijzijnde natuurgebied behorende tot het NNN is op een afstand van circa 70 meter ten zuiden van het plangebied gelegen.

Figuur 4: kaart NNN. Het plangebied en omgeving is rood omlijnd (bron: https://pzh.maps.arcgis.com/)

Effecten beschermde gebieden Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het NNN. De provincie Zuid-Holland hanteert geen externe werking als het gaat om NNN, indien een bestemmingsplan leidt tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken anders dan door de verspreiding van stoffen in lucht of water.

pagina 4 van 19

documentkenmerk: 2003/132/ROS-02, versie 2

In dit geval betreft het een beperkte ingreep (sloop van bebouwing en realisatie van drie nieuwe woningen). De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn met circa 3,8 kilometer en 7,2 kilometer op relatief korte afstand gelegen (bij Natura 2000-gebieden moet verspreiding van stoffen in lucht of water wel worden beschouwd). Gezien deze afstand valt een significant negatief effect in het kader van stikstofdepositie niet op voorhand uit te sluiten. Er dient derhalve een berekening van de stikstofdepositie uitgevoerd te worden om een negatief effect aan te tonen dan wel uit te sluiten.

2.2 Soorten Aan de hand van literatuuronderzoek is informatie verzameld over het voorkomen van soorten in de directe omgeving van het plangebied. Hierbij is onder andere gebruik gemaakt van voornoemde zoogdierenatlas. In de werkatlas wordt het voorkomen van soorten per kilometerhok aangeduid. In de zoogdierenatlas wordt dit aangegeven per atlasblok, met afmetingen van 5 bij 5 kilometer. Het plangebied is gelegen in kilometerhok X:114 / Y:437. Aangezien het plangebied slechts een klein gedeelte van het kilometerhok c.q. het atlasblok beslaat is het niet zeker dat de geregistreerde soorten ook daadwerkelijk voorkomen binnen het plangebied. Uit gegevens van de zoogdieren verspreidingsatlas en de NDFF blijkt dat de volgende zoogdieren of sporen van deze soorten (o.a. in braakballen) in de periode van 1989 tot 2020 zijn waargenomen in de directe omgeving van het plangebied: bosmuis, woelrat, ree, bever, huisspitsmuis, laatvlieger, egel, haas, dwergmuis, aardmuis, veldmuis, hermelijn, wezel, bunzing, rosse woelmuis, waterspitsmuis, muskusrat, konijn, gewone zeehond, ruige dwergvleermuis, gewone dwergvleermuis, bruine rat, gewone bosspitsmuis, mol en vos.

In de periode 2000-2020 blijkt uit de gegevens van de NDFF en Ravon dat de volgende soorten zijn waargenomen in de directe omgeving van het plangebied: gewone pad, rugstreeppad, kleine watersalamander, bastaardkikker, meerkikker, heikikker en bruine kikker.

pagina 5 van 19

documentkenmerk: 2003/132/ROS-02, versie 2

3 Veldbezoeken Het plangebied is op 16 juni 2020 in de ochtend bezocht. Er was sprake van licht bewolkt, regenachtig, droog weer, met windkracht 2 Bft en een temperatuur van circa 20 graden Celsius. Tijdens het terreinbezoek is zoveel mogelijk informatie verzameld met betrekking tot de aanwezigheid of afwezigheid van beschermde soorten. De te verzamelen informatie bestaat onder andere uit zicht- en geluidwaarnemingen, sporenonderzoek naar de aanwezigheid van vraat-, loopen veegsporen, nesten, holen, uitwerpselen, prooiresten en haren. Op basis van terreinkenmerken is voorts beoordeeld of het plangebied geschikt is voor de in de regio voorkomende beschermde soorten. Naast het terreinbezoek op 16 juni is op 29 september 2020 in de middag een aanvullend veldbezoek uitgevoerd. Tijdens dit veldbezoek was het licht bewolkt weer, met windkracht 2 Bft en een temperatuur van circa 18 graden Celsius. Dit aanvullende veldbezoek is uitgevoerd enkel bij de stal op het terrein. Het kan voorkomen dat soorten niet worden waargenomen tijdens het veldbezoek aangezien een quickscan een momentopname betreft. Hierdoor kan slechts in beperkte mate uitsluitsel worden gegeven over de aan- of afwezigheid van soorten. Aan de hand van expert-judgement en bekende ecologische principes zal derhalve een inschatting worden gemaakt over het wel of niet voor kunnen komen van beschermde plant- en diersoorten.

Verder is de quickscan geen veldinventarisatie. Veldinventarisaties omvatten meerdere opnamerondes die seizoensgebonden zijn en volgens standaardmethoden worden uitgevoerd. In de huidige situatie bestaat het plangebied uit een woonhuis en enkele opstallen. De in bijlage 1 opgenomen foto’s geven een duidelijk beeld van de huidige situatie van het plangebied.

pagina 6 van 19

documentkenmerk: 2003/132/ROS-02, versie 2

4 Resultaten Onderstaand volgen de resultaten en eerste conclusies van de uitgevoerde veldbezoeken in relatie tot het planvoornemen.

4.1 Flora Tijdens het veldbezoek in juni zijn binnen het plangebied geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Vanwege de enerzijds vele bestrating en anderzijds voedselrijke omstandigheden waaruit het plangebied bestaat zijn ook geen beschermde soorten te verwachten. Beschermde soorten komen namelijk vooral voor op voedselarme, kalkhoudende grond. Conclusie: er zijn geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroep.

4.2 Vogels Uit de bevindingen van het veldbezoek in juni blijkt dat het plangebied slechts voor een aantal soorten vogels geschikt is als onderdeel van het leefgebied. Binnen het plangebied is bebouwing aanwezig zodat het verloren gaan van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vogels niet op voorhand is uit te sluiten. De aanwezige bomen en struiken kunnen dienen als broedgelegenheid. Daarnaast is het gebied geschikt als foerageergebied, echter zullen niet alle vogelsoorten van het gebied gebruik maken. Met name voor vogels die in het “stedelijk gebied”, waterrijk gebied en weidegebied voorkomen zijn binnen en rond het plangebied gunstige biotopen aanwezig. Voor bosen struweelvogels zijn geen geschikte biotopen aanwezig. Tijdens het veldbezoek in juni is een aantal vogels binnen en in de directe omgeving van het plangebied waargenomen, namelijk circa zestien huismussen (Passer domesticus), twee houtduiven (Columba palumbus), een holenduif (Columba oenas), een boerenzwaluw (Hirundo rustica), een kauw (Corvus monedula), een merel (Turdus merula), een groep spreeuwen (Sturnus vulgaris) en een blauwe reiger (Ardea cinerea). Verder zijn overvliegende gierzwaluwen (Apus apus) waargenomen. De te slopen bebouwing bestaat uit een woonhuis (nummer 68), enkele stallen en schuren. Het woonhuis betreft een boerderij waarvan een deel voorheen als stal diende.

Het gebouw heeft een dakpannen dak waarvan de dakpannen van het woondeel dicht op elkaar aansluiten. De gevels van het woongedeelte bevatten tevens geen openingen. Wel zijn er openingen in het dak en in de gevels van het noordelijke deel van het gebouw aanwezig. Wel hebben gebouwbewonende vogels toegang tot de binnenzijde van het gebouw. Er is een oud nest van de boerenzwaluw aangetroffen. Er zijn verder geen nesten aangetroffen van huismussen of andere gebouwbewonende vogels met een jaarrond beschermd nest, zoals de steenuil (Athene noctua) en kerkuil (Tyto alba). Daarbij is het gebouw voor de gierzwaluw ongeschikt vanwege het ontbreken van dakbeschot en geschikte holtes waar zij een jaarrond beschermd nest kunnen bouwen. Ten noorden van het woonhuis bevindt zich een stal met een zadeldak. De groengrijze platen liggen dicht op elkaar aangesloten waardoor er voor gebouwbewonende soorten met een jaarrond beschermd nest geen geschikte openingen aanwezig zijn. Daarbij ontbreekt dakbeschot waardoor

pagina 7 van 19

documentkenmerk: 2003/132/ROS-02, versie 2

er tevens geen geschikte holtes aanwezig zijn die benut kunnen worden. In de noordelijke gevel bevindt zich een raam waarvan het glas mist waardoor er toegang is tot de zolder van de stal. Er zijn in dit gebouw echter geen nesten, sporen of exemplaren aangetroffen van vogels met een jaarrond beschermd nest, zoals de huismus, steenuil of kerkuil. Ten noorden van voorgenoemde schuur bevindt zich een stal met een golfplaten dak en uit bakstenen opgetrokken gevels. Het dak bevat openingen waar dakplaten kapot zijn of volledig missen. Er zit tevens een luik in het dak dat open staat waardoor gebouwbewonende vogels toegang hebben tot de binnenzijde van het pand. In dit pand zijn geen nesten of sporen aangetroffen van vogels met een jaarrond beschermd nest. De gevels van het pand bevatten enkele grote scheuren, maar er is geen nestmateriaal aangetroffen. Daarnaast zijn er geen dakplaten aan de binnenzijde van het dak aanwezig, waardoor er geen holte aanwezig is waar een nest in gebouwd kan worden. Tevens is voor vogels met een jaarrond beschermde verblijfplaats het golfplaten dak geen geschikte nestgelegenheid vanwege de sterk fluctuerende temperaturen en met name de extreme warmte die kan ontstaan in de zomer. Dit is slecht voor de kuikens op het nest aangezien ze aan de hitte kunnen overlijden. Ten noordwesten van de woning bevindt zich een schuur met een zadeldak.

De grijze platen liggen dicht op elkaar aangesloten waardoor er voor gebouwbewonende soorten geen geschikte openingen aanwezig zijn. Onder de dakgoot zijn openingen aanwezig die naar de ruimte onder het dak lijden, maar door de afwezigheid van dakbeschot zijn er geen holtes aanwezig waar gebouwbewonende soorten met een jaarrond beschermd nest zich kunnen vestigen. Ook de gevels zijn intact en bevatten geen openingen die als verblijfplaats kunnen worden benut. In het noorden van het plangebied bevindt zich een bewoonde stacaravan. Het dak bestaat uit golfplaten waaronder wat ruimte aanwezig is. Er is tevens ruimte tussen de dakgoot en de dakplaten. Echter is de holte onder de dakplaten ongeschikt omdat de temperatuur onder dakplaten snel te hoog kan worden. Dit is schadelijk voor gebouwbewonende vogels en hun jongen. Op het terrein zijn tevens meerdere overkappingen en stalletjes aanwezig. Deze gebouwen hebben een open structuur waardoor er niet overal voldoende beschutting is tegen regen en wind. Er zijn geen nesten en sporen aangetroffen van gebouwbewonende soorten met een jaarrond beschermd nest. Een negatief effect ten behoeve van vogels wordt derhalve niet verwacht.

Figuur 5 en 6: foto’s van de schuur met zadeldak ten noordwesten van de woning

pagina 8 van 19

documentkenmerk: 2003/132/ROS-02, versie 2

Figuur 7 en 8: woonhuis Lekdijk Oost 68 met dakpannen bedekt dak

Figuur 9 en 10: woonhuis Lekdijk Oost 68 met dakpannen bedekt dak

Figuur 11 en 12: stal met golfplaten bedekt dak

pagina 9 van 19

documentkenmerk: 2003/132/ROS-02, versie 2

Figuur 13 en 14: overige overkappingen en stalletjes

Figuur 15 en 16: stal met groengrijze platen bedekte dak.

Wel is een verblijfplaats van huismussen aangetroffen in de woning ten oosten van het plangebied (Lekdijk 2). De verblijfplaats bevindt zich onder het dakoverstek daar waar een baksteen mist. Daarnaast zijn er op de goot van de woning ook meerdere huismussen waargenomen. De zestien waargenomen huismussen zijn verder onder andere waargenomen in de beplanting op de grens met de woning Lekdijk 2 en het plangebied die als dekking dient. Tevens zijn er in de woningen Lekdijk Oost 2 tot en met 14 meerdere geschikte openingen onder de dakpannen aanwezig, om als vaste verblijfplaats te kunnen dienen voor huismussen. De voorgenomen plannen zullen geen negatief effect veroorzaken op eventueel aanwezige nesten in deze woningen. Tevens zijn de huismussen waargenomen op het terrein Lekdijk Oost 62A. Hier is veel dekking aanwezig in de vorm van bomen en struiken en is het ruiger begroeid dan binnen het plangebied het geval is. Vanuit deze beplanting zijn de huismussen foeragerend in het plangebied waargenomen, op onder andere het braakliggend terrein en bomen op de grens met Lekdijk Oost 62A. Het vermoeden is dat bij de woning Lekdijk Oost 62A tevens verblijfplaatsen aanwezig zijn, aangezien een aantal huismussen in de buurt van deze woning zijn waargenomen.

pagina 10 van 19

documentkenmerk: 2003/132/ROS-02, versie 2

Figuur 17: woning Lekdijk Oost 2 waarop tevens een huismus is te zien op de dakgoot

Gezien er binnen het plangebied geen verblijfplaatsen van huismussen zijn aangetroffen zullen de huismussen die zijn aangetroffen het plangebied uitsluitend gebruiken als foerageergebied. Indien er rekening wordt gehouden met de aanwezige verblijfplaats in de buurwoning en mogelijke verblijfplaatsen in de directe omgeving wordt een nadelig effect ten aanzien van de huismus niet verwacht, mede omdat in de directe omgeving van het plangebied meer geschikt foerageergebied aanwezig is, zoals de tuinen van de woningen ten westen en oosten van het plangebied. Daarnaast zal volgens de landschappelijke inpassing (Lagendijk d.d. 16 december 2020) behoud, herstel en versterking van het bestaande boerenerf karakter plaatsvinden, door onder andere zo veel mogelijk het groene karakter van de locatie te behouden en streekeigen beplanting in te passen, zoals fruitbomen, erfbomen en afscheidingshagen. Deze beplanting kan tevens als dekking dienen voor huismussen en onderdeel zijn van het foerageergebied. De huidige beplanting op de grens met de naastgelegen percelen blijft daarnaast behouden zoals de bestaande knotwilgenrij ten westen van het plangebied, net als enkele bomen aan de zuidwestelijke zijde. Conclusie: een aantal vogelsoorten zal het plangebied met name benutten als foerageergebied. Dit vormt echter geen belemmering voor het planvoornemen.

Het plangebied zal geen essentieel foerageergebied zijn voor deze soorten en het gebied kan bovendien als foerageergebied (tuin) in gebruik blijven. Wel wordt bij de voorgenomen sloopwerkzaamheden verwezen naar de in hoofdstuk 5 omschreven werkwijze.

pagina 11 van 19

documentkenmerk: 2003/132/ROS-02, versie 2

4.3 Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek in juni zijn geen exemplaren of voortplantings- en/of verblijfplaatsen van soorten aangetroffen die zijn beschermd volgens de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. In de omgeving van het plangebied komen kleine marterachtigen voor zoals de wezel (Mustela nivalis), hermelijn (Mustela erminea) en bunzing (Mustela putorius). De bunzing en hermelijn geven de voorkeur aan gebieden met oppervlaktewater en schuilmogelijkheden zoals heggen, houtwallen, bosranden en natuurlijke oevers. De wezel heeft de voorkeur voor open, droge natuuren cultuurlandschap met in de omgeving voldoende dekking. Het plangebied is ongeschikt voor zowel de bunzing, wezel als hermelijn vanwege enerzijds de bestrating en bebouwing en anderzijds het gebrek aan voldoende natuurlijke schuilmogelijkheden. Er is tevens een hond aanwezig die los over het terrein loopt. Ook zijn er geen sporen aangetroffen zoals holen, vraatsporen of uitwerpselen. In de directe omgeving van het plangebied is tevens geschikter leefgebied aanwezig. De waterspitsmuis (Neomys fodiens) komt voor in de omgeving van het plangebied. Deze soort is te vinden in schoon, niet al te voedselrijk en snelstromend water met een goed ontwikkelde wateren oevervegetatie waarin voldoende schuilmogelijkheden aanwezig zijn.

Vanwege het ontbreken van geschikt leefgebied is het plangebied ongeschikt voor de waterspitsmuis. Ook de bever (Castor fiber) komt voor in de omgeving van het plangebied. Bevers leven voornamelijk in overgangsgebieden tussen land en water zoals moerassen, langs beken, rivieren en meren. De bever heeft een voorkeur voor rustige rivieren en meren omzoomd door broekbossen met bomen zoals wilgen en es. Aangezien het onderzoeksgebied voornamelijk bestaat uit bebouwing en bestrating is het terrein ongeschikt als leefgebied voor de bever. In de omgeving van het plangebied zijn voldoende alternatieven aanwezig in de vorm van weiland om als foerageergebied te dienen voor algemeen voorkomende soorten. Ook zal het plangebied beschikbaar blijven als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren. Conclusie: er zijn geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroep.

4.4 Vleermuizen Er is bebouwing aanwezig binnen het plangebied waardoor de aanwezigheid van verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen niet op voorhand valt uit te sluiten. De te slopen bebouwing bestaat uit een woonhuis (nummer 68), enkele stallen en schuren. Het woonhuis betreft een boerderij waarvan een deel voorheen als stal diende. Het gebouw heeft een dakpannen dak waarvan de dakpannen van het woondeel dicht op elkaar aansluiten waardoor er geen toegang is tot de ruimte onder het dak. De gevels van het woongedeelte bevatten tevens geen openingen. Wel zijn er openingen in het dak en in de gevels van het noordelijke deel van het gebouw aanwezig. Er is echter geen dakbeschot aanwezig waardoor er onder het dak geen geschikte holtes aanwezig zijn die als verblijfplaats kunnen dienen. Verder heeft het gehele gebouw geen spouw waar gebouwbewonende vleermuizen een verblijfplaats kunnen vestigen.

pagina 12 van 19

documentkenmerk: 2003/132/ROS-02, versie 2

Ten noorden van het woonhuis bevindt zich een stal met een zadeldak. De groengrijze platen liggen dicht op elkaar aangesloten. Het dakbeschot ontbreekt waardoor er tevens geen geschikte holtes aanwezig zijn die als verblijfplaats benut kunnen worden. Het gebouw heeft geen spouw waar gebouwbewonende vleermuizen een verblijfplaats kunnen vestigen. Ten noorden van voorgenoemde schuur bevindt zich een stal met een golfplaten dak en uit bakstenen opgetrokken gevels. Het dak bevat openingen waar dakplaten kapot zijn of volledig missen. Er zijn echter geen geschikte holtes onder het dak aanwezig vanwege het ontbreken van dakbeschot. Daarbij zijn golfplatendaken doorgaans ongeschikt als verblijfplaats vanwege de sterk fluctuerende temperatuur. Vleermuizen hebben baat bij een constante temperatuur. De gevels van het pand bevatten enkele grote scheuren waardoor er toegang is tot de spouw. Er is tijdens het tweede bezoek op 29 september met behulp van een endoscoop en warmtecamera naar de gevels van de stal gekeken. Gebleken is dat de spouw niet doorloopt, maar enkel aanwezig is ter plaatse van de gevels op de begane grond. De scheur in de noordelijke gevel is zo groot, dat de temperatuur in de spouw te veel fluctueert en het er tevens te tochtig is voor vleermuizen om hierin te verblijven.

Daarnaast is in de spouw ook een gedeelte met stro aanwezig waardoor er minder ruimte geboden wordt aan vleermuizen om zich door de spouw heen te bewegen. De zuidelijke gevel bevat tevens een scheur die toegang biedt tot de spouw die daaronder gelegen is. Aan de binnenzijde van het pand is echter een deel van de spouw opengebroken. Vanwege deze opening en de scheur aan de buitenzijde, zal hier een luchtstroom ontstaan, waardoor de spouw minder geschikt is voor vleermuizen als vaste verblijfplaats. In beide scheuren is tevens spinrag aanwezig, dat duidt op geen recent gebruik van de ruimte door vleermuizen. Ten noordwesten van de woning bevindt zich een schuur met een zadeldak. De grijze platen liggen dicht op elkaar aangesloten waardoor er geen geschikte openingen aanwezig zijn. Vanwege de afwezigheid van dakbeschot zijn er geen holtes aanwezig waar gebouwbewonende vleermuizen zich kunnen vestigen. Daarbij zijn daken die uit platen bestaan vaak ongeschikt als verblijfplaats vanwege de fluctuerende temperatuur. Vleermuizen hebben baat bij een constante temperatuur. Ook de gevels zijn intact en bevatten geen openingen die als verblijfplaats kunnen worden benut. In het noorden van het plangebied bevindt zich een bewoonde stacaravan. Het dak bestaat uit golfplaten waaronder wat ruimte aanwezig is.

Er is tevens ruimte tussen de dakgoot en de dakplaten, maar deze ruimte is onvoldoende voor gebouwbewonende vleermuizen. De ruimte onder de dakplaten is tevens ongeschikt omdat de temperatuur onder dakplaten snel te hoog kan worden. Dit is schadelijk voor gebouwbewonende vleermuizen. Op het terrein zijn tevens meerdere overkappingen en stalletjes aanwezig. Deze gebouwen hebben een open structuur waardoor er niet overal voldoende beschutting is tegen regen en wind. Er zijn geen holtes waar gebouwbewonende vleermuizen een verblijfplaats kunnen vestigen. In de bomen op de grens van het plangebied zijn geen geschikte holtes of scheuren aanwezig die dienst kunnen doen als vaste verblijfplaats voor vleermuizen. Ook zijn er geen sporen zoals ontlasting of vraatsporen in de vorm van vlindervleugels gevonden. Mogelijk zal het plangebied gebruikt worden als foerageergebied door vleermuizen. Het is echter geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen omdat in de directe omgeving voldoende alternatieve foerageergebieden aanwezig zijn zoals de tuinen van omliggende woningen en de weilanden in de omgeving van het plangebied.

pagina 13 van 19

documentkenmerk: 2003/132/ROS-02, versie 2

Vleermuizen maken gebruik van vliegroutes om zich te verplaatsen van verblijfplaatsen naar foerageergebieden. Hiervoor worden lange, aaneengesloten bomenrijen en andere lijnvormige landschapsstructuren zoals heggen en houtwallen gebruikt. De bomen binnen het plangebied vormen geen aaneengesloten bomenrij, maar vormen enkele kleine groepjes die zich langs de weilanden bevinden. Wel wordt geadviseerd tijdens de sloop- en bouwwerkzaamheden de zorgplicht in acht te nemen. Om verstoring op vleermuizen te voorkomen dient overdag te worden gewerkt en indien verlichting noodzakelijk is dient deze tot het minimum aantal te worden beperkt en enkel te worden gericht op de sloop- en bouwlocatie. Het verlichten van de aanwezige watergangen en hogere begroeiing binnen op de grens met het plangebied dient te worden gemeden om te voorkomen dat er een negatief effect ontstaat op het foerageer- en vlieggedrag van vleermuizen. Daarnaast kan worden gewerkt met vleermuisvriendelijke, amberkleurige verlichting. Conclusie: de bebouwing is ongeschikt als verblijfplaats waardoor er rondom deze bebouwing geen negatief effect wordt verwacht ten aanzien van gebouwbewonende vleermuizen. Mogelijk wordt er door vleermuizen gefoerageerd binnen en in de directe omgeving van het onderzoeksgebied.

Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden. Indien de sloopwerkzaamheden overdag uitgevoerd worden, is een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten. Een negatief effect op vaste vliegroutes is eveneens niet te verwachten. Wel dient eventuele verlichting tot het minimum te worden beperkt en de aanwezige watergang en begroeiing dienen niet te worden verlicht. Gezien het vorenstaande zijn er geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot vleermuizen. Een nader onderzoek naar vleermuizen is derhalve niet aan de orde.

4.5 Amfibieën, reptielen en vissen Tijdens het veldbezoek in juni zijn geen beschermde amfibieën en reptielen aangetroffen en zijn er geen sporen van deze soortgroepen aangetroffen op de grens van het plangebied is oppervlaktewater aanwezig in de vorm van een sloot die aan de noordelijke en westelijke van het plangebied loopt. De aanwezigheid van (beschermde) vissen kan derhalve niet op voorhand worden uitgesloten. Beschermde vissen hebben echter de voorkeur voor schone, niet al te voedselrijke, snelstromende wateren. Het oppervlaktewater op de grens van het plangebied is ongeschikt voor beschermde vissen vanwege de voedselrijke omstandigheden en het stilstaande water. Daarnaast zal het aanwezige oppervlaktewater niet worden aangetast door de plannen. De bebouwing gaat verdwijnen waarvoor in de plaats nieuwbouw zal worden gerealiseerd. De sloten zorgen samen met andere landschappelijke patronen, zoals knotwilgen voor bepaalde zichtlijnen vanuit het dorp naar het landschap, die gehandhaafd blijven (Lagendijk, d.d. 16 december 2020). Vanwege de aanwezigheid van oppervlaktewater kan de aanwezigheid van beschermde amfibieën eveneens niet op voorhand worden uitgesloten. De sloot aan de oostelijke en westelijke zijde van plangebied loopt is echter ongeschikt als voortplantingswater.

De oever is namelijk stijl en lastig tot niet te beklimmen waardoor migratie van en naar het voortplantingswater bemoeilijkt wordt. Het plangebied is in de huidige staat eveneens ongeschikt als landhabitat voor de beschermde amfibieën die in de omgeving van het plangebied voorkomen, zoals de heikikker (Rana arvalis) en de rugstreeppad (Epidalea calamita). De heikikker heeft een voorkeur voor landschapstypen zoals heide, hoogveen, laagveen en half natuurlijk grasland. Ze komen voornamelijk voor in kleine geïsoleerde wateren (in het bijzonder vennen) en in sloten. De heikikker overwintert op het land op vorstvrije plekken en nagenoeg niet in het water. De rugstreeppad heeft een voorkeur voor duinen en ruderale terreinen met een pionier karakter. Ze hebben een voorkeur voor gebieden met veel

pagina 14 van 19

documentkenmerk: 2003/132/ROS-02, versie 2

dynamiek, zoals braakliggende bouwterreinen, groeven en zand- en kleiafgravingen, (rivier)duinen en uiterwaarden. De rugstreeppad heeft behoefte aan een makkelijk vergraafbare bodem en de aanwezigheid van divers materiaal waaronder ze kunnen schuilen. Het plangebied is vanwege de bestrating en bebouwing ongeschikt voor de heikikker en rugstreeppad. Er dient tijdens de geplande werkzaamheden echter wel rekening te worden gehouden met het voorkomen van de rugstreeppad zoals beschreven in hoofdstuk 5. Conclusie: er komen noch vissen noch beschermde soorten reptielen en amfibieën voor in het plangebied. De eventuele aanwezigheid van algemeen voorkomende soorten reptielen en amfibieën zoals bijvoorbeeld de gewone pad en bruine kikker vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.6 Ongewervelden/ overige soorten Beschermde soorten ongewervelden en overige soorten zijn niet waargenomen en ook niet te verwachten binnen het plangebied. Beschermde soorten stellen specifieke eisen aan een biotoop en gezien enerzijds de afwezigheid van geschikt oppervlaktewater en anderzijds de bestrating en bebouwing is het plangebied voor veel soorten niet geschikt. Conclusie: er zijn geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroepen.

pagina 15 van 19

documentkenmerk: 2003/132/ROS-02, versie 2

5 Conclusies Doel van het onderhavige onderzoek is te bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de natuurwetgeving.

5.1 Beschermde gebieden Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het NNN. De provincie Zuid-Holland hanteert geen externe werking als het gaat om NNN, indien een bestemmingsplan leidt tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken anders dan door de verspreiding van stoffen in lucht of water. In dit geval betreft het een beperkte ingreep (sloop van bebouwing en realisatie van drie nieuwe woningen). De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn met circa 3,8 kilometer en 7,2 kilometer op relatief korte afstand gelegen (bij Natura 2000-gebieden moet verspreiding van stoffen in lucht of water wel worden beschouwd). Gezien deze afstand valt een significant negatief effect in het kader van stikstofdepositie niet op voorhand uit te sluiten. Er dient derhalve een berekening van de stikstofdepositie uitgevoerd te worden om een negatief effect aan te tonen dan wel uit te sluiten.

5.2 Soorten Er wordt in het kader van de Wnb nagegaan of vaste rust- en verblijfplaatsen door de beoogde ingreep opzettelijk worden aangetast (verwijderd, ongeschikt gemaakt) of dat dieren opzettelijk worden verontrust, verjaagd of gedood. Verder is er gekeken of er invloeden zijn die leiden tot een verminderde geschiktheid als foerageergebied waarbij het een zodanig belang betreft dat bij het wegvallen van deze functie ook vaste rust- en verblijfplaatsen niet langer kunnen functioneren. Flora Er zijn binnen het plangebied geen beschermde wilde plantensoorten aangetroffen. Deze soorten zijn ook niet te verwachten. Om deze redenen zullen er door de voorgenomen plannen geen nadelige effecten optreden ten aanzien van deze soortgroep en zijn er, naast de zorgplicht, vanuit de Wnb geen verdere verplichtingen. Vogels Er zijn geen vogelnesten c.q. verblijfplaatsen aangetroffen van vogels waarvan de nest- en verblijflocaties jaarrond zijn beschermd. Algemeen voorkomende soorten zonder jaarrond beschermd nest kunnen blijven broeden in de directe omgeving van het plangebied. Indien broedende vogels in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn, kunnen verstorende werkzaamheden zoals bouwwerkzaamheden of een verwijdering van beplanting mogelijk echter niet plaatsvinden zonder hinder te veroorzaken.

Wanneer er geen broedende vogels aanwezig zijn kunnen de werkzaamheden wel plaatsvinden. Indien er op deze manier wordt gehandeld, treden er geen nadelige effecten op ten aanzien van vogels. Wanneer de werkzaamheden in het geheel plaatsvinden in de minst kwetsbare periode (tussen begin oktober en half februari) worden eveneens geen nadelige effecten verwacht. Dit laatste verdient derhalve aanbeveling. Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd op bovenstaande wijze, zullen er geen nadelige effecten optreden ten aanzien van vogels.

pagina 16 van 19

documentkenmerk: 2003/132/ROS-02, versie 2

Grondgebonden zoogdieren Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen De bebouwing is ongeschikt als vaste verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Mogelijk wordt er gefoerageerd binnen en nabij het plangebied. Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden. In de directe omgeving van het plangebied is echter voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de vorm van weilanden in de omgeving van het plangebied. Ook is het verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten indien de sloopwerkzaamheden overdag uitgevoerd worden. Een negatief effect op vaste vliegroutes is eveneens niet te verwachten. Wel dient eventuele verlichting tot het minimum te worden beperkt en dienen de aanwezige watergang en begroeiing niet te worden verlicht.

Gezien het vorenstaande zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot vleermuizen. Amfibieën, reptielen en vissen Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot amfibieën, reptielen en vissen. Ongewervelden/ overige soorten Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Er zijn derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroepen.

5.3 Zorgplicht Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk. Als “veilige” periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half oktober tot eind november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Bovendien zijn de houtduiven uit het laatste legsel dan ook uitgevlogen. Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kunnen bijvoorbeeld struiken gedurende het groeiseizoen kort gesnoeid worden, zodat er geen vogels gaan broeden.

pagina 17 van 19

documentkenmerk: 2003/132/ROS-02, versie 2

Bij het inrichten van het bouwterrein dient te worden gezorgd dat het gebied niet aantrekkelijk wordt voor de vestiging van de rugstreeppad. Het ontstaan van poeltjes of plassen op het bouwterrein in het zomerhalfjaar (vanaf april) dient derhalve te wordt voorkomen, zodat er geen geschikt voortplantingswater voor de rugstreeppad aanwezig is. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te beperken (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen).

5.4 Eindconclusie In onderstaande punten wordt de eindconclusie weergegeven: •

de omschreven werkwijzen met betrekking tot zowel de zorgplicht als ten aanzien van vogels dienen in acht te worden genomen zodat een overtreding van de natuurwetgeving wordt voorkomen;

•

om een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten, dienen de voorgenomen

•

nader onderzoek naar soorten is niet noodzakelijk;

•

een ontheffing in het kader van de Wnb (soorten) is niet noodzakelijk;

•

voor algemeen voorkomende soorten geldt een algemene vrijstelling als het ruimtelijke

sloopwerkzaamheden en toekomstige bouwwerkzaamheden overdag te worden uitgevoerd;

ingrepen betreft; •

om eventuele stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan te tonen of uit te sluiten dient een stikstofberekening te worden uitgevoerd.

5.5 Advies Checklist natuurvriendelijke maatregelen Bij het ontwerp van het nieuw te bouwen woningen wordt geadviseerd gebruik te maken van de checklist natuurvriendelijke maatregelen aan gebouwen van de Vogelbescherming. Diverse natuurbeschermingsinstanties en bedrijven geven hier meer informatie over. Erfbeplanting Indien er een erfbeplanting is gepland of wordt vernieuwd, adviseren wij deze met inheemse en streekeigen soorten bomen en struiken te realiseren. Informeer hiervoor bij uw provincie of gemeente.

pagina 18 van 19

documentkenmerk: 2003/132/ROS-02, versie 2

6 Literatuurlijst Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J.B.M., Canters, K.J., Buys, J.C. (2016) Atlas van de Nederlandse zoogdieren - deel 12 serie Nederlandse fauna. Knnv Uitgeverij Delft, J.J.C.W. van, Schuitema, W. (2005) Werkatlas amfibieën en reptielen in Noord-Brabant. Stichting Ravon Lagendijk tuin- en landschapsarchitecten bv (2020) Landschappelijke inpassing van nieuwe woningen aan de Lekdijk Oost 66 en 68 te Bergambacht. D.d. 16 december 2020. NDFF (2020) Geraadpleegd op 25 augustus 2020 via https://www.verspreidingsatlas.nl/ Ravon (2020) Geraadpleegd op 25 augustus 2020 via http://www.ravon.nl/ Zoogdiervereniging (2020) Geraadpleegd op 25 augustus 2020 via http://www.zoogdiervereniging.nl/

pagina 19 van 19

Fotobijlage: 2003/132/ROS-02, Lekdijk Oost 66 & 68 te Bergambacht

Foto 1

Foto 2

Foto 3

pagina 1

Fotobijlage: 2003/132/ROS-02, Lekdijk Oost 66 & 68 te Bergambacht

Foto 4

Foto 5

Foto 6

pagina 2

Fotobijlage: 2003/132/ROS-02, Lekdijk Oost 66 & 68 te Bergambacht

Foto 7

Foto 8

Foto 9

pagina 3

Fotobijlage: 2003/132/ROS-02, Lekdijk Oost 66 & 68 te Bergambacht

Foto 10

Foto 11

Foto 12

pagina 4

Fotobijlage: 2003/132/ROS-02, Lekdijk Oost 66 & 68 te Bergambacht

Foto 13

Foto 14

Foto 15

pagina 5

Fotobijlage: 2003/132/ROS-02, Lekdijk Oost 66 & 68 te Bergambacht

Foto 16

Foto 17

Foto 18

pagina 6

Fotobijlage: 2003/132/ROS-02, Lekdijk Oost 66 & 68 te Bergambacht

Foto 19

Foto 20

Foto 21

pagina 7

Fotobijlage: 2003/132/ROS-02, Lekdijk Oost 66 & 68 te Bergambacht

Foto 22

Foto 23

Foto 24

pagina 8

Fotobijlage: 2003/132/ROS-02, Lekdijk Oost 66 & 68 te Bergambacht

Foto 25

Foto 26

Foto 27

pagina 9

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=1921427a-30df-4951-8620-0ae86d04d2cb