BIJL 10: ruimtelijke onderbouwing NL.IMRO.1931.PB2005BG012-VG01, d.d. 28-09-2021
Tekst van het document
De mogelijkheden voor duurzaam bouwen dienen bij elk project bezien te worden. Eén van de mogelijkheden om hieraan invulling te geven is het gebruik van GPR-Gebouw. GPR-Gebouw is een manier om duurzaam bouwen te concretiseren en doet dit door een rapportcijfer te geven op een vijftal thema's te weten: Energie, Milieu, Gezondheid, Gebruikskwaliteit en Toekomstwaarde. Hierbij geldt, hoe hoger het cijfer, hoe duurzamer het gebouw. Door GPR-Gebouw in te vullen wordt meer nagedacht over duurzaamheid tijdens het ontwerpen en (ver)bouwen van gebouwen. Conclusie Het entreegebouw wordt nagenoeg energieneutraal uitgevoerd. De nieuwbouw wordt niet aangesloten op het aardgasnetwerk. Bij uitwerking van het plan wordt rekening gehouden met de gemeentelijke uitgangspunten op het gebied van Duurzaam bouwen.
3.4
Conclusie
Dit bouwplan voldoet aan het geschetste rijksbeleid, omdat de mogelijkheden worden benut om de kwaliteit en vitaliteit van de groene ruimte te verbeteren. Met deze planontwikkeling zijn verder geen rijksbelangen gemoeid. In de provinciale Omgevingsvisie ligt het plangebied in het buitengebied, waarin het is aangeduid als 'Recreatieterrein'. De herontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit en qua aard en schaal bij wat er al is in het gebied. Dit betekent dat sprake is van 'inpassing', zodat aanvullende maatregelen op het vlak van ruimtelijke kwaliteit niet nodig zijn. Mitsdien is dit bouwplan in overeenstemming met de provinciale belangen. De herontwikkeling van het entreegebouw past binnen de uitgangspunten van het gemeentelijke beleid, zoals dat is vastgelegd in de hiervoor genoemde beleidsdocumenten. De bebouwing wordt landschappelijk ingepast. De cultuurhistorische structuur van het dijklint wordt niet aangetast.
26
Ruimtelijke onderbouwing
omgevingsvergunning Camping Streefland, Provincialeweg West 27
Hoofdstuk 4 4.1
Water
Inleiding
Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een Watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken.
4.2
Beleidskader rijk en provincie
4.2.1 Rijk Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016 – 2021 (NWP2) vastgesteld. Het NWP2 is het formele rijksplan voor het nationale waterbeleid en is, voor wat betreft de ruimtelijke aspecten, een structuurvisie zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. In de Waterwet is vastgelegd dat het Rijk dit plan eens in de zes jaar actualiseert. Het NWP2 geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot duurzaam waterbeheer. Het NWP2 richt zich op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. In het Nationaal Waterplan zijn de maatregelen benoemd die worden genomen om de verschillende doelen te bereiken. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; Nederlanders leven waterbewust.
Het waterbeleid zoals geformuleerd in het NWP2 werkt door op provinciaal en regionaal niveau, om zo te komen tot gebiedsgericht beleid. Via het provinciaal en gemeentelijk waterbeleid en het beleid van de waterschappen dient het rijksbeleid zoals geformuleerd in het NWP door te werken tot op bestemmingsplanniveau. De watertoets, die is geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening, blijft een belangrijk instrument om de waterbeheerder vroegtijdig bij ruimtelijke planprocessen te betrekken. Daarnaast is in het NWP2 aangegeven dat aandacht moet worden geschonken aan de planologische borging van beschermingszones van primaire waterkeringen, door deze vast te leggen in bestemmingsplannen. Eén en ander is op rijksniveau in het Barro vastgelegd. 4.2.2 Beleid provincie Op provinciaal niveau heeft de provincie Zuid-Holland het beleid vertaald in het Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016-2021. Dit plan bepaalt het waterbeleid. Het gaat om waterveiligheid, waterkwantiteit, waterkwaliteit en een robuust en veerkrachtig watersysteem. In de Omgevingsvisie is veel ruimtelijk waterbeleid geïntegreerd. De visie omvat onder andere het wettelijk verplichte regionale waterplan als genoemd in artikel 4.4 van de Waterwet.
Voor de provincie zijn naast de Waterwet (Omgevingswet in 2021) en de Drinkwaterwet ook andere kaders en plannen bepalend en richtinggevend voor het beleid ten aanzien van de drinkwatervoorziening. Provinciaal Waterplan 2010 - 2015 Een aantal onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 – 2015 blijft ongewijzigd van kracht. Dit heeft betrekking op een onderdeel van waterveiligheid, water en natuur en vismigratie. In dit Plan staat uitgebreid beschreven hoe de provincie, samen met waterschappen en andere partners, een duurzame en klimaatbestendige delta zal realiseren en behouden, waar het veilig en aangenaam wonen, werken en recreëren is. In het Provinciaal Waterplan zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationale waterplan vertaald naar strategische doelstellingen
Ruimtelijke onderbouwing
27
omgevingsvergunning Camping Streefland, Provincialeweg West 27
voor Zuid-Holland. Het Waterplan heeft vier hoofdopgaven: 1. Waarborgen waterveiligheid 2. Zorgen voor mooi en schoon water 3. Ontwikkelen duurzame zoetwatervoorziening 4. Realiseren robuust en veerkrachtig watersysteem In het plan zijn deze opgaven verder uitgewerkt in 19 thema's én voor drie gebieden, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit leidt tot een integrale visie op de ontwikkeling van de Zuid-Hollandse Delta, het Groene Hart en de Zuidvleugel van de Randstad.
4.3
Beleid hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard
Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het Waterbeheerplan HHSK 2016-2021, de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard, algemene regels bij de Keur, peilbesluiten, leggers en andere documenten (zie www.hhsk.nl/diensten/publicaties). In deze documenten heeft HHSK de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het waterschap met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies, en het wegenbeheer in de Krimpenerwaard vastgelegd. HHSK streeft ernaar om samen met gemeenten als partners op te trekken. Er moet worden ingezet op intensief overleg met gemeentebesturen voor het kunnen realiseren van projecten. De ruimtelijke ordening en de waterhuishouding moeten in onderlinge relatie worden ontwikkeld. Op basis van ervaring en deskundigheid adviseert HHSK over de mogelijkheden voor een duurzaam watersysteem. De laatste jaren is het inzicht gegroeid dat op een duurzamer wijze met het stedelijk waterbeheer dient te worden omgegaan, mede gezien de klimaatveranderingen.
Aandachtspunten voor het duurzame stedelijk waterbeheer zijn het minimaliseren van wateroverlast, het realiseren van voldoende waterberging waarbij zoveel mogelijk een ecologische inrichting wordt nagestreefd, het verantwoord afkoppelen van verhard oppervlak en het voorkomen van diffuse verontreinigingen door toepassing van duurzame bouwmaterialen. De visie is uitgewerkt in een concreet maatregelenplan: het woongenot, de belevingswaarde en de recreatieve mogelijkheden op en in het water voor burgers nemen toe; de waterkwaliteit voldoet tenminste aan de algemene milieukwaliteitseisen; het waterhuishoudkundig systeem kent goede aan- en afvoermogelijkheden, waarbij de doorspoelbaarheid en de mogelijkheid om onder normale omstandigheden het waterpeil binnen zekere marges te handhaven, voldoende worden gewaarborgd; het watersysteem is zo ingericht dat het de ontwikkeling van biologisch gezond water bevordert. In zijn algemeenheid geldt dat voor aanpassingen aan het bestaande waterhuishoudingsysteem bij het Hoogheemraadschap vergunning dient te worden aangevraagd op grond van de Keur, tenzij voor de activiteit algemene regels van toepassing zijn. Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 De Verenigde Vergadering van het hoogheemraadschap heeft op 27 juni 2012 het Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 vastgesteld.
Dit beleid heeft tot doel om ongewenste effecten van verhardingstoename op het watersysteem te voorkomen. Een belangrijk ongewenst effect van verhardingstoenamen is de versnelde afvoer van neerslag. Voor verschillende ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorwaarden beschreven om de te verwachten effecten op het watersysteem te compenseren. Toetsingscriteria Er wordt onderscheid gemaakt in drie typen plannen: kleine, middelgrote en grote ruimtelijke ontwikkelingen. Onderstaand is per type toegelicht hoe HHSK omgaat met de typen ruimtelijke ontwikkelingen: 1. Kleine plannen: Plannen met een verhardingstoename tot 500 m² 2. Middelgrote plannen: Plannen met een verhardingstoename groter dan 500 m² en kleiner dan 10 hectare bruto planoppervlak 3. Grote plannen: Een plan groter dan 10 hectare bruto planoppervlak Kleine plannen Voor kleine ruimtelijke ontwikkelingen met een verhardingstoename is geen compensatie noodzakelijk.
28
Ruimtelijke onderbouwing
omgevingsvergunning Camping Streefland, Provincialeweg West 27
Kleine plannen hebben een gering effect op de waterhuishouding. Daarnaast bestaat er een zekere onzekerheid in berekening door de invoergegevens, berekeningsmethode en gevolgen van de klimaatsverandering. Door rekening te houden met de onzekerheid en om onevenredige belasting van de organisatie door dergelijke plannen te voorkomen, wordt compensatie voor een geringe verhardingstoename kwijtgescholden. Deze kwijtschelding, namelijk de aftrek van 500 m² verhardingstoename, geldt in verband met gelijkheid voor alle ruimtelijke ontwikkelingen binnen het beheergebied van HHSK.
4.4
Waterhuishouding
4.4.1 Beschrijving watersysteem Het plangebied ligt in de Polder Beneden Haastrecht. De watergangen zijn belangrijk voor de aan- en afvoer van water in de polder. De Provincialeweg West betreft een regionale waterkering met een beschermingszone van 5 m. De overige watergangen hebben een beschermingszone van 2 m. In figuur 7 is een uitsnede opgenomen van de Legger oppervlaktewatersystemen. De watergangen zorgen voor de afwatering van het gebied.
Figuur 7: Uitsnede Legger oppervlaktewatersystemen. Nieuwbouw groen omstreept aangeduid. 4.4.2 Veiligheid en waterkeringen Het plan grenst in noordelijke richting aan een regionale waterkering op grond van de Legger Waterkeringen. Een kleine strook ligt in de beschermingszone. Overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan wordt hiervoor de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' opgenomen. De nieuwbouw wordt buiten de beschermingszone gerealiseerd zoals aangegeven in figuur 7.
Ruimtelijke onderbouwing
29
omgevingsvergunning Camping Streefland, Provincialeweg West 27
4.4.3 Waterkwantiteit Ruimtelijke ontwikkelingen Elke ruimtelijke ontwikkeling kan invloed hebben op water. Niet alleen bouwen nabij of op een waterkering, maar ook een toename van verhard oppervlak. Een ruimtelijke ontwikkeling moet minimaal voldoen aan de belangrijkste minimale voorwaarde: “het standstill beginsel”. Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding mag ontstaan. In het kader van een watertoetsproces moeten de gemeente en het waterschap zoeken naar kansen om het watersysteem te verbeteren en duurzaam in te richten. Voor elke toename van verharding van meer dan 500 m² is een Watervergunning nodig. Toekomstige situatie Het plangebied is in gebruik als recreatiedoeleinden. De bestemming blijft gehandhaafd met dien verstande dat het bouwvlak wordt aangepast, omdat de nieuwbouw meer oostelijk wordt gerealiseerd. Het bestaande entreegebouw wordt gesloopt. Op grond van de richtlijnen van het hoogheemraadschap dient in beginsel 15% water te worden gecompenseerd wanneer meer dan 500 m² verhard oppervlak wordt aangelegd. In onderhavige situatie wordt een bestaand entreegebouw van 245 m² gesloopt. In de plaats hiervan wordt een nieuw bedrijfsgebouw teruggebouwd met een iets grotere oppervlakte van afgerond 255 m².
De nieuwbouw wordt tot de bestaande watergang gebouwd met aansluitend een veranda/ buitenterras boven de sloot, zodat er geen water hoef te worden gedempt. Per saldo neemt het verhard oppervlak toe/af. Op grond van de richtlijnen van het hoogheemraadschap is geen watercompensatie nodig. Waterafvoer Het hemelwater van het dak van de nieuwe bebouwing wordt afgevoerd op de aanwezige watergangen. Het afvalwater zal op het bestaande rioolstelsel worden aangesloten overeenkomstig het gemeentelijk rioleringsbeleid. Bij bouwactiviteiten zal geen gebruik worden gemaakt van uitloogbare bouwmetalen. 4.4.4 Wateradvies De Watertoets is via www.dewatertoets.nl op 9 augustus 2019 (dossiercode 20190809-40-21163) uitgevoerd. Op basis hiervan is geconcludeerd dat er er een waterstaatkundig belang is. In verband hiermede wordt het ontwerpbesluit om advies voorgelegd aan het hoogheemraadschap. De resultaten worden verwerkt, nadat het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro is afgerond. 4.4.5 Conclusie De Watertoets is kort doorlopen via dewatertoets.nl. Hieruit is gebleken dat er waterschapsbelangen worden geraakt. Op 28 februari 2020 heeft het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard bericht dat er vanuit waterhuishoudkundige overwegingen geen bezwaren bestaan tegen deze planontwikkeling.
30
Ruimtelijke onderbouwing
omgevingsvergunning Camping Streefland, Provincialeweg West 27
Hoofdstuk 5
Omgevingsaspecten
De beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening groeien de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe. Ook op rijksniveau wordt steeds meer aandacht gevraagd voor de wisselwerking tussen milieu en ruimtelijke ordening. Milieubeleid kan beperkingen opleggen aan de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen maar is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgevingsaspecten die een rol spelen bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen dit plan. Deze onderwerpen worden in dit hoofdstuk toegelicht.
5.1
Milieu
De te behandelen thema's die vanuit een oogpunt van milieu van belang zijn voor deze planontwikkeling zijn M.E.R., Milieuzonering, Geluid, Bodem, Luchtkwaliteit en Externe veiligheid. 5.1.1 M.E.R. Wettelijk kader In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling ook uitgevoerd moet worden als een project, dat wordt genoemd in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r., nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Omdat dit project wordt genoemd in de D-lijst voor wat betreft de recreatievoorzieningen: categorie D 10 (waaronder de wijziging van permanente kampeer- en caravanterreinen), maar de activiteiten betrekking heeft op minder dan 250.000 bezoekers per jaar en een oppervlakte heeft van minder dan 25 hectare (10 hectare in een gevoelig gebied), kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling, die onderdeel moet zijn van dit plan. Onderzoek/ beoordeling Algemeen De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU Richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben.
De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving onder andere geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (verder Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage 1994. In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Plan/besluit Dit bouwplan voorziet in een nieuw entreegebouw op een bestaand recreatieterrein. De planontwikkeling zit qua omvang ruim onder de grens voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit. Op basis van de kenmerken genoemd in Bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particulier projecten' dient te worden gemotiveerd waarom geen MER noodzakelijk is voor de beoogde ontwikkeling. Het plan is getoetst aan de volgende kenmerken. Kenmerken van het project Sprake is van een geringe omvang van het plangebied, terwijl er geen cumulatie is met andere projecten. Evenmin is het gebruik van natuurlijke hulpbronnen aan de orde. Voorts is er geen sprake van productie van afvalstoffen en verontreiniging. Hinder wordt ondervangen door voldoende afstand te houden van milieubelastende activiteiten (in paragraaf 5.1.2 wordt hierop nader ingegaan). Risico van ongevallen speelt eveneens niet bij de voorgestelde aanpassing van het bouwvlak.
Plaats van het project Het plangebied ligt niet binnen de invloedssfeer van Natura 2000-gebieden. In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen speciale beschermingszones aangewezen in het kader van de Wet natuurbescherming, zodat uit dien hoofde geen beperkingen zijn. Het plangebied is voorts niet van cultureel of archeologisch belang. Dit laatste aspect is beschreven in paragraaf 5.2. Kenmerken van het potentiële effect Het project heeft in samenhang met de hiervoor genoemde criteria geen aanzienlijke effecten op de bevolking. Evenmin is er sprake van een grensoverschrijdend karakter. Bovendien is er geen sprake van een onomkeerbaarheid van het effect. De complexiteit is gering gelet op de omvang van het plangebied.
Ruimtelijke onderbouwing
31
omgevingsvergunning Camping Streefland, Provincialeweg West 27
Conclusie Op basis van bovenstaande korte toelichting in relatie tot vormvrije M.e.r.-beoordeling kan worden geconcludeerd dat de beoogde planontwikkeling geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu tot gevolg zal hebben. 5.1.2 Milieuzonering Wettelijk kader Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bedoeld tot de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. Van een 'rustig buitengebied' is sprake wanneer er in de nabijheid vrijwel geen andere functies voorkomen. Langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging.
Lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd. Onderzoek/ beoordeling Sprake is van een gemengd gebied, omdat het gebied aan een provinciale gebiedsontsluitingsweg ligt. Voorts komen in de directe nabijheid naast veehouderijbedrijven ook woningen en overige niet-agrarische functies voor. Deze richtafstand geldt met name voor het onderdeel geluid. De richtafstanden uit de VNG-publicatie voor de omgevingstypen bij verschillende hindercategorieën zijn in tabel 5.1 vermeld. Tabel 5.1: Richtafstanden en omgevingstype. Richtafstand tot omgevingstype Richtafstand tot omgevingstype Milieucategorie rustig buitengebied gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m Een kampeerterrein valt onder milieucategorie 3.1 met een richtafstand van 30 m in gemengd gebied. De woning aan de Provincialeweg West 29 grenst aan het kampeerterrein. Het nieuwe entreegebouw wordt in oostelijke richting herbouwd, zodat de afstand meer dan 60 m wordt. De aan de overzijde gelegen woningen hebben een afstand van meer dan 45 m ten opzichte van het nieuwe entreegebouw. Verderop gelegen veehouderijbedrijven liggen eveneens buiten de richtafstanden.
Het dichtstbijzijnde veehouderijbedrijf aan de Provincialeweg West 31 ligt op meer dan 100 m afstand van het nieuwe entreegebouw. Overige (agrarische) bedrijven hebben vanuit milieuzonering geen invloed op deze planontwikkeling. Zaalaccommodatie Het gebruik van een zaalaccommodatie voor het houden bruiloften, feesten en partijen is 12 dagen per jaar toegestaan tussen 31 oktober en 1 april van 10:00 uur tot uiterlijk 01:00 uur. Het geluid van (versterkte) muziekgeluid dient te voldoen aan de (geluid)voorschriften van de reguliere activiteiten van de inrichting als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Hieraan kan worden voldaan; de dichtstbijzijnde woning staat op een afstand van meer dan 45 m. Overige woningen staan op een grotere afstand hiervan. Een goed woon- en leefklimaat voor milieugevoelige functies kan worden gegarandeerd.
32
Ruimtelijke onderbouwing
omgevingsvergunning Camping Streefland, Provincialeweg West 27
Conclusie Met inachtneming van het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat in deze situatie sprake blijft van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor nabijgelegen milieugevoelige functies, omdat de minimale richtafstand tussen het nieuwe bouwvlak op het kampeerterrein en nabijgelegen woningen in acht wordt genomen. Het kampeerterrein zelf kan voldoen aan de (geluid)voorschriften van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Hieronder valt ook het gebruik als een zaalaccommodatie voor het houden bruiloften, feesten en partijen tussen 31 oktober en 1 april gedurende 12 dagen per kalenderjaar. De planontwikkeling geeft vanuit milieuzonering geen beperkingen voor aanwezige milieugevoelige activiteiten. 5.1.3 Geluid Wettelijk kader wegverkeerslawaai Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) iedere weg in beschouwing te worden genomen, tenzij deze binnen een woonerf gelegen is of voor de weg een maximum rijsnelheid van 30 km/uur geldt. Deze wegen hebben een zone. Dit is een aandachtsgebied waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden, voor zover sprake is van wonen. De grootte van de zones is afhankelijk van het aantal rijstroken en de definitie van het gebied (buitenstedelijk of binnenstedelijk).
Buitenstedelijk is het gebied dat buiten de bebouwde kom is gelegen en het gebied binnen de bebouwde kom voor zover liggend langs een autosnelweg. Het overige gebied is binnenstedelijk. Wettelijk kader industrielawaai Industrielawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van industrielawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe een industrieterrein te zoneren, indien het bestemmingsplan de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers (conform art. 2.4, Inrichtingen en Vergunningenbesluit) toestaat (art. 40 Wgh). Dat betekent dat de maximale geluiduitstraling van het industrieterrein wordt vastgelegd middels het opnemen van een 50 dB(A)-contour voorkeursgrenswaarde) in het bestemmingsplan. Wettelijk kader spoorweglawaai Op 1 juli 2012 zijn de 'spelregels' voor hoofdspoorwegen gewijzigd. Middels de vaststelling van geluidproductieplafonds (gpp’s) is een grens voor de maximale optredende geluidniveaus voor langs Rijksinfrastructuur vastgelegd. De bij vaststelling gehanteerde gegevens zijn vastgelegd in het bronregister. Voor de beoordeling van een plan blijft de Wgh van toepassing maar dient gebruik te worden gemaakt van de brongegevens uit het register.
Onderzoek/ beoordeling Wegverkeerslawaai De relevante wegen in de directe omgeving van het plangebied zijn de Provincialeweg West en Steinsedijk. Voor deze wegen geldt een maximum snelheid van respectievelijk 80 km/uur en 60 km/uur. De wegen zijn buitenstedelijk en hebben een zonebreedte van 250 meter. In deze situatie is sprake van bestaande wegen en nieuwe bedrijfsbebouwing. Deze activiteiten vallen niet onder de noemer geluidsgevoelige objecten, zodat de Wet geluidhinder hierop niet van toepassing is voor wat betreft wegverkeerslawaai ten gevolge van de aangrenzende wegen. Spoorweglawaai De spoorlijn Gouda - Utrecht is een hoofdspoorweg waar een geluidproductieplafond van toepassing is. De zonebreedte bedraagt op grond van artikel 1.4a van het Bgh 600 m. Het plangebied ligt op een grotere afstand. Bovendien is er geen sprake van een geluidsgevoelige bestemming, zodat een onderzoek spoorweglawaai achterwege kan worden gelaten. Industrielawaai De de omgeving liggen geen gezoneerde bedrijventerreinen, zodat er ook uit dien hoofde geen beperkingen zijn. Conclusie Gezien bovenstaande gelden vanuit de Wet geluidhinder geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling.
Ruimtelijke onderbouwing
33
omgevingsvergunning Camping Streefland, Provincialeweg West 27
5.1.4 Bodem Wettelijk kader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Onderzoek/ beoordeling De Omgevingsdienst Midden-Holland heeft in oktober 2013 het beleid voor het uitvoeren van bodemonderzoeken in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geactualiseerd. Het nieuwe beleid is vastgelegd in de Nota 'Bodemkwaliteit bij bouwen' (oktober 2013). Dankzij het Bodem Informatie Systeem en de bodemkwaliteitskaart Midden-Holland is als veel bekend van de bodemkwaliteit. Door gebruik te maken van deze kennis kan in veel gevallen worden volstaan met een verminderde onderzoeksinspanning, wat een lastenverlichting voor burgers en bedrijven oplevert.
In de beleidsnota worden vele raakvlakken concreet uitgewerkt en het beleid vormt hierdoor een goed handvat bij de beoordeling van bodemonderzoeken voor omgevingsvergunningen. Historisch vooronderzoek Bij een bouwplan met nieuwe ontwikkelingen waar personen verblijven dient in beginsel een bodemonderzoek te worden uitgevoerd. In verband hiermede is een historisch vooronderzoek overeenkomstig NEN 5725 uitgevoerd door Hoste Milieutechniek B.V. te Hazerswoude-Dorp (rapport van 11 september 2019, projectcode 19192CSH, Bijlage 1). Op basis hiervan kan het volgende worden afgeleid. Op basis van onderhavig onderzoek geldt dat er op de locatie verdachte deellocaties aanwezig zijn die kunnen duiden op bodemverontreiniging. Hierdoor zijn er vooralsnog milieuhygiënisch gezien belemmeringen voor het beoogde gebruik: erfverharding met puin (diverse herkomst). De bodem is hier verdacht op het voorkomen van zware metalen en asbest vanwege de deels onbekende herkomst / kwaliteit van het verhardingsmateriaal; brand in 1957 ter plaatse van de huidige kantine. De bodem is hier verdacht op het voorkomen van PAK’s en asbest; historische demping. Het dempingsmateriaal en de onderliggende grondlaag is mogelijk verdacht op het voorkomen van verontreinigingen met asbest, zware metalen en PAK.
Ter plaatse van de erfverharding inclusief de huidige kantine dient verkennend bodemonderzoek plaats te vinden conform de NEN 5740 en NEN-5707 met een onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming. Ter plaatse van de slootdemping dient verkennend bodemonderzoek plaats te vinden (NEN-5740 en NEN-5707) met een onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming. Verkennend bodemonderzoek Naar aanleiding van deze resultaten is een verkennend bodemonderzoek overeenkomstig NEN 5740 en NEN 5707 uitgevoerd door Hoste Milieutechniek B.V. (rapport van 11 februari 2020, projectcode 1919240CSH, Bijlage 2). Op basis hiervan kan het volgende worden afgeleid. Zintuiglijk De locatie ligt aan een dijk op redelijk vlak terrein. De locatie is op meerdere plaatsen verhard. Dit betreft klinkers, terrastegels, beton en halfverharding. Het overige is onverhard en/of in gebruik als tuin. De algemene beschrijving van de bodemopbouw van de locatie is als volgt. De bovengrond tot circa 1,0 meter bestaat over het algemeen uit klei. Plaatselijk komt zand op klei voor. Plaatselijk is repac aangetroffen (demping). De ondergrond bestaat uit het oorspronkelijke veenpakket.
De bovengrond bevat verschillende mate van bijmengingen met puin. Ter plaatse van de oude demping zijn in de ondergrond bijmengingen met slib waargenomen. Ongedefinieerde bijmengingen met puin worden beschouwd als asbestverdacht. In inspectiegat IG11 is in de bovengrond (0,0 tot 0,5 m-mv)
34
Ruimtelijke onderbouwing
omgevingsvergunning Camping Streefland, Provincialeweg West 27
asbestverdacht materiaal aangetroffen. In geen van de overige inspectiegaten is asbestverdacht materiaal aangetroffen. Chemisch-analytisch De bodem van de locatie is over het algemeen licht verontreinigd met de onderzochte parameters met sterke verontreinigingen in het dempingsmateriaal: Ter plaatse van de deellocatie “erfverharding / kantine” zijn in de boven- en onderlaag van de grond enkele lichte verontreinigingen met metalen aangetoond; Ter plaatse van de deellocatie “dempingsmateriaal” is onder de repac-laag en tot 1,0 m-mv een sterke verontreiniging met PAK en waarschijnlijk zink aangetoond. Verder zijn in de onderlaag lichte verontreinigingen met minerale olie, PCB, PAK en enkele overige metalen aangetoond; Op het overig terrein zijn in zand en klei (slechts) lichte verontreinigingen aangetoond met metalen, PCB en PAK. Asbest De bovengrond ter plaatse van IG11 is op basis van twee grove stukken asbest sterk verontreinigd met asbest boven interventiewaarde (100 mg/kg d.s.). Het berekende gehalte asbest (gewogen) is 1.300 mg/kg d.s. Inspectiegat IG01 bevat in de laag van 0,2 tot 0,6 m-mv (AMM-03) 19 mg/kg d.s. asbest (gewogen) in hechtgebonden vorm. In dempingsmateriaal bestaand uit puin / repac is circa 2 mg/kg d.s. asbest (gewogen) aangetoond in niet-hechtgebonden vorm. In de onderliggende kleilaag van 0,7 tot 1,0 m-mv is géén asbest aangetoond.
Aanbevelingen Aanbevolen wordt om nader onderzoek te verrichten naar de omvang van de aangetoonde sterke verontreinigingen ter bepaling van de omvang en ernst van deze verontreinigingen. Geresumeerd is op de onderzoekslocatie op 3 plaatsen een sterke verontreiniging aangetoond waar (kleinschalig) nader onderzoek noodzakelijk is: boring 04 van 0,7 tot 1,0 m-mv (mogelijke) sterke verontreiniging met zink; boring 08 van 0,5 tot 1,0 m-mv sterke verontreiniging met PAK; inspectiegat IG11 van 0,0 tot 0,5 m-mv sterke verontreiniging met asbest. Vermoedelijk is de verontreiniging met zink beperkt tot een ondergeschikt deel van het dempingsmateriaal en betreft het een ‘spot‘ sterke zink-verontreiniging van één of enkele kuubs. De sterke verontreiniging met PAK is lokaal in de zuidoost-hoek van de locatie aanwezig en betreft waarschijnlijk een ‘spot‘ sterke PAK-verontreiniging van één of enkele kuubs. Omringende boringen zijn onderzocht in een mengmonster(s) waarbij een hooguit licht verhoogd PAK-gehalte is aangetoond. Op basis van de huidige resultaten is ter plaatse van inspectiegat IG11.1 een sterke verontreiniging met asbest aanwezig. In de omringende inspectiegaten zijn enkele licht verhoogde waarden aan asbest aangetoond.
In de huidige situatie zijn op basis van locatiespecifieke kenmerken en vanwege het immobiele karakter van de sterke verontreinigingen met PAK en zink in kleigrond (behoudens asbest) acute blootstellingsrisico’s uitgesloten. Nader bodemonderzoek Als vervolg op de resultaten van het verkennend bodemonderzoek is een nader bodemonderzoek uitgevoerd door Hoste Milieutechniek B.V. (rapport van 21 april 2020, projectcode 20059CSH, Bijlage 3). Doel van het onderzoek is het vaststellen van de aard en de omvang van de aangetoonde interventiewaardeoverschrijdingen in de bodem in het kader van mogelijk te nemen sanerende maatregelen. Algemeen De bij het verkennend bodemonderzoek aangetoonde sterke verontreiniging met PAK is waarschijnlijk beperkt tot een ondergeschikt deel van het dempingsmateriaal. Redelijkerwijs is de onderlaag van het dempingsmateriaal over het algemeen licht verontreinigd met PAK. De bij het verkennend bodemonderzoek aangetoonde sterke verontreiniging met zink is waarschijnlijk beperkt tot een ondergeschikt deel van het dempingsmateriaal. Redelijkerwijs is de onderlaag van het dempingsmateriaal over het algemeen licht verontreinigd met zink. Het Wbb-criterium voor een saneringsplichtig ‘ernstig geval’ is 25 kuub met sterke verontreiniging boven interventiewaarde of meer. Op basis van de resultaten van onderhavig bodemonderzoek is dit voor de demping uitgesloten.
De bij het verkennend bodemonderzoek aangetoonde sterke verontreiniging met asbest is niet opnieuw gereproduceerd. Over een groter deel van de locatie is de bovenlaag tot 0,5 m-mv licht verontreinigd met
Ruimtelijke onderbouwing
35
omgevingsvergunning Camping Streefland, Provincialeweg West 27
asbest, ruim beneden de actiewaarde van 100 mg/kg d.s.. Op basis van sleuf SL03 is de verontreiniging met asbest verticaal afgeperkt. In hoeverre het asbest als lichte verontreiniging heterogeen verdeeld in de bovenlaag voorkomt is niet eenduidig vastgesteld. De lichte verontreiniging met asbest betreft vermoedelijk de zuidelijke helft van de locatie, buiten aanwezige bebouwing, in een straal van circa 5 meter buiten de voormalige volière. Bij het verkennend bodemonderzoek is bij de toegang tot het terrein, naast de kantine, in de bovenlaag van inspectiegat IG01 (0,2-0,6 m-mv) tevens een lichte verontreiniging met asbest aangetoond. De oppervlakte van de lichte verontreiniging met asbest is globaal circa 100 m². Van een sterke verontreiniging met asbest is redelijkerwijs geen sprake. De onderzoeksvragen naar aanleiding van het conceptueel model zijn hiermee voldoende beantwoord. De herkomst van het verontreinigde materiaal en exacte periode van demping(en) danwel mogelijke asbestsloop zijn niet bekend. Aanbevelingen Met betrekking tot de verontreiniging met asbest is geen sprake van overschrijding van de interventiewaarde en bestaat geen saneringsplicht. De betreffende grond kan worden hergebruikt op de locatie. Het instellen van een veiligheidsklasse voor graafwerkzaamheden in navolging van de CROW 400 is niet noodzakelijk.
Geadviseerd wordt dit met de uitvoerende partij vooraf te overleggen. Met betrekking tot de parameters zink en PAK’s zijn er wel Interventiewaarde-overschrijdingen (bij verkennend onderzoek). Dit betreffen echter spots van beperkte omvang. Bij graafwerkzaamheden in deze spots moet vanuit CROW 400 rekening gehouden worden met deze spots. Voor hergebruik van grond van/naar elders dient de kwaliteitsklasse van de grond te worden onderzocht in het kader van het Besluit bodemkwaliteit / conform AP-04 gekeurd en geldt tevens de bodemkwaliteitskaart van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid. Conclusie Het plangebied is voldoende is onderzocht en voor wat betreft bodem geschikt voor de toekomstige bestemming. De in het nader bodeonderzoek genoemde aanbevelingen worden bij uitwerking van het plan overgenomen. Met inachtneming hiervan is dit bouwplan uitvoerbaar ten aanzien van bodem. Wanneer grond van de locatie moet worden afgevoerd of ergens anders zal moeten worden toegepast zal initiatiefnemer de kwaliteit van de vrijkomende grond laten onderzoeken conform de eisen van het Besluit Bodemkwaliteit of hetgeen is gesteld in het grondstromenbeleid Midden-Holland. 5.1.5 Luchtkwaliteit Wettelijk kader De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vanaf 15 november 2007 vastgelegd in hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Luchtkwaliteitseisen).
In de wet zijn onder andere regels en grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. In tabel 5.2 is een overzicht gegeven van de grenswaarden. Tabel 5.2: Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer. stof jaargemiddelde uurgemiddelde 24-uursgemiddelde Opmerkingen NO2 40 µg/m3 200 µg/m3 n.v.t. Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden PM2,5 25 µg/m3 n.v.t. n.v.t. n.v.t. 3 3 PM10 40 µg/m n.v.t. 50 µg/m 24-uursgemiddelde Mag 35x per jaar worden overschreden De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien aan één van de onderstaande voorwaarden is voldaan: a. de plannen niet leiden tot het overschrijden van een grenswaarde; b. de luchtkwaliteit ten gevolge van de plannen (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft; c. de plannen niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de concentratie van NO2 en PM10 in de buitenlucht. Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit
36
Ruimtelijke onderbouwing
omgevingsvergunning Camping Streefland, Provincialeweg West 27
op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 3% van de grenswaarde verstaan; d. het project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Verder is er met deze wijziging een wettelijke basis voor een Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit opgesteld. AMvB en Regeling niet in betekenende mate (NIBM) De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel niet in betekenende mate) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een toename van de NO2 en /of PM10 jaarconcentratie met maximaal 3% van de grenswaarden (of wel een toename van maximaal 1,2 µg/m³ NO2 en/of PM10). NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSL-programma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door maatregelen. De AMvB en Regeling “niet in betekenende mate” bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als “in betekenende mate” moet worden beschouwd.
Het betreft onder andere de onderstaande gevallen, waarbij een project als NIBM wordt beschouwd: Woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Kantoorlocaties: = 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Woningbouw en kantoorlocaties: 0,0008*aantal woningen+ 0,000012*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg en 0,0004*aantal woningen+ 0,000006*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Tevens is in artikel 5 van het Besluit NIBM een anticumulatie bepaling opgenomen, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit.
Onderzoek/ beoordeling Uit de resultaten van het onderzoek naar luchtkwaliteit in het kader van de voorbereiding van het bestemmingsplan Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist) is uit het Plan-MER gebleken dat ter hoogte van het plangebied wordt voldaan aan de grenswaarden voor NO2 en PM10, zodat geen nader onderzoek nodig is. Om een beeld te krijgen van de luchtkwaliteit in het plangebied is met behulp van de NIBM-tool berekend of het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof in de buitenlucht (tabel 5.3). Hierbij is het extra aantal vervoerbewegingen ingevoerd van gasten die alleen gebruik maken van de lunchroom, zijnde circa 50 verkeersbewegingen (weekdaggemiddelde), waarvan 2% aandeel vrachtverkeer. (Sprake is van een beperkte toename, omdat het merendeels van bezoekers met de (elektrische) fiets komt. Voor de overige invoergegevens is in de tool uitgegaan van worst-case omstandigheden. Op basis hiervan is gebleken dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekenende mate is, zodat geen nader onderzoek nodig is.
Ruimtelijke onderbouwing
37
omgevingsvergunning Camping Streefland, Provincialeweg West 27
Tabel 5.3 Worst-caseberekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van het plan op de luchtkwaliteit.
Daarnaast is de NSL monitoringstool, die behoort bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit geraadpleegd voor 2017 en de diverse prognosejaren (2020 en 2030) in de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie langs de Provincialeweg West. Volgens de NSL monitoringtool is de concentratie NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie op de rekenpunten ruim onder de grenswaarden. Geconcludeerd wordt dat de Wlk de uitvoering van het project niet in de weg staat. Conclusie In het algemeen kan worden gesteld dat als in de huidige situatie aan de grenswaarden wordt voldaan, ook in toekomstige jaren wordt voldaan. Dit bouwplan maakt de herontwikkeling van een entreegebouw mogelijk. Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. Hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Luchtkwaliteitseisen) staat deze planontwikkeling dan ook niet in de weg. 5.1.6 Externe veiligheid Wettelijk kader Bij Externe Veiligheid (EV) gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd: Het Plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers.
Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6 contour van het PR: rond inrichtingen, waarin opslag/verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Risico's verbonden aan het transport van gevaarlijke stoffen zijn in kaart gebracht in de diverse risicoatlassen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is opgenomen dat voor iedere toename van het GR een verantwoordingsplicht geldt, ook als de verandering geen overschrijding van de norm veroorzaakt. Onderzoek/ beoordeling Transport gevaarlijke stoffen Gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de modaliteiten binnenwater, spoor, weg en door buisleidingen. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de transportas dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. Transport over water In het Basisnet Water is de nabij gelegen Hollandsche IJssel als groene vaarweg aangemerkt. Dit betekent dat er geen beperkingen zijn. Evenmin geldt voor groene vaarwegen een
38
Ruimtelijke onderbouwing
omgevingsvergunning Camping Streefland, Provincialeweg West 27
plasbrandaandachtsgebied (veiligheidszone) voor kwetsbare bestemmingen. Bovendien vindt hier geen transport van gevaarlijke stoffen plaats. Er is dus geen beperking voor het plangebied. Transport over spoor Er ligt in de omgeving van het plangebied geen spoorbaan. Er is dus geen beperking voor het plangebied. Wegtransport Het plangebied ligt ten zuiden van de N228. In 2008 zijn tellingen van het aantal transporten gevaarlijke stoffen uitgevoerd. Uit deze tellingen blijkt dat over de N228 (beperkte) hoeveelheden brandbare vloeistoffen (LF1, LF2) en brandbare gassen (GF3) worden vervoerd. Op basis van deze tellingen zijn het plaatsgebonden risico en het groepsrisico berekend. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 is op de weg zelf gelegen en vormt dus geen belemmering voor het plangebied. Het groepsrisico ter hoogte van het plangebied is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. In planologisch opzicht kan worden gesteld dat er bij de vervangende nieuwbouw geen sprake is van een toename van het groepsrisico, zodat deze planontwikkeling geen belemmering vormt. Transport per buisleiding Voor risico-afstanden van hogedruk gasleidingen geldt vanaf 1 januari 2011 de AMvB Buisleidingen. Er ligt in de nabijheid van het plangebied geen hoge druk aardgasleiding waarvan de PR en/of GR contour reikt tot het plangebied.
Er zijn voor wat betreft het transport door buisleidingen geen beperkingen voor de ontwikkeling. Inrichtingen Binnen de 10-6 contour van een risicovolle inrichting mogen geen kwetsbare bestemmingen geplaatst worden. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de EV relevante inrichtingen dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. In de nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevante inrichtingen gevestigd, zodat het GR hier geen belemmering vormt. Risicokaart De Risicokaart geeft inzicht in de risico's in de woon- en werkomgeving. Op de kaart staan meerdere soorten typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de rijksoverheid. Op de Risicokaart (figuur 8) zijn in de directe nabijheid van het plangebied geen risicovolle bedrijven gevestigd. Er zijn geen belemmeringen voor deze planontwikkeling.
Figuur 8: Uitsnede Risicokaart (plangebied zwart omlijnd).
Ruimtelijke onderbouwing
39
omgevingsvergunning Camping Streefland, Provincialeweg West 27
Niet gesprongen explosieven Uit ervaring blijkt dat circa 10 tot 15% van de gebruikte niet gesprongen explosieven (NGE) uit WOll tijd niet functioneerde en als blindganger in de bodem is achtergebleven. Een blindganger vormt een wezenlijk risico tijdens grondroerende werkzaamheden. In 2012 is historisch vooronderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van NGE voor het grondgebied van de gemeente Krimpenerwaard. Hieruit blijkt dat het plangebied onverdacht is voor wat betreft het voorkomen van NGE. Verder onderzoek naar NGE is naar onze mening niet noodzakelijk. Hoewel er geen indicaties zijn voor de aanwezigheid van NGE, kan niet met zekerheid worden gesteld dat die er niet zijn. Als men bij graafwerk stuit op een verdacht object, zijn passende maatregelen nodig. Conclusie Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die in de directe omgeving aanwezig zijn in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoeren van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Vanuit spoor-, vaarwegen, wegtransport, buisleidingen en inrichtingen gelden geen beperkingen voor het plangebied. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI), Besluit externe veiligheid Buisleidingen (BEVB) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) staat de uitvoering van dit bouwplan dan ook niet in de weg.
5.2
Archeologie en cultuurhistorie
Wettelijk kader In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen en in 1998 door Nederland geratificeerd. Doelstelling van het verdrag is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. In het verdrag van Malta wordt gesteld dat archeologie van wezenlijk belang is voor de geschiedschrijving van de mensheid. Het verdrag is erop gericht deze waarden voor de toekomst te behouden. De gehanteerde uitgangspunten zijn: archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ); in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden; de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen. Het verdrag is geïmplementeerd in de Erfgoedwet die per 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische waarden. Om deze belangenafweging op adequate en verantwoorde wijze te kunnen maken, heeft de gemeente een archeologische beleidskaart op laten stellen voor haar grondgebied.
40
Ruimtelijke onderbouwing
omgevingsvergunning Camping Streefland, Provincialeweg West 27
5.2.1 Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland In de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (provincie Zuid-Holland) is het gebied niet specifiek aangeduid. Er is onderscheid gemaakt in drie kleuren categorieën (drie tinten bruin). De toekenning van een (zeer) grote, redelijke of lage kans op sporen (kleuren donker-, middel- en lichtbruin) heeft betrekking op de relatieve dichtheid van archeologische vondsten die in een bepaald gebied verwacht wordt. De witte gebieden hebben een lage trefkans. De plankaart laat zien dat in dit bebouwingslint een grote trefkans op archeologische sporen op 3 - 5 m onder maaiveld. Dit gebied ligt in een buffer van stroomgordels en geulafzettingen in de Formatie van Echteld. Het entreegebouw ligt in een gebied met redelijke tot hoge trefkans op archeologische sporen (zie figuur 9).
Figuur 9: Gecombineerde Waardenkaart CHS provincie Zuid-Holland. Bouwlocatie groen omlijnd. 5.2.2 Gemeentelijke beleidsnota archeologie De gemeenteraad van Krimpenerwaard heeft op 13 december 2016 de Archeologienota Krimpenerwaard vastgesteld. Deze nota schept duidelijkheid over de archeologische waarden binnen de gemeente en geeft richtlijnen over de omgang hiermee. Op grond van de archeologische beleidskaart (zie figuur 10) heeft de lintbebouwing een hoge trefkans met de aanduiding 'Waarde - Archeologie 3', waarbij in beginsel een onderzoekseis geldt voor bodemingrepen dieper dan 30 cm –Mv en een plangebied groter dan 100 m². In zuidelijke gedeelte is het plangebied aangemerkt als 'Waarde - Archeologie 7', waarbij in beginsel een onderzoekseis geldt voor bodemingrepen dieper dan 3 m –Mv en een plangebied groter dan respectievelijk 10.000 m². Tussen deze twee dubbelbestemmingen ligt nog een kleine strook met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' met een onderzoekeis van een plangebied groter dan 1.000 m². De voorgenomen nieuwbouw ligt in een gebied met de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 3'. In verband hiermede is onderzoek naar archeologie uitgevoerd.
Ruimtelijke onderbouwing
41
omgevingsvergunning Camping Streefland, Provincialeweg West 27
Figuur 10: Uitsnede van de archeologische beleidsadvieskaart. Te bebouwen gebied zwart omstreept. 5.2.3 Onderzoek/ beoordeling Het Bureauonderzoek en Iinventariserend Veldonderzoek naar archeologie is uitgevoerd door ADC ArcheoProjecten te Amersfoort (rapport van 29 juli 2020, rapport 5008, Bijlage 4). Uit de onderzoeksresultaten is het navolgende gebleken (overgenomen uit rapport). Op basis van het bureauonderzoek is een gespecificeerde verwachting opgesteld. Uit de geraadpleegde aardwetenschappelijke gegevens komt naar voren dat het plangebied zich landschappelijk gezien op de flank van de oeverwal van de Hollandse IJssel bevindt. Op grond van de vormingsgeschiedenis van deze meandergordel en enkele waarnemingen moet in het bovenste deel van de oeverwalafzettingen rekening worden gehouden met archeologische resten uit de periode vanaf de Romeinse tijd. Een vindplaats uit de Romeinse tijd en/of Vroege Middeleeuwen zal zich vermoedelijk manifesteren als een ‘vuile laag’ met kleine fragmenten aardewerk, houtskool, bot en/of baksteen. Ze kan bestaan uit verschillende complextypen, waaronder nederzettingen, begravingen en akkerlagen.
Indien de vindplaats is afgedekt door rivierklei en niet is vergraven bij de ontwikkeling van een erf in de Late Middeleeuwen en/of de Nieuwe tijd, zullen de meeste typen archeologische resten (bot, houtskool, aardewerk, metaal) door de natte en zuurstofloze condities goed zijn geconserveerd. In de diepere ondergrond, op circa 4 m –mv, zijn mogelijk geulafzettingen van de Haastrechtse meandergordel aan te treffen. De actieve fase valt samen met het Laat-Neolithicum. In theorie kunnen de zandige afzettingen in het Laat-Neolithicum en de Bronstijd, voordat deze met veen overgroeid raakten, een bewoonbaar oppervlak hebben gevormd, maar tot op heden ontbreekt elke aanwijzing hiervoor. Uit nabijgelegen gebieden met een vergelijkbare geologische situatie zijn op de oeverwallen van dergelijke riviersystemen verscheidene vindplaatsen daterend uit het Neolithicum en/of Bronstijd gevonden. Het gaat over het algemeen om vindplaatsen met een zeer geringe omvang. De trefkans op een dergelijke vindplaats in het plangebied wordt derhalve als laag inschat. In de Late Middeleeuwen werden vanaf de oeverwallen van de Hollandse IJssel de aangrenzende veengebieden ontgonnen. Hierbij ontstond vermoedelijk omstreeks 1100 na Chr. het ontginningsblok Beneden Haastrecht, waartoe het plangebied behoort. Langs de ontginningsbasis werden boerderijen
42
Ruimtelijke onderbouwing
omgevingsvergunning Camping Streefland, Provincialeweg West 27
gesticht. Om wateroverlast te beperken werden de erven opgehoogd, waardoor huisterpen ontstonden. Ook het plangebied maakt deel uit van een erf, maar dit betreft geen huisterp. Mogelijk dateert het uit een latere periode waarin door een verbetering van de waterhuishouding het ophogen van erven niet meer noodzakelijk was. Uit historische gegevens is bekend dat in 1958 de toenmalige, in het plangebied aanwezige bebouwing grotendeels is afgebrand. Als gevolg van de sloop en herbouw op dezelfde locatie bestaat de kans dat de resten van oudere voorgangers zijn verstoord. Teneinde bovengenoemde verwachting te toetsen en aan te vullen is in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Hierbij is het onbebouwde deel van het plangebied onderzocht, waar de nieuwbouw van een entreegebouw is voorzien. Het booronderzoek toont aan dat in de diepere ondergrond, op 3,50 cm –mv (circa 4,7 m –NAP), sprake is van zandige geulafzettingen (Formatie van Echteld), die mogelijk te relateren zijn aan de op basis van het bureauonderzoek verwachte Haastrechtse meandergordel. De geulafzettingen gaan naar boven toe over in een 240 cm dik pakket kleiig bos- en rietveen (Hollandveen Laagpakket binnen de Formatie van Nieuwkoop). Het veen wordt afgedekt een 30 tot 60 cm dik pakket kleiige komafzettingen (Formatie van Echteld), die zijn afgezet door de Hollandse IJssel.
In boringen 1 en 2 zijn de komafzettingen bedekt met ophogingspakket bestaande uit grind-, baksteen- en puinhoudende klei. Het geheel wordt in de boringen 1 en 3 afgedekt met een 30 cm dikke grindlaag die ter versteviging van het maaiveld is aangebracht. In geen van de boringen zijn archeologisch relevante eenheden of lagen aangetroffen. In de top van de geulafzettingen van de Haastrecht meandergordel zijn geen sporen van bodemvorming waargenomen. In het veenpakket zijn geen veraarde of geoxideerde lagen waargenomen die een bewoonbaar oppervlak kunnen representeren. Weliswaar is in de boringen 1 en 2 een circa 50 cm dik ophogingspakket aangetroffen, maar de aanwezigheid van onder andere plastic duidt op een recente ouderdom van dit pakket of op recente verstoringen. Het verkennend booronderzoek geeft geen uitsluitsel over de aan- of afwezigheid van resten van oudere bebouwing ter plaatse van de huidige bebouwing. Omdat de huidige bebouwing op dezelfde locatie is opgericht als de na de brand in 1958 verwoeste bebouwing, wordt de kans op waardevolle resten als laag ingeschat. Bovendien zal dit deel van het plangebied worden ingericht als parkeerterrein en zijn hier geen graafactiviteiten voorzien. Het gehele plangebied wordt daarom als voldoende onderzocht beschouwd. ADC ArcheoProjecten adviseert om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling.
Het is nooit volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Conclusie Het initiatief tast de archeologische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze planontwikkeling. 5.2.4 Cultuurhistorie en monumenten Met ingang van 1 januari 2012 is het gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Het voorstel tot wijziging is een uitvloeisel van de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo) uit 2009. Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a Bro moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. De bestaande bebouwing heeft geen cultuurhistorische waarde. De bestaande waardevolle kastanjeboom bij de entree wordt gehandhaafd. De cultuurhistorische waarden in en rondom het gebied worden niet aangetast. Conclusie Het initiatief tast de cultuurhistorische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze planontwikkeling.
Ruimtelijke onderbouwing
43
omgevingsvergunning Camping Streefland, Provincialeweg West 27
5.3
Flora en fauna
Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Doelen van de Wet natuurbescherming zijn het beschermen en ontwikkelen van de natuur, het behouden en herstellen van biologische diversiteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur en het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen. De Wet Natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. In de wet blijft de bescherming van Natura 2000-gebieden vrijwel hetzelfde. De bescherming van Beschermde Natuurmonumenten is komen te vervallen. Wel kunnen provincies ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische hoofdstructuur (EHS) of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of -landschap. Onderzoek/ beoordeling Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied of beschermd natuurmonument. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein', bevindt zich op een afstand van circa 1,5 km ten noorden van het plangebied.