BIJL 1 Toelichting regels en verbeelding BP Hoflaan Stolwijk v2.pdf (aangepast nav Beeldvorming: punt 44 Nota zienswijzen in art. 6.2 planregels)
Tekst van het document
Gemeente Krimpenerwaard Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ vastgesteld
23 februari 2021
Gemeente Krimpenerwaard Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ vastgesteld
Inhoud • Toelichting • Regels • Verbeelding
werknummer datum bestand
619.167.00 23 februari 2021 J:\619\167\00\3 Projectresultaat\
KuiperCompagnons BV Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Architectuur, Landschap Rotterdam
Toelichting
Inhoudsopgave 1.
2.
3.
4.
Inleiding ................................................................................................................................................... 2 1.1
Aanleiding en doel van het project ........................................................................................................ 2
1.2
Ligging projectgebied ............................................................................................................................ 2
1.3
Strijdigheid met het geldende bestemmingsplan.................................................................................. 4
Beleidskader ............................................................................................................................................ 5 2.1
Rijksbeleid .............................................................................................................................................. 5
2.2
Provinciaal beleid .................................................................................................................................. 6
2.3
Gemeentelijk beleid............................................................................................................................. 10
Planbeschrijving ..................................................................................................................................... 12 3.1
Bestaande situatie ............................................................................................................................... 12
3.2
Toekomstige situatie ........................................................................................................................... 12
Milieuaspecten ...................................................................................................................................... 14 4.1
M.e.r.-beoordeling............................................................................................................................... 14
4.2
Bedrijven en milieuzonering ................................................................................................................ 14
4.3
Geluid .................................................................................................................................................. 15
4.4
Luchtkwaliteit ...................................................................................................................................... 16
4.5
Externe veiligheid ................................................................................................................................ 17
4.6
Bodemgeschiktheid ............................................................................................................................. 19
4.7
Flora en fauna ...................................................................................................................................... 22
4.8
Overige belemmeringen ...................................................................................................................... 26
5.
Water..................................................................................................................................................... 28
6.
Archeologie en cultuurhistorie ............................................................................................................... 34 6.1
Archeologie .......................................................................................................................................... 34
6.2
Cultuurhistorie ..................................................................................................................................... 37
7.
Mobiliteit ............................................................................................................................................... 38
8.
Duurzaamheid ....................................................................................................................................... 41
1
9.
Juridische toelichting ............................................................................................................................. 42 9.1.
Inleiding ............................................................................................................................................... 42
9.2.
Regels................................................................................................................................................... 42
9.3.
Verbeelding ......................................................................................................................................... 43
10. Uitvoerbaarheid..................................................................................................................................... 45 10.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ...................................................................................................... 45
10.2
Financiële uitvoerbaarheid .................................................................................................................. 45
11. Procedure .............................................................................................................................................. 46 11.1
Vooroverleg ........................................................................................................................................ 46
11.2
Ontwerpfase ........................................................................................................................................ 46
11.3
Vaststellingsfase .................................................................................................................................. 46
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4: Bijlage 5: Bijlage 6: Bijlage 7: Bijlage 8: Bijlage 9: Bijlage 10: Bijlage 11: Bijlage 12:
Quickscan Wet natuurbescherming en nader ecologisch onderzoek, ATKB, 25 oktober 2018 Programma van Eisen onderzoek Archeologie, IDDS Archeologie, 28 november 2019 Eindsituatie bodemonderzoek Gemeentewerf Bovenkerkseweg 19a Stolwijk, Lievense Milieu B.V., 4 september 2020 Asfaltonderzoek, verkennend en nader asbestonderzoek en actualiserend nader bodemonderzoek, Lievense Milieu B.V., 5 februari 2021 Evaluatie- en selectierapport, Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven, IDDS Archeologie, 14 mei 2020 Beeldkwaliteit op hoofdlijnen, KuiperCompagnons, 28 september 2020 Notitie Stikstofdepositie-onderzoek bestemmingsplan "Hoflaan", KuiperCompagnons, 2 november 2020 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, KuiperCompagnons, 24 juni 2020 Beoordeling rapportage bodemonderzoeken, ODMH, 16 juni 2020 Beschikking Wet natuurbescherming – Soortenbescherming, Omgevingsdienst Haaglanden, 4 december 2019 Akoestisch onderzoek brandweerkazerne Stolwijk, KuiperCompagnons, 22 oktober 2020 Nota van Zienswijzen
Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
2
1.
Inleiding
1.1
Aanleiding en doel van het project Het voornemen is om op de locatie van de Hoflaan 35 nieuwbouwwoningen te realiseren. De bestaande bebouwing, bestaande uit 10 woningen (waarvan 8 van Groen Wonen Vlist), 2 opslagloodsen en een brandweerkazerne zal hiervoor worden gesloopt. De brandweerkazerne zal kleiner teruggebouwd worden. De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen het vigerende bestemmingplan. De nieuwbouwwoningen worden deels binnen de bestemming ‘Maatschappelijk’ van het vigerend bestemminsplan gepland. Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken dient voor de locatie een nieuw bestemmingsplan te worden opgesteld.
1.2
Ligging projectgebied Het plangebied is gelegen in de bebouwde kern van Stolwijk. In afbeelding 1.1 is ligging van het plangebied op grotere schaal weergegeven.
Afbeelding 1.1: ligging van het projectgebied op grotere schaal
Het projectgebied ligt aan de Bovenkerkseweg en Kievitslaan. De Hoflaan valt binnen het plangebied. Ten noorden grenst het plangebied aan een begraafplaats, ten oosten aan de Kievitslaan, ten zuiden aan de Bovenkerkseweg en ten westen aan woningen. Op afbeelding 1.2 is de exacte ligging weergegeven. De kadastrale situatie is op afbeelding 1.3 weergegeven.
Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
3
Afbeelding 1.2: ligging plangebied in relatie tot directe omgeving
Afbeelding 1.3: kadastrale percelen binnen het plangebied
Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
4
1.3
Strijdigheid met het geldende bestemmingsplan Ter plaatse van het projectgebied vigeert momenteel het bestemmingsplan ‘Dorpskernen 2014’, dat op 16 december 2014 is vastgesteld. In dit bestemmingsplan is het projectgebied voorzien van de enkelbestemmingen ‘Groen’, ‘Maatschappelijk’, ‘Maatschappelijk – Begraafplaats’, ‘Verkeer’, ‘Water’, ‘Wonen’ en kent het de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ (zie afbeelding 1.3). De herontwikkeling van het gebied zoals is beoogd is conform het vigerende bestemmingsplan ‘Dorpskernen 2014’ niet mogelijk. Om de herontwikkeling mogelijk te maken is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan voor deze locatie benodigd.
Afbeelding 1.3: uitsnede geldende bestemmingsplan (het projectgebied is rood omkaderd)
Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
5
2.
Beleidskader
2.1
Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Het Rijk heeft haar ruimtelijk beleid vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De leidende gedachte van het Rijksbeleid is ruimte maken voor groei en beweging, waarbij het Rijk zich vooral concentreert op decentralisatie. De verantwoordelijkheid wordt verplaatst van Rijksniveau naar provinciaal en gemeentelijk niveau. In het rijksbeleid (SVIR en Barro) worden dan ook geen specifieke uitspraken gedaan met betrekking tot het voorliggende plangebied. Ladder voor duurzame verstedelijking De 'ladder voor duurzame verstedelijking' is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Verantwoord dient te worden dat er behoefte is aan nieuwe ruimte voor woningen, werken, detailhandel en voorzieningen. Deze behoefte moet blijken uit een regionaal afgestemd programma. Het Bro bepaalt dat voor bestemmingsplannen de treden van de ladder moet worden doorlopen.
Op grond van de meest recente regelgeving inzake de ‘Ladder voor Duurzame verstedelijking’ (1 juli 2017) moet een laddertoets worden doorlopen voor plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. Onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Voor de realisatie van de woningen is een laddertoets benodigd. Deze ontwikkeling voorziet in de realisatie van 35 woningen. Vanaf 12 woningen is er sprake van een stedelijke ontwikkeling. De ontwikkeling wordt dus aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling waardoor een ladderonderbouwing benodigd is. Behoefte Zoals in paragraaf 2.3 nader is beschreven, is het plangebied gelegen in de verzorgingskern van Stolwijk, waar wonen, werken en voorzieningen in balans moeten blijven. Er is behoefte aan nieuwe locaties voor onder andere wonen en versterking van een aantrekkelijk dorpscentrum. De voorgenomen ontwikkeling draagt hierbij aan mee door verouderde panden te slopen en hier 35 woningen voor terug te bouwen. Er worden 10 woningen (waarvan 8 woningen van Groen Wonen Vlist), 2 opslagloodsen en een brandweerkazerne gesloopt. Daarnaast past de voorgenomen ontwikkeling binnen het rijk en provinciaal beleid.
Er is behoefte vanuit Groen Wonen Vlist aan seniorenappartementen dicht bij het centrum van Stolwijk, dit geldt eveneens voor de koopwoningen vanuit de markt gezien. Tevens zijn de woningen in dit project opgenomen in de Regionale Projectenlijst Woningbouw 2019 (RPW). De Provincie heeft de RPW waarin dit plan is opgenomen goedgekeurd. De behoefte is hierdoor voldoende verantwoord. Bovendien is de woningbouwontwikkeling gepland binnen bestaand stedelijk gebied. Hiermee wordt voldaan aan alle voorwaarden van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De Wet ruimtelijke ordening geeft aan de regering de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur (AmvB) regels te geven waarmee gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening moeten houden. Het gaat daarbij niet alleen om procedureregels maar ook om de inhoud van bestemmingsplannen.
Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
6
Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden (Stb. 2011, 391). Bij het vaststellen van bestemmingsplannen, wijzigings- of uitwerkingsplannen maar ook bij projectuitvoeringsbesluiten (Crisis- en herstelwet) moeten gemeenten rekening houden met het Barro. Een aantal projecten dat de regering van Rijksbelang vindt, wordt met het Barro dwingend geborgd in bestemmingsplannen of in andere ruimtelijke plannen van lagere overheden. De projecten worden benoemd en middels digitale kaarten ingekaderd. Per project worden regels gegeven waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. Volgens het Barro zijn er in de omgeving van het projectgebied geen projecten van Rijksbelang aanwezig waarmee bij de vaststelling van dit plan rekening moet worden gehouden. 2.2
Provinciaal beleid Omgevingsbeleid Zuid-Holland Op 20 februari 2019 heeft de provincie Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma’s en -plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Uit de provinciale opgaven worden samenhangende beleidskeuzes gemaakt, die doorwerken naar uitvoeringsprogramma’s en naar regels in de verordening. De ruimtelijke hoofdstructuur maakt met een integraal kaartbeeld inzichtelijk hoe de strategische beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie ruimtelijk samenkomen. Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Zuid-Holland Door het samenvoegen van verschillende beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving sorteert de provincie voor op de Omgevingswet.
De Omgevingswet verplicht het Rijk, de provincies en gemeenten een omgevingsvisie te maken. De provinciale Omgevingsvisie bestaat uit de volgende onderdelen: • Een beschrijving en kaartbeelden van de ruimtelijke hoofdstructuur; • De ontwikkelrichting van het omgevingsbeleid: ambities en sturing; • Een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; • De samenhangende beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving.
Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
7
Ad. 1
Ruimtelijke hoofdstructuur
Afbeelding 2.1: Ruimtelijke hoofdstructuur Zuid-Holland
Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
8
Ad. 2 Omgevingsbeleid: ambities en sturing De ambitie van de provincie is een slim, schoon en sterk Zuid-Holland. De Provincie gaat uit van zes richtinggevende ambities, waarbinnen een aantal opgaven zijn geformuleerd: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Naar een klimaatbestendige delta Naar een nieuwe economie: the next level Naar een levendige meerkernige metropool Energievernieuwing Best bereikbare provincie Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving
Ad. 3 Omgevingskwaliteit Centraal doel van het integrale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Ofwel een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). De Omgevingskwaliteit bestaat uit de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland, het toepassen van de leefomgevingstoets (beleidscyclus en monitoring) en een nadere uitwerking van het provinciale beleid. Dit laatste gebeurt door middel van een ‘kwaliteitskaart’ en bijbehorende ‘richtpunten ruimtelijke kwaliteit’. Kwaliteitskaart, richtpunten en gebiedsprofielen De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en omgevingskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit.
Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten (de laag van de ondergrond, de laag van de cultuur- en natuurlandschappen, de laag van de stedelijke occupatie en de laag van de beleving), samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening. Ontwikkelingen moeten rekening houden met deze richtpunten. De kwaliteiten zijn uitgewerkt in de gebiedsprofielen. In de laag van de ondergrond is het plangebied aangeduid als ‘Veencomplex - Veen’. Ontwikkelingen in het veenlandschap dragen zorg voor behoud van het veen en zijn met name bij de diepe veenpakketten gericht op het beperken van de bodemdaling. Voorgenomen ontwikkeling past dit niet aan. In de laag van de cultuur- en natuurlandschappen is voor het plangebied aangeduid al ‘Veen(weide)landschap’ en ‘Linten’. Richtpunten hiervoor zijn: • Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden. • Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden • Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders.
• Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar. • Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. • Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst. Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
9
• Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend. • Bij grootschalige ontwikkelingen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm. Dit betekent dat op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht. De voorgenomen ontwikkeling sluit aan op de omliggende omgeving. De bebouwing wordt ingepast in de bestaande stedenbouwkundige structuur van het lint. Hiermee wordt aangesloten bij de richtpunten. In de laag van de stedelijk occupatie is het plangebied deels aangeduid als ‘Steden en dorpen’. Relevante richtpunten voor voorgenomen ontwikkelingen zijn: • ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. • hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur. • daar waar hoogbouw niet samenvalt met ‘zwaartepunten’ in de stedelijke structuur geeft een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van hoogbouw op de (wijde) omgeving. • ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur.
• een nieuwe uitbreidingswijk bouwt voort op het bestaande stads- en dorpsgebied en versterkt de overgangskwaliteit van de stadsrand (zie stads- en dorpsranden). • cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd. • het eigen karakter van het historisch centrum wordt versterkt. • historische centra en kernen blijven ervaarbaar vanuit het omringende gebied. • bij bedrijventerreinen krijgt de beeldkwaliteit van de randen, een goede ontsluiting en de samenhang met de omgeving extra aandacht. De hoogte van de toekomstige bebouwing is gezien de ligging en bestaande hoogte in de omgeving legitiem. De woningen worden ingepast in de bestaande stedenbouwkundige structuur. Hiermee wordt aangesloten bij de richtpunten. In de laag van de beleving is voor het plangebied geen aanduiding opgenomen. Ad. 4 Beleidskeuzes De provincie heeft 12 provinciale opgaven gedefinieerd, die elk bestaan uit samenhangende beleidskeuzes. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma’s en regels in de verordening. Hieronder zijn voor het plangebied de relevante opgaven uiteengezet. Landschap en cultuurhistorie Beschermen, versterken en beleefbaar maken van de kwaliteit van het landschap, cultuurhistorische waarden en natuurlijke karakteristieken van de leefomgeving.
Gezondheid en veiligheid Zorgen voor een gezonde en veilige leefomgeving en het beperken van hinder. Ruimte en verstedelijking Zorgen voor een zorgvuldig ruimtegebruik en een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied.
Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
10
Wonen Bevorderen van de beschikbaarheid van voldoende passende woningen in een aantrekkelijke leefomgeving, aansluitend op de behoeften van verschillende doelgroepen. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de ontwikkeling van een gezonde en veilige leefomgeving. De diverse relevante milieuaspecten worden in hoofdstuk 7 verder uiteengezet en afgewogen. Voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan de provinciale opgaven. Provinciale milieubelangen Provincie Zuid-Holland benoemt in haar Omgevingsbeleid vier provinciale milieubelangen. De voorgenomen ontwikkeling verhoudt zich als volgt tot deze belangen: • • • •
Bescherming van stiltegebieden De voorgenomen ontwikkeling vindt niet plaats in (de nabijheid van) een stiltegebied. Windenergie stimuleren De voorgenomen ontwikkeling vindt niet plaats in (de nabijheid van) een plaatsingsgebied voor windmolens. Beschermen bedrijventerreinen voor Hogere Milieu Categorie-bedrijven De voorgenomen ontwikkeling vindt niet plaats in (de nabijheid van) een HMC-bedrijventerrein. Afname van HMC-locaties is derhalve niet aan de orde. Beschermen van grote groepen mensen De voorgenomen ontwikkeling is niet gelegen in een invloedsgebied Groepsrisico van een EV-relevante risicobron.
De voorgenomen ontwikkeling is derhalve niet in strijd met de provinciale milieubelangen. Programma ruimte provincie Zuid-Holland Het Programma ruimte is parallel aan de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening opgesteld. Het Programma ruimte bevat een nadere invulling en operationalisering van ruimtelijk relevante onderdelen van de Omgevingsvisie. Het is enerzijds een beleidsdocument, namelijk uitwerking van de beleidsbeslissingen, en anderzijds gericht op uitvoering. Het document is toegespitst op de thema’s Bebouwde ruimte en mobiliteit, Landschap, groen en erfgoed en Water, bodem en energie. Op basis van het programma dient voor plannen die voorzien in een stedelijke ontwikkeling een toelichting op de ladder voor duurzame verstedelijking worden gegeven. Aan de ladder voor duurzame verstedelijking is in 2.1 aandacht besteed. 2.3
Gemeentelijk beleid Structuurvisie Vlist De voormalige gemeente Vlist (waar het plangebied ligt) heeft op 3 juli 2012 de structuurvisie Vlist vastgesteld. Belangrijk uitgangspunt van de structuurvisie is het behoud van de eigen identiteit. Dit laatste wordt bepaald door de eigenheid van de dorpen, waarbij streven naar vitaliteit hoog in het vaandel staat. Daarnaast wordt de identiteit van Vlist in belangrijke mate ontleend aan het buitengebied, met zijn kenmerkende openheid, de grondgebonden veehouderij als drager van het landschap en de cultuurhistorische en ecologische kwaliteiten. De identiteit hangt sterk samen met de ruimtelijke structuur. Naast de openheid, de kenmerkende kavelstructuur en het alom aanwezige water, zijn de bebouwingslinten, de Hollandse IJssel en de Vlist structuurbepalende elementen. Specifiek voor het landelijk gebied geldt dat behoud en herstel van landschap, cultuurhistorie en natuur in balans dienen te zijn met de ontwikkelingsmogelijkheden voor een duurzame grondgebonden veehouderij. Dit beleid Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
11
gaat goed samen met recreatief medegebruik. Voor overige bestaande functies wordt een consoliderend beleid voorgestaan. Verzorgingskern Stolwijk Stolwijk is een verzorgingskern, waar wonen, werken en voorzieningen in balans moeten blijven. Er is behoefte aan nieuwe locaties voor wonen, intensivering en uitbreiding van de werkfunctie, versterking van een aantrekkelijk dorpscentrum, (commerciële) voorzieningen en een locatie voor een brede school. Hiermee moet Stolwijk als compleet en aantrekkelijk dorp versterkt worden.
Afbeelding 2.2: uitsnede Structuurvisie 2020
Het plangebied ligt binnen de verzorgingskern Stolwijk en voorziet in de behoefte naar nieuwe woningen. Tevens ontstaat er door de sloop en nieuwbouw een kwaliteitsverbetering wat bijdraagt aan een aantrekkelijk dorpscentrum. Conclusie Op basis van bovengenoemde beleidskaders valt te concluderen dat voorgenomen ontwikkeling in zowel rijks-, provinciaal als gemeentelijk beleid past. Zo voorziet de voorgenomen ontwikkeling in de behoefte naar woningen en wordt de aantrekkelijkheid van het dorp versterkt.
Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
12
3.
Planbeschrijving
3.1
Bestaande situatie Het plangebied omvat een brandweerkazerne en 10 te slopen woningen (waarvan 8 woningen van Groen Wonen Vlist), voorzien van kleinschalige tuinen. In afbeelding 3.1 is de ligging van het plangebied. De te slopen woningen zijn oude gebouwen die in slechte staat van onderhoud zijn.
Afbeelding 3.1: luchtfoto van de bestaande situatie
3.2
Toekomstige situatie Het plangebied gaat herontwikkeld worden. Hiertoe is een beeldkwaliteitsplan opgesteld (bijlage 6). De bestaande verouderde bebouwing wordt gesloopt en vervangen door nieuwbouw. Een deel van de bebouwing blijft behouden (zie afbeelding 3.3). Het uitvaartcentrum aan de Hoflaan 6, het Belastingadvieskantoor aan de Bovenkerkseweg 25A en de woningen aan de Bovenkerkseweg 31 en 33 blijven behouden. Verder wordt de oude brandweerkazerne opnieuw gebouwd. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de bouw van 35 woningen, bestaande uit: • 8 koopappartementen; • ten minste 22 senioren appartementen; • 3 rijwoningen • 2 twee-onder-één-kapwoningen. Het plangebied wordt ontsloten via een nieuw aan te leggen weg die aansluit op de Bovenkerkseweg en de Hoflaan (ter hoogte van de aula). Langs deze nieuwe weg worden parkeerplaatsen voor het te ontwikkelen gebied gerealiseerd. Naast de woningen wordt er ook een nieuw brandweerkazerne gerealiseerd (zie afbeelding 3.4). De uitrukhal is ten westen gesitueerd. Het langere deel ten oosten zal gebruikt worden voor kantoor, kleedkamer, sanitair en opslag.
Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
13
Afbeelding 3.2: Stedenbouwkundig plan
Afbeelding 3.3: indeling bebouwing
Afbeelding 3.4: impressiebeeld brandweerkazerne
Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
14
4.
Milieuaspecten
4.1
M.e.r.-beoordeling Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage of te wel m.e.r. ontwikkeld. De m.e.r.-beoordeling is een instrument met als hoofddoel het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. In dit bestemmingsplan worden 35 woningen mogelijk gemaakt. Hiervoor wordt een deel van de huidige bebouwing gesloopt. Gezien de beperkte omvang geeft dit geen aanleiding om het project aan te merken als stedelijke ontwikkeling. Daarnaast sluit de aard van de ontwikkeling aan bij het karakter en de huidige bouwmogelijkheden in de omgeving. Eventuele nadelige effecten zijn, ten opzichte van de huidige situatie, dermate klein dat deze niet significant zullen zijn. Om deze redenen wordt het geheel niet gezien als een stedelijke ontwikkeling waardoor een separate aanmeldnotitie niet noodzakelijk wordt geacht. In het kader van de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling is onderzoek gedaan naar de volgende aspecten.
• Bedrijven en milieuzonering • Geluid • Luchtkwaliteit • Externe Veiligheid • Bodem • Ecologie • Water • Cultuurhistorie en archeologie • Mobiliteit • Duurzaamheid Uit de onderzoeken die in het kader van dit bestemmingsplan zijn uitgevoerd is gebleken dat de planontwikkeling niet tot significante nadelige effecten zal leiden. Omvangrijke negatieve milieueffecten zijn hierdoor uitgesloten. Op basis van de motivatie in dit plan en eventuele adviezen dient B&W een besluit te nemen of een milieueffectrapport al dan niet opgesteld moet worden. Dit m.e.r.-beoordelingsbesluit kan genomen worden bij de vaststelling van het (voor)ontwerp van dit bestemmingsplan.
4.2
Bedrijven en milieuzonering Kader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. Doorgaans wordt daarvoor de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009) gehanteerd. Onderzoek In de omgeving van het plangebied, zijn naast woningen, verschillende andere functies / inrichtingen aanwezig waardoor het plangebied is te kwalificeren als een gemengd gebied. In de directe omgeving zijn twee relevante bestemmingen gelegen. Ten noorden ligt direct tegen de woonbestemming een begraafplaats. Een begraafplaats heeft een richtafstand van 10 meter, wat terug gebracht kan worden tot 0 meter in een gemengd gebied. De begraafplaats levert dus geen belemmering op.
Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
15
In de huidige situatie ligt in het (noord)westen van het plangebied binnen de bestemming ‘Maatschappelijk’ een brandweerkazerne. De bestemming ‘Maatschappelijk’ grenst ten oosten direct op een woonbestemming. In dit plan worden deze bestemmingen gescheiden door de bestemming’ Verkeer’. De bestemmingen komen verder van elkaar af te liggen. De brandweerkazerne wordt gesloopt en zal in kleinere vorm aan de westkant, en dichter op de straat worden teruggebouwd. Daarnaast wordt de uitrukhal aan de westkant gesitueerd. Het oostelijke deel van het gebouw wat uitsteekt, wordt in gebruik genomen door onder andere een kantoor en kleedruimte. Dit deel scheidt de toekomstige woningen en de geluid veroorzakende uitrukhal. De maatschappelijke bestemming blijft ten westen grenzen aan de bestaande bestemming ‘Gemengd’. Ten westen van de nieuwe kazerne ligt binnen de gemengde bestemming een bestaande woning. De richtafstand werd in de huidige situatie niet gerespecteerd. In de nieuwe situatie is dit ook niet het geval. Door KuiperCompagnons is daarom in oktober 2020 een akoestisch onderzoek naar de brandweerkazerne uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 11. Uit het onderzoek blijkt dat voor de bestaande woning aan de Bovenkerkseweg 13 sprake is van een verslechtering van het akoestisch woon- en leefklimaat doordat de activiteiten op kortere afstand dan nu feitelijk het geval is.
Voor de overige woningen geldt dat de situatie niet significant wijzigt ten opzichte van de huidige situatie. Om de situatie ter plaatse van de woning Bovenkerkseweg 13 te verbeteren is in overleg met de bewoner besloten om een geluidwerende erfafscheiding te plaatsen over de lengte van het perceel van de brandweerkazerne met een hoogte van 2 meter. Daarnaast zijn maatwerkvoorschriften opgesteld voor de brandweerkazerne, waarmee wordt voldaan aan het Activiteitenbesluit. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering levert voor de nieuw te realiseren woningen geen belemmeringen op. De nieuw te realiseren brandweerkazerne zorgt wel voor een verslechtering van het akoestisch woon- en leefklimaat voor de bestaande woning aan de Bovenkerkseweg 13. Om de situatie te verbeteren is besloten om een geluidwerende erfafscheiding te plaatsen over de lengte van het perceel van de brandweerkazerne met een hoogte van 2 meter. Daarnaast zijn maatwerkvoorschriften opgesteld voor de brandweerkazerne, waarmee wordt voldaan aan het Activiteitenbesluit. 4.3
Geluid Kader De Wet geluidhinder (Wgh) stelt eisen met betrekking tot de geluidsbelasting van geluidgevoelige objecten. Als geluidgevoelige gebouwen dan wel terreinen zijn aangewezen: Woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingshuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven, ligplaatsen voor woonboten en woonwagenstandplaatsen. Onderzoek De Wet geluidhinder (Wgh) verlangt inzicht in de akoestische effecten bij de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige objecten, zoals de realisatie van woningen. Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van woningen, welke worden gekenmerkt als geluidsgevoelig object, waardoor akoestisch onderzoek benodigd is. Wegverkeerslawaai De ontwikkellocatie ligt niet binnen een onderzoekszone van omliggende 50 km/uur-wegen of hoger. Op basis van vaste jurisprudentie worden in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel de geluidsbelastingen berekend van de omliggende 30 km/uur-wegen van het plan gebied. Dit betreft in ieder geval de Kievitslaan en Bovenkerkseweg. Het onderzoek is opgenomen als bijlage 8. Hieronder worden de conclusies beschreven. Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
16
Uit het onderzoek wordt geconcludeerd dat voor de vijf nieuw te bouwen grondgebonden woningen aan de Bovenkerkseweg de geluidsbelasting hoger is dan de voorkeursgrenswaarde als gevolg van de route Bovenkerkseweg/Kievitslaan (30 km-wegen). De geluidsbelasting is maximaal 51 dB. De sociale huurappartementen en de koopappartementen in het plangebied ondervinden geen geluidsbelasting boven de voorkeursgrenswaarde. Ondanks dat de geluidsbelasting op de voorgevel van de grondgebonden woningen in beperkte mate de voorkeursgrenswaarde overschrijdt is de geluidsbelasting op de zijgevels en de achtergevel (tuinzijde) lager dan de voorkeursgrenswaarde. Elk van de nieuw te bouwen woningen heeft dus een geluidsluwe gevel en buitenruimte, zodat bij alle woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Samengevat wordt geconcludeerd dat het aspect geluid de voorgenomen ontwikkelingen niet belemmert. Railverkeer- en industrielawaai De ontwikkellocatie is niet gelegen in de onderzoekszone van een spoorlijn of een gezoneerd industrieterrein. Daardoor is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar industrielawaai niet aan de orde. Conclusie Het aspect geluid levert geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen.
4.4
Luchtkwaliteit Kader Op grond van de Wet milieubeheer dienen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen getoetst te worden aan de Wet luchtkwaliteit. Een ruimtelijke ontwikkeling mag volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang vinden als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: • de ontwikkeling is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsbeleid Luchtkwaliteit (NSL); • de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; • de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; • projectsaldering kan worden toegepast. Een project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Onderzoek De realisatie van 35 woningen is een ontwikkeling die past binnen de term ‘niet in betekenende mate’ bijdragend aan de verslechtering van de Wet luchtkwaliteit. Onderzoek is daarom niet benodigd.
Goede ruimtelijke ordening (NSL-monitoringstool) Voor de volledigheid zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het plangebied. Met de NSL-monitoringstool zijn langs de dichtbijgelegen rekenpunten de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. In afbeelding 4.1 zijn de jaargemiddelde concentraties weergegeven voor het peiljaar 2017 ter hoogte van de planlocatie.
Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
17
Afbeelding 4.1: Overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5, peiljaar 2018 (NSL-monitoringstool 2018).
Uit deze afbeelding blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied voor de voorgenoemde stoffen niet meer bedragen dan respectievelijk 17,9 µg/m3, 19,3 µg/m3 en 11,9 µg/m3. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) wordt dan ook niet overschreden. Gezien bovenstaande is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit levert geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen. 4.5
Externe veiligheid Kader Algemeen Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt
Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
18
kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour. Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Voor het bevoegd gezag geldt met betrekking tot het GR wel een verantwoordingsverplichting. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) uit 2004 legt veiligheidsnormen op aan overheden die besluiten nemen over bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Het gaat daarbij om bijvoorbeeld chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij (beperkt) kwetsbare objecten waaronder woningen, ziekenhuizen, scholen, winkels, horecagelegenheden en sporthallen. Hierdoor ontstaan risico’s voor mensen die in de buurt ervan wonen of werken.
Het besluit verplicht gemeenten en provincies bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden. Dit betekent bijvoorbeeld dat woningen op een bepaalde afstand moeten staan van een bedrijf dat werkt met gevaarlijke stoffen. Regelgeving transport van gevaarlijke stoffen over wegen, water en spoor Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden. In het Bevt staan regels voor de ruimtelijke inrichting rond wegen, waterwegen en spoorwegen met vervoer van gevaarlijke stoffen. Het Bevt hanteert een vaste grens van 200 meter, vanaf de buitenrand van de transportroute, waarbuiten in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Buiten de 200 meter is een verantwoording niet noodzakelijk. Wel geldt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen die nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogelijk maken buiten de 200 m dient in de toelichting aandacht moet worden gegeven aan de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid voor zover het binnen het invloedsgebied van de transportroute is gelegen. Ten aanzien van de verantwoordingsplicht groepsrisico wordt, net als bij het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), onderscheid gemaakt tussen een volledige verantwoording en een beperkte verantwoording van het groepsrisico.
Een volledige verantwoording kan bovendien achterwege blijven indien kan worden aangetoond dat: a. het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico, of; b. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan 10% toeneemt en; c. de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden. d. Indien sprake is van een volledige verantwoording dienen maatregelen ter beperking van het GR, alternatieve ruimtelijke ontwikkelingen met een lager GR en mogelijkheden en voorgenomen maatregelen ter beperking van de omvang van een calamiteit te worden overwogen. Een beperkte verantwoording houdt wel rekening met de effecten van een calamiteit en vindt alleen plaats als het plangebied binnen het invloedsgebied (effectgebied) van transportassen is gelegen.
Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
19
In het Bevt zijn tevens plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Een PAG is een zone, waarbinnen een aanvullende verantwoording noodzakelijk is met betrekking tot het al dan niet nemen maatregelen om de effecten van een plasbrand te beperken en de zelfredzaamheid van personen. Onderzoek Uit de risicokaart blijkt dat in de omgeving van de ontwikkellocatie geen risicobronnen aanwezig zijn. In het plan zelf worden geen risicobronnen mogelijk gemaakt. Het aspect externe veiligheid levert dan ook geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling. Hoewel er geen risicobronnen in de buurt liggen moet toch gelet worden op het scenario waarbij een gifwolk ontstaat. Een gifwolk kan een grote afstand afleggen. Daarom wordt het een verplichting onder de Omgevingswet om nieuwbouw te voorzien van een mechanische ventilatie die met een knop volledig is uit te schakelen (lid 4, art. 4.124 Besluit Bouwwerken Leefomgeving). Geadviseerd wordt om hier nu al in te voorzien. Niet gesprongen explosieven (NGE) Uit ervaring blijkt dat circa 10 tot 15% van de gebruikte Conventionele Explosieven uit de Tweede Wereldoorlog niet functioneerde en als blindganger in de bodem is achtergebleven. Een blindganger vormt een wezenlijk risico tijdens grondroerende werkzaamheden. In 2014 is historisch vooronderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van NGE voor het beheergebied van HHSK.
Hieruit blijkt dat het plangebied onverdacht is voor wat betreft het voorkomen van NGE. Verder onderzoek naar NGE is niet noodzakelijk. Hoewel er geen indicaties zijn voor de aanwezigheid van NGE, kan niet met zekerheid worden gesteld dat die er niet zijn. Als men bij graafwerk stuit op een verdacht object, zijn passende maatregelen nodig. Conclusie Het aspect externe veiligheid levert geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen. 4.6
Bodemgeschiktheid Kader Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-)bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouw-activiteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit.
Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
20
Relatie Wabo, Wbb en Woningwet (Ww) De inwerkingtreding van de Wabo (1 oktober 2010) heeft ook effect op de Wbb en de Woningwet (Ww): in de Wabo is aangegeven dat in de plaats van de aanhoudingsgrond (uit de Ww) een afstemmingsregeling wordt opgesteld waarbij de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning wordt afgestemd op de acties ten aanzien van de bodemverontreiniging. Voorts geldt ten aanzien van de bodem dat de Woningwet gemeenten verplicht in hun bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op te nemen. Die voorschriften moeten in elk geval betrekking te hebben op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport. Onderzoek Bij de omgevingsvergunning dient inzicht gegeven worden in de bodemkwaliteit ter plaatse. De gemeente Krimpenerwaard en woningbouwvereniging Groen Wonen Vlist zijn voornemens om de terreinen aan de Bovenkerkseweg 17 t/m 33 en de Hoflaan 1 t/m 7 te herontwikkelen. In het kader van de geplande herontwikkeling van de locatie zijn de volgende deelonderzoeken uitgevoerd: 1. Deelonderzoek 1. Een eindsituatie bodemonderzoek ter plaatse van de voormalige gemeentewerf aan de Bovenkerkseweg 17a Stolwijk. 2. Deelonderzoek 2.
Een asfalt-, verkennend asbest- en actualiserend bodemonderzoek ter plaatse van het Plangebied Centrum Stolwijk (gemeentewerf inclusief naastgelegen woningen van woningbouwvereniging Groen Wonen Vlist). Hieronder worden de conclusies van de deelonderzoeken beschreven. Deelonderzoek 1 Lievense Milieu B.V. heeft een eindsituatie bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de voormalige gemeentewerf aan de Bovenkerkseweg 19a te Stolwijk. De aanleiding voor het uitvoeren van het eindsituatieonderzoek is de beëindiging van de activiteiten van de gemeentewerf en de voorgenomen herontwikkeling van de locatie. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 3. Hieronder wordt de conclusie kort beschreven. Opgemerkt dient te worden dat op de locatie een historisch geval van ernstige bodemverontreiniging in het kader van de Wet bodembescherming aanwezig is. Dit vanwege de heterogeen sterk verontreinigde ophooglaag op de locatie. In deelonderzoek 2 wordt hier verder op ingegaan. Ter plaatse van de zoutopslag is sprake van zorgplicht in het kader van de Wet milieubeheer / Activiteitenbesluit. Dit vanwege licht verhoogde concentraties chloride en cyanide (complex) in het grondwater. De licht verhoogde concentraties PFAS zijn mogelijk gerelateerd aan de brandweerkazerne. Het is onduidelijk of hier sprake is van zorgplicht in het kader van de Wet milieubeheer / Activiteitenbesluit.
Een nader grondwateronderzoek wordt niet zinvol geacht. Dit vanwege de voorgenomen herontwikkeling van de locatie en de afwezigheid van onaanvaardbare risico’s in de huidige situatie en omdat nergens de interventiewaarde overschreden wordt. Aanbevolen wordt om de resultaten van onderhavig onderzoek voor te leggen aan het bevoegd gezag (Omgevingsdienst Midden-Holland). Besproken dient te worden of een actieve sanering van de zorgplichtverontreinigingen in het grondwater zinvol is. Deelonderzoek 2 Door Lievense Milieu B.V. is een asfaltonderzoek, verkennend en nader asbestonderzoek en een actualiserend nader bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Plangebied Centrum Stolwijk. De aanleiding voor het uitvoeren van de onderzoeken is de voorgenomen herontwikkeling van de locatie (met bestemmingsplanwijziging en Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
21
aanvragen Omgevingsvergunning bouwen) en de in 2014-2015 uitgevoerde bodemonderzoeken, waarin enkele sterke verontreinigingen met zware metalen en PAK in de grond zijn aangetroffen. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 4. Hieronder wordt de conclusie kort beschreven. De licht tot sterk verhoogde gehalten in de grond leveren in de huidige situatie (veelal onder asfalt- en klinkerverhardingen) geen onaanvaardbare humane risico’s op. Op basis van de resultaten van onderhavig onderzoek bestaan er milieuhygiënische belemmeringen voor de voorgenomen herontwikkeling van de locatie (bouw woningen en nieuwe brandweerkazerne) en de voorgenomen aanvraag van een Omgevingsvergunning bouwen. Op de locatie zijn 2 historische gevallen van ernstige bodemverontreiniging aanwezig. Daarnaast vallen de verhoogde concentraties chloride en cyanide in het grondwater ter plaatse van de voormalige zoutopslag en de verhoogde concentratie PFAS in het grondwater ter plaatse van de brandweer mogelijk onder de zorgplicht uit de Wet milieubeheer / Activiteitenbesluit. In de huidige situatie resulteren de verontreinigingen in de grond en in het grondwater geen onaanvaardbare risico’s op. Voorafgaand aan de ontwikkeling van de locatie dienen de betreffende verontreinigingen gesaneerd te worden en dient de grond geschikt gemaakt te worden voor toekomstig gebruik (wonen met tuin en brandweerkazerne).
Aanbevolen wordt om de resultaten van onderhavig onderzoek voor te leggen aan het bevoegd gezag (Omgevingsdienst Midden-Holland). Onder andere dient besproken worden of een actieve sanering van de zorgplicht- verontreinigingen in het grondwater zinvol is. Daarnaast dient een saneringsplan opgesteld te worden voor het saneren van de gevallen van ernstige bodemverontreinigingen op de locatie. De onderzoeken zijn beoordeeld door de ODMH. De beoordelingsrapportage is opgenomen als bijlage 9. De ODMH concludeert het volgende: • Ter hoogte van de Bovenkerkseweg 17 tot en met 23a bevindt zich een geval van ernstige bodemverontreiniging met een omvang van circa 150 m3; • Aan de oostzijde van de Bovenkerkseweg 33 is door bijmenging met bodemvreemd materiaal een contour aanwezig van sterk verontreinigde grond zoals is weergegeven op de tekening 2a van bijlage 2; • Aan de Hoflaan 2-4 is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Ter hoogte van de zuidoostzijde van de Hoflaan is boring 422 voor barium verhoogd ten opzichte van de interventiewaarde op een diepte van 0,3-0,5 meter minus maaiveld. De overige twee monsters van de openbare weg zijn niet verontreinigd.
Hier is sprake van een spotverontreiniging; • Ter hoogte van het buitenterrein aan de westzijde bevindt zich sterk verontreinigde grond binnen de contour van de boringen 201, 207 en 301; • Boring 311 ter hoogte van de garage van de gemeentewerf is op een diepte van 1,8-2,3 meter minus maaiveld barium verhoogd ten opzichte van de interventiewaarde. Nader onderzoek heeft daar niet plaatsgevonden; • Er is geen onderzoek nog gedaan onder de vloer van de brandweergarage en onder een deel van de vloer van het magazijn. Daar kan de ODMH dus nog geen uitspraak over doen. Met de ODMH is voor het plangebied een saneringsplan opgesteld die de initiatiefnemer op de voorgestelde wijze gaat uitvoeren. Conclusie Voorafgaand aan de ontwikkeling van de locatie dienen de betreffende verontreinigingen gesaneerd te worden en dient de grond geschikt gemaakt te worden voor toekomstig gebruik. In overleg met de ODMH is een saneringsplan opgesteld. De voorgestelde wijze van uitvoering wordt aangehouden. Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
22
Daarnaast gelden wettelijke beperkingen bij het verplaatsen en elders toepassen van grond, die kunnen leiden tot extra kosten. Derhalve wordt aanbevolen bij grondverzet zoveel mogelijk grond op de locatie te hergebruiken. Wanneer in de toekomst graafwerkzaamheden plaatsvinden, dient rekening gehouden te worden met de voorwaarden zoals omschreven in het bodemonderzoek. 4.7
Flora en fauna Kader Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Wnb: soorten Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten.
Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. Wnb: Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden en verbindingszones. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid).
Onderzoek Gebiedsbescherming De ontwikkellocatie is niet gelegen op gronden die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN). Er gaat dan ook geen oppervlakte aan NNN-gebied verloren. Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
23
De locatie is op ruime afstand van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden gelegen. Door de uitspraak van de Raad van State van eind mei 2019 is het nu echter voor ieder project nodig uit te sluiten dat negatieve effecten, als gevolg van onder andere stikstofdepositie, optreden. Door KuiperCompagnons is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. De resultaten zijn opgenomen in de notitie stikstofdepositie-onderzoek die als bijlage 7 is toegevoegd. In deze notitie is beoordeeld of de aanleg- en de gebruiksfase van de bouw en het gebruik van de 35 nieuwe woningen en de bouw van de brandweerkazerne leidt tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden. Uit het onderzoek wordt geconcludeerd dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Dit betekent dat significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten en dat de Wet natuurbescherming niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit plan. Beschermde soorten Door bureau ATKB is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. Deze is opgenomen als bijlage 1.
Omdat op voorhand duidelijk was dat in het plangebied jaarrond beschermde broedvogels (huismus en gierzwaluw) en vleermuizen voor konden komen heeft ATKB tegelijkertijd met de quickscan een aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd. Hieronder zijn de resultaten kort beschreven. Flora Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen beschermde soorten te verwachten zijn. Tijdens de veldbezoeken zijn er ook geen beschermde soorten waargenomen. Geschikte biotopen, zoals extensief beheerde akkers, ontbreken ook. De aanwezigheid van beschermde planten kan met zekerheid worden uitgesloten. Broedvogels met jaarrond beschermde nesten (cat. 1 t/m 4) Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende broedvogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4 broedvogels) voorkomen: Huismus, gierzwaluw. Niet alleen de nesten van deze vogels zijn jaarrond beschermd, maar ook de directe omgeving die nodig is om de jongen succesvol groot te brengen (rust- en foerageergebied). Derhalve is bij het veldbezoek zowel op de geschiktheid als broedlocatie als de geschiktheid als rust- en foerageergebied gelet. Uit de quickscan blijkt dat het plangebied geschikte mogelijke nestplaatsen biedt voor beide soorten door de aanwezigheid van schuine daken met dakpannen.
Huismus Uit het veldonderzoek blijkt dat de huismus niet broedt in het plangebied, maar wel aanwezig is in de omgeving. Bij het eerste onderzoek zijn in het geheel geen huismussen waargenomen, niet in het plangebied en ook niet in het gebied daar omheen. Bij het tweede veldbezoek zijn wel foeragerende huismussen waargenomen in het plangebied en tevens 1 zingend mannetje. Dit exemplaar had echter geen nest in het naastgelegen te slopen pand (waar wel precies is onbekend). Rondom het plangebied en met name aan de zuidkant zijn nog diverse baltsende (tsjilpende) mannetjes waargenomen. Struiken en groenstructuren bieden foerageer- en schuilgelegenheid aan huismussen. De werkzaamheden leiden niet tot schade aan essentieel foerageer- en schuilgebied om de volgende redenen: • Slechts een deel van de groenvoorzieningen verdwijnt. Onder andere rondom de groen gearceerde woningen blijven alle groenvoorzieningen behouden omdat deze woningen niet gesloopt worden. Er blijven zodoende voldoende schuilmogelijkheden aanwezig;