BIJL 1 Toelichting, regels en verbeelding BP Hoflaan Stolwijk.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
24
• Het aantal huismussen in de omgeving van het plangebied is beperkt, de behoefte aan groenvoorzieningen is dus niet heel groot; • In de directe omgeving zijn voldoende alternatieven aanwezig. De werkzaamheden leiden zodoende niet tot overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Het aanvragen van een ontheffing is zodoende niet noodzakelijk en aanvullende voorzorgsmaatregelen zijn ook niet nodig. Gierzwaluw De gierzwaluw is aangetroffen op het perceel Bovenkerkseweg 21. Dit betreft een te behouden woning die buiten de planontwikkeling valt. Bij alle drie de veldonderzoeken gericht op gierzwaluw is de soort hier invliegend waargenomen. Er zijn maximaal twee dieren gezien, er wordt vanuit gegaan dat dit één paar betreft. In de te slopen gebouwen zijn geen nesten van gierzwaluw aanwezig. Gierzwaluwen zijn verder niet gebonden aan het plangebied. De werkzaamheden hebben geen effect op de verblijfplaats. Wel is een ontheffing aangevraagd voor de gierzwaluw. Deze ontheffing is op 4 december 2019 voor de periode van 1 januari 2020 tot en met 1 januari 2025 verleend (bijlage 10). Broedvogels met niet jaarrond beschermde nesten, inventarisatie gewenst (cat.
5) Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende broedvogels met nietjaarrond beschermde nesten (categorie 5-broedvogels) voor (kunnen) komen: koolmees, pimpelmees en andere algemene soorten. Vogels uit deze categorie betreffen broedvogels waarvan de nesten in principe niet jaarrond beschermd zijn, maar waarvan het ministerie van EZ wel een inventarisatie verlangt en waarvan de soorten jaarrond beschermd zijn als de ecologische omstandigheden dit rechtvaardigen. In het plangebied zijn koolmees, ekster en bosuil waargenomen (die laatste is eenmaal waargenomen, roepend tijdens een gierzwaluw inventarisatie). Het plangebied is voor deze aanwezige categorie 5-vogels niet van ecologisch hoog belang, omdat het in het geval van ekster en koolmees hooguit om enkele broedparen gaat. Bovendien zijn in de omgeving voldoende alternatieve nestlocaties te vinden in tuinen en bos in omgeving. De soorten zijn daarnaast algemeen in Nederland. Het plangebied is door gebrek aan nestkasten of dikke oude boomholten ongeschikt als broedgebied voor bosuil. Als gevolg hiervan zijn de nesten van categorie 5-broedvogels binnen het plangebied niet jaarrond beschermd. Wel zijn nesten van deze broedvogels (net als het geval is voor algemene broedvogels) beschermd tijdens het broedseizoen. Soorten uit cat.
5 kunnen dus als algemene broedvogels worden beschouwd, zie hieronder. Algemene broedvogels Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied diverse algemene broedvogels voor (kunnen) komen, waaronder: merel, houtduif, Turkse tortel, heggenmus en vink. Nesten van algemene broedvogels zijn enkel tijdens het broedseizoen beschermd. In het plangebied zijn diverse algemene broedvogels aangetroffen. Zonder voldoende voorzorg kunnen nesten van bovengenoemde soorten worden verstoord of vernield. De verstoring die als gevolg van de werkzaamheden kan optreden, is echter niet van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding. Dit aangezien de te verwachten soorten algemeen in Nederland voorkomen. Daarnaast is de verstoring slechts van tijdelijke aard. Maatregelen Middels onderstaande voorzorgsmaatregelen kan overtreding van de Wnb (als gevolg van vernieling van vogelnesten) worden voorkomen en kunnen de werkzaamheden doorgang vinden: • Werkzaamheden buiten het reguliere broedseizoen (15 maart t/m 15 juli) uitvoeren. De kans op een broedgeval is het grootst in de periode 15 maart t/m 15 juli (dit wordt wel gezien als het reguliere broedseizoen). Het is mede afhankelijk van weersomstandigheden of ook buiten deze periode wordt gebroed Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
25
door vogels. Derhalve dient men voorafgaande aan het werk contact op te nemen met een ecoloog om te bepalen of er kans is op broedgevallen. • Indien de werkzaamheden in het reguliere broedseizoen uitgevoerd dienen te worden: o voorafgaand aan de werkzaamheden en buiten het broedseizoen de bomen, struiken en andere beplanting rooien. Voorafgaand aan het rooien dient men contact op te nemen met een ecoloog om te bepalen of er kans is op broedgevallen; o als de bomen, struiken en andere beplanting niet kunnen worden gerooid buiten het broedseizoen: voorafgaande aan het werk een broedvogelcontrole uitvoeren. Broedgevallen worden tijdens deze controle gemarkeerd en tijdens de werkzaamheden ontzien. Het kan noodzakelijk zijn om gedurende de werkzaamheden periodiek controles uit te voeren op broedgevallen van vogels in plaats van een éénmalige controle. Dit is vooral van toepassing als langdurig werkzaamheden in het reguliere broedseizoen worden uitgevoerd. Vleermuizen Uit het literatuuronderzoek en expert judgement (gebiedskennis) blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende vleermuizen voor (kunnen) komen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger. Er is in de periode mei tot september 2018 veldonderzoek uitgevoerd. Uit het veldonderzoek blijkt dat verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied niet aanwezig zijn.
In de omgeving zijn wel verblijfplaatsen aanwezig (o.a. paarterritorium gewone dwergvleermuis bij de kerk Hoflaan nr. 6 en ruige dwergvleermuis in de Plevierstraat). Het plangebied wordt gebruikt als foerageergebied door gewone dwergvleermuis en incidenteel laatvlieger. Buiten het plangebied bevinden zich paarverblijven van gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis. Verblijfplaatsen Door de voorgenomen sloop zijn negatieve effecten op paar- en kraamverblijfplaatsen van vleermuizen niet te verwachten, aangezien de aanwezigheid van (paar)verblijfplaatsen middels veldonderzoek kan worden uitgesloten. Van indirecte effecten op verblijven buiten het plangebied is geen sprake. De werkzaamheden leiden niet tot overtreding van verbodsbepalingen. Essentiële vliegroutes In het plangebied is geen sprake van een essentiële vliegroutes door het ontbreken van lijnvormige landschapselementen. Ook zijn er geen grote aantallen langsvliegende vleermuizen waargenomen. De werkzaamheden hebben zodoende geen negatieve effecten op vliegroutes, zodat van overtreding van art. 3.5 geen sprake is. Essentieel foerageergebied Door de voorgenomen sloop en verwijderen van groenstructuren gaat mogelijk foerageergebied van vleermuizen verloren.
Dit leefgebied is echter niet essentieel, omdat er voldoende alternatieve gebieden in de omgeving zijn, een deel van de groenstructuren behouden blijft en er lage aantallen vleermuizen zijn waargenomen. De werkzaamheden leiden daarom niet tot overtreding van artikel 3.5 Wnb. Er zijn geen mitigerende maatregelen nodig omdat er geen beschermde functies aanwezig zijn. Grondgebonden zoogdieren Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen grondgebonden zoogdieren voor komen. Tijdens het veldonderzoek zijn ook geen waarnemingen van beschermde soorten gedaan of sporen gevonden van beschermde grondgebonden zoogdieren. Geschikt leefgebied ontbreekt. De aanwezigheid van beschermde soorten kan met zekerheid worden uitgesloten.
Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
26
Amfibieën Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen beschermde amfibieën voor komen. Tijdens de veldbezoeken zijn deze ook niet aangetroffen, het plangebied is door de stedelijke ligging en het ontbreken van watergangen binnen het plangebied ook ongeschikt als biotoop. De aanwezigheid van beschermde amfibieën kan met zekerheid worden uitgesloten. Reptielen Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen beschermde reptielen voor komen. Tijdens de veldbezoeken zijn deze ook niet aangetroffen. Wegens het ontbreken van populaties in de nabijheid en het urbane karakter van het plangebied is dit ook ongeschikt leefgebied. De aanwezigheid van beschermde reptielen kan met zekerheid worden uitgesloten. Vissen Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen beschermde vissen voorkomen. Wegens het ontbreken van watergangen kan de aanwezigheid van vissen met zekerheid worden uitgesloten. Vlinders, libellen en overige ongewervelden Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen beschermde ongewervelden voorkomen. Tijdens de veldbezoeken zijn deze ook niet aangetroffen. Door het ontbreken van structuur- en bloemrijke graslanden en watergangen kunnen soorten uit deze soortgroepen ook met zekerheid worden uitgesloten.
Zorgplicht Om een zorgvuldige omgang met alle in het wild levende soorten (zorgplicht) te garanderen, zijn de volgende maatregelen geformuleerd: • Aanwezige beplanting binnen het plangebied (met name bomen en struiken) zoveel mogelijk behouden en met rust laten; • Werken van één kant af om fauna de kans te geven zelfstandig te vluchten; • Enkel bij daglicht werken om verstoring van nacht-actieve soorten (zoals vleermuizen) te voorkomen. Om tussentijdse vestiging van beschermde (pionier)soorten te voorkomen, zijn nog enkele aanvullende voorzorgsmaatregelen geformuleerd: • Voorkomen dat er op het bouwterrein natte laagtes of bandensporen overblijven, dit is geschikt voortplantingsbiotoop voor amfibieën; • Vorming van grote zandhopen voorkomen; dit vormt (bij aanwezigheid van steile kanten) een geschikte broedlocatie voor oeverzwaluwen; • Voorkomen dat er ten tijde van de werkzaamheden vogels van pioniersituaties gaan broeden (bijvoorbeeld de kleine plevier en scholekster). Hiertoe dient bij voorkeur buiten het broedseizoen te worden gewerkt (zie tevens paragraaf 5.3). Indien dit niet mogelijk is, dienen (vanaf de start van het broedseizoen) maatregelen te worden genomen om het terrein broedvrij te houden (gebruik van linten).
Conclusie Het aspect flora en fauna is in voldoende mate onderzocht en levert geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen mits de voorzorgsmaatregelen getroffen worden.
4.8
Overige belemmeringen Naast de hiervoor beschreven milieuaspecten kunnen er nog andere belemmeringen in of nabij het plangebied aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planvorming. Het gaat bijvoorbeeld om de aanwezigheid van Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
27
straalpaden, planologisch relevante kabels en leidingen (zoals waterleidingen of rioleringsleidingen), beschermingszones en dergelijke. Onderzoek Binnen het plangebied bevindt zich in de huidige situatie een zendmast. Deze zendmast wordt verplaatst naar de parkeerplaats van voetbalvereniging Stolwijk, op circa 190 meter van het plangebied ligt. De invloed van de zendmast op het plangebied hoeft dan ook niet afgewogen te worden. Overige belemmeringen, zoals planologisch relevante leidingen, zijn niet gelegen binnen het plangebied. Conclusie Er bestaan geen relevante overige belemmeringen in het plangebied.
Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
28
5.
Water
5.1
Beleidskader Europees en rijksbeleid Nationaal Waterplan Het 2e Nationaal Waterplan (NWP2) beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en de daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen.
In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en het waterschap samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen (bijvoorbeeld wateroverlast of verdroging) in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in de wetgeving en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Kaderrichtlijn water De Kaderrichtlijn Water is opgesteld om de waterkwaliteit is Europa te verbeteren. De richtlijn is sinds 2000 van kracht. In de richtlijn staan afspraken die ervoor moeten zorgen dat uiterlijk in 2027 het water in alle Europese landen voldoende schoon en gezond is. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden.
Dit betekent onder andere het aanwijzen en instandhouder van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd.
Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
29
Provinciaal beleid Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016 - 2021 In het Regionaal Waterplan wordt verwezen naar de Visie Ruimte en Mobiliteit, vastgesteld op 7 juli 2014. Provinciale staten van Zuid-Holland hebben echter op 20 februari 2019 nieuw beleid vastgesteld, namelijk het Omgevingsbeleid. In het Omgevingsbeleid is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening. Het waterbeleid komt op diverse plekken voor in de Omgevingsvisie Zuid-Holland en Omgevingsverordening Zuid-Holland. In de Omgevingsverordening zijn voor bestemmingsplannen in hoofdstuk 6 instructieregels opgenomen. Hier komen onder andere de Keur, legger en peilbesluit aan bod. Verder wordt in het Regionaal Waterplan Zuid-Holland 2016-2021 verwezen naar de Voortgangsnota KRW en het Provinciaal Waterplan 2010 2015. Voortgangsnota KRW In de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water 2016-2021, vastgesteld op 14 oktober 2015, zijn de doelen en maatregelen voor waterkwaliteit van grond- en oppervlaktewater vastgelegd. Deze nota fungeert als een regionaal waterplan conform de Waterwet, voor het thema waterkwaliteit. Provinciaal Waterplan 2010 - 2015 Een aantal onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 – 2015 blijft ongewijzigd van kracht. Dit heeft betrekking op een onderdeel van waterveiligheid, water en natuur en vismigratie.
Beleid waterbeheerder Waterbeheerplan 2016 – 2021 – Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard Met stevige dijken beschermt het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK) het beheersgebied tegen overstromingen. Het HHSK zorgt ervoor dat het waterpeil past bij de functies, en dat sloten, vaarten en plassen goed zijn ingericht en zorgvuldig worden beheerd. Voldoende water van goede kwaliteit is een belangrijk doel. Het zuiveren van het afvalwater van huishoudens en bedrijven gebeurt efficiënt en innovatief, met oog voor milieu en duurzaamheid. Het HHSK zet zich in voor een biologisch gezond watersysteem, waarin planten en dieren zich goed kunnen ontwikkelen. Zo blijft het watersysteem geschikt voor de meeste functies en aantrekkelijk voor gebruikers. Waterveiligheid: Stevige dijken beschermen burgers en bedrijven tegen overstromingen vanuit de rivieren de Nieuwe Maas, Lek en Hollandsche IJssel en de boezemwateren. Zo beperkt het HHSK niet alleen de kans op overstromingen, maar ook de gevolgen daarvan (schade en slachtoffers). Het nieuwe Deltaprogramma en de deltabeslissing Waterveiligheid vormen het kader voor de zorg voor de waterveiligheid. Watersysteem: hier ligt de focus op het duurzaam en slim besturen, beheren en onderhouden van het samenhangende systeem van watergangen en kunstwerken.
Zo zorgt het HHSK voor een optimaal waterpeil bij de gewenste functie, voor voldoende water van goede kwaliteit en voor goed onderhouden sloten, vaarten en plassen. Door alert te reageren op wijzigende omstandigheden blijft het watersysteem duurzaam ingericht. Op deze manier anticipeert het HHSK op klimaatverandering en bodemdaling en ruimtelijke ontwikkelingen. Actuele gegevens over het watersysteem en het waterbeheer zijn digitaal beschikbaar. Afvalwaterketen en emissies: afvalwaterzuiveringsinstallaties verwerken het afvalwater uit het gebied efficiënt en duurzaam. Het transport van afvalwater en het na zuivering lozen van het effluent op sloten en rivieren gebeurt doelmatig en verantwoord. Het efficiënt gebruik van installaties en transportsystemen levert maatschappelijke winst op in de vorm van energieterugwinning en kostenbesparing. Met optimalisatie en
Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
30
innovatie van de zuiveringsprocessen zet het HHSK in op duurzaamheid: bijvoorbeeld door lozingen te verminderen, grondstoffen terug te winnen en energie te besparen of op te wekken. Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen In de nota "Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen" (Nota waterkwantiteitsbeheer, vastgesteld op 26 juni 2007 en aangevuld op 7 september 2007) is het beleid van HHSK geformuleerd over de waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen. Samenvattend betekent het beleid het volgende: 1. aan ontwikkelingen die resulteren in een toename van het verharde oppervlak van minder dan 500 m2 worden geen waterbergingseisen gesteld; 2. bij de overige ontwikkelingen wordt aan de hand van de eigenschappen van het gebied vastgesteld hoeveel aanvullende waterberging nodig is. 5.2
Onderzoek Hieronder volgt de inhoudelijke toetsing van het plan aan de verschillende ‘waterthema’s’, zoals die beschreven staan in de Handreiking Watertoets. Toetsing aan deze thema’s levert de watertoets op. Oppervlaktewatersysteem Er is binnen het plangebied water aanwezig wat is aangeduid is als ‘overig water’ (zie afbeelding 5.1). Met de voorgenomen ontwikkeling zal ten behoeve van het appartementengebouw een klein gedeelte worden gedempt. Dit deel zal één op één gecompenseerd worden, waardoor het totale oppervlak aan water niet zal verminderen.
Afbeelding 5.1: uitsnede leggerviewer
Waterkwantiteit De koopappartementen komen voor een klein gedeelte in de bestaande waterpartij te staan. Hierdoor wordt circa 24 m2 water gedempt. Er zullen geen extra watergangen worden gegraven. Een (groot) deel van de Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
31
bestaande bebouwing wordt gesloopt om de nieuwe bebouwingen van de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken. Hieronder zijn in twee tabellen de huidige verhard oppervlak en het toekomstige verhard oppervlak bepaald. De bestemming ‘Maatschappelijk – Begraafplaats’ is als geheel onverhard berekent omdat hier geen ingrepen gedaan worden. Het verhard oppervlak blijft hier dus gelijk. Voor ‘Wonen’ wordt uitgegaan dat dit buiten de bouwvlakken gebruikt worden als tuinen. Daarom is gerekend met 50% van het verhard oppervlak. De bouwvlakken zijn wel als 100% verhard meegenomen. Huidig situatie Bestemming Groen Maatschappelijk Verkeer Water Wonen Bouwvlakken Maatschappelijk Begraafplaats Totaal
-
Percentage verhard 0% 100% 100% 0% 50% 100% 0%
(Bestemming) Oppervlak 1.235 m2 2.961 m2 477 m2 837 m2 1.692 m2 2.382 m2 1.813 m2
Planologische verharding 0 m2 2.961 m2 477 m2 0 m2 846 m2 2.382 m2 0 m2
11.397 m2
6.666 m2
Bestemming oppervlak 1.900 m2 658 m2 1.527 m2 850 m2 837 m2 1.374 m2 2.514 m2 1.737 m2
Planologische verharding 0 m2 658 m2 1.527 m2 425 m2 0 m2 1.374 m2 2.514 m2 0 m2
11.397 m2
6.498 m2
Afbeelding 5.1: overzicht verharding huidige situatie
Toekomstige situatie Bestemming Groen Maatschappelijk Verkeer Parkeren Water Wonen Bouwvlakken Maatschappelijk Begraafplaats Totaal
-
Percentage verhard 0% 100% 100% 50% 0% 50% 100% 0%
Afbeelding 5.1: overzicht verharding toekomstige situatie
15% van het toegenomen verhard oppervlak moet gecompenseerd worden. Het verhard oppervlak neemt door de voorgenomen ontwikkeling niet toe (zie tabellen 5.1 en 5.2). Het gedempte water van 24 m2 wordt aan de zuidrand van de plas terug gegraven. Veiligheid Het plangebied ligt niet in een beschermingszone van een waterkering. Bodem en grondwater Voor ondergrondse constructies, waarvan de onderkant dieper ligt dan de hoogste grondwaterstand, wordt geadviseerd waterdicht te bouwen om te voorkomen dat overlast van grondwater ontstaat. Waterkwaliteit
Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
32
Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater, dat wordt afgekoppeld naar het oppervlaktewater, wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Er dienen zo min mogelijk (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Riolering Bij de nieuwe ontwikkeling moet het afvalwater worden aangesloten op de riolering. Het huishoudelijk afvalwater (droogweerafvoer; DWA) zal aangesloten worden op het bestaande (druk)rioleringssysteem van de gemeente Krimpenerwaard. Het hemelwater moet worden afgekoppeld. Hemelwater dat op daken en verharding van het perceel valt wordt afgekoppeld van DWA. De afvoermogelijkheden in het plangebied voor het verwerken van hemelwater in voorkeursvolgorde zijn: 1. hemelwater vasthouden voor benutting; 2. (in-)filtratie van afstromend hemelwater; 3. afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; De lozer dient er voor te zorgen dat het hemelwater bij de afstroming niet onnodig vervuilt en indien nodig maatregelen treffen om dit te voorkomen.
Volksgezondheid Doordat regenwater gescheiden wordt afgevoerd van het afvalwater, worden (gemengde) riooloverstorten voorkomen en zullen bestaande gemengde overstorten niet verergeren. De risico’s van watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimaliseerd. Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van het inzamelings- en transportstelsel van afvalwater, kortom de riolering, ligt bij de gemeente. Het Hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor de zuivering van het aangeleverde afvalwater. Het Hoogheemraadschap is de beheerder van het totale watersysteem en van de waterkering. Het onderhoud van de waterkering en hoofd- en boezemwatergangen is tevens de verantwoordelijkheid van het Hoogheemraadschap. Het onderhoud van de overige watergangen ligt bij particulieren, de gemeente en andere instanties. Het beheer en onderhoud van het gemeentelijke inzamelings- en transportstelsel ligt bij de gemeente tot aan het eindgemaal dat in beheer is van het Hoogheemraadschap. Het Hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor het transport vanuit het eindgemaal tot en met afvalwaterzuiveringsinstallatie en voor de zuivering. De gemeentelijke riolering moet bereikbaar zijn voor beheer en onderhoud.
Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
33
5.3
Conclusie Het aspect water levert geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. De digitale watertoets is doorlopen en het bestemmingsplan wordt, conform het gestelde in artikel 3.1.1. van het Bro, aan het hoogheemraadschap voorgelegd.
Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
34
6.
Archeologie en cultuurhistorie
6.1
Archeologie Kader Erfgoedwet De Erfgoedwet (2016) bundelt de voorgaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een regeling. Waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2021 van kracht wordt. Op grond van de Erfgoedwet is het verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Gemeentelijk beleid De voormalige gemeente Schoonhoven heeft in 2014 cultuurhistorisch beleid ontwikkeld.
Met de nota en de beleidskaart is meteen helder welke waarden er aanwezig zijn en hoe deze gewaardeerd worden. Dit beleid is samen met het archeologiebeleid vastgelegd in het paraplubestemmingsplan Archeologie en Cultuurhistorie. In 2016 is de bestaande archeologische verwachtingskaarten van de voormalige gemeenten geactualiseerd. Het plangebied ligt, zoals te zien is in afbeelding 6.1, deels in een gebied met een ‘Waarde Archeologie – 5’ en deels in een gebied ‘Waarde Archeologie – 6’. Tevens is een groot deel van het plangebied reeds onderzocht.
Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
35
Afbeelding 6.1: uitsnede Archeologische beleidskaart (plangebied zwart omkaderd)
Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
36
Onderzoek In het vigerende bestemmingsplan ‘Dorpskernen 2014’ heeft het plangebied voor een groot deel de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. Het plangebied is momenteel vrijwel volledig bebouwd; de diepte van de huidige verstoring is niet bekend. Uitgaande van de omvang van het plangebied is het project onderzoeksplichtig. Aanleiding voor dit onderzoek is de geplande herinrichting van het plangebied. De huidige bebouwing wordt gesloopt en vervangen door nieuwbouwwoningen. De voorgenomen bodemverstorende werkzaamheden reiken tot maximaal 1,5 m –mv. Het plangebied is in 2014 grotendeels onderzocht door middel van een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek (Timmers 2014). De resultaten van het vooronderzoek geven aan dat tot een diepte van circa 0,9/1,25 m –mv een hoge archeologische verwachting geldt op bewoningssporen en sporen van landgebruik uit de Nieuwe tijd B (ongeveer vanaf het einde van de 17e eeuw). Er werd vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek ter plaatse van de geplande bouwblokken. Dit advies is beoordeeld door de Omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH), als adviseur van de gemeente Krimpenerwaard. De ODMH was het eens met het advies voor vervolgonderzoek, aangezien archeologisch weinig bekend is over Stolwijk in de periode 17e-19e eeuw.
Zij waren echter van mening dat de aard van het vervolgonderzoek pas kon worden vastgesteld op het moment dat de plannen ingevuld waren, hetgeen op dat moment nog niet het geval was. Inmiddels is wel bekend waar de nieuwbouw gaat komen, en is duidelijk dat de nieuwbouw zich niet zal beperken tot de huidige bebouwde delen. Voor het vervolgonderzoek is een Programma van Eisen opgesteld. Deze is opgenomen als bijlage 2. Het vervolgonderzoek zelf is opgenomen als bijlage 5. Hieronder zijn de resultaten van het vervolgonderzoek, waar proefsleuven uitgevoerd zijn, beschreven. Uit het uitgevoerde onderzoek is gebleken dat er in binnen het plangebied een archeologische vindplaats aanwezig is. De gewaardeerde vindplaats van een (verhoogde) huisplaats uit de Nieuwe tijd bezit een bovengemiddeld hoge archeologische waarde en is daarmee behoudenswaardig. Dit betekent dat indien de resten verstoord worden door de nieuwbouwplannen en behoud in situ niet mogelijk is, hier verder archeologisch onderzoek nodig is. Voorafgaand aan alle verstoringen die binnen de vindplaats vallen, dient een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden. Voor de nieuwbouw geldt een voorkeur voor een opgraving. Ter plaatse van tracés voor kabels en leidingen kan volstaan worden met een actieve begeleiding van de werkzaamheden.
Voor het deel van het plangebied buiten de vindplaats geldt geen noodzaak voor nader archeologisch onderzoek. Dit gebied van circa 7350 m2 wordt vrijgeven op basis van het onderzoek (zie bijlage 5, laatste pagina). Voor het overige deel wordt een vervolgonderzoek uitgevoerd. Conclusie Voor een deel van het plangebied wordt gedurende de bestemmingsplanprocedure vervolgonderzoek uitgevoerd, welke dient te zijn afgerond voor de vergunningverlening voor de beoogde nieuwbouw. Het andere deel wordt vrijgegeven op basis van het uitgevoerde onderzoek. De ODMH heeft het evaluatie- en selectierapport goedgekeurd en is het eens met het advies dat de locatie van de historische boerderij verder wordt onderzocht door middel van een opgraving. Deze locatie is aangegeven met een dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie – 3’. Inmiddels is gestart met deel 1 van het benodigde archeologische onderzoek. Deel 2 volgt waarschijnlijk begin 2021 op de locatie van de gemeentewerf. Die kan pas gesloopt worden na afsluiting van nutsvoorzieningen. Voor het overige deel van het plangebied is geen verder onderzoek meer nodig.
Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
37
Als tijdens de werkzaamheden blijkt dat (toch) archeologische resten aanwezig zijn, dan moet het bevoegde gezag (gemeente Krimpenerwaard) meteen op de hoogte gesteld worden en moet ze een beslissing nemen over hoe om te gaan met de resten, conform paragraaf 5.4, artikel 5.10 van de Erfgoedwet. 6.2
Cultuurhistorie Kader Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument “Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS)”. In de CHS heeft de provincie bestaande en mogelijk te verwachten archeologische waarden in beeld gebracht. In het bijbehorende “Beleidskader Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland” zijn per waarderingscategorie algemene beleidsuitgangspunten geformuleerd. De waardering zoals vastgelegd in de cultuurhistorische hoofdstructuur geldt als uitgangspunt van beleid. Onderzoek en conclusie Uit de cultuurhistorische waardenkaart blijkt dat de Bovenkerkseweg een historisch landschappelijke lijn is met een hoge waarde. Deze lijn wordt gerespecteerd doordat de bebouwing langs de Bovenkerkseweg aansluit op de bestaande bebouwing langs deze lijn. Verder kent het gebied aan de oostzijde een in het groen gelegen oorlogsmonument. Dit oorlogsmonument wordt verplaatst naar de groenstrook voor het uitvaartcentrum, aan de zijde van de begraafplaats.
Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
38
7.
Mobiliteit Kader Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervangt onder andere de Nota Mobiliteit en vormt de visie van het Rijk op het gebied van mobiliteit, bereikbaarheid, ruimte, milieu en leefbaarheid tot 2040. De SVIR voorziet een groei in de mobiliteitsbehoefte tot 2030. Deze groei is het grootst in de Randstad en Brabant. Om de concurrentiekracht van Nederland te versterken, is een netwerk van hoogwaardige internationale verbindingen nodig, net als een goede nationale bereikbaarheid van onze belangrijkste economische regio’s. Het Rijk zet de gebruiker van mobiliteit centraal. Het verknopen van verkeerssystemen en vervoerwijzen neemt daarbij een belangrijke plaats in, net als het beter benutten van infrastructuur, met een volwaardige plaats voor langzaam en recreatief verkeer. Het Rijk mikt op multimodale (keten)maatregelen die het gebruik van de capaciteit optimaliseren. In de ambitie van het Rijk is Nederland in 2040 een bepalende speler in de transitie naar duurzame mobiliteit. In de SVIR gaat het Rijk vooral in op de transitie naar schone voertuigen, uitgewerkt in de duurzaamheidsagenda. Deze doet een beroep op bedrijfsleven (Green Deals) en decentrale overheden (Klimaatagenda).
Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2008 - 2020 Het Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2008 - 2020 van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat geeft een visie weer op het aspect ‘verkeersveiligheid’ in Nederland. De ambitieuze doelen (qua verkeersdoden en -gewonden) uit de Nota Mobiliteit moeten worden omgezet in beleid. Drie pijlers daarin zijn: samenwerking, integrale aanpak en “Duurzaam Veilig”. Het verkeersveiligheidsbeleid in Nederland van de afgelopen jaren was succesvol; dat moet worden gecontinueerd. Op basis van generieke maatregelen (maatregelen die in de basis overal gelden, die de afgelopen jaren al zijn ingezet en die moeten worden gecontinueerd) alsook met specifieke aandachtsgebieden zou dit kunnen worden bewerkstelligd. Het is van groot belang dat er een goede afstemming en samenwerking plaatsvindt met alle betrokken partijen. Het rijksbeleid gaat niet concreet in op de verkeerssituatie in en rondom het plangebied. Er is om deze reden dan ook geen strijd met de kaders uit het rijksbeleid. Onderzoek Ontsluiting Het plan wordt ontsloten via een nieuw aan te leggen ontsluitingsweg, langs de brandweerkazerne en de aula. Deze weg is toegankelijk voor hulpdiensten en zorgdiensten etc. De Hoflaan is alleen voor voetgangers, fietsers en rouwstoeten toegankelijk. Voor al het overige verkeer wordt de Hoflaan met een beweegbare paal afgesloten.
Daarnaast komt tussen de sociale huurcomplexen een opstelplaats voor de genoemde zorgdiensten. De beoogde inrichting is in afbeelding 7.1 weergegeven.
Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
39
Afbeelding 7.1 Ontsluiting en inrichting van het plangebied (zwarte stip is beweegbare paal) Verkeer De gemeente Krimpenerwaard heeft geen eigen parkeerbeleid, en verwijst in het op 29 januari 2019 vastgestelde paraplubestemmingsplan ‘Parkeren Krimpenerwaard’ naar de CROW-publicatie 317 en diens rechtsopvolger(s). Inmiddels is de CROW-publicatie 381 van toepassing en hier zal dan ook aan worden getoetst. Voor het te hanteren kencijfer wordt een ligging in de ‘rest bebouwde kom’ gehanteerd. Op basis van de omgevingsadressendichtheid wordt Stolwijk als ‘weinig stedelijk’ gecategoriseerd.
Huidig programma Tussen/hoekwoningen (koop) Seniorenappartementen Koop appartementen (midden) 2^1-kapwoningen Totaal
Aantallen
Tabel 7.2: berekening verkeersgeneratie nieuw programma
Norm 3 22 8 2 35
7,4 per woning 5,6 per woning 6,0 per woning 7,8 per woning
Verkeersgeneratie 22,2 123,2 48 15,6 209
De nieuwe woningen hebben een verkeersgeneratie van 209 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De bestaande bebouwingen, bestaande uit woningen en een deel van de brandweerkazerne, worden gesloopt. De verkeersaantrekkende werking blijft nagenoeg gelijk. De eventuele kleine toename van de verkeersaantrekkende werking zal niet significant zijn. Een mobiliteitsonderzoek niet nodig is. Parkeren Ook wordt de parkeernorm berekend op basis van kencijfers uit CROW publicatie 381. Huidig programma Tussen/hoekwoningen (koop) Seniorenappartementen Koop appartementen (midden) 2^1-kapwoningen Totaal
Aantallen
Norm 3 22 8 2 35
Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
Parkeerplaatsen 2 per woning 1 per woning 2 per woning 2 per woning
6 22 16 4 48
40
In totaal zijn 48 parkeerplaatsen benodigd. Daarnaast zijn nog 8 extra parkeerplaatsen voor de brandweerkazerne en 4 extra parkeerplaatsen voor de zendmast benodigd. In totaal zijn dus 60 parkeerplaatsen benodigd. Binnen het plangebied worden 76 parkeerplaatsen gerealiseerd. Aan de CROW-normen wordt (ruim) voldaan. Conclusie Het aspect mobiliteit levert geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
41
8.
Duurzaamheid Kader Nationaal klimaatbeleid In 2013 zijn er in het ‘Energieakkoord voor duurzame groei’ reeds afspraken gemaakt over energiebesparing, stimuleren van duurzame energie en werkgelegenheid tussen de overheid, vakbonden, werkgevers en milieuorganisaties. Tijdens de klimaattop in Parijs in 2016 hebben 197 landen, waaronder Nederland, zich gecommitteerd aan het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen en de opwarming van de aarde te beperken tot maximaal 2 graden met 1,5 graad als streefwaarde. In de Klimaatwet (2019) is vastgelegd dat broeikasgasuitstoot (ten opzichte van 1990) met respectievelijk 49 procent in 2030 en 95 procent in 2050 verminderd moeten worden. Daarnaast moeten er in 2050 een volledig CO2-neutrale elektriciteitsproductie zijn. In het klimaatakkoord (waarvan het ontwerp eind 2018 is verschenen) staan afspraken met verschillende sectoren over hoe de doelen uit de Klimaatwet gehaald kunnen worden. Na het doorrekenen van het klimaatakkoord door het Centraal Planbureau en het Planbureau voor de Leefomgeving is de overheid het klimaatakkoord momenteel aan het afronden.
Duurzaam bouwen Duurzaam bouwen staat voor het ontwikkelen en beheren van de gebouwde omgeving met respect voor mens en milieu zodat kan worden voorzien in de behoefte van de huidige generatie zonder dat voor toekomstige generaties de mogelijkheid wordt ontnomen om ook in hun behoeften te kunnen voorzien. Duurzaam bouwen is daarmee onderdeel van de kwaliteit van de gebouwde omgeving. Gemeentelijk beleid De gemeente Krimpenerwaard heeft de ambitie om in 2050 fossiele brandstofvrij, CO2-neutraal en vrij van restafval te zijn. In het Programmaplan Duurzaamheid 2018-2021 zijn voor de samenleving de volgende doelen gesteld om deze ambitie te halen: • In 2030 is de CO2-uitstoot van de gemeente met 50% afgenomen ten opzichte van. 2015 door energiebesparing en de opwekking van duurzame energie; • In 2030 is het afvalscheidingspercentage in Krimpenerwaard 80%. Daarnaast is in het Coalitieakkoord 2018-2022 opgenomen dat in 2050 alle bebouwing aardgasloos is. Dit wordt ondersteund door het inwerking treden van de Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET), die tot gevolg heeft dat nieuwbouw in de categorie kleinverbruikers, zoals woningen, niet meer worden voorzien van een gasaansluiting.
In het coalitieakkoord zijn daarbij aanvullende volgende ambities opgenomen: • Toename duurzaam opgewekte energie van tenminste 0,02 PetaJoule; • Inrichting van de buitenruimte houdt rekening met water- en hittestress. Onderzoek Bij het plan wordt waar mogelijk ingezet op een zo duurzaam mogelijk gebouw. De mogelijkheid tot het realiseren van duurzame maatregelen wordt eventueel meegenomen bij het verder uitwerken van de woningen. De nieuwe woningen krijgen in ieder geval geen aardgasaansluiting en voldoen aan de wettelijke vereisten. Conclusie De ontwikkelingen voldoen aan de wettelijke vereisten. De ontwikkeling is in lijn met de gestelde duurzaamheidskaders.
Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
42
9.
Juridische toelichting
9.1.
Inleiding Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld conform de gemeentelijke standaard, met inachtneming van de bepalingen die zijn opgenomen in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro), zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012) en het coderingssysteem Informatiemodel Ruimtelijke Ordening (IMRO). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de regels en verbeelding van voorliggend plan zijn opgebouwd. Regels
9.2.
Regels De regels bestaan uit vier hoofdstukken: • Inleidende regels (hoofdstuk 1) • Bestemmingsregels (hoofdstuk 2) • Algemene regels (hoofdstuk 3) • Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4) Hierna wordt een korte toelichting gegeven op de in het plan voorkomende artikelen. Hoofdstuk 1 Inleidende regels In dit hoofdstuk is een aantal begrippen verklaard, dat wordt gebruikt in de regels. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is het artikel "Wijze van meten” opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Hierna volgt een toelichting per artikel. Groen Binnen de bestemming ‘Groen’ zijn groenvoorzieningen mogelijk, inclusief waterpartijen, paden en nutsvoorzieningen. Binnen deze bestemming zijn de bouwmogelijkheden beperkt. Maatschappelijk Dit is een brede bestemming voor de bestaande maatschappelijke voorzieningen die in de vorige bestemmingsplannen ook al een bestemming ‘Maatschappelijke doeleinden’ hadden. Hierbinnen zijn derhalve verschillende maatschappelijke functies mogelijk.
Specifieke maatschappelijke functies, zoals de begraafplaats, hebben een eigen maatschappelijke bestemming gekregen. Het ruimtegebruik van deze functie is zo specifiek dat ter plaatse niet zonder meer een andere maatschappelijke functie kan worden toegestaan. De gebouwen zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan. Het bouwvlak mag voor 100% worden bebouwd In principe is de toegestane maximum goot- en bouwhoogte op de kaart aangeduid. Als er niets is aangeduid geldt een maximum goot- en bouwhoogte van respectievelijk 7 en 11 meter, tenzij op de kaart een andere goot- en/of bouwhoogte is opgenomen.
Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
43
Maatschappelijk - Begraafplaats Deze bestemmingsregeling is specifiek toegesneden op de begraafplaats. Ter plaatse zijn geen grote gebouwen toegestaan, zoals bij een kerk of school. Verkeer De bestemming ´Verkeer´ is opgenomen voor de wegen in het plangebied met een buurtontsluitingsfunctie, woonstraten en -erven. Het betreft hier een bestemming met een globaal karakter waarbinnen de diverse verkeersfuncties mogelijk zijn. Overal binnen deze bestemming zijn (ongebouwde) parkeervoorzieningen mogelijk. Ook de aanleg van (openbaar) groen is mogelijk binnen deze bestemming. Water De bestemming ´Water´ is opgenomen voor de watergangen en ander oppervlaktewater in het plangebied. De handhaving van deze watergangen is om waterstaatkundige redenen van belang. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden opgericht, anders dan ten behoeve van de bestemming. Wonen De bestemming ‘Wonen’ is opgenomen voor de geprojecteerde woningen in het plangebied. De woningen mogen alleen worden gebouwd binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak. Er zijn aanééngebouwde, twee-aaneen gebouwde en vrijstaande woningen toegestaan. Waarde – Archeologie 3 Deze dubbelbestemming is gebruikt voor de zone met een hoge archeologische waarde.
Alvorens hier grondbewerkingen volgens de onderliggende bestemmingen kunnen plaatsvinden, moet er eerst archeologisch onderzoek plaatsvinden om te bezien of er geen archeologische waarden aanwezig zijn. Als er geen archeologische waarden aanwezig zijn, kunnen de grondbewerkingen plaatsvinden. Als er wel archeologische waarden worden aangetroffen zal bekeken moeten worden hoe die het beste zeker gesteld kunnen worden. Deze onderzoeksplicht / vergunningplicht is uitgezonderd voor het normale beheer en onderhoud van de gronden, evenals voor gronden waarvan kan worden aangetoond dat reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag. Hoofdstuk 3 Algemene regels In hoofdstuk 3 worden enkele algemene regels gegeven, zoals de anti-dubbeltelregel. Ook worden algemene bouw- en gebruiksregels gegeven. Daarnaast worden enkele algemene afwijkings- en wijzigingsregels gegeven die de flexibiliteit van het plan vergroten. Ook worden algemene procedurerels gegeven. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald.
Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald. 9.3.
Verbeelding De analoge verbeelding van de geometrische plaatsbepalingen kent een schaal van 1:1.000 en bestaat uit één kaartblad. Voor het intekenen van de bestemmingen is een topografische ondergrond gebruikt. Met lijnen, coderingen en arceringen is aan gronden een bepaalde bestemming toegekend. De verbeelding is volgens IMRO 2012 (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) getekend. Dit is een eenduidige en technische methode voor het tekenen van kaarten. Hiermee kan ruimtelijke informatie eenvoudig digitaal uitgewisseld worden met andere
Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
44
overheden en samenwerkingspartners. Tevens maakt deze methode het mogelijk om het plan via internet te raadplegen.
Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
45
10. Uitvoerbaarheid 10.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid De voorgenomen ontwikkeling voorziet herontwikkeling van het plangebied waarbij 35 nieuwe woningen gebouwd worden. Gezien de grote behoefte aan woningen en het doorlopen participatieproces (zoals hieronder omschreven) is de verwachting dat het plan positief wordt ontvangen. Tevens vindt een kwaliteitsverbetering plaats. Niettemin is in de bestemmingsplanprocedure de mogelijkheid geboden tot het indienen van zienswijzen. Participatieproces Op 17 oktober 2018 heeft de gemeenteraad voor het plangebied ontwerpprincipes vastgesteld. Deze ontwerpprincipes dienen als (ruimtelijk en financieel) kader waarbinnen het college van Burgemeester en wethouders samen met stakeholders een stedenbouwkundig plan konden vormgeven. In vervolg hierop is op 21 november 2018 een breed startoverleg georganiseerd voor omwonenden en andere stakeholders. Vervolgens zijn er drie klankbordgroepbijeenkomsten geweest, waarin verschillende stedenbouwkundige modellen zijn besproken. Er is gezocht naar een voorkeursmodel waarin de belangen van de deelnemers zo goed als mogelijk verwerkt konden worden. Dit is het model Begijnhof geworden.
10.2
Financiële uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens bestaat vanuit de Wet ruimtelijke ordening de verplichting om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Gelet op het voorgaande wordt in het kader van de voorgenomen ontwikkeling een anterieure overeenkomst gesloten tussen de gemeente en Groen Wonen Vlist . Daarmee wordt het voorliggende initiatief financieel uitvoerbaar geacht.
Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
46
11. Procedure 11.1
Vooroverleg Overleg Conform artikel 3.1.1. van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de Rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader is het concept-ontwerpbestemmingsplan voor advies toegezonden aan diverse instanties. De ontvangen reacties van onder andere het waterschap, de veiligheidsregio en de ODMH zijn verwerkt in het bestemmingplan.
11.2
Ontwerpfase Na afronding van het overleg wordt de formele bestemmingsplanprocedure gestart. De aanpassingen die eventueel volgen uit de overlegreacties worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Ook worden er – indien nodig – ambtshalve aanpassingen doorgevoerd. Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is artikel 3.8 Wet ruimtelijke ordening (Wro) (gelezen in samenhang met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht) van toepassing. De kennisgeving van het ontwerpbesluit tot vaststelling moet in de Staatscourant worden geplaatst en dient ook via elektronische weg te geschieden. Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. Er is op het bestemmingsplan één zienswijze ingediend. Een samenvatting en beantwoording van deze zienswijze is in bijlage 12 opgenomen. De daaropvolgende aanpassingen en ambtshalve wijzigingen zijn in dit bestemmingsplan verwerkt.
11.3
Vaststellingsfase Na de termijn van terinzagelegging moet de gemeenteraad beslissen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking waarna tot vergunningverlening kan worden overgegaan.
Bestemmingsplan ‘Hoflaan’ Toelichting - vastgesteld
Regels
Inhoudsopgave bij de regels
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
INLEIDENDE REGELS Begrippen Wijze van meten
3 3 8
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9
BESTEMMINGSREGELS Groen Maatschappelijk Maatschappelijk - Begraafplaats Verkeer Water Wonen Waarde - Archeologie 3
9 9 10 11 12 13 14 17
Hoofdstuk 3 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14
ALGEMENE REGELS Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels
21 21 22 24 25 26
Hoofdstuk 4 Artikel 15 Artikel 16
OVERGANGS- EN SLOTREGELS Overgangsrecht Slotregel
27 27 28
2
Bestemmingsplan ‘Hoflaan ’ Ontwerp - Regels
3
Hoofdstuk 1 INLEIDENDE REGELS Artikel 1
Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder: 1.1
plan:
het bestemmingsplan "Hoflaan" van de gemeente Krimpenerwaard. 1.2
bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1931.BP2010DK030 -VA01 met de bijbehorende regels.
Verdere begrippen in alfabetische volgorde: 1.3
aan- en uitbouw:
een gebouw dat aan het hoofdgebouw is aangebouwd, en daarmee in directe verbinding staat en welk gebouw door zijn vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.4
aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.5
aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.6
aaneengebouwde woning:
een woning die deel uitmaakt van een bouwmassa bestaande uit drie of meer hoofdgebouwen. 1.7
afvalinzamelingsysteem:
geheel of gedeeltelijk onder peil gelegen bouwwerken/ voorzieningen ten behoeve van de inzameling van huishoudelijk afval, glas en dergelijke. 1.8
ander bouwwerk:
bouwwerk, geen gebouw zijnde. 1.9
archeologische waarde:
de aan een gebied toegerekende waarden in verband met de kennis en de studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit oude tijden. 1.10
bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Bestemmingsplan ‘Hoflaan ’ Ontwerp - Regels
4
1.11
bedrijfsmatige activiteiten aan huis:
het bedrijfsmatig verlenen van diensten - geen detailhandelsbedrijf zijnde - en ambachtelijke bedrijvigheid geheel of overwegend door middel van handwerk, waarbij de aard (qua milieuplanologische hinder) en omvang van de bedrijfsactiviteiten zodanig is dat deze activiteiten in een woning kunnen worden uitgeoefend en de activiteiten geen onevenredige afbreuk doen aan het woonen leefmilieu in de directe omgeving. 1.12
beroepsmatige activiteiten aan huis:
het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, medisch, juridisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermede naar de aard gelijk te stellen terrein dat door zijn aard en omvang zodanig is dat deze activiteiten in een woning kunnen worden uitgeoefend en de activiteiten geen onevenredige afbreuk doen aan het woon- en leefmilieu in de directe omgeving. 1.13
bestaand:
a. bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, met uitzondering van bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan; b. bij gebruik: het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan met uitzondering van het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. 1.14
bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak. 1.15
bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.16
bijgebouw:
een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand, gebouw, dat ten dienste staat van het hoofdgebouw en dat niet in directe verbinding staat met het hoofdgebouw en dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.17
bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.18
bouwgrens:
de grens van een bouwvlak. 1.19
bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.20
bouwperceelgrens
een grens van een bouwperceel. Bestemmingsplan ‘Hoflaan ’ Ontwerp - Regels
5
1.21
bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.22
bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.23
detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren aan personen, die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.24
gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.25
hoofdgebouw:
een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als het belangrijkste gebouw valt aan te merken. 1.26
horecavoorziening:
een bedrijf, dat in zijn algemeenheid is gericht op het verstrekken van nachtverblijf, op het ter plaatse nuttigen van voedsel en dranken en/of op het exploiteren van zaalaccommodatie; in dit plan worden de volgende horecavoorzieningen onderscheiden: 1. winkelondersteunende horeca zoals: a. koffiebar; b. lunchroom; c. tearoom; d. traiteur; 2. lichte horeca, zoals: a. automatiek; b. broodjeszaak; c. cafetaria; d. snackbar; e. bistro f. restaurant (zonder bezorg- en /of afhaalservice) g. hotel, pension, logeerhuis; 3. zware horeca, zoals: a. bar; b. biljartcentrum; c. café; d. restaurant met bezorg- en afhaalservice (o.a. pizza, chinees); e. zalenverhuur; f. partycentrum.
Bestemmingsplan ‘Hoflaan ’ Ontwerp - Regels
6
1.27
kelder:
zie bouwlaag. 1.28
maatschappelijke voorzieningen:
overheids-, medische, onderwijs-, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke, recreatieve en vergelijkbare maatschappelijke voorzieningen, alsmede voorzieningen ten behoeve van kinderdagverblijven en kinderopvang. 1.29
mantelzorg:
het bieden van zorg aan iemand die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/ of sociale vlak op vrijwillige basis en buiten een georganiseerd verband. 1.30
ondergeschikte horeca /detailhandel:
horeca of detailhandelsactiviteiten die worden uitgeoefend ten dienste van de hoofdfunctie zoals toegestaan in dit plan, waarbij de horeca en/of detailhandelsactiviteiten een ondergeschikt onderdeel uit maken van de hoofdactiviteit, bijvoorbeeld maximaal 15% van de omzet of bedrijfsvloeroppervlak. 1.31
peil:
a. voor gebouwen op of langs een dijk: 1. voor gebouwen die onmiddellijk aan de kruin van een dijk grenzen of waarvan de voorgevel binnen een afstand van 3 meter uit de kruin van de dijk is gelegen: de hoogte van de kruin van de dijk; 2. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende bestaande afgewerkte terrein ter plaatse van de bouw; b. voor gebouwen niet op of langs een dijk: 1. voor gebouwen die onmiddellijk aan de openbare weg grenzen: de hoogte van de kruin van die openbare weg ter plaatse van de hoofdtoegang; 2. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende bestaande afgewerkte terrein ter plaatse van de bouw; c. voor andere bouwwerken: 1. de gemiddelde hoogte van het aansluitende bestaande afgewerkte terrein ter plaatse van de bouw. 1.32
prostitutie:
het zich beschikbaar stellen tot het tegen betaling verlenen van seksuele diensten aan anderen. 1.33
seksautomatenhal:
een inrichting of daarmee gelijk te stellen gelegenheid waarin door middel van automaten of filmvoorstellingen en/of liveshows van erotische en/of pornografische aard worden gegeven. 1.34
seksbioscoop/-theater:
een inrichting of een daarmee gelijk te stellen gelegenheid waar vertoningen van erotische en/of pornografische aard worden gegeven.
Bestemmingsplan ‘Hoflaan ’ Ontwerp - Regels
7
1.35
seksinrichting:
een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of daarmee naar de aard en omvang vergelijkbare activiteiten, in de vorm van seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval begrepen: a. b. c. d.
een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon; een seksbioscoop of sekstheater; een seksautomatenhal; een seksclub of parenclub,
al dan niet in combinatie met elkaar of in combinatie met een sekswinkel. 1.36
straatmeubilair
bouwwerken ten behoeve van al dan niet openbare (nuts-)voorzieningen, zoals: a. verkeersgeleiders, verkeersborden, lichtmasten, zitbanken en bloembakken; b. telefooncellen, abri's, kunstwerken, fietsenstallingen, speeltoestellen en draagconstructies voor reclame; c. kleinschalige bouwwerken ten behoeve van openbare (nuts-)voorzieningen met een inhoud van ten hoogste 50 m3 en een hoogte van ten hoogste 3 m, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van telecommunicatie, energievoorziening en brandkranen; d. afvalinzamelsystemen. 1.37
twee aaneen gebouwde woning:
een woning is twee aaneen gebouwd als het hoofdgebouw van deze woning aangebouwd is aan het hoofdgebouw van één andere woning, en niet is aan te merken als een gestapelde woning. 1.38
voorgevel:
de naar de openbare weg gekeerde gevel van een gebouw, of indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt. 1.39
woning:
een complex van ruimten, dat blijkens zijn indeling en inrichting bestemd is voor de huisvesting van één huishouden.
Bestemmingsplan ‘Hoflaan ’ Ontwerp - Regels
8
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1
afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelsgrens:
wordt gemeten vanaf het dichtst bij de perceelgrens gelegen punt van het gebouw tot die perceelsgrens op 1 m boven peil en haaks op de perceelsgrens. 2.2