CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJL 1 Toelichting BP Lekdijk-West 67-67a Bergambacht (NL.IMRO.1931.BP2102BG040-VG01) - afdoening T22-010 kangeroewoning.pdf

Raadsvergadering 8 februari 2022, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (H) Bestemmingsplan Lekdijk-West 67-67a, Bergambacht13.673 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan

Lekdijk-West 67-67a, Bergambacht Gemeente Krimpenerwaard

Planstatus:

vastgesteld

Plan identificatie:

NL.IMRO.1931.BP2102BG040-VG01

Datum:

2021-11-12

Contactpersoon Buro SRO:

dhr. R. van der Made | dhr. T. Oostrom

Kenmerk Buro SRO:

SR200138

Opdrachtgever:

Adviesburo Hogendoorn

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7

2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ........................................................................................................................................... 9

3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 12 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 12 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 13 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 17

4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 21 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 21 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 22 4.3 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 23 4.4 Geluid ................................................................................................................................................................ 24 4.5 Milieuzonering .................................................................................................................................................. 24 4.6 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 26 4.7 Waterhuishouding.............................................................................................................................................

29 4.8 Ecologie ............................................................................................................................................................. 31 4.9 Cultureel erfgoed .............................................................................................................................................. 32 4.10 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 34

5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 36 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 36 5.2 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 36 5.3 Planregels .......................................................................................................................................................... 36 5.4 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 37

6 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 38 6.1 Economische uitvoerbaarheid........................................................................................................................... 38 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 38

3

4

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemers zijn voornemens om op hun percelen aan de Lekdijk-West 67-67a verschillende ingrepen te doen. Onderdeel hiervan is de sloop en herbouw van de woning 67a. Daarbij wordt beoogd de woningen 67 en 67a om te zetten naar burgerwoningen. Het tweede voornemen is het gebruik van vrijgekomen agrarische gebouwen ten behoeve van het aannemersbedrijf te formaliseren. Voor dit initiatief is op 23 december 2019 een principeverzoek ingediend, waarop de gemeente Krimpenerwaard op 27 maart 2020 positief gereageerd heeft. Daarbij zijn enkele voorwaarden geformuleerd, waaraan wordt voldaan. Het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied 2011', vastgesteld op 13 december 2011 door de raad van de voormalige gemeente Bergambacht, staat deze voornemens niet toe. Om de ontwikkeling juridischplanologisch mogelijk te maken dienen de gronden in het plangebied als 'Wonen' bestemd te worden, waarbinnen de twee woningen mogelijk gemaakt worden en het aannemersbedrijf middels een regeling voor vrijkomende agrarische bebouwing geformaliseerd wordt. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2 Ligging plangebied Het plangebied van de beoogde ontwikkeling ligt in het buitengebied ten westen van Bergambacht (gemeente Krimpenerwaard). De locatie bevindt zich in een lint dat aan de Lek ligt. Het plangebied is kadastraal bekend onder kadastrale gemeente Bergambacht, sectie A, percelen 9170, 9309, 9310, 9111 (deels) en 9112 (deels). De navolgende afbeeldingen tonen globale ligging en begrenzing van het plangebied.

Globale ligging plangebied (witte cirkel, bron: Google Earth)

5

Globale begrenzing plangebied (rood omkaderd, bron: ruimtelijkeplannen.nl)

1.3 Geldend bestemmingsplan Voor de gronden in het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied 2011' (vastgesteld op 13 december 2011) van de voormalige gemeente Bergambacht. Deze gronden hebben in dit bestemmingsplan de bestemming 'Agrarisch met waarden'. Tevens zijn de gronden voorzien van de gebiedsaanduiding 'ruwvoederteelt', de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3' en is het meest zuidelijke gedeelte van het plangebied voorzien van de dubbelbestemming 'Waterstaat Waterkering'.

6

De navolgende afbeelding toont een uitsnede van het geldende bestemmingsplan.

Uitsnede geldend bestemmingsplan ‘Buitengebied 2011’ (plangebied rood omkaderd, bron: ruimtelijkeplannen.nl

De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarisch (aanverwant) gebruik, extensief recreatief medegebruik, het behoud van de landschappelijke en cultuurhistorische waarde en bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen. Binnen een bouwvlak zijn gebouwen toegestaan. Binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden' is geen aannemersbedrijf toegestaan. Het geldende bestemmingsplan staat de beoogde formalisatie van het aannemersbedrijf daarom niet toe. Ook de beoogde omzetting van de woningen 67 en 67a naar burgerwoningen is in dit bestemmingsplan niet toegestaan. Om de beoogde formalisatie van het aannemersbedrijf en omzetting van de woningen juridischplanologisch mogelijk te maken dient een partiële herziening van het bestemmingsplan vastgesteld te worden. Naast het bestemmingsplan 'Buitengebied 2011' geldt voor de planlocatie het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard'. Deze is door de raad vastgesteld op 29 januari 2019. Dit bestemmingsplan zorgt voor een uniforme parkeerbepaling voor het gehele grondgebied van Krimpenerwaard.

1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 is aandacht voor de planbeschrijving. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante nationale, provinciale en gemeentelijke beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarin de uitkomsten van (voor)overleg en inspraak zijn opgenomen.

7

2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie In de huidige situatie is het plangebied ingericht als agrarisch erf. In het verleden was ter plaatse een agrarisch bedrijf (grondgebonden veehouderij) gevestigd. Er bevinden zich op het erf twee (bedrijfs)woningen en vijf gebouwen die voorheen in gebruik waren ten behoeve van agrarische activiteiten. Aangezien het agrarische bedrijf is beëindigd heeft een deel van de gebouwen geen functie meer. Op navolgende afbeelding staan de bijgebouwen die niet meer in gebruik zijn weergegeven (rood) en de bijgebouwen die nog wel in gebruik zijn (groen).

Gebouwen plangebied (niet in gebruik rood, in gebruik bedrijf groen; woningen met bijgebouw blauw)

De twee noordoostelijk gelegen gebouwen worden gebruikt ten behoeve van het aannemersbedrijf. Dit gebruik is echter niet geformaliseerd.

8

2.2 Toekomstige situatie Met voorliggend plan worden op het perceel verschillende ingrepen beoogd. Naast gebruikswijzigingen (de formalisatie van het aannemersbedrijf en het omzetten van de woningen 67 en 67a naar burgerwoningen) worden er ook fysieke ingrepen beoogd. De belangrijkste ingrepen zijn op navolgende afbeelding weergegeven.

Planvoornemen beoogde situatie

Aan de westkant van het perceel worden verschillende opstallen gesloopt, die samengenomen een oppervlakte van 568 m² hebben. Daarmee neemt het bebouwd oppervlak in het plangebied significant af. De overige ingrepen/wijzigingen worden navolgend behandeld.

9

Aannemersbedrijf en woning nr. 67 Eén van de twee vennoten in het aannemersbedrijf is tevens bewoner van de woning nr. 67. Bij het bedrijf is verder één werknemer in dienst. De projecten die uitgevoerd worden zijn kleinschalig van aard en variëren van badkamerrenovaties, het plaatsen van uitbouwen, dakkapellen en dakopbouwen, het vervangen van kozijnen, het bouwen van bijgebouwen/bergingen en onderhoudswerkzaamheden. De nadruk ligt op authentiek en ambachtelijk timmerwerk. De opslag op de locatie, die binnen plaats vindt, bestaat uit enige voorraad van hout in courante/veelgebruikte maten, een klein voorraad restpartijen metselstenen (ca. 5 m³) en de stalling van eigen aanhangwagen en rolsteiger. Het bedrijf heeft geen grootschalige machines in gebruik. Dit gebruik vindt plaats in de te handhaven vrijgekomen agrarische gebouwen op de oostzijde van het perceel, die een oppervlakte van circa 300 m² hebben. Er wordt beoogd het gebruik te formaliseren. Woning nr. 67a De woning nr. 67a verkeert in de huidige situatie in slechte staat. Het wooncomfort is beperkt en bovendien zijn de energetische en bouwkundige kwaliteit zeer matig. Aangezien renovatie in dit geval duurder is dan nieuwbouw, is een nieuwbouwwoning wenselijk. Daarom wordt beoogd de bestaande woning te slopen en de beoogde woning (ca. 10 m zuidelijker) nieuw te bouwen. Daarbij wordt het navolgende ontwerp beoogd.

Ontwerp beoogde woning (bron: Adviesburo Hogendoorn)

De woning wordt ingericht als meergeneratiewoning, zodat initiatiefnemers zorg kunnen dragen voor hun zorgbehoevende familielid. Daarmee beantwoordt de woning aan de maatschappelijke vraag mantelzorg te stimuleren en het langer thuis wonen te bevorderen.

10

West- en noordzijde plangebied Naast de hoofdingrepen wordt beoogd het een en ander landschappelijk in te passen, waarvoor verschillende (kleinere) ingrepen nagestreefd worden. Deze ingrepen zijn weergegeven op onderstaande inrichtingsschets.

Inrichtingsschets (bron: Lagendijk tuin- en landschapsarchitecten)

Het grootste deel van de landschappelijke inpassing bestaat uit het aanplanten van bomen en hagen, zowel op het voor- als achtererf. Daarnaast wordt er op het achtererf bij de woning 67a grond gereserveerd voor een schapenweide. Bovendien wordt ten behoeve van de inpassing het historische verkavelingspatroon hersteld door een nieuwe lengtesloot te graven. Voorts wordt er tussen het woonerf en het bedrijfserf een plein aangelegd waar voertuigen op kunnen parkeren en manoeuvreren. Voornoemde ingrepen leiden tot een logisch ingepast geheel en dragen bij aan de landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering.

11

3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek De NOVI is verder niet specifiek van toepassing op het plangebied. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014 en 20 september 2016 op onderdelen aangevuld.

Planspecifiek Het Barro is verder niet specifiek van toepassing op het plangebied. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die

12

3.

4.

ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1442 (Wierden)) blijkt dat een ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als stedelijke ontwikkeling aangemerkt te kunnen worden. Aangezien de bouwmogelijkheden verkleind worden ten opzichte van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied 2011', is voorliggend plan niet als stedelijke ontwikkeling aan te merken. Desondanks dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening aangetoond te worden dat er behoefte is aan het aannemersbedrijf. Zoals in toelichting hoofdstuk 2 is toegelicht voorziet het beoogde plan in de specifieke behoefte van het ter plaatse gevestigde bedrijf. Deze behoefte komt onder andere voort uit het feit dat de één van de vennoten tevens bewoner van de woning nr. 67 is en de familie sterk verbonden is met het erf. Omdat de bedrijfsgebouwen geen agrarisch gebruik meer hebben, is het gewenst om ze in gebruik te nemen ten behoeve van het aannemersbedrijf. De overige bedrijfsgebouwen worden gesloopt om kwaliteit toe te voegen.

De formalisatie van het aannemersbedrijf wordt dan ook als een wenselijke ontwikkeling beschouwd. Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling past binnen de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 1 augustus 2020. De Omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen: 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:

•

het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen;

• •

de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht;

• •

het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur; de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie; de groene ruimte en de groenblauwe structuur;

13

• •

het bodem- en watersysteem;

2.

Ambities en sturing

energie.

De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:

• • • • • •

naar een klimaatbestendige delta;

3.

Omgevingskwaliteit

naar een nieuwe economie: the next level; naar een levendig meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.

Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:

•

een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken;

•

een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit; een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.

•

4.

Beleidskeuzes

De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland). Planspecifiek 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet specifiek van belang gezien de aard en omvang van het initiatief. 2.

Ambities en sturing

De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing voor het beoogde initiatief, maar vormen tevens geen belemmering voor de herontwikkeling.

14

3.

Omgevingskwaliteit

Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit wel van belang. Navolgend worden de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader omschreven. Laag van de ondergrond Op de 'Laag van de ondergrond' is het plangebied aangewezen als 'rivierdeltacomplex - rivierklei/veen'. Het richtpunten hierbij is het herkenbaar houden van het verschil tussen komgronden en oeverwallen. De komgronden en oeverwalgebieden van het rivierengebied in Zuid-Holland zijn opgebouwd uit rivierklei en liggen vooral in het oosten van de provincie. Ze zijn vermengd met de veenondergrond. De oeverwallen vormen plaatselijk hogere/drogere delen binnen het veengebied. Ontwikkelingen in het rivierengebied dienen het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar te houden. Binnen het plangebied is er geen verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar. Daarmee is het voorgenomen plan niet in strijd met het richtpunt van de 'Laag van de ondergrond'. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied bevindt zich in een veen(weide)landschap. De structuur in de veengebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Loodrecht daarop staan de verkavelingspatronen. De relevante richtpunten voor het veen(weide)landschap zijn:

•

Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden.

• • •

Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen. Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden. Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/linten en niet in de veenweidepolders.

In het voorgenomen plan wordt het huidige verkavelingspatroon zoveel mogelijk gerespecteerd. Daarnaast wordt het historische verkavelingspatroon hersteld door een nieuwe lengtesloot te graven. Verder worden er geen nieuwe gebouwen mogelijk gemaakt in het voorliggende bestemmingsplan. Doordat er bebouwing wordt gesloopt en de bebouwingsmogelijkheden afnemen levert het plan bovendien een positieve bijdrage aan het ervaren van de weidsheid van het achtergelegen poldergebied. Geconcludeerd wordt dat het veen(weide)landschap niet wordt aangetast met de beoogde ontwikkeling. 4.

Beleidskeuzes

De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze 'behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit'. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voorgenoemde lagen van de kwaliteitskaart. Daarnaast zijn er gebiedsprofielen opgesteld, gezamenlijk met decentrale overheden en andere partijen in de regio. De gebiedsprofielen hebben de status van handreiking, maar nadrukkelijk niet de status van toetsingskader. Het plangebied valt binnen het gebiedsprofiel 'Krimpenerwaard'. Voor elk gebiedsprofiel zijn meerdere kaarten beschikbaar. De kaarten van het gebiedsprofiel vormen geen aanvulling op de voorgenoemde kwaliteitskaarten. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling invulling geeft aan het behoud en de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Daarnaast heeft het voorgenomen plan betrekking op de beleidskeuze 'agrarische bebouwing en bedrijfsvoering'. De provincie Zuid-Holland wil nieuwe bebouwing in het landelijk gebied beperken om zo de openheid te handhaven. Omdat met voorliggend plan de bebouwingsmogelijkheden afnemen en er bebouwing wordt gesloopt sluit het initiatief aan op deze beleidskeuze. Conclusie Voor de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie. De ruimtelijke kwaliteit neemt toe en de ontwikkelingen doen geen afbreuk aan de gebiedskwaliteiten. Daarmee is de beoogde ontwikkeling in overeenstemming met de Omgevingsvisie.

15

3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening op 1 augustus 2020 in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsverordening. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 van Omgevingsverordening is opgenomen dat 'een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.

b.

c.

de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid; als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: i. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.'

De beoogde ontwikkelingen vinden plaats op een voormalig agrarisch bedrijfsperceel, op gronden in een veen(weide)polder. De planlocatie is in het geldende bestemmingsplan onder andere bestemd voor agrarische bedrijfsvoering, groen en water. Omdat de beoogde burgerwoningen, waarvan één woning gesloopt wordt en vervangen wordt door een nieuwe woning, in het lint liggen en het aannemersbedrijf gebruik maakt van vrijkomende agrarische bebouwing, past het bij de maat en aard van de bestaande kenmerken van het gebied. De ontwikkelingen hebben een positieve invloed op bestaande structuren en kwaliteiten en er wordt voldaan aan de relevante richtpunten de kwaliteitskaart, zoals blijkt uit toelichting paragraaf 3.2.1. Daarmee is sprake van inpassing. Ladder voor duurzame verstedelijking Uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen BSD. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen BSD. De ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), bevat het handelingskader.

De provincie heeft in artikel 6.10 een verwijzing naar de ladder voor duurzame verstelijking opgenomen in de Omgevingsverordening, om het provinciaal belang bij toepassing van deze ladder te benadrukken. Dit biedt de provincie de mogelijkheid om enkele begrippen die voor meerdere uitleg vatbaar zijn, te verduidelijken voor de specifieke Zuid-Hollandse situatie. In lid 1 staat dat: 'Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a.

de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening;

16

b.

indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.

Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking. Sub b is niet van toepassing, omdat de betreffende locatie onderdeel niet groter dan 3 ha is. Conclusie Vanuit de Omgevingsverordening worden er aanvullend op het voorgaande geen eisen gesteld aan het voorgenomen plan op de betreffende locatie. Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de Omgevingsverordening.

3.3 Gemeentelijk beleid In artikel 3.7 van de planregels van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied 2011' zijn wijzigingsbevoegdheden opgenomen, die kunnen worden toegepast bij beëindiging van een (planologisch nog aanwezig) agrarisch bedrijf. Het betreft een wijzigingsbevoegdheid naar woongebruik en een wijzigingsbevoegdheid naar een bedrijfsmatige bestemming. Omdat het voorgenomen plan betrekking heeft op zowel de omzetting naar wonen als de inpassing van een bedrijfsmatige activiteit, kan geen gebruik worden gemaakt van (een combinatie van) de wijzigingsbevoegdheden. Voor de ontwikkeling is daarom deze herziening opgesteld. Enkele onderdelen van de wijzigingsbevoegdheid naar een bedrijfsmatige bestemming zijn relevant voor de beleidsmatige motivatie van de inpassing van het aannemersbedrijf. De wijzigingsbevoegdheid van artikel 3.7.2 aanhef en sub a kan worden toegepast om het aannemersbedrijf te formaliseren. Met het voorgenomen plan worden alle agrarische activiteiten definitief beëindigd. Het aannemersbedrijf is gelijk te stellen aan de overige activiteiten die in de aanhef van artikel 3.7.2 genoemd worden. Het bedrijf behoort gelet op de gebruiksregels in dit plan en vanwege de aard en schaal tot milieucategorie 2. Aan de voorwaarden van sub a wordt daarmee voldaan.

Hoewel de wijzigingsbevoegdheid niet toegepast wordt en een herziening van het bestemmingsplan is beoogd, vindt de toetsing aan de voorwaarden van sub a navolgend plaats. 1.

voor volwaardige bedrijven wordt aangetoond dat de agrarische functie ter plaatse niet kan worden vervuld, hetgeen mede moet blijken uit een daaromtrent uit te brengen advies door de Agrarische Beoordelingscommissie (ABC), met uitzondering van agrarische percelen die binnen de natuurbegrenzing van het Veenweidepact Krimpenerwaard vallen of bouwpercelen die direct aansluiten op de natuurbegrenzing;

Op de planlocatie is geen (volwaardig) agrarisch bedrijf meer gevestigd. De agrarische bedrijfsactiviteiten zijn enkele jaren geleden al gestaakt. Schaalvergroting in de agrarische sector maakt dat het (voormalig) agrarisch bedrijfsperceel niet geschikt is voor nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf. De nabijgelegen burgerwoningen maken een agrarisch bedrijf, dat een geurbelasting op de omgeving heeft, op de betreffende locatie milieu-hygiënisch lastig inpasbaar. Aan de Lekdijk-West bevinden zich bovendien relatief veel burgerwoningen en relatief weinig agrarische bedrijven. Een kleinschalig aannemersbedrijf wordt derhalve als passend beschouwd. 2.

de gezamenlijke oppervlakte van de vrijkomende agrarische bebouwing niet mag worden vergroot;

De bebouwingsmogelijkheden worden in de (bouw)regels van het voorliggende bestemmingsplan beperkt. Voorts krijgt een deel van het plangebied een agrarische bestemming zonder bouwvlak, waar geen gebouwen gebouwd mogen worden. 3.

de omliggende agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering mogen worden belemmerd;

Hiervan is geen sprake, zoals blijkt uit toelichting paragraaf 4.5.

17

4.

de hoeveelheid extra verkeer moet passen bij de wegenstructuur;

De verkeersbewegingen van het aannemersbedrijf kunnen opgevangen worden op de omliggende wegen, zoals blijkt uit toelichting paragraaf 4.10.1. 5.

het parkeren behorende bij het ander gebruik dient binnen het bouwvlak op eigen terrein plaats te vinden;

De parkeerbehoefte wordt op eigen terrein opgevangen, zoals blijkt uit toelichting paragraaf 4.10.2. 6.

er geen opslag van goederen in de open lucht plaatsvindt;

Goederen zullen binnen de bedrijfsbebouwing opgeslagen worden. 7.

Het gebruik qua aard en schaal past bij de specifieke kwaliteiten en schaal van de omgeving, met name op het gebied van visuele aspecten, zoals reclame-uitingen en technische installaties;

Uit toelichting paragraaf 3.2.1 blijkt dat het bedrijf geen afbreuk doet aan de gebiedskwaliteiten; het is naar aard en omvang een in de omgeving passende ontwikkeling. Met het voorgenomen plan zal een kwaliteitsverbetering plaatsvinden. 8.

detailhandel in zelfgemaakte, -bewerkte, -gekweekte of –geteelde producten is toegestaan;

Dit is geen voornemen. Detailhandel is geen onderdeel van de bedrijfsvoering van het betreffende aannemersbedrijf. 9.

per bouwvlak maximaal drie bedrijven zijn toegestaan;

Er wordt beoogd het bestaande bedrijf te formaliseren, waarmee slechts één bedrijf binnen het plangebied aanwezig is. 10. gevoelige functies niet binnen een risico-afstand van een propaantank dan wel een transportleiding zijn gelegen. Hiervan is geen sprake, zoals blijkt uit toelichting paragraaf 4.6. 3.3.1 Omgevingsvisie Krimpenerwaard In de Omgevingsvisie Krimpenerwaard, die de raad van de gemeente Krimpenerwaard op 14 juli 2021 heeft vastgesteld, geeft de gemeente aan wat zij belangrijk vindt voor de fysieke leefomgeving. Kenmerkend in de visie is het 'ja, tenzij'-principe. Dit betekent dat de gemeente positief staat tegenover nieuwe initiatieven en samen met initiatiefnemers kijkt hoe deze gerealiseerd kunnen worden. De omgevingsvisie is daarmee de lat waarlangs de initiatieven worden gelegd. Om de omgevings- en ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Krimpenerwaard ook voor de toekomst te borgen, heeft de gemeente in de omgevingsvisie aangegeven wat de gemeente en gemeenschap de belangrijkste waarden binnen de Krimpenerwaard vinden. Dit worden de “Krimpener-waarden” genoemd. De “Krimpener-waarden” zijn als volgt opgedeeld:

• • •

Waarden van heel de Krimpenerwaard; Waarden per gebied; Waarden van de kernen.

18

De waarden van heel de gemeente Krimpenerwaard worden beschreven aan de hand van verschillende thema's, de waarden per gebied worden beschreven per gebied en de waarden van de kernen staan beschreven in het rapport 'Koers en Kader Krimpenerwaard'. In het derde hoofdstuk van de omgevingsvisie komen de visie en speerpunten aan bod. Hierin worden voor verschillende deelgebieden de speerpunten aangegeven. Deze speerpunten worden verderop in de omgevingsvisie toegelicht. In het laatste hoofdstuk van de visie beschrijft de gemeente hoe ze de geest van de Omgevingswet tot uitvoer wil brengen. De gemeente Krimpenerwaard ziet de Omgevingswet als kans om meer te werken vanuit wensen en signalen vanuit de samenleving en vertrouwen en minder vanuit regels. Krachtig buitengebied Het buitengebied van de Krimpenerwaard is bijzonder en waardevol, maar staat voor uitdagingen. Hoe behouden we de kwaliteiten van het buitengebied, houden we droge voeten, hoe gaan we om met de ontwikkelingen in de landbouw, de vraag naar duurzame energie en de vraag naar ruimte voor bebouwing? Het antwoord op deze vragen is niet voor het hele buitengebied hetzelfde. Daarom zijn er ook verschillen aangegeven in de gebieden. Deze gebieden zijn weergegeven op de richting- en ruimtekaart. Per gebied is aangegeven waar de gemeente op inzet en welke speerpunten van belang zijn.

Planspecifiek De planlocatie behoort volgens de richting- en ruimtekaart tot het gebied 'dynamiek langs de rivieren'. Langs de rivieren is altijd al veel dynamiek en ontwikkeling geweest. Bovendien zijn veel plekken relatief goed bereikbaar. Dit biedt kansen aan ontwikkelingen voor bijvoorbeeld bedrijven. Hierbij wordt rekening gehouden met infrastructuur, leefbaarheid, waterveiligheid, drinkwatervoorzieningen en landschappelijke kwaliteiten. Het voor de betreffende ontwikkeling relevante speerpunt voor het gebied 'dynamiek langs de rivieren' is 'ruimte voor vitale, toekomstbestendige bedrijvigheid'. Het voorgenomen plan maakt kleinschalige bedrijvigheid in de vorm van een aannemersbedrijf mogelijk. Met de sloop van voormalige agrarische bebouwing en landschappelijke inpassing worden de landschappelijke kwaliteiten versterkt. Er kan geconcludeerd worden dat het voorliggende plan in lijn is met de omgevingsvisie. 3.3.2 Woonvisie Krimpenerwaard Tijdens de raadsvergadering van 9 mei 2017 heeft de gemeente de 'Woonvisie Krimpenerwaard; Kerngericht' vastgesteld. Sinds 1 januari 2015 vormen de voormalige gemeenten Bergambacht, Ouderkerk, Nederlek, Schoonhoven en Vlist samen de gemeente Krimpenerwaard. Binnen de nieuwe gemeente is nu behoefte aan een gezamenlijke woonvisie. In de woonvisie wordt vooruit gekeken tot 2030.

Het uitvoeringsprogramma gaat specifieker in op de periode 2017-2020. Om aan te sluiten op de trends en ontwikkelingen op het gebied van 'wonen', zijn vijf strategische thema's uitgewerkt: 1. 2. 3. 4. 5.

Positionering in de regio; onderscheidend zijn. Betaalbaar & beschikbaar; betaalbare woningen, doorstroom bevorderen, aansluiten op woningbehoefte, aandacht voor bijzondere doelgroepen. Duurzame gebouwde omgeving; energiezuinig en kwalitatief goed bouwen, aandacht voor bestaande bebouwing. Wonen-welzijn-zorg, draagvlak voor huisvesting van bijzondere doelgroepen in buurten. Bouwen aan vitale kernen; transformatie, inbreiding, kwaliteitsverbetering, woningbouw binnen de kernen.

Groeiperspectief In elke kern is sprake van huishoudensgroei. Om dit te faciliteren stelt de gemeente de ambitie om minimaal 3.000 nieuwe woningen te realiseren in de periode 2015-2030. Er is voornamelijk behoefte aan koopwoningen. Er is met name bij jongeren behoefte aan woningen (rij- en hoekwoningen) in het goedkope segment. Voor ouderen bestaat er een behoefte aan nultredenwoningen.

19

Om voldoende en passende woningen in de juiste woonomgeving beschikbaar te hebben en aan te sluiten op de ambities van de Krimpenerwaard is de huidige plancapaciteit van circa 1.400 woningen voor de periode tot 2025 niet voldoende. De doelstelling van 3.000 nieuwe woningen in de periode 2015-2030 betekent dat er nog een woningbouwopgave van 1.600 extra woningen tot 2030 is. Planspecifiek Met voorliggende plan komen de twee woningen, die thans als agrarische bedrijfswoningen gebruikt mogen worden, beschikbaar voor reguliere bewoning. Verder sluit het plan hoofdzakelijk aan bij het vierde strategische thema van de woonvisie. Er wordt immers een meergeneratiewoning beoogd, wat initiatiefnemers in staat stelt (mantel)zorg te verlenen aan hun familielid die een zorgbehoefte heeft. Dit draagt bij aan de gemeentelijke ambitie dat zorgbehoevenden wonen waar de zorg geleverd kan worden. Tevens sluit het initiatief aan bij het derde strategische thema. De nieuwbouwwoning voldoet, in tegenstelling tot de bestaande woning, aan de eisen van het Bouwbesluit waardoor de energieprestatie en bouwkwaliteit sterk verbetert. Daarnaast wordt nog overwogen om in een deel van de warmtevraag te voorzien door middel van biomassa in de vorm van zaagafval-resthout van het aannemersbedrijf. Er kan geconcludeerd worden dat voorliggend plan in lijn is met de woonvisie.

3.3.3 Nota Ruimtelijke Kwaliteit Krimpenerwaard 2017 De Nota Ruimtelijke Kwaliteit (vastgesteld op 13 december 2016) vormt de welstandsnota van de gemeente Krimpenerwaard. Het doel bij deze nota is het behartigen van het publieke belang door de lokale overheid, waarbij de individuele vrijheid van de burger of ondernemer wordt afgewogen tegen het aanzien van hun omgeving als algemene waarde. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid geeft de gemeente de mogelijkheid om cultuurhistorische, stedenbouwkundige, landschappelijke en architectonische waarden een rol te geven bij ontwikkelingen. Op de niveaukaart is voor elk gebied in de gemeente Krimpenerwaard het minimale toetsingsniveau aangegeven om de gewenste kwaliteit van de omgeving te regelen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt in 'soepel', 'gewoon' en 'bijzonder'. Op de gebiedenkaart zijn gebieden met samenhangende bebouwingstypologieën aangegeven. Per gebied zijn in de nota een beschrijving, waardering en enkele uitgangspunten opgenomen. Naast de gebieden zijn op de gebiedenkaart gebieden met een ontwikkelingskader aangegeven. Dit zijn de gebieden waar een beeldkwaliteitsplan geldt. Planspecifiek Op de niveaukaart is aangegeven dat voor het plangebied een bijzonder (deels) en een gewoon (deels) welstandsniveau geldt.

In het deel dat als bijzonder is aangemerkt is inspanning ten behoeve van het behoud en de eventuele versterking van de ruimtelijke kwaliteit gewenst. Uit toelichting paragraaf 2.2 blijkt dat voorliggend plan gepaard gaat met een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Op de gebiedenkaart is het plangebied aangeduid als 'Lek 2C' (deels) en 'landelijk gebied' (deels). De beoogde nieuwbouwwoning is ontworpen in lijn met de welstandseisen voor dit gebied. Het plan is dan ook op hoofdlijnen akkoord bevonden door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Voorliggend plan is in lijn met de bepalingen van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit Krimpenerwaard 2017.

20

4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r.-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• • •

door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018 en ECLI:NL:RBOBR:2017:3537, 29 juni 2017) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Om te kunnen beoordelen of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject is van een stedelijk ontwikkelingsproject, dienen verschillende zaken afgewogen te worden. Onderstaande punten zijn argumenten om het project niet als stedelijk ontwikkelingsproject aan te merken:

21

1. 2. 3.

Er worden geen extra woningen mogelijk gemaakt. Door het slopen van bijgebouwen neemt het bebouwd oppervlak af. De mogelijkheid een agrarisch bedrijf in het plangebied te vestigen gaat verloren. Daarvoor in de plaats wordt het aannemersbedrijf geformaliseerd.

Wanneer bovenstaande punten afgewogen worden leidt dit tot de conclusie dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals beschreven in de bijlagen van het Besluit milieueffectrapportage. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.(beoordelings)plicht geldt. Desalniettemin zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in dit hoofdstuk in beeld gebracht. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. De kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zijn niet van dien aard dat er aanleiding bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapportage.

4.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Bij een bestemmingswijziging dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt is voor het toekomstige gebruik. In onderhavig geval gaat het om de wijziging van een agrarische bestemming naar de bestemming 'Wonen'.

Aangezien de bestemming 'Wonen' een strenger bodemgebruik betreft dan de huidige agrarische bestemming en de bestaande woning herbouwd wordt, dient aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Hiertoe is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Waders Milieu BV, 20411501A, d.d. 13 oktober 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). Op de locatie zijn in de kleigrond lichte verontreinigingen met koper, molybdeen en zink aangetoond. De zandige bovengrond is niet verontreinigd met de onderzochte parameters. De ‘tuin’ is niet verontreinigd met lood. In het grondwater is een lichte verontreiniging met xylenen en een licht verhoogde concentratie barium aangetoond. De licht verhoogde concentratie barium heeft waarschijnlijk een natuurlijke oorsprong (niet veroorzaakt door menselijk handelen). Geconcludeerd wordt dat de vastgestelde milieuhygiënsche bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de aanvraag van een omgevingsvergunning en voor de uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan.

22

4.3 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM 2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden.

Planspecifiek Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een aannemersbedrijf geformaliseerd en worden twee woningen omgezet naar burgerwoningen. Dit is een ontwikkeling die naar aard en omvang beperkt is en kan daarmee worden aangemerkt als een NIBM-project. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de NSL-monitoringstool (2019) gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2018 van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied bedragen respectievelijk maximaal 19 μg/m³, 11,8 μg/m³ en 10 µg/m³. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 µg/m³ voor fijnstof PM2,5. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

23

4.4 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• • •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen); andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven).

verpleeghuizen,

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Voorliggend bestemmingsplan voorziet niet in de realisatie van nieuwe geluidgevoelige objecten als bedoeld in de Wet geluidhinder. Wel wordt voorzien in de bouw van een nieuwe woning ter vervanging van de bestaande woning nr. 67a. Hierbij komt de woning 15 m dichter bij de Lekdijk-West te liggen in vergelijking met de bestaande situering van de woning. Echter is het onder het geldende bestemmingsplan mogelijk de woning op een kortere afstand te realiseren dan in het voorliggende bestemmingsplan wordt beoogd, waardoor in planologische zin geen sprake is van een verslechtering. Daarnaast is de verwachting dat de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden, gezien de afstand tot de weg, het feit dat de woning lager ligt dan de Lekdijk en het feit dat de weg relatief smal is, waardoor de verkeersintensiteit relatief beperkt zal zijn. Verder wordt er geen nieuw geluidgezoneerd industrieterrein, een nieuwe weg of een nieuwe spoorweg mogelijk gemaakt. Daarmee is de Wet geluidhinder in het onderhavige geval niet relevant en is een akoestisch onderzoek niet vereist.

In toelichting paragraaf 4.5 is aandacht voor het aspect milieuzonering (industrielawaai). Er dient geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect geluid.

4.5 Milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de

24

minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

•

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;

•

het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) wordt onderscheid gemaakt in nietbindende richtafstanden voor de omgevingstypen 'gemengd gebied' en 'rustige woonwijk/ rustig buitengebied'. De omgeving van het plangebied wordt gezien de ligging in de nabijheid van scholen en andere maatschappelijke functies aangemerkt als een gemengd gebied. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verminderd, met uitzondering van het aspect gevaar. Planspecifiek De omgeving van het plangebied kan getypeerd worden als het omgevingstype 'gemengd gebied', omdat sprake is van een matige tot sterke functiemenging. In de lintbebouwing van de Lekdijk-West komen woningen en (agrarische) bedrijven voor. De richtafstanden uit de VNG-publicatie kunnen daarom, met uitzondering van het aspect gevaar, met één afstandsstap verlaagd worden. Aannemersbedrijf Het voorliggende bestemmingsplan maakt milieubelastende activiteiten (aannemersbedrijf) mogelijk. Derhalve dient er beoordeeld te worden of er ter plaatse van gevoelige bestemmingen in de omgeving (woningen) sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daarbij wordt de woning nr. 67 niet beschouwd als een woning van een derde, omdat in de planregels is vastgelegd dat het aannemersbedrijf uitgeoefend moet worden door de bewoner van deze woning.

Het voorliggende bestemmingsplan maakt een aannemersbedrijf met werkplaats in de bestaande bebouwing mogelijk. Een aannemersbedrijf met werkplaats is, afhankelijk van de omvang, een bedrijf van milieucategorie 2 of 3.1. Voor een dergelijk bedrijf geldt in een gemengd gebied een richtafstand van respectievelijk 10 en 30 m. Mogelijk wordt er niet voldaan aan de richtafstand. Om aan te tonen dat het aannemersbedrijf niet ten koste gaat van het woon- en leefklimaat van de omliggende woningen is een akoestisch onderzoek naar de geluiduitstraling van het aannemersbedrijf uitgevoerd (PhysiBuild, U061-R01, d.d. 30 september 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). Uit dit onderzoek blijkt dat op basis van de aanwezige bouwkundige constructies van de werkplaats en de bedrijfstijden en geluidvermogens van de houtbewerkingsmachines en vervoersmiddelen er ruimschoots wordt voldaan aan de in het Activiteitenbesluit en de VNG-publicatie ‘Handreiking bedrijven en milieuzonering’ gestelde richtwaarden. Er is derhalve ter plaatse van de omliggende woningen (bestaande en geprojecteerde nieuwbouw 67a) sprake van een goed woon- en leefklimaat en een goede ruimtelijke ordening. Omliggende bedrijven Aan de Lekdijk-West 69 zijn (bedrijfs)activiteiten in de vorm van vervolgfuncties bij een voormalig agrarisch bedrijf en een paardenbak toegestaan. De nieuw te bouwen woning nr.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=e19ee758-1c1c-4f5f-8656-2e3d3d19df4b