CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJL 1 Plantoelichting Bestemmingsplan Steinsedijk 15-15b Haastrecht

Raadsvergadering 4 juni 2024, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (H) Bestemmingsplan Steinsedijk 15-15b Haastrecht14.708 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan

Steinsedijk 15-15b, Haastrecht Gemeente Krimpenerwaard

Planstatus:

vastgesteld

Plan identificatie:

NL.IMRO.1931.BP2305BG035-VG01

Datum:

2024-03-26

Contactpersoon Buro SRO:

Dhr. R. van der Made

Kenmerk Buro SRO:

SR230082

Opdrachtgever:

Verstoep bouwadvies architectuur

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 7 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 8

2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 9 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 9 2.2 Toekomstige situatie ......................................................................................................................................... 11

3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 13 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 13 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 14 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 20

4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 23 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 23 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 24 4.3 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 25 4.4 Geluid ................................................................................................................................................................ 26 4.5 Milieuzonering .................................................................................................................................................. 27 4.6 Cultureel erfgoed .............................................................................................................................................. 28 4.7 Ecologie .............................................................................................................................................................

30 4.8 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 31 4.9 Water ................................................................................................................................................................ 34 4.10 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 38

5 Juridische Planbeschrijving................................................................................................................... 40 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 40 5.2 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 40 5.3 Planregels .......................................................................................................................................................... 40 5.4 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 41

6 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 42 6.1 Economische uitvoerbaarheid ........................................................................................................................... 42 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 42

3

4

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens het perceel aan de Steinsedijk 15b te Haastrecht, gelegen nabij de kern van Haastrecht, te herstructureren. Het voornemen is om de bestaande bebouwing te slopen en daarvoor in de plaats een nieuwe woning met bijgebouw te realiseren. De bestaande bebouwing is van oudsher in gebruik geweest als ondersteunende woning bij het voormalige agrarische bedrijf. Voor het initiatief is een principeverzoek ingediend bij de gemeente Krimpenerwaard. Op 15 februari 2023 heeft de gemeente in een reactie laten weten in principe akkoord te gaan met het voorgestelde plan. In het geldende bestemmingsplan 'Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist)' heeft het plangebied de bestemming 'Wonen', waarbij binnen het bestemmingsvlak een woning is toegestaan. Echter staat binnen het betreffende bestemmingsvlak reeds de woning Steinsedijk 15. Het voorgenomen plan past derhalve niet binnen dit bestemmingsplan. Om het plan juridisch-planologisch mogelijk te maken is een partiële herziening van het bestemmingsplan nodig, zodat er aan het perceel Steinsedijk 15b een eigen bestemmingsvlak kan worden toegekend. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen aan de Steinsedijk 15-15b te Haastrecht (gemeente Krimpenerwaard). De planlocatie is gelegen in het landelijk gebied van de gemeente Krimpenerwaard en bevindt zich ten noorden van de kern Haastrecht. Het plangebied is kadastraal bekend onder de kadastrale gemeente Haastrecht, sectie G, percelen 130 en 131, met een totale oppervlakte van ca. 1 ha. De navolgende afbeeldingen tonen de globale ligging en begrenzing van het plangebied.

Globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: Google Maps)

5

Begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

6

1.3 Geldend bestemmingsplan Voor de gronden in het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist)’, vastgesteld op 15 december 2015 door de gemeenteraad van de gemeente Krimpenerwaard. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van het geldende bestemmingsplan.

Uitsnede geldend bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist)’ (plangebied rood omkaderd)

De gronden zijn voorzien van de bestemming 'Wonen', waarin wonen en bijbehorende erven, tuinen, water, parkeer- en groenvoorzieningen zijn toegestaan. Het plangebied is voorzien van één bestemmingsvlak, waardoor één vrijstaande woning met een goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4 en 10 m is toegestaan. Daarnaast zijn de gronden voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' ter bescherming van archeologische waarden. Verder heeft het zuidelijke deel van het plangebied de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' en de aanduiding 'vrijwaringszone - dijk' opgenomen. Hiermee is de bescherming van de waterkering geregeld. Met voorliggend plan is beoogd de bestaande bebouwing op het perceel Steinsedijk 15b te slopen en hiervoor in de plaats een nieuwe woning met bijgebouw te realiseren. Omdat over beide percelen (Steinsedijk 15 en Steinsedijk 15b) één bestemmingsvlak ligt is hierbinnen maar één vrijstaande woning toegestaan, waardoor het plan niet binnen het geldende bestemmingsplan past. Daarom is beoogd met onderhavige herziening van het bestemmingsplan dit bestemmingsvlak op te splitsen. Naast het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist)' geldt voor de planlocatie het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard'. Dit plan is door de raad vastgesteld op 29 januari 2019.

Het zorgt voor een uniforme parkeerbepaling voor het gehele grondgebied van de gemeente Krimpenerwaard.

7

1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 worden achtereenvolgens de huidige situatie en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante nationale, provinciale, en gemeentelijke beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van (voor)overleg en inspraak zijn opgenomen.

8

2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie De locatie aan de Steinsedijk 15-15b te Haastrecht betreft een voormalig agrarisch perceel dat al langere tijd is omgezet en wordt gebruikt als woonperceel. Er zijn verschillende voormalige agrarische bouwwerken in het gebied gesitueerd. Aan de Steinsedijk 15 bevindt zich de voormalige agrarische bedrijfswoning. De bebouwing aan de Steinsedijk 15b is formeel niet bestemd als woning, maar is wel voor langere tijd in gebruik geweest als woning bij het agrarische bedrijf. Het plangebied ligt ingeklemd tussen de Steinsedijk en de achterliggende polder, wat het een waardevolle locatie maakt. Aan de Steinsedijk bevinden zich meerdere (voormalige) agrarische bedrijven en burgerwoningen. De percelen zijn omzoomd door watergangen en hebben een groen karakter. De navolgende afbeeldingen tonen de huidige situatie van de Steinsedijk 15b.

Impressie huidige situatie plangebied (bron: Verstoep)

9

Schematische weergave van de bestaande bebouwing (bron: Verstoep)

Inrichting huidige situatie (bron: Verstoep)

10

2.2 Toekomstige situatie Het voornemen bestaat op hoofdlijnen uit het amoveren van de voormalige woning en enkele bijgebouwen en het verwijderen van de overige bebouwing op het perceel Steinsedijk 15b. Daarnaast wordt het perceel ook voor een deel heringericht. Op de navolgende afbeelding staat het voorgaande schematisch weergegeven.

Te amoveren en te verwijderen bebouwing (bron: Verstoep)

Het doel is om een nieuwe kwalitatieve en duurzame invulling aan het perceel te geven. In de toekomstige situatie wordt er een vrijstaande woning met een vrijstaand bijgebouw gerealiseerd. Tevens wordt het perceel heringericht, waarbij de huidige toegang tot het perceel gehandhaafd blijft. Wel worden de paden/ontsluitingswegen op het perceel opnieuw aangelegd. Parkeren wordt uit het zicht, omsloten door streekeigen hagen, naast het bijgebouw, waarbij het geheel wordt ingepast door bestaande streekeigen bomen en de aan te vullen fruitboomgaarden. Op navolgende afbeelding is de beoogde inrichting van het perceel weergegeven.

11

Inrichtingsplan (bron: Verstoep)

Nadat het perceel is opgeruimd is er meer ruimte om groen toe te voegen. Zo worden er nieuwe hoogstamfruitbomen geplant op het voor- en achterterrein. De bestaande knotwilgen en linden blijven zoveel mogelijk behouden. Verder bestaat de beoogde ontsluitingsweg deels uit halfverharding. Ook de parkeerplaatsen bevinden zich op halfverharding. Voor de toekomstige bebouwing is een beeldkwaliteitskader opgesteld. Dit is als bijlage bij de toelichting gevoegd (zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). Navolgende afbeelding toont een impressie van de beoogde bebouwing.

3D-impressie beoogde bebouwing (bron: Verstoep)

12

3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Voorliggend plan is kleinschalig van aard, waardoor het geen landelijke gevolgen heeft. Wel wordt rekening gehouden met de ambitie die de Rijksoverheid heeft met betrekking tot ruimte voor klimaatadaptatie en een goede fysieke leefomgeving, door het groene karakter van het perceel te versterken en de woning duurzaam te bouwen. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd.

Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016, 1 januari 2017 en 1 december 2020 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling valt niet binnen één van de projecten aangewezen in het Barro. Daarnaast is de ontwikkeling dusdanig klein van schaal dat die niet direct van nationaal belang is. Vanuit het Barro zijn er dan ook geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.

13

De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.

3.

4.

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien ligt bij 12 nieuwe woningen. In het onderhavige geval wordt er per saldo een woning toegevoegd. Daarmee is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling en is toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet noodzakelijk. Desalniettemin dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening aangetoond te worden dat er sprake is van een behoefte. Uit toelichting paragraaf 3.3.2 blijkt dat er gemeentelijk een behoefte aan woningen bestaat. Voorliggende plan komt aan deze behoefte tegemoet. Geconcludeerd wordt dat voorliggende ontwikkeling past binnen de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De meest recente versie van de Omgevingsvisie Zuid-Holland is in werking getreden op 1 april 2023. De Omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen: 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:

• • • • • • •

het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen; de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht; het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie; de groene ruimte en de groenblauwe structuur; het bodem- en watersysteem; energie.

14

In aanvulling hierop toont de ruimtelijke hoofdstructuur van de ondergrond indicatief de ruimtelijke situatie van de ondergrond. 2.

Ambities en sturing

De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:

• • • • • •

Naar een klimaatbestendige delta

3.

Omgevingskwaliteit

Naar een nieuwe economie: the next level Naar een levendig meerkernige metropool Energievernieuwing Best bereikbare provincie Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving

Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:

•

Een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken.

•

Een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit.

•

Een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.

4.

Beleidskeuzes

De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland). Planspecifiek 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet specifiek van belang gezien de aard en omvang van het initiatief. 2.

Ambities en sturing

De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing voor het beoogde initiatief, maar vormen tevens geen belemmering voor de ontwikkeling. 3.

Omgevingskwaliteit

Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit wel van belang. Navolgend worden de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader omschreven.

15

Laag van de ondergrond Op de kaart van de 'Laag van de ondergrond' is het plangebied aangewezen als 'bijzonder reliëf - oude stroomgordels en geulafzetting' en 'rivierdeltacomplex - rivierklei/veen'. Bij ontwikkelingen in het rivierengebied dient het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar gehouden te worden. De onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap worden bij ontwikkelingen herkenbaar en in stand gehouden. Binnen het plangebied is er geen verschil tussen komgronden en oeverwallen en zijn geen onregelmatige patronen en reliëf herkenbaar. Daarnaast heeft het saneren van de bebouwing en opstallen een positief effect op het landschap. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Door de ligging aan het lint van de Steinsedijk zijn de richtpunten van 'linten' van belang. Linten zijn lineaire, aangesloten bebouwingsconcentraties langs wegen, waterwegen of dijken met een sterke relatie met het omliggende landschap. Ze bepalen mede de kenmerken van het landschap en zijn daarvan niet los te zien. Bij een dijklint staan woningen op of tegen de dijk, er is weinig ruimte voor nieuwe bebouwing aan de dijk. Dit is bij het voorliggende plan ook het geval. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn een aantal richtpunten voor de linten van toepassing:

• • • •

Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst. Bij nieuw ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor de historische gaafheid van een lint richtinggevend. Bij grootschalige ontwikkelingen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm. Dit betekent dat op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht.

De ontwikkeling van het plangebied sluit aan bij de huidige korrel, profiel en transparantie en heeft respect voor de historische gaafheid. De beoogde bebouwing wordt zoveel mogelijk gesitueerd ter plaatse van de bestaande bebouwing, in de tweede bebouwingslijn. Zo behoudt het plangebied haar huidige opzet. Hiermee wordt het karakter van het lint zoveel mogelijk geborgd en wordt, door het opruimen van het perceel, de ruimtelijke kwaliteit verbeterd. Het plangebied bevindt zich tevens in een veen(weide)landschap. De structuur in de veengebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Loodrecht daarop staan de verkavelingspatronen. De relevante richtpunten voor het veen(weide)landschap zijn:

• • • •

Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden. Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen. Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden. Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/linten en niet in de veenweidepolders.

In het voorgenomen plan wordt het huidige verkavelingspatroon in stand gehouden, er zijn geen wijzigingen voorzien die het verkavelingspatroon aanpassen. Het plangebied kent in de huidige situatie een relatief gesloten karakter door de beplanting langs dijk en het verrommelde bebouwingsbeeld. In het voorgenomen plan wordt het plangebied heringericht en krijgt het een deel van de openheid terug. Laag van de stedelijke occupatie Het plangebied is gelegen in een dorpsrand. Dit is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. Het is het deel van stad of dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu. De relatie tussen bebouwd gebied en landschap is afhankelijk van de karakteristieken van de bebouwingsrand en die van het aangrenzende landschap. Het uitgangspunt is de contactkwaliteit, waarbij bebouwd gebied en landschap zijn verbonden door zichtbare en begaanbare doorlopende structuren. De Steinsedijk is een goed voorbeeld

16

van een bebouwingsrand die zorgt voor contactkwaliteit. Doordat met voorliggend plan de ruimtelijke kwaliteit verbetert draagt het plan positief bij aan de contactkwaliteit. 4.

Beleidskeuzes

De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze 'behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit'. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voornoemde lagen van de kwaliteitskaart. Daarnaast zijn er gebiedsprofielen opgesteld, gezamenlijk met decentrale overheden en andere partijen in de regio. De gebiedsprofielen hebben de status van handreiking, maar nadrukkelijk niet de status van toetsingskader. Het plangebied valt binnen het gebiedsprofiel 'Gouwe wiericke'. Voor elk gebiedsprofiel zijn meerdere kaarten beschikbaar. Hieronder worden alleen de voor het plangebied relevante kaarten besproken die een aanvulling vormen op de reeds genoemde aspecten van de kwaliteitskaart: Herkenbaar waterrijk veen(weide) De veenweidepolders lopen door tot aan de rivierdijken. Hier is het hoogteverschil geleidelijk en is er geen duidelijke oeverwal te onderscheiden. Het contrast van de verdichte dijklinten op de oeverwal en het open veenweidegebied dient beleefbaar te zijn. Doorzichten over opstrekkende verkaveling vanaf de wegen op de dijk moeten zoveel mogelijk behouden blijven. Met de beoogde ontwikkeling blijft het contrast tussen het dijklint en het open veenweidegebied behouden en de doorzichten worden versterkt. Onderscheidend rivierengebied (oeverwal) Oeverwallen zijn grove, vaak zandige, rivierafzettingen die ontstaan zijn bij overstromingen.

Het is van oudsher de plek waar de eerste bebouwing ontstond en van waaruit het achterliggende land werd ontgonnen. Het oorspronkelijke bebouwingslint op de oeverwal is in de loop van de tijd steeds verder verdicht. Ten opzichte van het open veenweidelandschap heeft de zone van de oeverwal een besloten karakter, met bebouwing, beplanting en infrastructuur. Buiten de kernen bestaat de bebouwing voor een groot deel uit agrarische bedrijven en woningen en in mindere mate uit bedrijventerreinen. Aanvullende ambities voor de oeverwal zijn:

•

Versterken van het contrast tussen de oeverwal en het poldergebied door ruimtelijke ontwikkelingen op de oeverwal een meer besloten en groen karakter te geven.

• • •

Behouden en versterken van de menging van functies op de oeverwal. Behoud van doorzichten vanaf de rivier op het achterliggende veenweidelandschap.

•

Kenmerkende bebouwingsstructuur met ‘de boerderijen op afstand’ herkenbaar en beleefbaar houden.

Bij nieuwe ontwikkelingen de typerende gestrekte verkaveling haaks op de rivier als leidraad nemen.

Met de voorgenomen ontwikkeling blijft het groene karakter van het plangebied behouden, maar worden tegelijkertijd de doorzichten op het achterliggende veenweidelandschap versterkt door de herstructurering van het groen in het gebied en een afname van de bebouwing. De typerende gestrekte verkaveling wordt niet aangetast en de kenmerkende bebouwingsstructuur met 'de boerderijen op afstand' blijft herkenbaar en beleefbaar. Kwaliteit van de stads- en dorpsrand De dijk van de Hollandsche IJssel vormt een heldere landschappelijke grens voor de rand van Haastrecht. De uitbreidingswijken van Haastrecht liggen buitendijks, met de voorkant van de bebouwing naar de dijk. Binnendijks loopt de agrarische lintbebouwing van het dijklint, laaggelegen in de veenweidepolder, door. De ambities voor dit gebied zijn:

•

De rand van de dorpsuitbreiding ligt aan de voet van de dijk, de dijk zelf en de lintbebouwing maken onderdeel uit van het omringende landschap.

•

De bebouwingsrand vormt een groen en aantrekkelijk gezicht vanaf de dijk; geen verrommeling of verdichting in de zone tussen bebouwing en dijk.

17

In de zone tussen bebouwing en dijk wordt met het voorliggende plan verrommeling verwijderd ten behoeve van een nieuwe woning en wordt het perceel heringericht met meer groen en nieuwe fruitbomen. Dit komt de kwaliteiten van het gebied ten goede. Linten blijven linten Het plangebied ligt aan een dijklint. Daarbij dient rekening gehouden te worden met de ruimtelijke structuur van de verkaveling langs de dijk. De zone langs de rivieren was het vroegst bebouwde gebied, van daaruit is het achterliggende land ontgonnen. De ontginningsrichting is haaks op de rivier. De bebouwing ligt als een aaneengesloten band langs de dijk. Binnendijks staat de meeste bebouwing beneden aan de dijkvoet en incidenteel op dijkniveau. Ook staat regelmatig aan de kant van de rivier bebouwing op dijkniveau. Het rivierdijklint kenmerkt zich door een mix van agrarische bebouwing, burgerwoningen en bedrijven. Enkele ambities waarbij het voorliggend plan aansluit zijn: behoud de ruimtelijke structuur van de verkaveling, bebouwing met het gezicht naar de dijk en het behouden van het agrarische karakter van de bebouwing. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie. De ruimtelijke kwaliteit verbetert en er wordt aangesloten bij de gebiedsprofielen. De beoogde herontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie en is in lijn met de provinciale ambities.

3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening Zuid-Holland op 1 april 2023 in werking getreden. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsverordening. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 lid 5 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.

b.

c.

de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren.

Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a), omdat de ontwikkeling zich afspeelt op het niveau van een kavel en past bij de aard en de schaal van het gebied. Met de stedenbouwkundige invulling van de beoogde nieuwbouw is zoveel mogelijk rekening gehouden met de bestaande gebiedsidentiteit. De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart en gebiedsprofielen zijn in toelichting paragraaf 3.2.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat het beoogde plan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart en gebiedsprofielen voldoet.

18

Beschermingscategorie Het plangebied is gelegen in het buitengebied, waarvoor beschermingscategorie 3 geldt. In artikel 6.9a van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan voor een locatie in het buitengebied in een ruimtelijke ontwikkeling kan voorzien, mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig worden aangetast. In de motivering moeten de volgende kwaliteiten betrokken worden: 1. 2. 3. 4.

de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap.

De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op het saneren van voormalige agrarische opstallen en daarvoor in de plaats de oprichting van een nieuwe woning. De openheid en de structuur van het landschap zullen een positief effect ondervinden van het saneren van voormalige agrarische bebouwing. De herinrichting van het plangebied zorgt voor een groener karakter van het plangebied met minder verspreide bebouwing. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat 'een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a.

b.

de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties.

Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking. Sub b is niet van toepassing, omdat de ontwikkeling kleiner dan 3 hectare is. Daarmee wordt er voldaan aan artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening. Risico's van klimaatverandering In artikel 6.27a van de Omgevingsverordening is opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering, tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. b. c. d.

wateroverlast door overvloedige neerslag; overstroming; hitte; droogte.

- Wateroverlast Uit de klimaatatlas blijkt dat er in het plangebied geen sprake is van wateroverlast bij extreme neerslag. Er wordt met het plan voldaan aan richtlijnen met betrekking tot waterberging. - Overstroming Uit raadpleging van de klimaatatlas blijkt dat er een zeer kleine kans (1/3.000 tot 1/30.000 per jaar) is op overstroming in het plangebied. Het aspect overstroming is niet specifiek van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. - Hitte Uit raadpleging van de klimaatatlas blijkt dat de temperatuur in het plangebied koeler is dan in de omgeving. Dit komt zeer waarschijnlijk doordat er in het plangebied veel groen aanwezig is. Met het voorliggende plan worden de bestaande opstallen gesaneerd en wordt er minder teruggebouwd. Het is

19

aannemelijk dat de temperatuur in het plangebied hierdoor gelijk blijft. Daarnaast helpt de begrenzing van het plangebied door water ook om de temperatuur in het plangebied lager te houden. - Droogte Om droogte tegen te gaan is het belangrijk om water zo veel mogelijk te laten infiltreren. Vanwege de ligging en de inrichting direct rondom het plangebied wordt verwacht dat droogte geen grote risico's oplevert voor het plangebied. Onderhavig plan houdt rekening met de risico's van klimaatverandering. Het plangebied wordt heringericht waarbij verhard oppervlak en bebouwing nagenoeg gelijk blijft. Conclusie Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Krimpenerwaard In de Omgevingsvisie Krimpenerwaard, die de raad van de gemeente Krimpenerwaard op 14 juli 2021 heeft vastgesteld, geeft de gemeente aan wat zij belangrijk vindt voor de fysieke leefomgeving. Kenmerkend in de visie is het 'ja, tenzij'-principe. Dit betekent dat de gemeente positief staat tegenover nieuwe initiatieven en samen met initiatiefnemers kijkt hoe deze gerealiseerd kunnen worden. De omgevingsvisie is daarmee de lat waarlangs de initiatieven worden gelegd. Om de omgevings- en ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Krimpenerwaard ook voor de toekomst te borgen, heeft de gemeente in de omgevingsvisie aangegeven wat de gemeente en gemeenschap de belangrijkste waarden binnen de Krimpenerwaard vinden. Dit worden de “Krimpener-waarden” genoemd. De “Krimpener-waarden” zijn als volgt opgedeeld:

• • •

Waarden van heel de Krimpenerwaard; Waarden per gebied; Waarden van de kernen.

De waarden van heel de gemeente Krimpenerwaard worden beschreven aan de hand van verschillende thema's, de waarden per gebied worden beschreven per gebied en de waarden van de kernen staan beschreven in het rapport 'Koers en Kader Krimpenerwaard'. In het derde hoofdstuk van de omgevingsvisie komen de visie en speerpunten aan bod. Hierin worden voor verschillende deelgebieden de speerpunten aangegeven. Deze speerpunten worden verderop in de omgevingsvisie toegelicht. In het laatste hoofdstuk van de visie beschrijft de gemeente hoe ze de geest van de Omgevingswet tot uitvoer wil brengen. De gemeente Krimpenerwaard ziet de Omgevingswet als kans om meer te werken vanuit wensen en signalen vanuit de samenleving en vertrouwen en minder vanuit regels. Krachtig buitengebied Het buitengebied van de Krimpenerwaard is bijzonder en waardevol, maar staat voor uitdagingen. Hoe behouden we de kwaliteiten van het buitengebied, houden we droge voeten, hoe gaan we om met de ontwikkelingen in de landbouw, de vraag naar duurzame energie en de vraag naar ruimte voor bebouwing? Het antwoord op deze vragen is niet voor het hele buitengebied hetzelfde. Daarom zijn er ook verschillen aangegeven in de gebieden. Deze gebieden zijn weergegeven op de richting- en ruimtekaart. Per gebied is aangegeven waar de gemeente op inzet en welke speerpunten van belang zijn.

Planspecifiek De planlocatie behoort volgens de richting- en ruimtekaart tot het gebied 'Veenweide'. Het midden van de Krimpenerwaard is landschappelijk waardevol, rustig en er zitten veel weidevogels. Daarom zijn hier gebieden aangewezen als ‘kroonjuweel’, ‘stiltegebied’ en ‘weidevogelgebied’. De boeren beheren hier voor een deel het veenweidelandschap. Het gebied is gevoelig voor bodemdaling en de wegen zijn smal. Daarom

20

wordt hier ingezet op innovatieve manieren om met deze uitdagingen om te gaan. Hierbij wordt rekening gehouden met landschappelijke waarden. Het realiseren van een nieuwe woning is een kans om het lint te versterken en een bijzonder woonmilieu te creëren. Met de sloop van de voormalige agrarische bebouwing en een goede landschappelijke inpassing wordt de ruimtelijke kwaliteit versterkt. Er kan geconcludeerd worden dat het voorliggende plan in lijn is met de omgevingsvisie. 3.3.2 Woonvisie Krimpenerwaard Tijdens de raadsvergadering van 9 mei 2017 heeft de gemeente de Woonvisie Krimpenerwaard; Kerngericht vastgesteld. Sinds 1 januari 2015 vormen de voormalige gemeenten Bergambacht, Ouderkerk, Nederlek, Schoonhoven en Vlist samen de gemeente Krimpenerwaard. Binnen de nieuwe gemeente is nu behoefte aan een gezamenlijke woonvisie. In de woonvisie wordt vooruit gekeken tot 2030. Het uitvoeringsprogramma gaat specifieker in op de periode 2017-2020. Om aan te sluiten op de trends en ontwikkelingen op het gebied van 'wonen', zijn vijf strategische thema's uitgewerkt: 1. 2. 3. 4. 5.

Positionering in de regio; onderscheidend zijn. Betaalbaar & beschikbaar; betaalbare woningen, doorstroom bevorderen, aansluiten op woningbehoefte, aandacht voor bijzondere doelgroepen. Duurzame gebouwde omgeving; energiezuinig en kwalitatief goed bouwen, aandacht voor bestaande bebouwing. Wonen-welzijn-zorg, draagvlak voor huisvesting van bijzondere doelgroepen in buurten. Bouwen aan vitale kernen; transformatie, inbreiding, kwaliteitsverbetering, woningbouw binnen de kernen.

Groeiperspectief In elke kern is sprake van huishoudensgroei. Om dit te faciliteren stelt de gemeente de ambitie om minimaal 3.000 nieuwe woningen te realiseren in de periode 2015-2030. Er is voornamelijk behoefte aan koopwoningen. Er is met name bij jongeren behoefte aan woningen (rij- en hoekwoningen) in het goedkope segment. Voor ouderen bestaat er een behoefte aan nultredenwoningen. Om voldoende en passende woningen in de juiste woonomgeving beschikbaar te hebben en aan te sluiten op de ambities van de Krimpenerwaard is de huidige plancapaciteit van circa 1.400 woningen voor de periode tot 2025 niet voldoende. De doelstelling van 3.000 nieuwe woningen in de periode 2015-2030 betekent dat er nog een woningbouwopgave van 1.600 extra woningen tot 2030 is. Planspecifiek Het voorgenomen plan betreft het slopen van voormalige agrarische bebouwing en het mogelijk maken van een nieuwe vrijstaande woning. De nieuwe woning past in de duurzaamheidseisen die heden ten dage aan een woning gesteld worden. De toevoeging van per saldo een nieuwe woning betekent tevens dat er een extra woning beschikbaar komt in de Krimpenerwaard, wat in lijn is met de woningbehoefte in de gemeente. Er dient geconcludeerd te worden dat het plan in overeenstemming is met de gemeentelijke woonvisie.

3.3.3 Nota Ruimtelijke Kwaliteit Krimpenerwaard 2017 De Nota Ruimtelijke Kwaliteit (vastgesteld op 13 december 2016) vormt de welstandsnota van de gemeente Krimpenerwaard. Het doel bij deze nota is het behartigen van het publieke belang door de lokale overheid, waarbij de individuele vrijheid van de burger of ondernemer wordt afgewogen tegen het aanzien van hun omgeving als algemene waarde. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid geeft de gemeente de mogelijkheid om cultuurhistorische, stedenbouwkundige, landschappelijke en architectonische waarden een rol te geven bij ontwikkelingen.

21

Op de niveaukaart is voor elk gebied in de gemeente Krimpenerwaard het minimale toetsingsniveau aangegeven om de gewenste kwaliteit van de omgeving te regelen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt in 'soepel', 'gewoon' en 'bijzonder'. Op de gebiedenkaart zijn gebieden met samenhangende bebouwingstypologieën aangegeven. Per gebied zijn in de nota een beschrijving, waardering en enkele uitgangspunten opgenomen. Naast de gebieden zijn op de gebiedenkaart gebieden met een ontwikkelingskader aangegeven. Dit zijn de gebieden waar een beeldkwaliteitsplan geldt. Planspecifiek Op de niveaukaart is aangegeven dat voor het plangebied een bijzonder welstandsniveau geldt. Op de gebiedenkaart is het plangebied aangeduid als het landschapsgebied 'Hollandsche IJssel'. De linten langs de Hollandsche IJssel hebben een diepe opstrekkende verkaveling. Kenmerkend zijn de doorzichten op het achterland. Hoofdgebouwen zijn met de voorzijde gericht op dijk of staan bij uitzondering haaks hierop. De bebouwing staat op enige afstand van de dijk op het lagergelegen land en soms aan de dijk op kruinhoogte. Enkele panden staan buitendijks. Rooilijnen volgen dijk of verkaveling en verspringen onderling. De beoogde situering van de nieuwe woning is met voornoemde richtlijnen in lijn. De bestaande bebouwing op het perceel wordt gesloopt en daarvoor in de plaats wordt een nieuwe woning met bijgebouw gebouwd.

De nieuwe woning is op het achtererf van het perceel, in tweede lijn voorzien. Het slopen van de verouderde opstallen zorgt voor een kwaliteitsverbetering van het perceel. Geconcludeerd kan worden dat het initiatief in lijn is met de Nota Ruimtelijke Kwaliteit Krimpenerwaard 2017. De Nota Ruimtelijke Kwaliteit 2017 vormt het welstandskader bij de omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen. Te zijner tijd zal de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit het ontwerp van de woningen hieraan toetsen.

22

4 Milieu- en omgevingsaspecten In een bestemmingsplan dient gemotiveerd te worden in hoeverre het plan milieutechnisch haalbaar is. Dit houdt in dat verschillende ruimtelijke en milieutechnische aspecten, zoals ecologie, archeologie, bodem, waterhuishouding, geluid, externe veiligheid, etc. onderzocht moeten worden. In dit hoofdstuk worden deze aspecten nader gemotiveerd.

4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r.-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.(-beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• •

door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;

•

de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).

het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (o.a. ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene

23

wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Om te kunnen beoordelen of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject dienen verschillende zaken afgewogen te worden. Navolgende punten zijn argumenten om het project niet als stedelijk ontwikkelingsproject aan te merken: 1. 2.

Er wordt slechts een nieuwe woning toegevoegd, waarbij de oppervlakte aan bebouwing door sloop van de bestaande bebouwing per saldo af- of toeneemt. De nieuwe woning vervangt de bestaande bebouwing en voldoet aan de BENG-eisen, waardoor het milieueffect beperkt is.

Wanneer bovenstaande punten afgewogen worden, leidt dit tot de conclusie dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals beschreven in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.(beoordelings)plicht geldt. Desalniettemin zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in dit hoofdstuk in beeld gebracht. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen.

4.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Planspecifiek Bij een bestemmingswijziging naar een gevoeliger bodemgebruik dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt is voor het toekomstige gebruik. In het voorliggende geval is er geen sprake van een wijziging naar een strenger bodemgebruik. Desalniettemin is gezien de historie van het perceel en de beoogde bodemingrepen een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd (Lawijn advies & management, 17.3373-A1, d.d. december 2017, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). Uit dit onderzoek kwam het volgende naar voren:

•

In de bovengrond van de locatie zijn lichte verontreinigingen met kwik, molybdeen, nikkel, lood en zink geconstateerd. Zintuiglijk is bijmenging van sporen hout en grind waargenomen.

•

In de ondergrond van de locatie is een lichte verontreiniging met lood aangetroffen, en zijn licht verhoogde gehaltes molybdeen en nikkel gemeten, welke vermoedelijk kunnen worden beschouwd als een verhoogd achtergrondgehalte.

•

In het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is een licht verhoogde concentratie barium gemeten, welke vermoedelijk kan worden beschouwd als een verhoogde achtergrondwaarde.

Op basis van deze onderzoeksresultaten bestaat geen aanleiding tot nader onderzoek. Desondanks is, vanwege de leeftijd van het onderzoek, een actualiserend onderzoek uitgevoerd (Lawijn advies & management, 23.5071-A1, d.d. mei 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). Ook op basis van de verkregen onderzoeksresultaten van dit onderzoek bestaat, conform de richtlijnen van de Wet

24

Bodembescherming, geen aanleiding tot nader onderzoek. De verkregen resultaten geven geen milieutechnische bezwaren voor het afgeven van een omgevingsvergunning. Er kan geconcludeerd worden dat het aspect bodem geen belemmering voor het initiatief vormt.

4.3 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM 2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden.

Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling bestaat in planologische zin uit het 'splitsen' van de percelen en het mogelijk maken van een nieuwe woning. Het project is aan te merken als een project van 'niet in betekende mate'. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de Atlas leefomgeving gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2020 fijnstof (PM 10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied bedragen respectievelijk maximaal 16 μg/m³, 8,7 μg/m³ en 13,9 μg/m³. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 μg/m³ voor fijnstof PM2,5. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

25

4.4 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);

•

andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh): o verzorgingstehuizen; o psychiatrische inrichtingen; o medisch centra; o poliklinieken; o medische kleuterdagverblijven.

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek Voorliggend plan voorziet in de realisatie van een nieuwe woning. Een woning wordt in het kader van de Wet geluidhinder gezien als een geluidgevoelig object. Er dient dan ook te worden beschouwd of er geluidhinder ontstaat door geluidbronnen, zoals omschreven in de Wgh. Wegverkeer Vanwege de ligging binnen de onderzoekszone van de Steinsedijk is een akoestisch onderzoek wegverkeer uitgevoerd (Sain milieuadvies, 2023-3024-b4248/2606, d.d. 7 april 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4). Hieruit blijkt dat de berekende gecumuleerde geluidsbelasting op de nieuwe woning lager is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB (inclusief aftrek) zoals die per gezoneerde weg geldt. Zodoende voldoet de geluidsbelasting vanwege elke weg afzonderlijk aan de voorkeursgrenswaarde. Er zijn geen verdere procedures in het kader van de Wet geluidhinder nodig. Spoorweglawaai De dichtstbijzijnde spoorweg ligt op circa 1,2 km ten noorden van de locatie. Het plangebied ligt daarmee buiten de onderzoekszone van de spoorlijn.

Industrielawaai In de omgeving zijn geen geluidgezoneerde industrieterreinen aanwezig. Wel is geluid van omliggende bedrijven nog steeds van belang in het kader van milieuzonering. Deze toetsing vindt plaats in toelichting paragraaf 4.5. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het aspect geluid geen belemmeringen vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan.

26

4.5 Milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=6a091c38-0400-43f9-8ab1-a44c92b59bf6