CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJL 1.3 Ruimtelijke onderbouwing

Raadsvergadering 17 september 2024, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (B) Verklaring van geen bedenkingen IJsseldijk Noord 123, Ouderkerk aan den IJssel15.720 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

omgevingsvergunning

IJsseldijk-Noord 123 Ouderkerk aan den IJssel Gemeente Krimpenerwaard

Planstatus:

ontwerp

Plan identificatie:

NL.IMRO.1931.OG2108BG050-ON01

Datum:

2024-06-11

Contactpersoon Buro SRO:

dhr. R. van der Made I dhr. F.M. Polderman

Kenmerk Buro SRO:

SR210560

Opdrachtgever:

Verstoep bouwadvies architectuur

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldende bestemmingsplannen ......................................................................................................................... 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7

2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ........................................................................................................................................... 9

3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 12 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 12 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 14 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 19

4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 23 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 23 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 24 4.3 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 25 4.4 Geluid ................................................................................................................................................................ 26 4.5 Milieuzonering .................................................................................................................................................. 27 4.6 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 28 4.7 Waterhuishouding.............................................................................................................................................

31 4.8 Ecologie ............................................................................................................................................................. 33 4.9 Cultureel erfgoed .............................................................................................................................................. 35 4.10 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 37

5 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 40 5.1 Economische uitvoerbaarheid ........................................................................................................................... 40 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 40

3

4

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens de locatie aan de IJsseldijk-Noord 122 en 123 te Ouderkerk aan den IJssel te herontwikkelen. Op de locatie bevinden zich een voormalige steenfabriek en veehouderij. Omdat er geen bedrijfsopvolger is en de huidige eigenaren een stapje terug willen doen, is er een woonconcept met 29 extra wooneenheden bedacht. Hierin zijn dagbesteding en omzien naar elkaar belangrijke thema's. Voor het beoogde initiatief is een principeverzoek ingediend. Op 20 januari 2021 heeft de gemeente Krimpenerwaard laten weten in principe akkoord te gaan en onder voorwaarden bereid te zijn medewerking te verlenen aan het voorgestelde plan. Het geldende bestemmingsplan 'IJsseldijk-Noord 2005' staat het voorgenomen plan niet toe. Met een omgevingsvergunning buitenplanse afwijking (artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3 Wabo) kan afgeweken worden van het bestemmingsplan en kan de beoogde ontwikkeling mogelijk gemaakt worden. Als onderdeel van de aanvraag omgevingsvergunning dient gemotiveerd te worden dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet in deze motivatie.

1.2 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen aan de IJsseldijk-Noord 122 en 123 te Ouderkerk aan de IJssel in de gemeente Krimpenerwaard. De IJsseldijk-Noord is een lint in het meest westelijk deel van de gemeente Krimpenerwaard, dat aan de zuidoostzijde van de rivier de Hollandsche IJssel ligt. Het plangebied is kadastraal bekend onder de gemeente Ouderkerk aan den IJssel, sectie B, perceel 4357. De navolgende afbeeldingen tonen de globale ligging en begrenzing van het plangebied.

Globale ligging plangebied, wit omcirkeld (bron: Google Earth)

5

Begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

1.3 Geldende bestemmingsplannen Voor de gronden in het westelijk deel van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'IJsseldijk-Noord 2005', vastgesteld op 13 december 2007 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Ouderkerk. Tevens is het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard' van toepassing voor de planlocatie. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van het bestemmingsplan ‘IJsseldijk-Noord 2005’.

Uitsnede geldend bestemmingsplan ‘IJsseldijk-Noord 2005’ (plangebied rood omkaderd)

In het geldende bestemmingsplan zijn de gronden voorzien van de bestemmingen 'groendoeleinden berm', 'agrarisch gebied', 'agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwaarde' en 'waterhuishoudkundige doeleinden'. Tevens zijn de gronden voorzien van de dubbelbestemming 'waterkeringsdoeleinden'. Met de voorgenomen ontwikkeling worden woningen gerealiseerd ter plaatse waar nu de bestemming 'agrarisch gebied' geldt. De beoogde ontwikkeling is in strijd met het geldende bestemmingsplan en het realiseren van de woningen is niet toegestaan. Met een omgevingsvergunning buitenplanse afwijking (artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3 Wabo) kan afgeweken worden van het bestemmingsplan en kan de

6

beoogde ontwikkeling mogelijk gemaakt worden. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing vormt de bijbehorende motivatie.

1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 worden achtereenvolgens de huidige situatie en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante nationale, provinciale en gemeentelijke beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Tot slot wordt in hoofdstuk 5 wordt vervolgens de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan toegelicht, waarbij de uitkomsten van (voor)overleg en inspraak zijn opgenomen.

7

2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Het plangebied betreft het perceel van de voormalige steenfabriek en veehouderij en de (voormalige) bedrijfswoningen met erf gelegen aan de IJsseldijk-Noord 122 en 123. Op het perceel zijn meerdere voormalige agrarische bedrijfsgebouwen aanwezig. Op de navolgende afbeelding is huidige situatie van het plangebied weergegeven.

Situatietekening bestaande situatie, plangebied rood omkaderd (bron: Verstoep)

Aan de IJsseldijk 122-123 staat een gebouw dat gebouwd is in de eerste helft van de 19e eeuw en twee wooneenheden bevat. Het gebouw heeft twee bouwlagen met kap en staat geregistreerd als rijksmonument. Achter het monument staat een oude schuur met daarachter twee oude silo's. In het midden van het plangebied staan een loods en een stal die door de veehouderij werden gebruikt. Deze zijn ook onderdeel van het plangebied. De navolgende afbeeldingen geven een impressie van het plangebied.

8

Inrichting plangebied huidige situatie (bron: Verstoep)

Ten zuidoosten van het perceel is in het recente verleden een gebouw van één bouwlaag met kap gerealiseerd met drie recreatiewoningen. Nabij de recreatieappartementen staat een gebouw dat dienst doet als dierenverblijf en opslag/berging. De recreatiewoningen en het dierenverblijf maken geen deel uit van het plangebied, maar zijn wel alleen via het plangebied te bereiken.

2.2 Toekomstige situatie In de toekomstige situatie wordt het terrein van de veehouderij herbestemd. Hiervoor zullen enkele sloopwerkzaamheden plaats vinden, waaronder de sloop van de meest noordoostelijk gelegen loods, die een fors volume van circa 4.900 m³ heeft. In totaal worden er met de beoogde ontwikkeling 31 wooneenheden mogelijk gemaakt binnen de huidige bebouwing(scontouren), wat een toename is van 29 woningen ten opzichte van de huidige (planologische) situatie. Het woningaantal in de toekomstige situatie bedraagt 31. Er wordt uitgegaan van een nieuw woon- en leefconcept waarbij ontmoeting en het omzien naar elkaar als een soort automatisme samen zullen gaan. Het doel is om een nieuw woon-, leef- en ondersteuningsconcept te realiseren dat ervoor zorgt dat mensen langer zelfstandig thuis kunnen blijven wonen en mantelzorgers worden ontzorgt. Dit woon- en leefconcept wordt 'Wonen met Meer' genoemd. Wonen wordt gecombineerd met veiligheid en ondersteuning aan de bewoners op locatie. Er is een beheerderspaar aanwezig waar de bewoners een beroep op kunnen doen als zij een steuntje in de rug nodig hebben, aan activiteiten willen deelnemen of ondersteuning behoeven bij het uitoefenen van hun hobby. Omdat er levensloopgeschikte woningen in het plan zitten, kan er zorg en verpleging in de woning worden geboden.

Het beheerderspaar kan, als daar behoefte aan is, desgewenst de thuiszorg coördineren die door een externe (zorg)organisatie ambulant, bij de bewoner thuis, wordt geleverd. Rondom het beheer, maar ook de koop en huur zullen duidelijke uitgangspunten worden opgesteld, zodat iedereen die daar komt wonen en leven, af weet van de opzet: “samen-wonen-leven-geven-vragen”. Jong en oud, met of zonder beperking.

9

Op de navolgende afbeelding is de toekomstige situatie van het plangebied weergegeven.

Situatietekening plangebied toekomstige situatie (bron: Verstoep, 28 mei 2024)

Bebouwing en doelgroep Het gebouw gelegen aan de IJsseldijk-Noord 122-123 is een monumentaal pand met twee wooneenheden. Met de beoogde ontwikkeling worden in dit pand vijf huur- en/of koopappartementen gerealiseerd. Dit zullen vijf woningen worden met een oppervlakte tussen de 60 m² en 100 m². Het realiseren van de woningen is mogelijk zonder ingrijpende aantasting van de waarden van het monument. In de schuur gelegen achter het monument worden appartementen gerealiseerd. Dit gebouw, bestaande uit twee bouwlagen met kap, wordt verbouwd om in tien huurappartementen te voorzien. Ter plaatsen van de loods midden in het plangebied zullen respectievelijk drie en twee grondgebonden koopwoningen worden gerealiseerd. De woningen bestaan uit één bouwlaag met kap en worden gebouwd in een volume die vergelijkbaar is met de situatie voordat de loods werd geplaatst. Toen stonden op deze locatie twee lossen varkensstallen. De nieuwe woningen worden binnen de bestaande bebouwingscontouren gerealiseerd en krijgen een schuurachtige uitstraling. De andere stal in het midden van het plangebied wordt getransformeerd naar zes kleinere woningen en vijf studio's. Daarachter komt een gebouw dat dienst doet als buurtschuur en kinderopvang. Naast woningen worden er gezamenlijke voorzieningen voor de nieuwe bewoners gerealiseerd.

De buurtschuur wordt ingericht ten behoeve van de dagbesteding en er komt een kinderopvang. De buurtschuur kan eveneens dienen als ruimte voor ontmoeten en voor dagbesteding. Daarnaast kunnen de bewoners hier hun hobby uitoefenen. Het plan lijkt qua uitstraling op een boerenerf. De onderstaande tabel toont de woningtypen die met de beoogde ontwikkeling worden gerealiseerd. Woningtype Twee-onder-een-kapwoning Rij- en hoekwoningen (drie-onder-één-kapwoning) Appartementen, huur (achter monument) Appartementen, huur/koop (monument) Kamerverhuur (kleine woningen) Aanleunwoningen (studio’s) Totaal

Aantal woningen 2 3 10 5 6 5 31

10

Landschappelijke inpassing Voor de beoogde ontwikkeling is een landschap-ecologisch inpassingsplan met begeleidende tekst opgesteld (Buit-teGewoon, d.d. 3 juni 2024, zie Bijlagen, bijlage 12). In het plan is, binnen de compacte ruimte die beschikbaar is, een inrichting gekozen die aansluit bij het karakter van de Krimpenerwaard, het geheel een groene uitstraling kan geven en die ruimte biedt aan diersoorten die karakteristiek zijn voor het de erf- en dijklinten in het gebied. Cultuurhistorie De planlocatie kent een lange geschiedenis. Van origine was hier een steenplaats of steenfabriek gevestigd. In verloop van tijd, met het sluiten van de steenfabriek, kreeg de locatie een agrarische functie. In paragraaf 4.9.2 is verder op de cultuurhistorie van de planlocatie ingegaan. Met de ontwikkeling is aandacht besteed aan de cultuurhistorie. De woning gelegen aan de IJsseldijk-Noord 122-123, die een monumentaal gebouw is, zal enkel inpandig verbouwd worden. De buitenkant van het pand zal zijn karakteristieke uiterlijk behouden. De schuur achter de woning zal verbouwd worden, maar wel in oude stijl. Ook bij de andere bebouwing op het plangebied is rekening gehouden met het karakter van het erf. Er wordt een buurtschuur/kinderopvang toegevoegd. Duurzaamheid Het plan wordt in het kader van een duurzame ontwikkeling zo duurzaam mogelijk uitgevoerd en ingericht.

Naast de woningen, die als BENG (Bijna Energie Neutraal Gebouw) worden gerealiseerd, wordt ook de openbare ruimte zo duurzaam mogelijk ingericht. Daarbij kan worden gedacht aan klimaatadaptatie (onder andere minder verharding, het tegengaan van hittestress, zo lang mogelijk vasthouden van water), inzetten op verrijking van de biodiversiteit, maximaal vergroenen door onder andere ‘groene’ parkeerplaatsen. Verkeer en parkeren De ontsluiting van het plangebied zal plaatsvinden via de IJsseldijk-Noord. Door het plangebied zelf zal de bestaande weg behouden worden. De woningen in het plangebied worden hiermee ontsloten. Om aan de parkeerbehoefte te voldoen worden er in het plangebied in totaal 39 parkeerplaatsen gerealiseerd. In paragraaf 4.10.2 wordt de parkeerbehoefte nader toegelicht.

11

3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Voorliggend plan is kleinschalig van aard, waardoor het geen landelijke gevolgen heeft. Wel wordt rekening gehouden met de ambitie die de Rijksoverheid heeft met betrekking tot ruimte voor klimaatadaptatie en een goede fysieke leefomgeving, door het groene karakter van het perceel te behouden en de woning verder van de dijk af en duurzaam te bouwen. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wet ruimtelijke ordening, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van een ruimteljke onderbouwing. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de NOVI zijn herbevestigd.

Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016, 1 januari 2017 en 1 december 2020 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling valt niet binnen één van de projecten aangewezen in het Barro. Daarnaast is de ontwikkeling dusdanig klein van schaal dat het niet direct van nationaal belang is. Vanuit het Barro zijn er dan ook geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de ruimtelijke onderbouwing een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.

12

Artikel 5.20 van het Besluit omgevingsrecht bepaalt dat artikel 3.16 Bro ook van toepassing is op een omgevingsvergunning die wordt verleend op grond van artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 4 Bro als volgt omschreven: 2.

3.

4.

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt bij 12 woningen. In het onderhavige geval worden er per saldo 29 woningen toegevoegd. In totaal gaat het om 31 woningen, terwijl er in de huidige (planologische) situatie twee woningen aanwezig zijn. De voorgenomen ontwikkeling wordt gezien de omvang aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Behoefte Bij een stedelijke ontwikkeling dient aangetoond te worden dat er behoefte is aan de ontwikkeling binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied. De aard en de omvang van de stedelijke ontwikkeling bepaalt op welk niveau de afweging moet worden gemaakt. De omvang van de nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft 29 woningen. Behoefte aan woningen De behoefte aan de woningen komt nader aan bod in de Regionale Agenda Wonen 2019 van de Regio Midden-Holland en de Woonvisie Krimpenerwaard 2023-2028 (zie paragraaf 3.3.2).

Op basis van autonome huishoudensprognoses wordt er in de gemeente tot 2040 een huishoudensgroei van 2.650 huishoudens verwacht. Om de kernen leefbaar, vitaal en toekomstbestendig te houden kiest de gemeente om in te zetten op de realisatie van 4.000 woningen in de periode 2023-2040. Er is voornamelijk behoefte aan koopwoningen, maar er is behoefte aan voor woningen in het goedkope segment. Tevens is de verwachting dat, gezien dat het aantal ouderen in Nederland de komende jaren zal blijven groeien, er een groeiende vraag zal ontstaan voor huisvesting van senioren binnen de regio en de gemeente. De vergrijzing zet zich de komende jaren voort. Met name deze groep heeft effect op de woningmarkt. Zo is er sprake van gezinsverdunning en neemt het aandeel een- en tweepersoonshuishoudens sterk toe. Deze groeiende groep senioren heeft een andere woningvraag, waarbij de behoefte aan woongerelateerde zorgondersteuning toeneemt. Op basis hiervan is de conclusie gerechtvaardigd dat er behoefte is aan de stedelijke ontwikkeling binnen het plangebied.

13

Bestaand stedelijk gebied Het bestaand stedelijk gebied wordt volgens het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) als volgt gedefinieerd: ’bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. De gronden in het plangebied zijn gelegen buiten het bestaand stedelijk gebied. Echter is het plangebied momenteel wel bebouwd. De beoogde woningen worden binnen de bestaande bebouwing(scontouren/volumes). Er is geen sprake van een toename in het ruimtebeslag. Conclusie Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat voorgenomen ontwikkeling past binnen de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 1 april 2023. De Omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen: 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:

•

het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen;

• •

de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht;

• • • •

de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie;

het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur de groene ruimte en de groenblauwe structuur; het bodem- en watersysteem; energie.

In aanvulling hierop toont de ruimtelijke hoofdstructuur van de ondergrond indicatief de ruimtelijke situatie van de ondergrond. 2.

Ambities en sturing

De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:

• • • • •

Naar een klimaatbestendige delta Naar een nieuwe economie: the next level Naar een levendig meerkernige metropool Energievernieuwing Best bereikbare provincie

14

•

Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving

3.

Omgevingskwaliteit

Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:

•

Een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken.

•

Een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit.

•

Een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.

4.

Beleidskeuzes

De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland). Planspecifiek 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet specifiek van belang gezien de aard en omvang van het initiatief. 2.

Ambities en sturing

De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing voor het beoogde initiatief, maar vormen tevens geen belemmering voor de ontwikkeling. 3.

Omgevingskwaliteit

Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit wel van belang. Navolgend worden de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader omschreven. Laag van de ondergrond Op de kaart van de 'Laag van de ondergrond' is het plangebied aangewezen als 'bijzonder reliëf - oude stroomgordels en geulafzetting' en 'rivierdeltacomplex - rivierklei/veen'. Bij ontwikkelingen in het rivierengebied dient het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar gehouden te worden. De onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap worden bij ontwikkelingen herkenbaar en in stand gehouden. Het plangebied is gelegen aan een dijk welke ca. 3 meter hoger ligt dan het plangebied. Deze zal met de beoogde ontwikkeling zichtbaar en herkenbaar blijven. Er is binnen het plangebied verder geen verschil tussen komgronden en oeverwallen zichtbaar en er zijn verder geen onregelmatige patronen en reliëf herkenbaar. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied bevindt zich in een veen(weide)landschap. De structuur in de veengebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Loodrecht daarop staan de verkavelingspatronen. De relevante richtpunten voor het veen(weide)landschap zijn:

15

• • • •

Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden. Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen. Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden. Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/linten en niet in de veenweidepolders.

In het voorgenomen plan wordt het huidige verkavelingspatroon zoveel mogelijk gerespecteerd door onder andere de lengtesloten te handhaven. De beoogde nieuwe woningen worden gerealiseerd ter plaatse van de bestaande bebouwing. Hierdoor is geen sprake van een verandering in het openheid van het plangebied. Het voorgenomen plan doet daardoor geen afbreuk aan de openheid. Door de ligging aan het lint van de IJsseldijk zijn tevens de richtpunten van 'linten' en 'rivierdijk' van belang. Linten zijn lineaire, aangesloten bebouwingsconcentraties langs wegen, waterwegen of dijken met een sterke relatie met het omliggende landschap. Ze bepalen mede de kenmerken van het landschap en zijn daarvan niet los te zien. Bij een dijklint staan woningen op of tegen de dijk. Met de beoogde ontwikkeling wordt de monumentale woning alleen inpandig verbouwd. De buitenkant van het gebouw zal identiek blijven. Ook de achtergelegen bebouwing zal passend zijn bij een boerenerf. Hiermee wordt het karakter van het lint zoveel mogelijk geborgd. 4.

Beleidskeuzes

De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze 'behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit'. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voornoemde lagen van de kwaliteitskaart. Daarnaast zijn er gebiedsprofielen opgesteld, gezamenlijk met decentrale overheden en andere partijen in de regio. De gebiedsprofielen hebben de status van handreiking, maar nadrukkelijk niet de status van toetsingskader. Het plangebied valt binnen het gebiedsprofiel 'Krimpenerwaard'. Voor elk gebiedsprofiel zijn meerdere kaarten beschikbaar. Hieronder worden alleen de voor het plangebied relevante kaarten besproken die een aanvulling vormen op de reeds genoemde aspecten van de kwaliteitskaart: Herkenbaar waterrijk veen(weide) De veenweidepolders lopen door tot aan de rivierdijken. Hier is het hoogteverschil geleidelijk en hier is geen duidelijke oeverwal te onderscheiden. Het contrast van de verdichte dijklinten op de oeverwal en het open veenweidegebied dient beleefbaar te zijn. Doorzichten over opstrekkende verkaveling vanaf de wegen op de dijk moet zoveel mogelijk behouden blijven. Het veenweide karakter wordt ter plaatse van het plangebied in de huidige situatie slechts beperkt ervaren. Desalniettemin blijft het contrast tussen het dijklint en het open veenweidegebied behouden. Weg door stad en land Alle rivierdijken zijn toegankelijk waarbij de weg op de kruin van de dijk ligt.

Het profiel en de continuïteit van de dijk dient behouden te blijven. Voor de beleefbaarheid van het landschap wordt de weg op de kruin van de dijk gehouden. Onderhavig initiatief heeft geen invloed op de weg. De huidige kwaliteiten van de weg op de dijk blijven dan ook behouden. Linten blijven linten Het plangebied ligt aan een dijklint met achterwetering. Daarbij dient rekening gehouden te worden met de ruimtelijke structuur van de verkaveling langs de dijk. Met de beoogde ontwikkeling wordt rekening gehouden met het karakter van het lint. Alle nieuwe bebouwing in het plangebied zal komen op de locatie van bestaande bebouwing. De doorzichten op het achterland worden hiermee zo veel mogelijk behouden. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie. De ruimtelijke kwaliteit verbetert en er wordt aangesloten bij de gebiedsprofielen. De beoogde herontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie en is in lijn met de provinciale ambities.

16

3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening Zuid-Holland op 1 april 2023 in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsverordening. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 lid 5 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. De provinciale verordening verstaat onder bestemmingsplan ook een omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van het bestemmingsplan wordt afgeweken. a.

b.

c.

de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren.

Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a), omdat de ontwikkeling zich afspeelt op perceelniveau en past bij de aard en de schaal van het gebied. De algemene regels voor ruimtelijke kwaliteit zijn niet alleen van toepassing op nieuwbouw, maar ook op hergebruik (functiewijziging) van bestaande bebouwing. Hergebruik kan veelal worden gezien als ‘inpassen’. Ook als hergebruik gepaard gaat met een geringe uitbreiding, kan nog sprake zijn van ‘inpassen’, afhankelijk van het effect op de omgeving. De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart en gebiedsprofielen zijn in paragraaf 3.2.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat het beoogde plan aan de relevante richtpunten voldoet. Beschermingscategorie Het plangebied is gelegen in het buitengebied, waarvoor beschermingscategorie 3 geldt. In artikel 6.9a van de omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan voor een locatie in het buitengebied in een ruimtelijke ontwikkeling kan voorzien, mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig worden aangetast. De provinciale verordening verstaat onder bestemmingsplan ook een omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van het bestemmingsplan wordt afgeweken. In de motivering moeten de volgende kwaliteiten betrokken worden: 1. 2. 3.

4.

de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap.

In paragraaf 3.1.3 is gemotiveerd waarom er is gekozen voor een locatie buiten bestaand stad- en dorpsgebied. De hoofdopzet van de beoogde ontwikkeling is geënt op het bestaande erf. De structuur van het landschap wordt met de beoogde ontwikkeling zo veel mogelijk behouden. Met de beoogde ontwikkeling

17

wordt één van de stallen gesloopt. Ter plaatse van de stal worden nieuwe woningen gebouwd welke in massa en vorm aansluiten op de te slopen stal. De rest van de woningen wordt in de bestaande bebouwing gerealiseerd. Hier vinden inpandige verbouwing plaats zodat het uiterlijk, vorm en massa van de panden zoveel behouden blijft. Door de woningen in de bestaande bebouwing te realiseren en door het behouden van de vorm en massa bij de nieuwbouw kan de openheid en structuur van het plangebied zoveel mogelijk behouden blijven. Het plangebied zal één cluster vormen waarbij het bestaande karakter als boerenerf wordt behouden. De inpandige verbouwing van de monumentale woning zorgt ervoor dat de monumentale waarde binnen het plangebied zichtbaar en tastbaar blijft. Een schaal, passend bij de IJsseldijk-Noord en de overgang met het landelijk gebied, is het uitgangspunt. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat 'een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a.

b.

de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties.

De provinciale verordening verstaat onder bestemmingsplan ook een omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van het bestemmingsplan wordt afgeweken. Bij het voorgenomen plan is in paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking. Sub b is niet van toepassing, omdat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en de locatie niet groter is dan 3 hectare. Daarmee wordt er voldaan aan artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening. Risico's van klimaatverandering In artikel 6.27a van de Omgevingsverordening is opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering, tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. b. c. d.

wateroverlast door overvloedige neerslag; overstroming; hitte; droogte.

Wateroverlast door overvloedige neerslag Rondom het plangebied zijn verschillende watergangen aanwezig. Verdere maatregelen om wateroverlast door overvloedige neerslag tegen te gaan worden op deze locatie niet nodig geacht. Overstroming De kans op overstromingen is per locatie anders. Overstromingen vanuit rivieren, meren of zeeën kunnen voor grote overlast zorgen. Het is dan ook van belang dat de overstromingskans zo klein mogelijk is. Uit het raadplegen van de klimaatatlas Zuid-Holland blijkt dat voor het plangebied een kleine kans op overstromingen van 1/300 tot 1/3.000 per jaar geldt. Het thema overstromingen is gelet op de aard en omvang van het initiatief verder niet van belang. Hitte In het landelijk gebied speelt het thema hittestress meestal geen rol. Door de ligging in een groene omgeving kan gesteld worden dat dit voor het plangebied ook geldt. Er komen warmtepompen met koeling in de woningen. Daarnaast worden bestaande bomen binnen het plangebied behouden en is het voornemen een wat forsere boom in het voorerf plaatsen. Deze bomen maar ook de bomen boven het buitenzitje geven verkoeling. Mensen kunnen ook in de schaduw van het gebouw gaan zitten of onder de boom bij de vlonder aan de waterkant.

18

Droogte Droogte leidt tot een verhoogde watervraag en toenemende watertekorten, wat een langdurig effect op grond- en oppervlaktewaterstanden heeft. Langdurige droogte kan leiden tot bijvoorbeeld schade aan funderingen, verdroging van groen, een slechte oppervlaktewaterkwaliteit, versnelde bodemdaling en hittestress. Om droogte te voorkomen kunnen onder andere eisen gesteld worden aan het openbaar groen, oppervlaktewater en de gewenste grondwaterstand. In de huidige situatie zijn er al verschillende watergangen aanwezig rondom het plangebied. Daarnaast is er reeds voldoende groen aanwezig dat water vast kan houden. De bestaande bebouwing staat in kleigrond die vochtig genoeg is. De gebouwen staan al jaren goed en recht en vertonen geen problemen. Dit komt mede door de naastgelegen waterpartij en omdat het water vanaf de dijk naar beneden stroomt. De bestaande ligboxenstal is onderheid, maar de keldervloer/fundatie is voldoende diep gefundeerd en staat niet droog. Houten paalkoppen zitten voldoende diep onder water (onder kelders of oplangers). Conclusie Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Krimpenerwaard Op 14 juli 2021 heeft de gemeenteraad van de gemeente Krimpenerwaard de omgevingsvisie vastgesteld. In de Omgevingsvisie Krimpenerwaard geeft de gemeente aan wat zij belangrijk vindt voor de fysieke leefomgeving. Kenmerkend in de visie is het 'ja, tenzij'-principe. Dit betekent dat de gemeente positief staat tegenover nieuwe initiatieven en samen met initiatiefnemers kijkt hoe deze gerealiseerd kunnen worden. De omgevingsvisie is daarmee de lat waarlangs de initiatieven worden gelegd. Om de omgevings- en ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Krimpenerwaard ook voor de toekomst te borgen, heeft de gemeente in de omgevingsvisie aangegeven wat de gemeente en gemeenschap de belangrijkste waarden binnen de Krimpenerwaard vinden. Dit worden de “Krimpener-waarden” genoemd. De “Krimpener-waarden” zijn als volgt opgedeeld:

• • •

Waarden van heel de Krimpenerwaard; Waarden per gebied; Waarden van de kernen.

De waarden van heel de gemeente Krimpenerwaard worden beschreven aan de hand van verschillende thema's, de waarden per gebied worden beschreven per gebied en de waarden van de kernen staan beschreven in het rapport 'Koers en Kader Krimpenerwaard'. In het derde hoofdstuk van de omgevingsvisie komen de visie en speerpunten aan bod. Hierin worden voor verschillende deelgebieden de speerpunten aangegeven. Deze speerpunten worden verderop in de omgevingsvisie toegelicht. In het laatste hoofdstuk van de visie beschrijft de gemeente hoe ze de geest van de Omgevingswet tot uitvoer wil brengen. De gemeente Krimpenerwaard ziet de Omgevingswet als kans om meer te werken vanuit wensen en signalen vanuit de samenleving en vertrouwen en minder vanuit regels. Vitale kernen De kernen zijn het hart van de gemeenschap in de Krimpenerwaard. Hier wonen, werken en ontmoeten mensen elkaar. Hier zijn bloeiende verenigingen, doen mensen hun boodschappen, gaan kinderen naar school en wordt er gesport. Voor alle kernen zet de gemeente onder andere in op de volgende speerpunten:

• • • •

sociale verbinding bevorderen; toename woningen in relatie tot behoefte; een diverser woningaanbod; passende maatschappelijke voorzieningen;

19

• • • • • • •

ruimte voor vitale, toekomstbestendige bedrijvigheid; bevorderen gezondheid; gezond en veilig woon- en leefklimaat; toeristische en recreatieve voorzieningen ontwikkelen; klimaat adaptieve inrichting in de kernen; samenwerken aan goede waterkwaliteit; toekomstbestendige winkelgebieden.

Planspecifiek Het plangebied is volgens de omgevingsvisie gelegen in het 'Krachtig buitengebied; Duurzaam leven'. Hierbij hoort een aantal speerpunten, waaronder het versterken van de linten behoud van (cultuurhistorisch waardevolle) bebouwing door passende herbestemming (zoals wonen, recreatie en toerisme, andere agrarische verdienmodellen en duurzame ontwikkelingen), en een diverser woningaanbod. Als gevolg van de vergrijzing zijn er minder jongeren en juist steeds meer ouderen binnen gemeente. Deze vergrijzing van de samenleving leidt er toe dat er steeds meer vraag is naar woningen voor ouderen en voor woonconcepten die bij deze doelgroep aansluiten. De gemeente geeft aan een diverse en flexibele woningvoorraad, passend bij de lokale behoefte van verschillende doelgroepen en generaties, mogelijk wil maken. De gemeente biedt ruimte aan eigen wooninitiatieven en staat open voor nieuwe, onderscheidende en creatieve woonvormen. Met de beoogde ontwikkeling wordt het plangebied herontwikkeld naar een erf met in totaal 31 woningen en een buurtschuur. Bij de herontwikkeling wordt uitgegaan van een nieuw woon-, leef- en ondersteuningsconcept gerealiseerd. Dit woonconcept zorgt er voor dat dat mensen langer zelfstandig thuis kunnen blijven wonen. Dit woonconcept wordt ook wel 'Wonen met meer' genoemd.

Wonen wordt gecombineerd met veiligheid en ondersteuning aan de bewoners op locatie. Met de deze ontwikkeling wordt ingespeeld op de vergrijzing van de samenleving en de behoefte vanuit de samenleving om toch langer thuis te kunnen blijven wonen. Dit is in lijn met de visie van de gemeente om de woningvoorraad aan te laten sluiten op de veranderende doelgroepen. Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de Omgevingsvisie Krimpenerwaard. 3.3.2 Woonvisie Krimpenerwaard 2023-2028 Op 4 juli 2023 heeft de raad van de gemeente Krimpenerwaard de Woonvisie Krimpenerwaard ‘Vitale kernen in het groen’ vastgesteld. In deze woonvisie zet de gemeente in op het versterken van de vitale kernen, zodat iedereen beschikt over een passende woning en kan wonen in een prettige en passende woon- en leefomgeving. De gemeente wil tot 2040 4.000 woningen bouwen. Locaties binnen de kernen zijn schaars. En waar er nog ruimte is, wil de gemeente ook groen behouden. Daarom zal de gemeente vooral aan de randen van de kernen moeten bouwen. Hierbij heeft de gemeente de aandacht voor de ruimtelijke en groene structuur. Van de 4.000 woningen zet de gemeente in op 30% sociale huurwoningen. Ook zet de gemeente in op de bouw van middenhuur en betaalbare koopwoningen. In totaal moet 75% van de woningen in nieuwbouwplannen betaalbaar zijn.

De woonvisie geeft in hoofdlijnen aan hoe de gemeente in samenspraak met de gemeenschap de toekomst van de gemeente Krimpenerwaard ziet. Daarbij is rekening gehouden met de kwaliteiten en waarden van Krimpenerwaard. De hoofddoelstelling is uitgewerkt aan de hand vier pijlers. Samen zorgen zij ervoor dat de hoofddoelstelling behaald kan worden:

• • • •

Pijler 1 - Beschikbaarheid en betaalbaarheid Pijler 2 - Aantrekkelijke en inclusieve nieuwbouw Pijler 3 - Wonen, zorg en welzijn Pijler 4 - Duurzaamheid

20

Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling bestaat in planologische zin uit het mogelijk maken van 29 extra woningen waarbij een woonconcept wordt gehanteerd wat ervoor zorgt dat mensen langer zelfstanding kunnen blijven wonen. De beoogde ontwikkeling heeft daarmee aansluiting met de tweede en derde pijler van de woonvisie. De gemeente Krimpenerwaard biedt ruimte aan initiatiefnemers van (ver)nieuwe(nde) woonconcepten, eventueel in combinatie met andere functies, zoals werken, recreatie of cultuur. Dit is het handelsmerk van de Krimpenerwaard. Hergebruik van bestaand vastgoed en de eigen inzet van inwoners hebben hierbij prioriteit. De gemeente nodigt inwoners en ondernemers graag uit om vernieuwende woonconcepten te realiseren. Het realiseren van het concept 'wonen met meer' is in lijn met de woonvisie van de gemeente Krimpenerwaard. Er is sprake van aansluiting op de woonvisie, omdat met de beoogde ontwikkeling wordt ingespeeld op de groeiende behoefte naar woningen voor oudere en de ontwikkeling dat ouderen langer thuis willen blijven wonen. Met de beoogde ontwikkeling worden kleinere huurwoningen en levensloopbestendige woningen gerealiseerd, bedoeld voor ouderen, maar ook voor starters. Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan in overeenstemming is met de gemeentelijke woonvisie.

3.3.3 Nota Ruimtelijke Kwaliteit Krimpenerwaard 2017 De Nota Ruimtelijke Kwaliteit (vastgesteld op 13 december 2016) vormt de welstandsnota van de gemeente Krimpenerwaard. Het doel bij deze nota is het behartigen van het publieke belang door de lokale overheid, waarbij de individuele vrijheid van de burger of ondernemer wordt afgewogen tegen het aanzien van hun omgeving als algemene waarde. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid geeft de gemeente de mogelijkheid om cultuurhistorische, stedenbouwkundige, landschappelijke en architectonische waarden een rol te geven bij ontwikkelingen. Op de niveaukaart is voor elk gebied in de gemeente Krimpenerwaard het minimale toetsingsniveau aangegeven om de gewenste kwaliteit van de omgeving te regelen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt in 'soepel', 'gewoon' en 'bijzonder'. Op de gebiedenkaart zijn gebieden met samenhangende bebouwingstypologieën aangegeven. Per gebied zijn in de nota een beschrijving, waardering en enkele uitgangspunten opgenomen. Naast de gebieden zijn op de gebiedenkaart gebieden met een ontwikkelingskader aangegeven. Dit zijn de gebieden waar een beeldkwaliteitsplan geldt. Planspecifiek Op de niveaukaart is aangegeven dat voor het plangebied een bijzonder welstandsniveau geldt. Op de gebiedenkaart is het plangebied aangeduid als het landschapsgebied 'Hollandsche IJssel'.

De linten langs de Hollandsche IJssel hebben een diepe opstrekkende verkaveling. Kenmerkend zijn de doorzichten op het achterland. Hoofdgebouwen zijn met de voorzijde gericht op dijk of staan bij uitzondering haaks hierop. De bebouwing staat op enige afstand van de dijk op het lager gelegen land en soms aan de dijk op kruinhoogte. Enkele panden staan buitendijks. Rooilijnen volgen dijk of verkaveling en verspringen onderling. De beoogde situering van nieuwe bebouwing is met voornoemde richtlijnen in lijn. Het slopen van de verouderde bebouwing en het transformeren van de bestaande bebouwing dient te resulteren in een kwaliteitsverbetering van het perceel en het initiatief dient in lijn te zijn met de Nota Ruimtelijke Kwaliteit Krimpenerwaard 2017. De Nota Ruimtelijke Kwaliteit 2017 vormt het welstandskader bij de omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen.

21

3.3.4 Klimaatadaptatiestrategie Krimpenerwaard Op 21 december 2021 heeft de gemeente Krimpenerwaard de Klimaatadaptatiestrategie vastgesteld. De opgave waar de gemeente Krimpenerwaard voor staat is helder: in 2050 een klimaatbestendige en waterrobuust ingerichte gemeente zijn. De gemeente dient om dat doel te bereiken een klimaatadaptatiestrategie op te stellen. Het doel van de klimaatadaptatiestrategie voor de gemeente Krimpenerwaard is aanpassen aan het veranderende klimaat en het voorkomen ofwel verminderen van de negatieve gevolgen hiervan om de hieruit voortvloeiende schade zoveel mogelijk te beperken. De wijze waarop de gemeente dit wil gaan realiseren is samengevat onder de noemer ‘klimaatadaptatiestrategie’. De klimaatadaptatiestrategie bevat zes pijlers: informeren, stimuleren, verankeren, verplichten, meekoppelen en onderzoeken. Deze pijlers zijn de kern van de strategie. Planspecifiek In de klimaatadaptatiestrategie geeft de gemeente aan het gedachtengoed van het Zuid-Hollandse Convenant Klimaatadaptief Bouwen te omarmen. Dat betekent dat de gemeente klimaatadaptieve elementen sturend laat zijn bij nieuwbouw. De beoogde ontwikkeling is getoetst aan het Convenant Klimaatadaptief Bouwen van de provincie Zuid-Holland. Deze toetsing is als bijlage bij deze onderbouwing gevoegd (Verstoep, zie Bijlagen, bijlage 13).

Met betrekking tot de ambities zoals vastgelegd in de Klimaatadaptatiestrategie gemeente Krimpenerwaard wordt bij de bouw van de woningen en de buurtschuur in ieder geval uitgegaan van gasloos bouwen en het gebruik van duurzame energievoorzieningen, waarbij onder andere kan worden gedacht aan warmtepompen. Daarnaast is sprake van duurzaam ruimtegebruik waarbij de beoogde nieuwe bebouwing ter plaatse, of in de bestaande bebouwing wordt gerealiseerd. Bij de bestrating wordt waterdoorlatende bestrating/parkeerplaatsen toegepast. Er wordt geen gebruik gemakt van niet-uitlogende materialen en het hemelwater wordt afgekoppeld en de afvloeiing hiervan komt uit op de omliggende watergangen. Gesteld kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in lijn is met de klimaatadaptatiestrategie van de gemeente Krimpenerwaard.

22

4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• • •

door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018 en ECLI:NL:RBOBR:2017:3537, 29 juni 2017) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Gelet op de ligging, de functiewijziging, de omvang van het project en het aantal nieuwe woningen wordt beoogde ontwikkeling aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject.

23

In dit verband is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld (Buro SRO, d.d. 5 juni 2024, zie Bijlagen, bijlage 11). Hierin zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de milieugevolgen in beeld gebracht. Op basis hiervan dient geconcludeerd te worden er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent de verlening van de omgevingsvergunning. Het opstellen van een m.e.r.(-beoordeling) zal geen verder inzicht verschaffen in de relevante milieuaspecten.

4.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Planspecifiek Er dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt is voor het toekomstige gebruik. In onderhavig geval gaat het onder andere de wijziging van een agrarische bestemming naar een woonfunctie. Aangezien een woonfunctie een strenger bodemgebruik betreft dan de huidige agrarische bestemming, is aan de hand van een bodemonderzoek onderzocht of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik (LAWIJN, d.d. 29 juni 2022, zie Bijlagen, bijlage 1). Algemene bodemkwaliteit In de bovengrond van de locatie zijn lichte verontreinigingen met koper, kwik, nikkel, lood, zink, PCB en PAK geconstateerd. Zintuiglijk is zwakke tot matige bijmenging van puinresten en sporen grind waargenomen.

In de ondergrond ter plaatse van het noordwestelijk gedeelte van de locatie zijn lichte verontreinigingen met kwik, lood, zink, minerale olie en PCB aangetroffen. Zintuiglijk is ook geringe bijmenging van sporen puin waargenomen. In de ondergrond ter plaatse van het zuidoostelijk gedeelte van de locatie zijn, zowel zintuiglijk als analytisch, geen verontreinigingen geconstateerd. Bij het onderzoek op asbest is in de geroerde laag in de bovengrond op het noordwestelijk gedeelte van de locatie en in de puinhoudende verhardinglaag op het zuidoostelijk gedeelte van de locatie, zowel visueel als analytisch, geen verontreiniging geconstateerd. Olieopslag en voormalige ondergrondse dieselolietank In de boven- en de ondergrond op het terreindeel bij de olieopslag en de voormalige dieselolietank is, zowel zintuiglijk als analytisch, geen verontreiniging met minerale olie geconstateerd. In het grondwater bij de olieopslag en de voormalige ondergrondse dieselolietank is geen verontreiniging met minerale olie en/of vluchtige aromaten aangetroffen. Slootdempingen In de geroerde laag in de ondergrond van de noordoostelijk gesitueerde slootdemping zijn analytisch geen verontreinigingen geconstateerd. Ook in de afwijkende slibhoudende laag in de ondergrond aan de oostzijde van de locatie zijn analytisch geen verontreinigingen geconstateerd.

In de slibhoudende laag in de ondergrond ter plaatse van de westelijke slootdemping zijn plaatselijk lichte verontreinigingen met kobalt en PCB aangetroffen. Bij het onderzoek op asbest is in de puinhoudende verhardinglaag in de toplaag van de noordoostelijke slootdemping, zowel visueel als analytisch, geen verontreiniging geconstateerd. In het grondwater ter plaatse van de noordoostelijke slootdemping is een licht verhoogde concentratie barium gemeten, welke vermoedelijk kan worden beschouwd als een verhoogde achtergrondwaarde. In het grondwater ter plaatse van de westelijke slootdemping is een lichte verontreiniging met minerale olie aangetroffen.

24

Conclusie Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten bestaat, conform de richtlijnen van de Wet bodembescherming, geen aanleiding tot nader onderzoek. De verkregen resultaten geven geen milieutechnische bezwaren ten aanzien van de voorgenomen herinrichting en het toekomstige gebruik. Daarmee kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen belemmering zal ondervinden van het aspect bodem. Indien bij de herinrichting van de locatie grond of verhardingsmateriaal zal vrijkomen, dient er rekening mee te worden gehouden dat hiervoor beperkte hergebruikmogelijkheden bestaan. De toepassingsmogelijkheden voor dit materiaal op een andere locatie dienen te worden bepaald aan de hand van de voorwaarden van het Besluit bodemkwaliteit en/of de Bodemkwaliteitskaart van de gemeente Krimpenerwaard (regio Midden-Holland).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=e0c2caa8-7f98-406a-bfd7-b0d33b2c0bec