3.7 Bijlage - Achtergrond RES feb2021 def2.pdf
Tekst van het document
Achtergronddocument Regionale Energie Strategieën
Februari 2021
Inhoud 1.
Achtergrond ......................................................................................................................................................... 3
1.1 Representatieve groep ....................................................................................................................................... 3
2.
Strategische inzet van de landbouw ............................................................................................................... 6
2.1 Volgordelijkheid .................................................................................................................................................. 6 2.1.1 Zonnepanelen op bouwblok ................................................................................................................. 6 2.1.2 Zonnepanelen op landbouwgrond ....................................................................................................... 6 2.2 Investeringsbereidheid....................................................................................................................................... 7 2.2.1 Investeringsbereidheid voor zonnepanelen op het dak .................................................................. 7 2.2.2 Investeringbereidheid voor boerderijmolens op het eigen bouwblok ......................................... 8 2.2.3 Investeringsbereidheid voor windturbines ...................................................................................... 10 2.2.4 Investeringsbereidheid voor zonnepanelen op het bouwblok ..................................................... 11 2.2.5 Investeringsbereidheid voor zonnepanelen op landbouwgronden ............................................. 11
3.
Planvorming RES 1.0 ........................................................................................................................................ 12
3.1 Acties ten aanzien van realisatie .................................................................................................................... 12 3.2 Groenwaardecertificaten ................................................................................................................................ 12
Bijlage 1: Overzicht spreiding per energietoepassing ........................................................................................ 13 Bijlage 2: Notitie Facetbestemmingsplan Kleine Windmolens ......................................................................... 16 Bijlage 3: Notitie Zonklare daken ........................................................................................................................... 23
2
1. Achtergrond Bij de vorming van de conceptversie van de Regionale Energie Strategie (RES) tot een versie 1.0 hebben lokale afdelingen van LTO Noord, bestuurders en themahouder Ton van Schie en vele ondernemers inbreng geleverd. Alle RES-regio’s hebben in het voorjaar van 2020 een tweetal documenten ontvangen: de notitie ‘Integratie zonne- en windenergie in de landbouw’ en ‘Potentiële inbreng agrarische sector’. Deze documenten zijn tot stand gekomen op basis van de uitkomsten van de ledenraadplegingen over zonnepanelen op daken en boerderijmolens op eigen erf. Op basis van beide raadplegingen kwam een duidelijk beeld naar voren: de agrarische sectoren willen de potentie voor beide energietoepassingen verder benutten. Ondertussen groeide ook de wens om de inzet verder aan te scherpen rondom het toepassen van zonnepanelen op landbouwgronden, plaatsing van windturbines en manieren van samenwerken. In het najaar van 2020 is met een representatieve groep van leden een verdieping gemaakt op de inbreng van de agrarische sector in het RES-proces. Deze notitie geeft handvaten voor lokale overheden, burgers en boeren om duurzame energie in het landelijk gebied in de toekomst op te wekken.
1.1 Representatieve groep Op 7 december 2020 heeft LTO Noord een webinar georganiseerd in het kader van de Regionale Energiestrategie waar ruim 150 deelnemers direct zijn geïnformeerd over de stand van zaken en de inzet vanuit de agrarische sectoren. Alle ruim 10.000 boeren en tuinders in West-Nederland hebben de terugkijklink ontvangen en tevens de uitnodiging ontvangen om input te leveren voor dit document. Totaal hebben 196 ondernemers zich gemeld en gedeeld hoe zij tegen de energietransitie aankijken. In onderstaande figuur is de verdeling over sectoren van de representatieve groep inzichtelijk gemaakt. In West-Nederland zijn de melkveehouderij- en akkerbouwsector prominent aanwezig, dit is ook terug te zien in de totale groep.
Sector 70 60 50 40 30 20 10 0
De afgelopen twee jaar hebben bestuurders en leden op diverse momenten informatie ontvangen over de totstandkoming van de RES. Zo zijn de opleidingsdagen RES voor bestuurders van LTO Noord georganiseerd, diverse ledenraadplegingen uitgezet en specifieke uitnodigingen voor lokale ateliers en werksessies gedeeld. Toch blijkt dat relatief weinig agrarisch ondernemers echt aangesloten zijn bij het proces van lokale overheden. Van de 196 ondernemers in de representatieve groep hebben ruim 80 ondernemers aangegeven geen enkele keer aanwezig te zijn geweest bij lokale ontwerpateliers of praatsessies. Ook gaven 48 ondernemers aan maximaal 2 keer te zijn aangesloten bij een lokale sessie.
3
Lokale overheden en RES-organisatie blijken onvoldoende contact te hebben met agrariërs terwijl daaraan een grote behoefte is vanuit de sectoren. Op maandag 3 februari 2020 is er een bijeenkomst in het kader van de RES georganiseerd door LTO Noord in samenwerking met Westfriese gemeenten, Greenport Noord-Holland Noord en Koninklijke Vereeniging voor Bloembollencultuur (KAVB) - lees hier meer. Op deze bewuste avond hebben ruim 200 agrarisch ondernemers met elkaar gesproken over de toekomst van het gebied en de mogelijkheden voor opwek van duurzame energie. De doelstellingen voor de RES-regio waarin de ondernemer actief is, is vaak niet volledig bekend. In onderstaand figuur is weergegeven in welke mate ondernemers de RES-doelstellingen kennen. Ondernemers die een waarde ‘0’ hebben ingevoerd geven aan dat de RES-doelstelling voor hen volledig onbekend is. Een waarde van ‘10’ laat zien dat de ondernemer wel volledig bekend is met de doelstelling. In de representatieve groep bevinden zich 10 ondernemers vanuit West-Friesland die bijna allemaal een waarde van 7 of hoger hebben doorgegeven. Mogelijk dat het speciale Boerencafé afgelopen voorjaar de betrokkenheid heeft verhoogd. 30 25 20 15 10 5 0
Ongeacht het kennen van de totale RES-doelstelling voor het eigen gebied hebben ondernemers aangegeven welke gevolgen zij voor het landelijk gebied verwachten op een schaal van 0 tot 10. Van de 169 reacties (33 personen hebben deze vraag niet in kunnen vullen) hebben 135 ondernemers aangegeven de gevolgen te waarderen met een waarde van 7 tot en met 10. Dat betekent dat grote tot zeer grote gevolgen worden verwacht voor de totale landbouw. Deze uitkomst is vergelijkbaar met het antwoord op de vraag welke gevolgen worden verwacht voor het eigen bedrijf. De totale specificatie van de gevolgen is ook inzichtelijk gemaakt. Ondernemers geven duidelijk aan dat er angst is voor het verliezen van ontwikkelingsruimte en voor financiële consequenties (voordelig/nadelig). Ontwikkelingsruimte van de landbouw Financieel voor- of nadeel Imagoschade voor sectoren Maatschappelijk draagvlak
4
Er is gewerkt aan een specificatie van de angst die gevoeld wordt. Op basis van de meest genoemde redenen is een prioritering gemaakt. Later in dit document gaan we verder in op de wensen van de agrarische sector en ondernemers. -
-
-
De aantasting van het landschap door grootschalige zonneparken en windmolens zorgt naast het verlies van kostbare landbouwgrond voor een prijsopdrijvend effect voor omliggende gronden. Voor het extensiveren van de sectoren is meer grond nodig maar claims op onze gronden door plannen voor woningbouw, recreatie en natuur worden verbreed met de vraag naar grond voor energie. De realisatie van grootschalige duurzame energieprojecten tast de openheid van het landschap aan waardoor imagoschade voor de sectoren groot kan worden, omwonenden meer weerstand bieden en de kloof tussen boer en burger groeit. Naast aantasting van het landschap en groeiende imagoschade zijn de gevolgen blijvend en ingrijpend, een zorgvuldige afweging is noodzakelijk. De agrarische sector heeft veel grond in eigen beheer en voelt zich gegrepen door wensen en plannen van niet-agrarische partijen, overheden en maatschappij.
Als laatste is nagedacht over de impact die nieuwe energietoepassingen in het landelijk gebied mogen hebben. De afweging tussen behoud van ontwikkelingsruimte (collectief belang) en het voorop stellen van het individuele belang. Hoe lager de waarde hoe meer het individuele belang wordt nagestreefd. Duidelijk is dat behouden van ontwikkelingsruimte voor de volledige sector van groot belang is en blijft, het individuele belang is voor een aantal toepassingen leidend. Keuzes ten aanzien van zonnepanelen op daken, op het bouwblok of het plaatsen van boerderijmolens zijn individuele belangen die doorslaggevend kunnen zijn. Plannen voor realisatie van windturbines (en zonneparken) dienen gezamenlijk te worden ontwikkeld volgens de representatieve groep. 35 30 25 20 15 10 5 0
5
2. Strategische inzet van de landbouw De eerdere inzet voor de totstandkoming van de concept-RES was opgebouwd uit een aantal elementen. In volgorde van wenselijkheid en gewenste volgordelijkheid: het realiseren van zonnepanelen op daken, boerderijmolens op eigen erf, lijnopstellingen van windturbines en het werken aan innovaties. Met de representatieve groep is nagedacht over het herijken van deze elementen.
2.1 Volgordelijkheid De groep heeft nagedacht over een herijking van de elementen en daarmee de inzet ten aanzien van de RES 1.0. De prioritering is gemaakt door de waarde die is gegeven per respondent maal het aantal deelnemers die dat antwoord heeft gegeven. Een waarde van ‘0’ op de vraag of een zonnepark wenselijk is geeft aan dat het zeer onwenselijk is, een waarde van ‘10’ dat zonneparken zeer gewenst zijn. Op basis van deze ranking is de volgende prioritering gemaakt: -
Zonnepanelen op agrarische daken (1278 punten) Boerderijmolens op eigen bouwblok (955 punten) Windturbines individueel of in lijnopstelling (905 punten) Zonnepanelen op het bouwblok (694 punten) Zonnepanelen op gronden (475 punten)
In bijlage 1 is een overzicht gemaakt van de verdeling van de reacties per onderdeel. De energietoepassingen die voor het bedrijf van groot belang zijn scoren de meeste punten en zijn als meest positief beoordeeld. De potentie van deze toepassingen is in kaart gebracht met een vorige inzet in de RES. Deze potenties zijn terug te vinden op de website van LTO Noord: klik hier. 2.1.1 Zonnepanelen op bouwblok Voor zonnepanelen op het bouwblok is er beperkte interesse. Het toestaan van deze vorm van energietoepassing in het landelijk gebied is daarmee niet van doorslaggevend belang. Uit de verdiepende reacties blijkt dat diverse ondernemers baat hebben bij het ruimtelijk toestaan van deze ontwikkeling en mede dat ondernemers daar geen uitgesproken mening over hebben. Het effect van het toestaan van deze ontwikkeling is moeilijk te voorspellen en is afhankelijk van de mogelijkheid van een toereikende netaansluiting, het resterende en beschikbare bouwblok en de toekomst voor het bouwblok. Aan de representatieve groep is tevens gevraagd om het gegeven antwoord te specificeren. De volgende redenen zijn gegeven: Het bouwblok kan maar één keer benut worden voor opstallen en gebouwen, het realiseren van zonnepanelen op het bouwblok is wenselijk als de uitbreiding van bestaande gebouwen niet nodig is de komende 25 jaar.
Het is kwetsbaar om dicht bij bebouwing zonnepanelen op de grond aan te brengen. In bepaalde gevallen mag het niet (vanwege beschermd aanzicht) of moet het bouwblok vergroot worden. Anderszijds hebben verschillende bedrijven nog ruim voldoende bouwblok om te benutten
-
-
Het ruimtelijk toestaan van deze ontwikkeling biedt daarmee ondernemersruimte en geeft vrijheid om per bedrijf een keuze te maken om wel of niet te realiseren. 2.1.2 Zonnepanelen op landbouwgrond De representatieve groep heeft zich daarnaast ook uitgesproken over zonnepanelen op landbouwgrond. De reacties lopen wat uiteen en geven geen uitsluitsel over welke keuze op dit dossier volledig geaccepteerd wordt. Het gros (53) van de deelnemers (169) heeft aangegeven de bijdrage minimaal en onwenselijk te vinden. Daarnaast heeft een groep van 26 geen reactie gegeven. Ook hier is de groep gevraagd het gegeven antwoord te specificeren. De redenen die ten grondslag liggen aan de spreiding is als volgt: -
Vele ontwikkelaars en commerciële partijen werken met ondernemers aan optieovereenkomsten. Het realiseren van grootschalige zonneparken gaat ten kosten van de bodemkwaliteit, aanzicht van het landschap en het draagvlak vanuit de omgeving. Realisatie levert daarentegen voor een bepaald
6
-
aantal bedrijven extra inkomsten om te kunnen blijven bestaan. De krappe financiële positie houdt deze onwenselijke ontwikkeling in stand. De investering om kostbare gronden om te zetten naar zonneparken levert een druk op omliggende percelen. Grofweg 70% van de ondernemers en leden verwachten een algemeen verbod voor het omzetten van landbouwgrond naar zonnepark. Naast de ruimtevraag en gemiste ontwikkelingsruimte is het open houden van een agrarisch landschap van belang voor boer, burger en overheid.
Van de diverse deelnemers die graag zonnepanelen op landbouwgrond willen realiseren gaat het om akkerbouwbedrijven die kansen zien om binnen 1-5 jaar een park te realiseren. De spanning tussen ondernemers die wel/niet willen realiseren neemt toe. De kritische houding van een selecte groep leden van LTO Noord die wel willen realiseren wordt steviger. Aangezien een ruime meerderheid van de deelnemers aangeeft dat collectieve samenwerkingen met mede-ondernemers vóór individuele belangen gaat is het standpunt om zonnepanelen op landbouwgrond als laatste optie toe te staan. Op basis van diverse publicaties van brancheorganisatie Holland Solar blijkt dat de claim op landbouwgronden aanzienlijk kan zijn rond 2050 (lees hier meer). Naar verwachting is de ruimtevraag dan gestegen van 35 vierkante kilometer in 2030 naar 87,5 vierkante kilometer. Holland Solar pleit wel voor het gebruik van categorie 3-gronden voor de realisatie van zonneparken, namelijk tijdelijke gronden voor woningbouw of industrie. Door deze tijdelijke gronden een agrarische bestemming te geven kunnen diverse ondernemers investeren in het collectieve zonnepark. LTO Noord ziet dit als een kansrijke optie om grondgebonden zon te realiseren met diverse ondernemers in het gebied, een optie die niet niet ten koste gaat van de ontwikkelingsruimte van bestaande landbouw.
Daarnaast is het als lokale overheid niet mogelijk om financiële participatie te verplichten zonder het eigendom van de gronden voor realisatie te hebben. Een mogelijke oplossing is deze financiële participatie als voorwaarde voor vergunningverlening te hanteren. Zodoende is enige sturing mogelijk om ontwikkelingen voor het bedrijfsleven van buiten de regio ongecontroleerd te laten realiseren.
2.2 Investeringsbereidheid Per energietoepassing is gevraagd wat de investeringbereidheid is van de deelnemers. Deze reacties geven een beeld dat past bij de strategische inzet en volgordelijkheid van energietoepassingen. De energietoepassingen die het eerst gerealiseerd zouden moeten worden kunnen rekenen op de hoogste investeringsbereidheid. Vandaar dat lokale, regionale en nationale overheden wordt geadviseerd om deze intrinsieke motivatie te benutten voor realisatie van nieuwe projecten. Het faciliteren van randvoorwaarden van energietoepassingen waar de komende jaren door de sector zelf niet in wordt geïnvesteerd, ook niet in samenwerking met derden, levert daarmee weinig effect op. In onderstaande figuren is de spreiding van investeringsbereidheid per toepassing weergegeven. 2.2.1 Investeringsbereidheid voor zonnepanelen op het dak 60 50 40 30 20 10 0 Niet van toepassing
Binnen 1 jaar
Binnen 3-5 jaar Binnen 5-10 jaar Niet ingevuld
Veel ondernemers willen de komende 1 tot 5 jaar aan de slag om het dak te beleggen met zonnepanelen. Dit is in lijn met de uitkomsten van de ledenraadpleging met ruim 500 respondenten over het toepassen van deze panelen op het eigen dak (de uitkomsten kunt u hier teruglezen: klik hier).
7
De potentie van deze daken is relatief groot en het wegnemen van barrières is van groot belang. De representatieve groep heeft een aantal belangrijke knelpunten aangedragen. Onderstaande knelpunten zijn op basis van het aantal reacties geprioriteerd: Het uitbreiden van de bestaande netaansluiting (vaak kleinverbruik) naar grootverbruikersaansluiting is kostbaar. Deze kostenpost drukt de terugverdientijd dermate dat de businesscase veelal niet haalbaar is. De bestaande netten kunnen de teruglevering van de installatie niet aan, daarvoor is netverzwaring nodig. Het is belangrijk om netten tijdig aan te passen en vooral de doorlooptijden te verlagen. Constructietechnisch zijn diverse knelpunten benoemd waaronder de aanwezigheid van asbest, een te lichte constructie of plannen voor uitbreiding of herbouw. Wat betreft de aanwezigheid van asbest wordt gepleit voor een nieuwe landelijke regeling ‘Asbest Eraf, Zon Erop’. Provincie ZuidHolland heeft in 2020 een subsidieregeling opengesteld, onder andere om de kosten voor sanering of constructieverzwaring deels te compenseren. Het uitbreiden van deze laagdrempelige regeling is zeer wenselijk: lees hier meer. De premie voor de brandverzekering van het gehele pand stijgt, net als de WOZ-waarde van het gehele object.
Beide stijgingen in kosten ziet de ondernemer als onwenselijk, aangezien het dak volledig benutten stroom oplevert voor de omgeving. Daarvoor dient de ondernemer dan relatief meer kosten te maken. Het pleidooi om de zonnepanelen buiten de WOZ-waardebepaling te laten is sterk en de wens vanuit regionale en landelijke politiek om verzekeraars de verzekeringspremies te laten aanpassen groeit. Wel stijgt de waarde, en daarmee de verkoopwaarde, van het totale bedrijf indien het bedrijf ooit aan derden verkocht wordt. Bedrijven die op korte termijn het bedrijf verkopen hebben daar baat bij, voor de andere bedrijven - die worden overgenomen door familie of derden - valt de hogere verkoopprijs negatief uit. Deze toekomstig voor- en nadelen spelen minimaal bij de afweging om zonnepanelen aan te schaffen, de stijgende WOZ-waarde daarentegen wel.
-
-
-
2.2.2 Investeringbereidheid voor boerderijmolens op het eigen bouwblok: 80 70 60 50 40 30 20 10 0 Niet van toepassing
Binnen 1 jaar
Binnen 3-5 jaar Binnen 5-10 jaar Niet ingevuld
Een belangrijke ontwikkeling in de afgelopen 5 jaar is de bereidheid om een kleine windmolen te mogen plaatsen op het eigen erf. Het onderzoek dat het afgelopen jaar is gedaan liet tevens een behoorlijke animo zien (u kunt de resultaten hier terugvinden: klik hier). De ontwikkeling van de kleine windmolens gaat langzamer dan het beleggen van het dak met zonnepanelen. De groep deelnemers heeft diverse barrières benoemd die ook op basis van het aantal reacties zijn geprioriteerd: -
-
In veel gemeenten is plaatsing van een molen niet toegestaan en daar waar het wel mag volgens het bestemmingsplan is dat alleen toegestaan voor een bepaald deel van de bedrijven. Een ashoogte tot 15 meter staat in diverse bestemmingsplannen genoemd, maar veel bedrijven hebben baat bij een hogere ashoogte om een sluitende businesscase te behalen. Op basis van de uitgevoerde praktijkstudie in de gemeente Alphen aan den Rijn is duidelijk geworden dat een ashoogte van maximaal 35 meter voldoende ruimte biedt voor alle bedrijven – lees hier meer. Omwonenden van agrarische bedrijven hebben veelal weerstand tegen vormen van windenergie. In eerste instantie ook tegen een boerderijmolen van 35 meter ashoogte. Gebleken is dat na plaatsing, zoals in diverse gemeenten in het oosten van het land, de omgeving een hogere ashoogte tot
8
35 meter acceptabel vindt. Slimme plaatsing van de molen op het bouwblok dient daarbij gewaarborgd te worden, mogelijk door de langste afstand tot gebouwen van derden op het eigen bouwblok als leidraad te gebruiken bij vergunningverlening. Voor gemeenten die aan de slag willen met een hogere ashoogte heeft LTO Noord een parapluverordening als voorbeeld opgesteld. Deze kunnen gemeenten raadplegen voor meer informatie. Dit document is toegevoegd als apart document aan deze memo. Tevens is hieronder voor een tweetal bedrijven een fictief overzicht gemaakt van het effect van een hogere ashoogte op de opbrengst van een windmolen. De rentabiliteit is onder andere afhankelijk van de financieringsvorm, het af te dekken eigen verbruik en tevens de inkoopprijs per eenheid energie.
9
2.2.3 Investeringsbereidheid voor windturbines: 120 100 80 60 40 20 0 Niet van toepassing
Binnen 1 jaar
Binnen 3-5 jaar Binnen 5-10 jaar
Niet ingevuld
De meest gewenste vorm van grootschalige energietoepassing in het landelijk gebied is strategische plaatsing van windturbines. Het grondbeslag is relatief klein en de vergoedingen voor het beschikbaar stellen van de grond zijn gunstig. Een belangrijke barrière die wordt genoemd is de maatschappelijke weerstand tegen de steeds groter wordende turbines. En de eventuele effecten op de biodiversiteit die voornamelijk in de lucht aanwezig is. Om de maatschappelijke weerstand weg te kunnen nemen werkt LTO Noord in samenwerking met Windunie aan de vorming van een strategisch Windplan voor de procincie Utrecht. Daarbij wordt onderzocht op welke locaties het realiseren van windturbines technisch mogelijk is en welk soort turbine het meest wenselijk is. Daaropvolgend wordt gekeken naar een participatietraject waarin commerciële partijen in eerste instantie geen regie kunnen voeren. Grondeigenaren en lokale omgeving bepalen het vervolgtraject. Het volledige plan voor een groot gebied voorziet in een vorm van uniformiteit, participatie en lokaal eigendom. U kunt meer informatie over dit traject vinden op onze website: klik hier. Naast deze gewenste vormen van energieopwekking is ook de investeringsbereidheid voor zonnepanelen op het bouwblok en op landbouwgrond inzichtelijk gemaakt. Beide vormen zijn voor LTO Noord en een groot deel van haar leden geen interessante mogelijkheden.
De zonnepanelen op het bouwblok kunnen een geschikte oplossing zijn voor een beperkt deel van de bedrijven en lijkt weinig weerstand op te roepen. Met betrekking tot de zonneparken op gronden ziet LTO Noord kansen om wegbermen, taluds, natuurgebieden, gronden met een toekomstige bestemming voor woningen of bedrijventerreinen en voormalige vuilstortplaatsen te benutten. In het westen van Nederland bezit Staatsbosbeheer ruim 63 natuurgebieden waar in sommige gevallen zonneparken kunnen worden ontwikkeld. Natuurgebieden kennen een afwisseling van open landschap en gesloten landschappen (bossen en struwelen) en bieden daarmee een beschutting voor het zonnepark. Omwonenden beleven het groene landschap en zullen in sommige gevallen, wanneer het natuurgebied bezocht wordt, de zonneparken zien. Een dubbelfunctie is mogelijk doordat flora en fauna onder, op en rond het zonnepark volledig tot rust kan komen.
10
2.2.4 Investeringsbereidheid voor zonnepanelen op het bouwblok: 120 100 80 60 40 20 0 Niet van toepassing
Binnen 1 jaar
Binnen 3-5 jaar Binnen 5-10 jaar Niet ingevuld
2.2.5 Investeringsbereidheid voor zonnepanelen op landbouwgronden: 120 100 80 60 40 20 0 Niet van toepassing
Binnen 1 jaar
Binnen 3-5 jaar Binnen 5-10 jaar Niet ingevuld
11
3. Planvorming RES 1.0 Parallel aan de totstandkoming van de plannen voor de RES 1.0 zijn diverse plannen voor realisatie van zonneparken en windmolens al ingediend. Ongeacht of het bestemmingsplan hierin voorziet, werken ontwikkelaars aan het verkrijgen van voldoende gronden en plannen om realisatie komende jaren door te zetten c.q. te versnellen.
3.1 Acties ten aanzien van realisatie LTO Noord voorziet met deze werkwijze dat de weerstand binnen de agrarische sectoren zal toenemen. Diverse ondernemers investeren in zonnepanelen op landbouwgronden en verkrijgen een extra inkomen voor het bedrijf. Ondernemers die niet mogen, kunnen of willen investeren ervaren (direct financieel) nadeel. Om toekomstige realisatie gemakkelijker te maken wil LTO Noord in samenwerking met gemeenten en provincie een aantal activiteiten uitzetten. Dit met de bedoeling om meer agrarische ondernemers aan te sluiten en de plannen te adopteren. In chronologische volgorde is het wenselijk om op gebiedsniveau het volgende proces te initiëren: -
-
-
-
Het organiseren van een ‘agrarisch café’ op gemeente- of gebiedsniveau om de concept zoekgebieden met de agrarische ondernemers in het gebied verder uit te werken. Op deze manier worden de zoekgebieden verder uitgewerkt voor grootschalige toepassingen op niet-agrarische gronden, in bestaande natuurnetwerken/-gebieden en eventueel binnen de agrarische sector. Op gebiedsniveau kan ook worden gewerkt aan de realisatie van zonnepanelen op daken en kleinschalige boerderijmolens. Door gebiedsgerichte trajecten op te zetten kan het net eenmaal worden gedimensioneerd op de totale vraag (in ideale situatie). Lokale overheden werken aan de verdere acceptatie van de boerderijmolen middels het herzien van het actuele bestemmingsplan. Een ashoogte van 35 meter is wenselijk en biedt ruime potentie voor de volledige agrarische doelgroep. Met de uitwerking van zoekgebieden, individuele bedrijfsontwikkeling ten aanzien van duurzame energieproductie en het verruimen van de planologische mogelijkheden wordt realisatie van grootschalige projecten opgestart. Het gebied bepaalt hoeveel eigendom in de omgeving komt te liggen en waar dit komt te liggen. Samenwerking tussen (groepen) agrarische ondernemers en lokale energiecoöperaties moeten - in samenwerking met lokale omgeving en financiers - worden opgestart. LTO Noord kan hierin een faciliterende rol vervullen in samenwerking met overheden.
3.2 Groenwaardecertificaten Ondertussen zijn al diverse projecten gerealiseerd of zitten in de pijplijn voor ontwikkeling. Veel grote maatschappijen werken aan de realisatie en proberen allen de groenwaarde van de energieopbrengst in Nederland te verkrijgen. Per opgewekte eenheid energie wordt een groenwaardecertificaat verstrekt. Dit certificaat geeft aan dat de Garantie van Oorsprong (GvO) groen en duurzaam is. Dit certificaat vertegenwoordigt een bepaalde waarde op de markt. Met de realisatie van grootschalige energieprojecten worden veel GvO’s gegenereerd. De bron van investeren bepaalt ook de mogelijkheid om de GvO’s in Nederland te houden of niet. GvO’s die via handel en markt naar buitenlandse bedrijven verdwijnen zorgen daarmee ook dat groenwaarde uit ons land verdwijnt. Netto produceren we daarmee minder groene energie. De groen geproduceerde energie is namelijk een eenheid met de GvO erbij, diezelfde energie zonder GvO wordt grijs. De bedrijven die alleen grijze energie verbruiken en de GvO los kopen, hebben daarmee groene energie op papier gekocht. LTO Noord pleit bij grootschalige toepassingen van energie voor het verkopen van de stroom in Nederland. Via het initiatief ‘Energie van Boeren’ worden lokale GvO’s op de markt gebracht en wordt de stroom lokaal groen verkocht.
De opwekker krijgt daardoor een extra inkomstenbron vanuit de verkoop van GvO’s en groene stroom.
12
Bijlage 1: Overzicht spreiding per energietoepassing In onderstaande figuren zijn de uitkomsten weergegeven van de antwoorden van de deelnemers van de representatieve groep per vraag. De deelnemers hebben aangegeven welke bijdrage verwacht wordt, en daarmee wenselijk is, voor de agrarische sector per energietoepassing. Een waarde van ‘0’ betekent dat een zeer kleine bijdrage wordt verwacht en onwenselijk is. Hoe hoger de waarde hoe meer potentie de toepassing biedt en gewenster is om in de RES 1.0 op te nemen. Wat verwacht je van de bijdrage van Zonnepanelen op het dak om de energietransitie mogelijk te maken? 80 70 60 50 40 30 20 10 0
Wat verwacht je van de bijdrage van Boerderijmolens op eigen bouwblok om de energietransitie mogelijk te maken? 40 35 30 25 20 15 10 5 0
13
Wat verwacht je van de bijdrage van Grootschalige of individuele windturbines om de energietransitie mogelijk te maken? 30 25 20 15 10 5 0
Wat verwacht je van de bijdrage van Zonnepanelen op het bouwblok om de energietransitie mogelijk te maken? 30 25 20 15 10 5 0
14
Wat verwacht je van de bijdrage Zonnevelden op landbouwgrond om de energietransitie mogelijk te maken? 60 50 40 30 20 10 0
15
Bijlage 2: Notitie Facetbestemmingsplan Kleine Windmolens 1. Inleiding Bij veel leden van LTO Noord bestaat de behoefte om binnen het eigen bouwvlak, middels kleinschalige boerderijmolens, windenergie op te wekken. Ook niet-leden van LTO Noord hebben deze behoefte. Opgewekte energie kan deels worden gebruikt voor het agrarische bedrijf. Het resterende deel kan worden teruggeleverd aan het net. Bovendien bestaat er vrijwel geen maatschappelijke kritiek op de betreffende boerderijmolens. De boerderijmolens zijn passend in het landschap en gaan daar in op. Uit onderzoek van LTO Noord blijkt dat de randvoorwaarden die nodig zijn om een kleine boerderijmolen op boerderijen rendabel te maken, divers zijn1. Een boerderijmolen blijft daarom maatwerk. Uit het betreffende onderzoek blijkt dat de realisatie van een boerderijmolen met een ashoogte van maximaal 35 meter het meest interessant is voor agrarische ondernemers. Hoe lager de ashoogte, hoe minder interessant het is voor een agrarisch ondernemer om te investeren in een boerderijmolen. In bijlage I is opgenomen welke boerderijmolens het meest geschikt zijn voor het landelijk gebied. Het is van belang dat gemeenten de realisatie van dergelijke boerderijmolens ruimtelijk mogelijk maken. Een aantal gemeenten maakt het in een bestemmingsplan mogelijk om een omgevingsvergunning aan te vragen voor kleinschalige boerderijmolens.
Een aantal gemeenten biedt deze mogelijkheid niet. In de geldende bestemmingsplannen van deze gemeenten zijn geen specifieke regels voor kleinschalige boerderijmolens opgenomen. Toetsing van boerderijmolens vindt nu plaats als ‘overig ander bouwwerk’. Hierbij is de toegestane bouwhoogte vastgesteld op 5-8 meter. Dit is ontoereikend voor de meeste kleinschalige boerderijmolens. Gezien de behoefte van leden van LTO Noord aan elektriciteitsopwekking middels kleinschalige boerderijmolens, de maatschappelijke behoefte uit het klimaatakkoord naar duurzame elektriciteitsopwekking en de daadwerkelijke realisatie van de Regionale Energie Strategie, zet LTO Noord in op het ruimtelijk mogelijk maken van boerderijmolens in meerdere gemeenten. LTO Noord wil graag met gemeenten in gesprek om middels een partiële herziening of een facetbestemmingsplan kleinschalige boerderijmolens ruimtelijk mogelijk te maken in geldende bestemmingsplannen. In deze notitie delen wij het standpunt van LTO Noord inzake kleinschalige boerderijmolens. Verder delen wij in deze notitie een toetsingskader dat door gemeenten kan worden gebruikt bij het ontwerpen van een facetbestemmingsplan om kleinschalige boerderijmolens ruimtelijk mogelijk te maken. Hieronder wordt ten eerste genoemd wat het rijksbeleid is ten aanzien van kleine boerderijmolens.
Daarna wordt voor de verschillende provincies van regio West uiteengezet wat het beleid van de betreffende provincie is aangaande de mogelijkheden tot ruimtelijke inpassing van kleinschalige boerderijmolens. Hierna volgt het standpunt van LTO Noord inzake kleinschalige boerderijmolens. Tenslotte worden in bijlage I de meest geschikte boerderijmolens weergegeven en wordt in bijlage II bovengenoemd toetsingskader gedeeld. 2. Rijksbeleid en provinciaal beleid Rijksbeleid Het rijk voert geen specifiek beleid voor kleine boerderijmolens. Uiteraard heeft het Rijk duurzaamheidsambities, maar zij ziet daarin voor kleine boerderijmolens tot nog toe slechts een bescheiden rol weggelegd. Er is dan ook geen stimuleringsprogramma voor kleine boerderijmolens.
1 https://www.ltonoord.nl/project/klimaat-en-energie-west-nederland/nieuws/2020/10/27/boerderijmolen-is-
maatwerk?overview=aHR0cHM6Ly93d3cubHRvbm9vcmQubmwvcHJvamVjdC9rbGltYWF0LWVuLWVuZXJnaWUtd2 VzdC1uZWRlcmxhbmQ%3d
16
Provinciaal beleid Zuid-Holland Een bestemmingsplan kan voor gronden buiten het bestaand stads- en dorpsgebied kleine boerderijmolens met een ashoogte tot 15 meter toelaten en kan een bestemmingsplan voor gronden binnen het bestaand stads- en dorpsgebied of voor gronden binnen het glastuinbouwgebied kleine en middelgrote boerderijmolens met een ashoogte tot 45 meter toelaten, voor zover dat passend is bij de lokale situatie. Noord-Holland In het landelijk gebied is een boerderijmolen op een agrarisch bouwperceel of op een bouwperceel van ten minste 1 hectare waar een stedelijke functie is toegestaan. Voorwaarden die hierbij zijn gesteld, zijn: • De ashoogte mag niet meer bedragen dan 15 meter vanaf het maaiveld. • De boerderijmolen moet in landschappelijk opzicht aansluiten op bijbehorende bebouwing. • De boerderijmolen moet ruimtelijk zorgvuldig worden ingepast. Utrecht Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen ‘Boerderijmolens landelijk gebied’ kan regels bevatten die de realisatie van boerderijmolens tot een ashoogte van 20 meter toestaan onder de voorwaarde dat de boerderijmolens worden geplaatst op of nabij bestaande bouwpercelen. Flevoland Flevoland voert op dit moment geen duidelijk beleid met betrekking tot de mogelijkheden om een kleine winmolen op agrarisch percelen te plaatsen. 3.
Standpunt LTO Noord inzake kleine boerderijmolens LTO Noord herkent de behoefte onder agrariërs om middels kleinschalige boerderijmolens windenergie op te wekken binnen het eigen bouwvlak. Kleinschalige windenergie is nodig om agrarische bedrijven energieneutraal te maken. De extra opgewekte stroom kan via het net teruggeleverd worden aan de markt. Derhalve kan deze opgewekte stroom gezien worden als een deeloplossing van het energieneutraal maken van Nederland. Daarnaast zijn kleinschalige boerderijmolens relatief eenvoudig te realiseren. Bovendien is er vrijwel geen maatschappelijke kritiek op de betreffende boerderijmolens. LTO Noord wil graag dat de realisering van kleinschalige boerderijmolens ruimtelijk mogelijk wordt gemaakt. De ruimtelijke mogelijkheden moeten ruim zijn. De randvoorwaarden die nodig zijn om een kleine boerderijmolen op boerderijen rendabel te maken, zijn namelijk zeer divers 2. Wij pleiten daarbij voor het ruimtelijk mogelijk maken van boerderijmolens met een ashoogte van maximaal 35 meter, gebouwd op het eigen bouwvlak. Een dergelijke boerderijmolen biedt voldoende rendabiliteit voor agrarische bedrijven. Het maakt agrarische bedrijven energieneutraal en het wekt daarbij ook nog extra stroom op. Boerderijmolens van 35 meter passen uitstekend in het landschap en leveren vrijwel geen maatschappelijke kritiek op.
In bijlage II is een toetsingskader toegevoegd dat door gemeenten kan worden gebruikt bij het ontwerpen van een facetbestemmingsplan om kleinschalige boerderijmolens mogelijk te maken.
2
https://www.ltonoord.nl/project/klimaat-en-energie-west-nederland/nieuws/2020/10/27/boerderijmolen-ismaatwerk?overview=aHR0cHM6Ly93d3cubHRvbm9vcmQubmwvcHJvamVjdC9rbGltYWF0LWVuLWVuZXJnaWUtd2 VzdC1uZWRlcmxhbmQ%3d
17
Bijlage I
Geschikte boerderijmolens in het landelijk gebied
18
Bijlage II
Toetsingskader boerderijmolens Deze bijlage bevat een voorbeeld van een toetsingskader met randvoorwaarden waaraan een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een kleinschalige boerderijmolen moet voldoen. Met dit toetsingskader doen wij een handreiking naar gemeenten. Gemeenten kunnen het toetsingskader gebruiken bij de ontwikkeling van een facetbestemmingsplan dat het mogelijk maakt om kleinschalige boerderijmolens op een agrarisch bouwvlak te realiseren. De wensen/voorkeuren van LTO Noord zijn hierin verwerkt. Het toetsingskader is opgedeeld in zes onderdelen. Deel 1 heeft betrekking op de begrippen. Deel 2 gaat in op de wijze van meten. Deel 3 bepaalt in welke gebieden een kleinschalige boerderijmolen gebouwd kan worden. Deel 4 geeft de ruimtelijke randvoorwaarden waaraan een aanvraag moet voldoen. Deel 5 bevat voorwaarden die afkomstig zijn uit wet- en regelgeving. Tot slot geeft deel 6 overige randvoorwaarden. Deel 1: begrippen Verklaring van de gehanteerde begrippen: -
aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolgde de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
-
aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
-
bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;
-
bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;
-
bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;
-
gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
-
gevoelige bestemming: woonbestemming of een andere bestemming waar mensen permanent verblijven, niet zijnde een bedrijfswoning;
-
kleinschalige boerderijmolen: een bouwwerk voor het opwekken van elektrisch vermogen uit wind, met een ashoogte van niet meer dan 35,00 m;
-
peil: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld;
-
risicovolle inrichting: een inrichting, bij welke ingevolge het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen, zoals deze luidt op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van dit plan, een grenswaarde, een richtwaarde voor het risico c.q. een risicoafstand moet worden aangehouden bij het in het bestemmingsplan toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten.
19
Deel 2: wijze van meten Bij toepassing van de ruimtelijke randvoorwaarden wordt als volgt gemeten: De ashoogte van een boerderijmolen: vanaf het middelpunt van de as van de wieken tot aan het aansluitende afgewerkte terrein peil.
De tiphoogte van een boerderijmolen: - Molens met een horizontale as: de ashoogte van een boerderijmolen plus de straal van de rotorcirkel. - Molens met een verticale as: de ashoogte van een boerderijmolen plus het deel van de rotorbladen dat daarbovenuit steekt.
De rotordiameter: De diameter wordt bepaald door het maximale bereik van de rotordiameter, gemeten loodrecht op de as.
20
De bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. Deel 3: begrenzing plangebied Een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een kleinschalige boerderijmolen moet betrekking hebben op een locatie die is gelegen in een plangebied van een de volgende bestemmingsplannen: [ntb] Deel 4: ruimtelijke randvoorwaarden Een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een kleinschalige boerderijmolen moet aan de volgende ruimtelijke voorwaarden voldoen: 1. De betreffende gronden hebben de bestemming ‘Agrarisch ’of ‘Agrarisch - 1 ’en mogen niet tevens onderdeel zijn van: a. de gebiedsaanduidingen ‘luchtvaartverkeer-zone-1 ’en ‘luchtvaartverkeer-zone-2’. 2. De kleinschalige boerderijmolen wordt geplaatst: a. achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw, niet zijnde de (bedrijfs)woning, tenzij wordt aangetoond dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het ruimtelijk beeld en de cultuurhistorische karakteristiek van het erf en de omgeving, en ook; b. binnen een bouwvlak of; c.
binnen een afstand van 75,00 m vanaf het bouwvlak, mits niet geplaatst achter het perceel van een derde en niet indien gronden tevens zijn bestemd voor Waarde - Es of Waarde - Beekdal heeft. Een positief advies van een onafhankelijke deskundige op het gebied van landschap en stedenbouw is daarbij een vereiste. 3. De maatvoering van de kleinschalige boerderijmolen voldoet aan de volgende regels: a. de ashoogte van een kleinschalige boerderijmolen bedraagt niet meer dan 35,00 m, gemeten vanaf het peil, met dien verstande dat indien een kleinschalige boerderijmolen op een gebouw wordt geplaatst, de tiphoogte niet meer dan 1⁄3 van de bouwhoogte van het gebouw bedraagt, met een maximum van 5,00 m; b. de rotordiameter van een VAT-type boerderijmolen bedraagt niet meer dan 2,00 m. 4. De afstand van een kleinschalige boerderijmolen tot: a. een andere kleinschalige boerderijmolen bedraagt niet minder dan drie keer de rotordiameter; b. de bijbehorende agrarische bedrijfsbebouwing bedraagt niet meer dan 100,00 m; c. gasinfrastructuur bedraagt niet minder dan 25,00 m; d. hoogspanningsinfrastructuur bedraagt niet minder dan de maximale werpafstand bij twee keer het nominaal toerental van de kleinschalige boerderijmolen;
21
e. de meest nabijgelegen gevoelige bestemming bedraagt niet minder dan viermaal de as-hoogte van de boerderijmolen; f. openbaar gebied is zodanig dat de wieken of de constructie van de kleinschalige boerderijmolen niet overhangt boven openbaar gebied. 5. De gemeente […] kan nadere eisen stellen aan de plaats, omvang en gebruik van de kleinschalige boerderijmolen ten behoeve van: a. de bezonningsituatie; b. lichttoetreding in nabijgelegen bebouwing; c. zichtlijnen of visuele hinder; d. het voorkomen van slagschaduw; e. risico's voor gevoelige of kwetsbare objecten; f. geluidshinder; g. de mogelijkheid tot voortzetting dan wel uitbreiding van een bestaand bedrijf. Deel 5: randvoorwaarden wet- en regelgeving Kleinschalige boerderijmolens moeten aan alle relevante wet- en regelgeving voldoen, waarbij in ieder geval geldt dat de kleinschalige boerderijmolen voldoet aan: 1. de eisen van het Bouwbesluit 2012; 2. de eisen van het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer en de eisen van het op 1 januari 2021 inwerking tredende Besluit activiteiten leefomgeving; 3. de overige regels van het ter plaatse geldende bestemmingsplan(nen); 4. de regels van de Wet natuurbescherming en de daaruit volgende voorwaarden; 5. de gestelde eisen van de Welstandsnota; 6.
een positief advies van een onafhankelijke deskundige op het gebied van landschap en stedenbouw indien de kleinschalige boerderijmolen wordt geplaatst op of bij een Rijks- of provinciaal monument; 7. de planschadeovereenkomst die de initiatiefnemer verplicht moet aangaan met de gemeente … ; 8. de NEN-EN-IEC norm 61400-2 danwel aan Handreiking miniwind en kleine boerderijmolens van Nederlandse WindEnergie Associatie (NWEA). Deel 6: overige randvoorwaarden Voor een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een kleinschalige boerderijmolen gelden, naast de bovenstaande randvoorwaarden, ook de volgende regels: 1. de energieopwekking van de kleinschalige boerderijmolen is niet bestemd voor commerciële doeleinden maar enkel ten behoeve van het agrarische bedrijf; 2. het college van burgemeester en wethouders wijst een verzoek om een omgevingsvergunning voor een kleinschalige boerderijmolen af indien voor een of meer belanghebbenden een toewijzing van de omgevingsvergunning wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zou zijn in verhouding tot het met de beleidsregel te dienen doel.
22
Bijlage 3: Notitie Zonklare daken Nold Jaeger en Amelie Veenstra van Holland Solar / Auke Jan Veenstra en Erwin Haveman van LTO Nederland Aan: Ministerie van Economische Zaken en Klimaat Achtergrond Met het uitkomen van de concept RES’en is de temperatuur van de samenleving gemeten: de voorkeursvolgorde zon is in de meeste concept-RES’en terug te vinden. RES’en en gemeenten rekenen veelal met een hoge benuttingsgraad voor zon op dak. Er is in verschillende studies aangetoond dat het potentieel van dakprojecten Nederland wel 60-90 GWp is. De zon-PV monitor van de RVO laat zien dat er nog 82.685 MWp dakpotentieel in Nederland onbenut is. 3 Daarnaast is er nog veel potentieel te vinden in multifunctioneel ruimtegebruik zoals het overdekken van parkeerterreinen, andere terreinen zoals uitloopgronden voor kippen en gronden waar zachtfruit geproduceerd wordt. Ook deze toepassingen passen goed in de voorkeursvolgorde Zon (ook wel zonneladder genoemd). Tegelijkertijd zijn er veel signalen vanuit de zonnesector en vanuit gemeenten dat er een veelvoud van belemmeringen speelt die het vlot benutten van dak-, gevel- en terreinoppervlak bemoeilijkt. Een korte bloemlezing hiervan, op basis van diverse analyses van lokale overheden, LTO Nederland en Holland Solar: 1. Urgente investeringen zorgen voor afname van de investeringscapaciteit (voor de landbouwsector o.a.
stikstof, grondgebondenheid). 2. Toenemende netcongestie waardoor zonnedaken niet kunnen worden aangesloten, hogere aansluitkosten drukken de businesscase. 3. Beperking ten aanzien van de huidige aansluitwaarde waardoor een stapsgewijze realisatie van salderingsinstallatie naar volledige dakbenutting financieel onaantrekkelijk is. 4. Daken met een onvoldoende stevige constructie, meerkosten voor alternatieven leveren onvoldoende rendement. 5. Belemmeringen in het verzekeren in combinatie met bepaalde daken (zoals keuze isolatiemateriaal). 6. Teruglopende SDE++ bijdrage en afbouw salderingsregeling met als resultaat een verminderd rendement op investeren. 7. Huurders van zakelijk vastgoed hebben weinig mogelijkheden om gebouweigenaren te overtuigen om in zonnestroom te investeren. Huidige financiële instrumenten EIA, het salderen, de ISDE, de postcoderoosregeling en de SDE++ bieden een succesvolle stimulans voor het realiseren van zon op daken voor de ‘gemakkelijkste daken’. We zien dan ook een serieuze groei van dakprojecten (met name van grootschalige dakgebonden installaties). Deze notitie gaat in op het zoveel mogelijk wegnemen van de knelpunten 3, 4 en 5. Deze beperken momenteel de verdere groei. Voor de andere knelpunten worden andere oplossingen gezocht momenteel. Deze notitie gaat daar niet op in.
Holland Solar en LTO Nederland blijven graag in gesprek over alle knelpunten. De bestaande regelingen dekken de onrendabele top van de meest gunstige projecten. Dit betekent dat veel projecten die extra kosten moeten maken niet uitkunnen. De vaakst genoemde kosten zijn: noodzakelijke dakversterking, engineering en bouwen van speciale constructies zoals overkappingen van parkeerterreinen, uitloop van pluimvee, en het verwijderen van asbest. Zo laat onderzoek van DLV Advies zien dat 75% van de melkveestaldaken versterking nodig heeft voor het dragen van zonnepanelen.4 Dit vraagstuk speelt bij veel meer daken van ondernemers. Het is oorzaak nummer één van het niet realiseren van zon-PV SDE++ op daken. Zonnecarports worden daarnaast nog niet grootschalig gerealiseerd omdat de kosten voor de onderconstructie te hoog zijn. En daarnaast zijn er nog veel ondernemers, met name agrariërs, met asbestdaken waardoor het niet mogelijk is om op die 3
Concept zon-PV monitor 2020, Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.
4 https://www.boerderij.nl/Rundveehouderij/Nieuws/2020/7/Zonnepaneel-past-niet-zomaar-op-staldak-
615267E/
23
daken zonnepanelen te installeren. De Minister I&W heeft in een Kamerbrief aangegeven hier koppelkansen te zien.5 Het heropenen van de ‘Asbest eraf, Zon erop’-regeling lijkt daardoor meer aandacht te krijgen.
Voorstel LTO Nederland en Holland Solar Holland Solar en LTO Nederland gaan graag met de ministeries EZK, I&W, BZK en LNV in gesprek om de haalbaarheid van een nationaal ‘Zonneklaar’ dakenplan te onderzoeken en te ontwerpen. Het doel van een dergelijk plan is om extra potentieel op daken te ontsluiten. Hiermee krijgen gemeenten meer in handen om zichtbaar en succesvol beleid uit te voeren om de voorkeursvolgorde Zon goed vorm te geven. Een mogelijke vorm voor een ‘Zonneklaar’ dakenplan is een subsidieregeling die de extra onrendabele top van de dakversterking, draagcontructies en asbestverwijdering biedt, of de extra kosten van innovatieve lichtgewicht panelen dekken. NB: Een extra onderdeel zou kunnen zijn het toevoegen van een brandwerende laag tussen dak en installatie, mocht dit een wenselijke ontwikkeling blijken vanuit verzekeringskwesties. Afhankelijk van de uitwerking van Motie van het lid Agnes Mulder c.s. over knelpunten bij het verzekeren van zon-op-dakprojecten (32813-634) vinden LTO en Holland Solar dat dit onderwerp onderdeel zou kunnen worden van aan plan voor zonklaar maken van daken. Uitgangspunten hierbij zijn: 1. Een modulaire regeling die het verbeteren van de businesscase van zon op daken verstevigt door de extra investering te stimuleren. 2.
Het mogelijk maken van een businesscase met terugverdientijd van maximaal 10 jaar zodat banken geneigd zijn om mee te financieren. 3. Aanvullend op bestaande subsidie- en fiscale regelingen. 4. Enkel gericht op aantoonbare extra kosten voor een beperkte lijst van aanpassingen. 5. Een investeringssubsidie per Wp uitgekeerd op basis van offerte en factuur uitvoerder (of andere vorm van controle). Mogelijke route hiervoor is de ISDE. Het voordeel hiervan is de snelle realisatietermijn. a. Alternatief hiervoor zijn lokale subsidies op basis van Rijksmiddelen, op basis van voorwaarden en open opties. Zo kan lokaal meer zichtbaarheid en maatwerk gemaakt worden. 6. Daadwerkelijk laten leggen van zonnepanelen is een noodzakelijk voorwaarde. 7. Indieners zijn gebouweigenaren, ook als de ontwikkelaar een derde partij is, zoals een energiecoöperatie of leasepartij.
5 Minister I&W in Kamerbrief (IENW/BSK-2020/202837) in de evaluatie van de asbestsaneringsregeling door Sira.
24
Investering
Meerkosten per kWp
Potentieel in MWp daken
Waarvan potentieel in MWp op agrarische daken
Het versterken dakconstructie voor het leggen van zon-PV
€ 80,00* per kWp
4.860
437
Het verwijderen van het asbest
€ 14,00* per kWp
1.300
1.092
Het versterken van het dak en het verwijderen van asbest
€ 94,00* per kWp
260
218
Het bouwen van de onderconstructie voor een solar carport/of verhoogd zonnesysteem bv agrarisch
€ 100,00* per kWp
15.000
-
Extra kosten door innovatieve lichte panelen oplossingen als alternatief voor dakverzwaring
€ 80,00* per kWp
4.860
874
Theoretisch totaal
-
26.280
2.621
* Er moet nog nader onderzocht worden wat de exacte prijsinschatting is. In de bovenstaande tabel is de inschatting van de provincie Zuid-Holland in haar ‘Zonnig Zuid-Holland’-regeling aangehouden. In de regeling ‘Zonnig ZuidHolland’ zijn ook maxima voor de totale projectsubsidie opgenomen. Er kan worden gedacht aan eenzelfde maxima in de voorgestelde regeling en een minimale project/opwek omvang.
Graag gaan wij met de betrokken ministeries in gesprek over welk deel van het potentieel in GWp te realiseren is. Mogelijke risico’s -
Het is te ingewikkeld om de subsidie aan te vragen. De regeling mist continuïteit, dit zorgt voor een stop-and-go effect in de markt. Niet alle zorgen voor ondernemers worden weggenomen (bijvoorbeeld netcongestie). Subsidie wordt misbruikt voor oneigenlijke doeleinden. Interesse blijft achter.
Kansen -
Extra inzet op daken die hoogstwaarschijnlijk anders leeg blijven. Gemeenten kunnen succesvoller beleid voeren op voorkeursvolgorde zon kijkend naar de RES’en is dit van groot belang. Stimulans innovatieve oplossingen voor energetische daken, overkappingen en gevels.
Conclusie Holland Solar en LTO Nederland gaan graag in gesprek over het totaal in de RES’en te realiseren potentieel dat anders niet gerealiseerd kan worden.
25