CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

3.2 Stichting Onderwijs, Verzoek ex art. 73 e.v. Wet op het primair onderwijs.pdf

Raadsvergadering 16 maart 2021, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: Stukken waarvan de voorzitter voorstelt ze ter afhandeling in handen van het college te stellen6.583 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

@ ;*c.ïiJi,$,.q

o N DE RW r r s

Aan de Raad van de gemeente Schoonhoven

t.a.v. mevrouw M. van Muijen Postbus 51 2820 AB STOLWIJK

BEtTEft: VERZOEK EX ARTIKEL 73 C.V. WET OP HET PRIMAIR ONDERWIJS

Datum: 28 ianuari 202L

Geachte Raadsleden,

Hierbij verzoekt ondertekende, voorzitter van het bestuur van de Stichting Onderwijs, gevestigd te Rotterdam, Weena 505, rechtspersoonlijkheid bezittende op grond van notariële akte 17 december 2018, als Stichting voor algemeen bijzonder onderwijs, ingeschreven sinds 17 december 2020 bij de Kamer van Koophandel (73366846), U om opneming in het plan van scholen van de algemeen

bijzondere basisschool: lntegraal Kind Centrum "lKC Cadans" te vestigen in de gemeente Schoonhoven. De gewenste datum van ingang van de bekostiging van de school is 1augustus2O22 op grond van

artikel T4vande Wet op het primair onderwijs, worden bij dit verzoek de aldaar vereiste stukken, zo spoedig mogelijk nagezonden, doch uiterlijk voor l- april 2021. Hoogachtend,

Drs. M.A. Feenstra Voorzitter Stichting Onderwijs

2020.2509.01/MVDL STATUTENWIJZIGING STICHTING ONDERWIJS _ Heden, eenentwintig december tweeduizend twintig, verscheen voor mij Mr Marten Van der Loo, kandidaat-notaris, hierna te noemen: notaris, als waarnemer van Mr Michaël John _________________________ José Reinier Lentze, notaris gevestigd te 's-Gravenhage: ____ de heer Johannes Albertus Petrus van Noort, werkzaam ten kantore van mij notaris, __ kantoorhoudende te 2514 JH 's-Gravenhage, Parkstraat 93, geboren te Wassenaar op vier januari negentienhonderdachtenzestig, ongehuwd en geen geregistreerd partner in de _______________________________________ zin van het geregistreerd partnerschap; _______________________ te dezer zake handelend als schriftelijk gevolmachtigde van ________ 1. mevrouw Maria Antoinette van Staveren, geboren te _ , _________________ ; 2.

de heer Okke Theo Anton Feenstra, geboren te _ _____ __ ten tijde van het geven van de volmacht handelend als zelfstandig voltallig bestuur van ____________________________________________________________ de stichting: Stichting Onderwijs, gevestigd te Rotterdam, kantoorhoudende Weena 505 PoortDelftse te 3013 AL Rotterdam, Nederland, ingeschreven in het handelsregister bij de Kamer van ______ Koophandel onder nummer 73366846, en als zodanig deze stichting rechtsgeldig ____________________________________________________ vertegenwoordigende; __________________________ gemelde stichting hierna ook te noemen: "de Stichting". ________________________________ STATUTENWIJZIGING/BESLUIT/VOLMACHT _____ De verschenen persoon, handelend als gemeld, verklaarde dat het bestuur van de Stichting, heeft besloten om de statuten van de Stichting te wijzigen, waarvan blijkt uit de ______ aan deze akte te hechten exemplaar van de notulen van de bestuursvergadering ____________________________ gehouden op veertien december tweeduizend twintig. __ In gemeld besluit is eveneens een volmacht opgenomen aan de verschenen persoon.

__ De verschenen persoon, handelend als gemeld, verklaarde bij deze, ter uitvoering van _ gemeld besluit van gemelde vergadering, de statuten van de Stichting te wijzigen, in die __________________________________________ zin dat zij komen te luiden als volgt: ______________________________________________________ Begripsbepalingen _______________________________________________________________ Artikel 1 _____________________________________ 1. In deze statuten wordt verstaan onder: ____________ a. Bestuur: het orgaan dat belast is met het statutaire bestuur en de __________________________________ vertegenwoordiging van de stichting; ____________ b. Bevoegd gezag: de stichting, die als rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid het geven van onderwijs in de zin van de Wet op het primair __ onderwijs (Wpo) en/of de Wet voortgezet onderwijs (Wvo) en/of de Wet op de ____ expertisecentra (WEC) ten doel stelt zonder daarbij het maken van winst te ________________________________________________________ beogen. c. Code: de code goed bestuur als bedoeld in artikel 171 lid 1b Wpo, en in praktijk

_______ ingevuld via de actuele versie van de Code Goed Bestuur in het primair _______________ onderwijs, dan wel een daarvoor in de plaats komende code; _ d. Jaarrekening: de balans en de staat van baten en lasten met de toelichting van _____________________________________________________ de stichting; ____ e. Managementstatuut: het managementstatuut als bedoeld in artikel 31 Wpo; ___ f. Medezeggenschapsraad: de medezeggenschapsraad die de bevoegdheden ____ heeft als toegekend in de Wet medezeggenschap op scholen, dan wel een _______________________ daarvoor in de plaats komende wettelijke regeling; g. Ouders: de ouders, voogden en verzorgers van leerlingen die bij de school staan ____________________________________________________ ingeschreven; ___ h. Raad van toezicht: het orgaan dat belast is met de functie intern toezicht als _________________________________________ bedoeld in artikel 17d Wpo; ___________ i. School: de door de stichting in stand gehouden school of scholen; _______ j. Schriftelijk: per post, per e-mail of via enig ander gangbaar elektronisch __ communicatiemiddel waarmee het mogelijk is een bericht te verzenden en te _______ ontvangen dat leesbaar en reproduceerbaar is, mits de identiteit van de ________________ verzender met afdoende zekerheid kan worden vastgesteld; ___________ k. Stichting: Stichting Onderwijs, statutair gevestigd te Rotterdam; 2.

Tenzij anders blijkt of kennelijk anders is bedoeld, sluit een verwijzing naar een begrip __ of woord in het enkelvoud een verwijzing naar de meervoudsvorm van dit begrip of ________________________________________________ woord in en omgekeerd. ______ 3. Tenzij anders blijkt of kennelijk anders is bedoeld, sluit een verwijzing naar het ____ mannelijk geslacht een verwijzing naar het vrouwelijk geslacht in en omgekeerd. __________________________________________________________ Naam en zetel _______________________________________________________________ Artikel 2 _____________________________ De Stichting draagt de naam: Stichting Onderwijs. _________________________________ Zij heeft haar zetel in de gemeente Rotterdam. __________________________________________________________________ Doel _______________________________________________________________ Artikel 3 ____ 1. De stichting heeft als doel het geven van primair - en/of voortgezet - en/of ander _______ onderwijs op algemeen bijzondere grondslag en het daartoe oprichten en in ___________________________________ standhouden van een school of scholen. ________ 2. De stichting gaat bij het geven of doen geven van onderwijs uit van de drie _ kerndoelen van onderwijs; socialisatie, kwalificatie en persoonsvorming. Kwalificatie betreft het verwerven van kennis, vaardigheden en houdingen.

Deel uitmaken van de groep en de wereld noemen we socialisatie en persoonsvorming geeft betekenis aan ____________________________ ieders karakter, temperament en mogelijkheden. 3. De stichting gaat bij het geven of doen geven van onderwijs uit van gelijkwaardigheid _ van alle levensbeschouwingen en maatschappelijke stromingen voor het onderwijs. _ De normen- en waardenoverdracht is erop gericht dat de leerling in aanraking komt _ met levensbeschouwing, daardoor gevormd wordt, van daaruit een eigen identiteit ___ kan ontwikkelen en zich kan verhouden tot anderen. In een samenleving waarbij _____________ vrijheid, gelijkheid, gerechtigheid, democratie, verdraagzaamheid en _______________________________________ medemenselijkheid centraal staan. _______ 4. De stichting tracht haar doel te bereiken, conform wet- en regelgeving, door: a. het stichten en het beheren van een school of scholen op algemeen bijzondere _________________________________________ grondslag conform de wet; _____ b. het samenwerken met stichtingen en/of publiekrechtelijke lichamen en/of

______________________ andere organisaties, die een gelijk doel nastreven; ___________ c. overige wettige middelen waarlangs het doel kan worden bereikt. _____________________________________________________________ Vermogen _______________________________________________________________ Artikel 4 ______________________ 1. Het vermogen van de stichting zal worden gevormd door: __ a. de bekostiging door het Rijk ten behoeve van de bekostiging van de wettelijke _____________________________________________ taken van de stichting; ____________________________________ b. de vrijwillige bijdragen van ouders; __________________________________ c. het stichtingskapitaal en/of leningen; _________________________ d. subsidies, giften, schenkingen en andere baten; _________ 2. De stichting kan erfstellingen slechts aanvaarden onder het voorrecht van ______________________________________________________ boedelscheiding. _______________________________________________________________ Organen _______________________________________________________________ Artikel 5 _______________________________________________ De stichting kent als organen: _________________________________________________________ a. het bestuur; __________________________________________________ b. de raad van toezicht.

______________________________________ Bestuur; samenstelling en benoeming _______________________________________________________________ Artikel 6 1. Het bestuur bestaat uit één of meer leden. Het aantal leden van het bestuur wordt door de raad van toezicht vastgesteld. Alle leden van het bestuur worden benoemd door de raad van toezicht, na verkregen advies van de medezeggenschapsraad en voorts met ______________________________ inachtneming van het bepaalde in lid 4 en lid 5. _______ 2. Voor een besluit tot benoeming is een drie vierde meerderheid van de geldig _ uitgebrachte stemmen vereist in een vergadering waarin alle leden van de raad van toezicht aanwezig of vertegenwoordigd zijn. Indien in deze vergadering niet alle leden __ van de raad van toezicht aanwezig of vertegenwoordigd zijn, zal met een minimum _ van vijf dagen binnen veertien dagen na het houden van de eerste vergadering een ___ tweede vergadering worden bijeengeroepen, waarin ongeacht het ter vergadering _ aanwezige of vertegenwoordigde aantal leden met een meerderheid van ten minste _ drie vierde van de geldig uitgebrachte stemmen besluiten over een zodanig voorstel ______________________________________________ kunnen worden genomen. 3.

Benoeming vindt plaats aan de hand van een door de raad van toezicht, vast te stellen _____ werving- en selectieprocedure en op basis van een vooraf openbaar gemaakte _______ algemene profielschets, alsmede in geval van een meerhoofdig bestuur, een _ profielschets per zetel. De medezeggenschapsraad wordt in de gelegenheid gesteld ___________________________ advies uit te brengen ter zake de profielschets(en). __________ 4. De procedure voor de benoeming van de leden van het bestuur kan, met inachtneming van de relevante wettelijke bepalingen en daaruit voortvloeiende rechten ______ voor de medezeggenschapsraad, worden geregeld in het bestuursreglement. _______________ 5. Tot lid van het bestuur kan niet worden benoemd een persoon die: __ a. lid is van de raad van toezicht of de afgelopen vier jaar lid is geweest van de ________________________________________________ raad van toezicht; ______ b. tegelijkertijd de functie van intern toezichthouder vervult bij een andere _____ onderwijsorganisatie binnen dezelfde onderwijssector als de vereniging; ____________ c. tegelijkertijd de functie van intern toezichthouder vervult bij een ________ onderwijsorganisatie in een aanpalende onderwijssector in hetzelfde _________________________________________________ voedingsgebied;

d.

doordat hij een functie elders vervult en/of doordat hij zich in een situatie bevindt ______________________ waardoor er belangenverstrengeling kan optreden; ______________________ e. tegelijkertijd lid is van de medezeggenschapsraad; f. geen Verklaring Omtrent Gedrag (hierna: ‘VOG’) kan overleggen of als gevolg van een strafrechtelijke veroordeling niet langer beschikt over een actuele VOG; __ g. niet voldoet aan de kwaliteitseisen gesteld in op de vereniging toepasselijke __________________________________ wet- en regelgeving en/of de Code. 6. Indien er sprake is van een meerhoofdig bestuur, kan het bestuur onderling vaststellen _____ welk lid van het bestuur met welke taak meer in het bijzonder zal zijn belast. De onderlinge taakverdeling wordt door de raad van toezicht goedgekeurd. Een zodanige taakverdeling laat de gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle leden van het bestuur ___ onverlet. De raad van toezicht bepaalt tevens wie de voorzitter van het bestuur is. 7. Een lid van het bestuur wordt benoemd voor de duur van een arbeidsovereenkomst of __________________ voor een andere door de raad van toezicht te bepalen periode. 8. De vaststelling van de bezoldiging en overige arbeidsvoorwaarden van leden van het bestuur geschiedt door de raad van toezicht.

Bij de vaststelling van de bezoldiging en ___ overige arbeidsvoorwaarden wordt aangesloten bij in de sector geldende normen. _____ Jaarlijks wordt door de raad van toezicht in de jaarrekening verantwoord welke __________________________ bedragen zijn toegekend aan leden van het bestuur. __________________________ 9. In een vacature wordt zo spoedig mogelijk voorzien. 10. Een lid van het bestuur vervult geen nevenfuncties die conflicterend zijn met het doel _ van de stichting. Voor het aanvaarden van een betaalde of onbetaalde nevenfunctie _ door een lid van het bestuur wordt voorafgaand goedkeuring gevraagd aan de raad _____ van toezicht. De criteria die dienen als basis voor de raad van toezicht voor het __ verlenen of onthouden van goedkeuring aan de aanvaarding van een nevenfunctie worden vastgelegd in een reglement. In het bestuursverslag worden alle nevenfuncties _____________________________________ van de leden van het bestuur vermeld. _______ Bestuur; schorsing, aftreden en ontslag, defungeren, belet en ontstentenis _______________________________________________________________ Artikel 7 1. De raad van toezicht schorst en ontslaat leden van het bestuur. Een besluit tot ontslag wordt slechts genomen na verkregen advies van de medezeggenschapsraad.

Een lid _______ van het bestuur kan worden geschorst en/of ontslagen wegens aantoonbare ____________________________ taakverwaarlozing of andere gewichtige redenen. 2. Voor een besluit tot schorsing of ontslag is een drie vierde meerderheid van de geldig _ uitgebrachte stemmen vereist in een vergadering waarin alle leden van de raad van toezicht aanwezig of vertegenwoordigd zijn. Indien in deze vergadering niet alle leden __ van de raad van toezicht aanwezig of vertegenwoordigd zijn, zal met een minimum _ van vijf dagen binnen veertien dagen na het houden van de eerste vergadering een ___ tweede vergadering worden bijeengeroepen, waarin ongeacht het ter vergadering _ aanwezige of vertegenwoordigde aantal leden met een meerderheid van ten minste _ drie vierde van de geldig uitgebrachte stemmen besluiten over een zodanig voorstel ______________________________________________ kunnen worden genomen. ___ 3. Indien een lid van het bestuur is geschorst, dient de raad van toezicht binnen drie maanden na ingang van de schorsing te besluiten tot ontslag dan wel tot opheffing of verlenging van de schorsing. Bij gebreke van een besluit als bedoeld in de vorige zin, ___________________________________________________ vervalt de schorsing. 4.

Een besluit tot verlenging van de schorsing kan slechts eenmaal worden genomen en _ de schorsing kan daarbij ten hoogste worden verlengd voor drie maanden, ingaande

____ op de dag waarop de raad van toezicht het besluit tot verlenging heeft genomen. __ 5. Het lid van het bestuur dat is geschorst, wordt in de gelegenheid gesteld zich in de ____ vergadering van de raad van toezicht te verantwoorden en zich daarbij door een ______________________________________________ raadsman te laten bijstaan. ___ 6. Een besluit tot ontslag wordt niet genomen dan nadat het lid van het bestuur over ______ wiens ontslag wordt besloten vooraf de gelegenheid is geboden om te worden ____________________________________________________________ gehoord. __________________________________ 7. Een lid van het bestuur defungeert voorts: _________________________________________ a. door zijn vrijwillig aftreden; ___ b. doordat hij failliet wordt verklaard of aan hem surseance van betaling wordt verleend dan wel de schuldsanering natuurlijke personen - al dan niet voorlopig _____________________________ - op hem van toepassing wordt verklaard; _ c. indien titel 16, titel 19 en/of titel 20 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek op ________________________________________ hem van toepassing wordt; __ d. door het verstrijken van de periode waarvoor hij is benoemd, behoudens zijn __________________________________________ eventuele herbenoeming; _________ e. door de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst met de stichting; _________________________________ f.

door zijn ontslag door de rechtbank; ______________________________________________ g. door zijn overlijden: ____________ h. door het ontstaan van een in artikel 6 lid 5 beschreven situatie. _____ 8. Ingeval van ontstentenis of belet van één of meer leden van het bestuur bij een ____ meerhoofdig bestuur, berust het bestuur tijdelijk bij de overblijvende leden of het overblijvende lid van het bestuur. Ingeval van ontstentenis of belet van alle leden van het bestuur berust het bestuur tijdelijk bij één of meer door de raad van toezicht aan te _ wijzen personen, onverminderd de verplichting voor de raad van toezicht zo spoedig ________________________________________ mogelijk in het bestuur te voorzien. __________________________________________ Bestuur; taken en bevoegdheden _______________________________________________________________ Artikel 8 1. Het bestuur is belast met het besturen van de stichting. Aan het bestuur komen in de stichting alle taken en bevoegdheden toe die tot het bevoegd gezag behoren en voorts al die taken en bevoegdheden die niet door de wet of de statuten aan andere organen zijn opgedragen. Bij de vervulling van zijn taak richt het bestuur zich naar het doel, de ___________________________________ grondslag en het belang van de stichting. 2.

Het bestuur legt verantwoording af aan de raad van toezicht en verschaft de raad van _ toezicht tijdig de gegevens die noodzakelijk zijn voor de goede uitoefening van haar _______________________________________________________________ taak. ____ 3. Het bestuur heeft voorafgaande goedkeuring van de raad van toezicht nodig om besluiten te nemen tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding en bezwaring van registergoederen, en tot het aangaan van overeenkomsten waarbij de stichting zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een ander verbindt. Bij de besluitvorming casu quo de goedkeuring bedoeld in de eerste volzin van dit lid, neemt het bestuur respectievelijk de raad van toezicht de in de onderwijswetgeving ter zake __________________________________________ opgenomen bepalingen in acht. 4. Het bestuur heeft ook voorafgaande goedkeuring van de raad van toezicht nodig voor ________________________________________ de navolgende bestuursbesluiten: ___ a. het vaststellen van het (meerjaren)beleidsplan en de (meerjaren)begroting; __ b. de vaststelling van de jaarrekening en het bestuursverslag (jaarverslag), met

_ dien verstande dat deze goedkeuring niet wordt verleend voordat de raad van ______ toezicht kennis heeft genomen van de bevindingen van de accountant; __ c. het aangaan van (financiële) verplichtingen en het doen van bestedingen en investeringen die niet zijn voorzien in de goedgekeurde begroting en een nader ___________________________________ te bepalen bedrag te boven gaan; ___ d. het aangaan, wijzigen en verbreken van duurzame samenwerking met een _ andere rechtspersoon of organisatie indien die samenwerking van ingrijpende _____ betekenis is voor de stichting en/of de met haar in een groep verbonden _________________________________________________ rechtspersonen; _ e. het verkrijgen, wijzigen of beëindigen van een deelneming of zeggenschap in __ een andere rechtspersoon en het oprichten van een andere rechtspersoon, alsmede de vaststelling en wijziging van diens statuten voor zover het bestuur ______________________________________________ daartoe bevoegd is; _______________ f. het aanvragen van faillissement en surseance van betaling; _____ g. het vaststellen en wijzigen van bestuursreglement, managementstatuut, _ reglement (gemeenschappelijke) medezeggenschap en klokkenluiderregeling ______________________________ alsmede eventuele andere reglementen; _____ h.

onderwerpen waarover een (potentieel) tegenstrijdig belang dan wel een verstrengeling van belangen bestaat ten aanzien van één of meer leden van het _______________________________________________________ bestuur; ________ i. het stichten, alsmede (het aanvaarden van) een bestuursoverdracht, ____________________________ samenvoeging of splitsing van een school; ____ j. het wijzigen van de statuten en het ontbinden van de stichting, waaronder __________________________ begrepen de bestemming van het batig saldo; _________________________________ k. juridische fusie of juridische splitsing. 5. Op het ontbreken van voorafgaande goedkeuring van de raad van toezicht in de in lid _____ 3 en lid 4 bedoelde gevallen kan door of tegen derden beroep worden gedaan. ____ 6. De raad van toezicht is bevoegd ook andere besluiten dan in lid 3 en lid 4 van dit artikel genoemd en die naar de mening van de raad van toezicht van grote invloed zijn op de organisatie aan zijn goedkeuring te onderwerpen. Deze andere besluiten dienen vooraf duidelijk en gemotiveerd te worden omschreven en na overleg met het bestuur __________________________ schriftelijk aan het bestuur te worden medegedeeld. ____ 7. Het bestuur kan besluiten een of meer adviseurs van het bestuur te raadplegen.

____________________________________ Bestuur; vergadering en besluitvorming _______________________________________________________________ Artikel 9 _______________________________ 1. Het bestuur legt zijn besluiten schriftelijk vast. 2. Het bestuur zal met inachtneming van deze statuten, een bestuursreglement opstellen waarin aangelegenheden het bestuur betreffende worden vastgelegd. Dit bevat, voor __ zover sprake is van een meerhoofdig bestuur, minimaal: de vergaderwijze, overige werkwijze en de wijze waarop de door het meerhoofdig bestuur te nemen besluiten tot _____________ stand komen, alsmede de eventuele onderlinge verdeling van taken. _____________________________________________ Bestuur; vertegenwoordiging ______________________________________________________________ Artikel 10 ________________________ 1. De stichting wordt vertegenwoordigd door het bestuur. ____ 2. Krachtens besluit van het bestuur kan aan één of meer leden van het bestuur of ______________ andere personen een volmacht worden verleend om de stichting te ________ vertegenwoordigen. De gevolmachtigde vertegenwoordigt de stichting met _ inachtneming van de grenzen van zijn volmacht. Indien en voor zover sprake is van

_ een doorlopende machtiging, wordt deze nader geregeld in het managementstatuut. _____________________________ Raad van toezicht; samenstelling en benoeming ______________________________________________________________ Artikel 11 1. De raad van toezicht bestaat uit een door de raad van toezicht te bepalen, bij voorkeur ____ oneven aantal leden van ten minste drie en ten hoogste vijf natuurlijke personen. __________ 2. Is het aantal leden minder dan drie dan behoudt de raad van toezicht zijn _______ bevoegdheden onverminderd de verplichting om onverwijlde maatregelen tot _____________________________________ aanvulling van zijn ledental te nemen. _ 3. De leden van de raad van toezicht worden (her)benoemd door de raad van toezicht, _________________________________ met inachtneming van het hierna bepaalde: __ a. De medezeggenschapsraad wordt in de gelegenheid gesteld een bindende _________ voordracht te doen voor één zetel in de raad van toezicht. Indien de __ medezeggenschapsraad het voordrachtsrecht niet heeft uitgeoefend binnen __ drie maanden na daartoe door de raad van toezicht te zijn uitgenodigd, is de __ raad van toezicht vrij in de vervulling van de vacature, doch slechts voor één __________________________________________________ zittingsperiode. ______ b.

De voordrachten als hiervoor in dit artikel bepaald en de benoemingen geschieden met inachtneming van een door de raad van toezicht vast te stellen werving- en selectieprocedure. De raad van toezicht stelt een algemeen profiel _ op voor zijn samenstelling naar ten minste deskundigheden, vaardigheden en diversiteit. Voor iedere vacature stelt de raad van toezicht een specifiek profiel ____ op. Het bestuur en de medezeggenschapsraad worden in de gelegenheid ________________ gesteld advies uit te brengen ter zake de profielschets(en). _ c. Bij het ontstaan van een vacature wordt het algemeen profiel van de raad van __ toezicht als geheel bekeken en gaat de raad van toezicht na of de algemene _ dan wel specifieke profielschets nadere uitwerking en/of aanpassing behoeft. ________ De profielschets(en) wordt/worden vervolgens opnieuw vastgesteld. ________ 4. Voor een besluit tot benoeming van een lid van de raad van toezicht is een meerderheid van ten minste drie vierde van de geldig uitgebrachte stemmen vereist in _ een vergadering van de raad van toezicht waarin alle leden van de raad van toezicht aanwezig of vertegenwoordigd zijn.

Indien in deze vergadering niet alle leden van de raad van toezicht aanwezig of vertegenwoordigd zijn, zal binnen veertien dagen na het _ houden van de eerste vergadering een tweede vergadering worden bijeengeroepen _ waarin alsdan, mits meer dan de helft van het aantal leden van de raad van toezicht ________ aanwezig is, met een meerderheid van ten minste drie vierde van de geldig ______ uitgebrachte stemmen besluiten omtrent een zodanig voorstel kunnen worden ___________________________________________________________ genomen. 5. De samenstelling van de raad van toezicht is dusdanig dat de leden ten opzichte van elkaar, de leden van het bestuur en welk deelbelang van de stichting ook onafhankelijk _____________________________________________ en kritisch kunnen opereren. ______ 6. De eerste leden van de raad van toezicht worden benoemd door het bestuur. __ 7. Tot leden van de raad van toezicht kunnen niet worden benoemd een persoon die: _____________________________________________ a. lid van het bestuur is; ______ b. de functie van bestuurder vervult bij een andere onderwijsorganisatie in _________________________________________________ dezelfde sector; ______ c. de functie van bestuurder vervult bij een organisatie in een aanpalende __________________________ onderwijssector in hetzelfde voedingsgebied; d.

doordat hij een functie elders vervult en/of doordat hij zich in een situatie bevindt

______________________ waardoor er belangenverstrengeling kan optreden; ______________________ e. tegelijkertijd lid is van de medezeggenschapsraad; f. geen Verklaring Omtrent Gedrag (hierna te noemen: ‘VOG’) kan overleggen of als gevolg van een strafrechtelijke veroordeling niet langer beschikken over een ___________________________________________________ actuele VOG; __ g. niet voldoet aan de kwaliteitseisen gesteld in op de vereniging toepasselijke __________________________________ wet- en regelgeving en/of de Code. 8. De raad van toezicht wijst uit zijn midden een voorzitter aan. De raad van toezicht kan ___ onderling vaststellen welk lid van de raad van toezicht met welke taak meer in het _________ bijzonder zal zijn belast. Een zodanige taakverdeling laat de gezamenlijke ____________ verantwoordelijkheid van alle leden van de raad van toezicht onverlet. 9. De leden van de raad van toezicht worden benoemd voor een periode van maximaal _ vier jaar met inachtneming van het hierna in dit lid bepaalde. Aftreden geschiedt na het eindigen van de benoemingsperiode en met in achtneming van een door de raad ____ van toezicht op te stellen rooster van aftreden.

Een in een tussentijdse vacature benoemd lid van de raad van toezicht neemt op het rooster de plaats in van degene in __ wiens vacature hij werd benoemd; tenzij door de raad van toezicht expliciet anders _______________________________________________________ wordt bepaald. _________ 10. Een volgens rooster aftredend lid van de raad van toezicht is onmiddellijk herbenoembaar voor een periode van maximaal vier jaar, rekening houdende met de omstandigheid dat niemand langer dan acht jaar aaneengesloten lid van de raad van ______________________________________________________ toezicht kan zijn. _ 11. In vacatures wordt zo spoedig mogelijk voorzien. In geval van vacatures behoudt de _____________________________________ raad van toezicht zijn bevoegdheden. ____ 12. Leden van de raad van toezicht hebben recht op een vergoeding voor gemaakte _______ onkosten. De raad van toezicht kan tevens een niet bovenmatig vacatiegeld _ vaststellen. De hoogte hiervan wordt door de raad van toezicht bepaald en zal nooit ___________________________ hoger zijn dan de wettelijke vrijwilligersvergoeding. 13. Leden van de raad van toezicht vervullen geen nevenfuncties die conflicterend zijn met _ het doel van de stichting. Een lid van de raad van toezicht meldt de aanvaarding van ___ een betaalde of onbetaalde nevenfunctie.

In het jaarverslag worden alle hoofd- en __________________ nevenfuncties van de leden van de raad van toezicht vermeld. ________ Raad van toezicht; schorsing, ontslag, defungeren, belet en ontstentenis ______________________________________________________________ Artikel 12 1. Een lid van de raad van toezicht kan worden geschorst en ontslagen door de raad van _____ toezicht. Een lid van de raad van toezicht kan onder meer worden geschorst en ____________________________________________________ ontslagen wegens: _______ a. aantoonbare verwaarlozing van zijn taak of aantoonbaar onvoldoende ___________________________________________________ functioneren; ___________________________ b. onverenigbaarheid van functies of belangen; ____ c. wijziging van de omstandigheden, zoals het ontstaan van een situatie als ______ beschreven in artikel 11 lid 6 of andere redenen op grond waarvan zijn _ handhaving als lid van de raad van toezicht redelijkerwijs niet in het belang is _________________________________________________ van de stichting. 2. Voor een besluit tot schorsing of ontslag is een meerderheid van ten minste drie vierde van de geldig uitgebrachte stemmen vereist in een vergadering waarin alle leden van de raad van toezicht aanwezig of vertegenwoordigd zijn, met uitzondering van het lid van de raad van toezicht wiens schorsing of ontslag aan de orde is, dat lid wordt niet in

____________________________________________ de besluitvorming betrokken. _ 3. Indien het in de vorige volzin genoemde quorum niet behaald is, zal binnen veertien ___ dagen na het houden van de eerste vergadering een tweede vergadering worden __ bijeen geroepen waarin alsdan, mits meer dan de helft van het aantal leden van de raad van toezicht aanwezig is, met drie vierde meerderheid van de geldig uitgebrachte _ stemmen besluiten omtrent een zodanig voorstel kunnen worden genomen. Dit met __ uitzondering van het lid van de raad van toezicht wiens schorsing of ontslag aan de _______________________ orde is, dat lid wordt niet in de besluitvorming betrokken. 4. Indien een lid van de raad van toezicht is geschorst, dient de raad van toezicht binnen drie maanden na ingang van de schorsing te besluiten tot ontslag van het betreffende lid van de raad van toezicht dan wel tot opheffing of handhaving van de schorsing. Bij _________ gebreke van een besluit als bedoeld in de vorige zin, vervalt de schorsing. _ 5. Een besluit tot handhaving van de schorsing kan slechts éénmaal worden genomen __ en de schorsing kan daarbij ten hoogste worden gehandhaafd voor drie maanden, ___ ingaande op de dag waarop de raad van toezicht het besluit tot handhaving heeft ___________________________________________________________ genomen. ___ 6.

Het betrokken lid van de raad van toezicht wordt in de gelegenheid gesteld zich te _ verantwoorden en kan zich daarbij doen bijstaan door een raadsman. Het besluit tot _ (voorstel tot) ontslag wordt niet eerder genomen dan nadat het betrokken lid van de _______________ raad van toezicht in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord. ___________________________ 7. Een lid van de raad van toezicht defungeert voorts: _________________________________ a. door zijn vrijwillig aftreden (bedanken); ____ b. doordat hij failliet wordt verklaard of aan hem surseance van betaling wordt _ verleend dan wel de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen - al dan niet _______________________ voorlopig - op hem van toepassing wordt verklaard; ___ c. indien titel 16, titel 19 en/of titel 20 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek op __________________________________________ hem van toepassing wordt; ___ d. door het verstrijken van de periode waarvoor hij is benoemd, behoudens zijn ___________________________________________ eventuele herbenoeming; ___________________________________ e. door zijn ontslag door de rechtbank; ________________________________________________ f. door zijn overlijden; ___ 8.

In geval van ontstentenis of belet van één of meer leden van de raad van toezicht _ nemen de overblijvende leden, of neemt het overblijvende lid, de voltallige taken van de raad van toezicht waar. Een niet voltallige raad van toezicht blijft volledig bevoegd. _ 9. In geval van ontstentenis of belet van alle leden van de raad van toezicht en het niet _ binnen zes maanden door de raad van toezicht benoemen van nieuwe leden van de ___ raad van toezicht, geschiedt onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 299 van _______ Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek de benoeming door de rechtbank van het ____ arrondissement waar de stichting statutair is gevestigd op verzoek van de meest gerede belanghebbende. Gaat de rechtbank hier niet toe over, dan kan door het meest ____ gerede afgetreden lid van de raad van toezicht, op verzoek van het bestuur, met _____ inachtneming van het in deze statuten bepaalde, een nieuw lid van de raad van toezicht worden benoemd, die op zijn beurt voorziet in de benoeming van de overige __________________________________________ leden van de raad van toezicht. _________________________________ Raad van toezicht; taken en bevoegdheden ______________________________________________________________ Artikel 13 1. De raad van toezicht heeft tot taak toezicht te houden op het beleid van het bestuur en _ op de algemene gang van zaken binnen de stichting.

De raad van toezicht staat het

___ bestuur met raad terzijde en fungeert als klankbord. De raad van toezicht kan het ________________________________ bestuur gevraagd en ongevraagd adviseren. ______ 2. Bij de vervulling van zijn taak richt de raad van toezicht zich naar het doel, de grondslag en het belang van de stichting, het belang van de scholen, de leerlingen en _________ hun ouders, de belangen van de overige stakeholders, het belang van de _______ onderwijsorganisatie en naar het belang van de samenleving en weegt deze ______________________________________________ verschillende belangen af. __ 3. De taken en bevoegdheden van de raad van toezicht zijn zodanig dat de raad van toezicht een deugdelijk en onafhankelijk intern toezicht kan uitoefenen. Onverminderd het overigens bij of krachtens deze statuten bepaalde, is de raad van toezicht is belast _______________________________________________________________ met: a. het goedkeuren van de besluiten van het bestuur als genoemd in deze statuten; _ b. het toezien op de verwezenlijking van de grondslag en de doelstelling van de stichting, het bereiken van de doelen en gewenste resultaten en het belang van _________________________________________________ de samenleving; c.

het houden van toezicht op het functioneren van het bestuur en het toezien op ____ de naleving door het bestuur van de wettelijke verplichtingen, de code en __________________________________ eventuele afwijkingen van die code; ____ d. het toezien op de rechtmatige verwerving en de doelmatige, efficiënte en __________ rechtmatige bestemming en aanwending van financiële middelen; ___ e. het vervullen van de werkgeversrol ten opzichte van het bestuur indien van _____________________________________________________ toepassing; f. het periodieke evalueren van het functioneren van het bestuur en indien het een ________________ meerhoofdig bestuur betreft de individuele bestuursleden; __________________________________ g. het benoemen van een accountant; __ 4. De raad van toezicht legt verantwoording af over de uitvoering van de taken en de _ uitoefening van de bevoegdheden als hiervoor genoemd, in het bestuursverslag van _________________________________________________________ de stichting. __ 5. Het bestuur verstrekt de raad van toezicht gevraagd en ongevraagd alle informatie omtrent alle onderwerpen de stichting betreffende die voor een goed functioneren van _ de raad van toezicht naar het oordeel van de raad van toezicht nodig of dienstig zijn. _______________________ De raad van toezicht kan ter zake nadere regels stellen. 6.

De raad van toezicht is bevoegd inzage te nemen en te doen nemen van alle boeken, _ bescheiden, overige gegevensdragers en correspondentie van de stichting; de raad van toezicht heeft te allen tijde toegang tot alle bij de stichting in gebruik zijnde ruimten _________________________________________________________ en terreinen. 7. De raad van toezicht kan voor rekening van de stichting in de uitoefening van zijn taak ____________________________ zich doen bijstaan door één of meer deskundigen. _____________ 8. De raad van toezicht vergadert ten minste twee maal per jaar met de _______________________________________________ medezeggenschapsraad. 9. De raad van toezicht kan besluiten een of meer adviseurs van de raad van toezicht te __________________________________________________________ raadplegen. __ 10. De raad van toezicht kan commissies instellen ter ondersteuning van zijn taken. De _______________ uitwerking hiervan vindt plaats in het reglement raad van toezicht. ____________________________ Raad van toezicht; vergadering en besluitvorming ______________________________________________________________ Artikel 14 _ 1. De raad van toezicht vergadert ten minste vier maal per jaar en voorts zo dikwijls de _____ voorzitter of twee of meer leden van de raad van toezicht dit wenselijk acht(en).

__ 2. De oproeping tot de vergadering van de raad van toezicht geschiedt schriftelijk aan __ ieder lid van de raad van toezicht en wordt verzonden door de raad van toezicht in __________ opdracht van degene die het houden van de vergadering heeft verlangd. ___ 3. De bijeenroeping vermeldt de plaats en het tijdstip van de vergadering en de in de __________________________________ vergadering te behandelen onderwerpen. 4. De termijn van oproeping bedraagt ten minste vijf dagen, de dag van oproeping en die ___ van vergadering niet meegerekend. In spoedeisende gevallen kan de termijn van _______________ oproeping worden verkort, zulks ter beoordeling van de voorzitter. ______ 5. Een lid van de raad van toezicht kan zich ter vergadering door een schriftelijk ________ gevolmachtigd ander lid van de raad van toezicht doen vertegenwoordigen. ___ 6. De voorzitter leidt de vergaderingen van de raad van toezicht; bij zijn afwezigheid _______ voorziet de vergadering zelf in de leiding. De voorzitter wijst een notulist aan. 7. Geldige besluiten kunnen slechts worden genomen, indien alle leden van de raad van toezicht met inachtneming van het hiervoor bepaalde zijn opgeroepen en meer dan de __________ helft van alle leden van de raad van toezicht ter vergadering aanwezig of __ vertegenwoordigd is.

Indien de voorschriften omtrent de oproeping niet in acht zijn _____ genomen, kunnen niettemin geldige besluiten worden genomen met algemene stemmen in een vergadering, waarin alle leden van de raad van toezicht aanwezig of _________________________________________________ vertegenwoordigd zijn. _ 8. In de vergaderingen van de raad van toezicht heeft ieder lid één stem. Tenzij anders blijkt in deze statuten, worden besluiten genomen met volstrekte meerderheid van de ______ geldig uitgebrachte stemmen. Een blanco uitgebrachte stem geldt als een niet ________ uitgebrachte stem. Indien de stemmen staken, komt geen besluit tot stand. ______ 9. Een lid van de raad van toezicht neemt niet deel aan de beraadslaging en de ____ besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de stichting en de daaraan verbonden organisatie. Het besluit wordt schriftelijk genomen door de overige leden van de raad van toezicht, onder schriftelijke vastlegging van de overwegingen die aan het besluit ten grondslag liggen. Wanneer als gevolg van het vorenstaande geen besluit kan worden genomen omdat het alle leden van de raad van toezicht betreft, neemt de raad van toezicht het ____________________ besluit met algemene stemmen, schriftelijk en gemotiveerd. ___ 10.

De raad van toezicht kan telefonisch, per videoconference of door middel van een _ ander communicatiemiddel vergaderen, mits alle leden van de raad van toezicht die __ aan zodanige vergadering deelnemen elkaar kunnen verstaan. Een lid van de raad ____ van toezicht kan telefonisch, per videoconference of door middel van een ander communicatiemiddel aan een vergadering van de raad van toezicht deelnemen, mits dat lid van de raad van toezicht steeds alle andere leden van de raad van toezicht kan _______ verstaan en door die andere leden van de raad van toezicht wordt verstaan. _____ 11. De raad van toezicht kan ook op andere wijze dan in een vergadering besluiten _____ nemen, mits dit schriftelijk en unaniem geschiedt en alle leden van de raad van __ toezicht in de gelegenheid worden gesteld hun stem uit te brengen. Van elk buiten _______ vergadering genomen besluit wordt mededeling gedaan in de eerstvolgende ___ vergadering, welke mededeling in de notulen van die vergadering wordt vermeld. 12. De leden van het bestuur wonen de vergaderingen van de raad van toezicht bij, tenzij ___________ de raad van toezicht aangeeft zonder het bestuur te willen vergaderen. 13. De raad van toezicht kan met inachtneming van deze statuten een reglement raad van ____________________________________________________________ toezicht.

_________________________________________________ Boekjaar en jaarstukken

______________________________________________________________ Artikel 16 1. Van de vermogenstoestand van de stichting en van al hetgeen verder haar financiën betreft, wordt op zodanige wijze boekgehouden, dat daaruit te allen tijde de rechten en ________________________ verplichtingen van de stichting kunnen worden gekend. _____________________ 2. Het boekjaar van de stichting is gelijk aan het kalenderjaar. __ 3. Het bestuur stelt jaarlijks een begroting op voor het komende boekjaar en legt deze __ voor het einde van het boekjaar ter goedkeuring voor aan de raad van toezicht. Na goedkeuring van de raad van toezicht stelt het bestuur de begroting vast, doch uiterlijk ______________________________________________________ voor één januari. ___ 4. In overeenstemming met de doelstelling en met het oog op de continuïteit van de ______ activiteiten stelt het bestuur voorts een meerjarenbeleidsplan op, alsmede een ________________________________________ bijbehorende meerjarenbegroting. ____ 5. Per het einde van ieder boekjaar worden de boeken van de stichting afgesloten. _ Daaruit wordt door het bestuur een balans en een staat van baten en lasten over het afgelopen boekjaar opgemaakt, welke jaarstukken vergezeld worden van een rapport ____________ van een accountant binnen zes maanden na afloop van het boekjaar. 6.

De accountant wordt door de raad van toezicht benoemd en brengt gelijkelijk aan het ________________ bestuur en de raad van toezicht verslag uit over zijn bevindingen. _____________________________ 7. Het bestuur stelt tevens een bestuursverslag op. 8. De jaarstukken als hiervoor bedoeld worden binnen zeven maanden na afloop van het boekjaar door het bestuur vastgesteld na voorafgaande goedkeuring van de raad van toezicht en ten blijke daarvan door alle leden van het bestuur en alle leden van de raad __ van toezicht ondertekend. Ontbreekt de handtekening van één van hen, dan wordt ___________________________ daarvan onder opgave van reden melding gedaan. _ 9. Het bestuur is verplicht de in de vorige leden van dit artikel bedoelde bescheiden ten _____________________________ volgens de wettelijke bewaartermijn te bewaren. _______________________________________________________ Statutenwijziging ______________________________________________________________ Artikel 17 1. Het bestuur is bevoegd de statuten te wijzigen met voorafgaande goedkeuring van de _____________________________________________________ raad van toezicht. _______ 2.

Voor het besluit van de raad van toezicht tot het verlenen van voorafgaande goedkeuring is een meerderheid van ten minste drie vierde van de geldig uitgebrachte _____ stemmen vereist in een vergadering waarin alle leden van de raad van toezicht aanwezig of vertegenwoordigd zijn. Indien in deze vergadering niet alle leden van de raad van toezicht aanwezig of vertegenwoordigd zijn, zal binnen veertien dagen na het _ houden van de eerste vergadering een tweede vergadering worden bijeengeroepen _ waarin alsdan, mits meer dan de helft van het aantal leden van de raad van toezicht ________ aanwezig is, met een meerderheid van ten minste drie vierde van de geldig ______ uitgebrachte stemmen besluiten omtrent een zodanig voorstel kunnen worden ___________________________________________________________ genomen. ____ 3. Bij de oproeping tot de vergadering, waarin een voorstel tot goedkeuring van de _ statutenwijziging zal worden gedaan, dient zulks steeds te worden vermeld. Tevens ________ dient een afschrift van het voorstel, bevattende de woordelijke tekst van de ____________________ voorgestelde wijziging, bij de oproeping te worden gevoegd. 4. Een statutenwijziging moet op straffe van nietigheid bij notariële akte tot stand komen. __________________ Elk lid van het bestuur is bevoegd deze akte te doen verlijden. 5.

De leden van het bestuur zijn verplicht een authentiek afschrift van de wijziging en een volledige doorlopende tekst van de gewijzigde statuten neer te leggen ten kantore van

_________________ het door de Kamer van Koophandel gehouden handelsregister. ________________________________________________ Ontbinding en vereffening ______________________________________________________________ Artikel 18 ___ 1. Het bestuur is bevoegd de stichting te ontbinden. Ten aanzien van een besluit tot ontbinding van de stichting is het bepaalde in artikel 17 lid 1, 2 en 3 van deze statuten ________________________________________ van overeenkomstige toepassing. _ 2. De stichting blijft na haar ontbinding voortbestaan, voor zover dit tot vereffening van __ haar vermogen nodig is. Gedurende de vereffening blijven de bepalingen van deze ____ statuten zoveel mogelijk van kracht. In stukken en aankondigingen die van haar __ uitgaan, moeten aan de naam van de stichting worden toegevoegd de woorden "in ___________________________________________________________ liquidatie". 3. De vereffening geschiedt door het bestuur, dan wel door een door het bestuur aan te _________________________________________________ wijzen (rechts)persoon. 4. Het bestuur bepaalt de bestemming van een eventueel batig saldo na de vereffening, __ met goedkeuring van de raad van toezicht; deze bestemming moet het doel van de _____________________________________ stichting zoveel mogelijk nabij komen. ___________ 5.

Na afloop van de vereffening blijven de boeken, bescheiden en andere _ gegevensdragers van de ontbonden stichting gedurende zeven jaar berusten onder ___ een door de vereffenaars aan te wijzen natuurlijk persoon of rechtspersoon. Deze ____ persoon is gehouden zijn aanwijzing ter inschrijving op te geven aan het door de ___________________________ Kamer van Koophandel gehouden handelsregister. ___________________________________________________________ Slotbepaling ______________________________________________________________ Artikel 19 _____ 1. Indien binnen de stichting verschil van mening bestaat over de uitleg van enige ___ bepaling van deze statuten, beslist de raad van toezicht met dien verstande dat te _____ allen tijde geldende wet en regelgeving voorrang hebben boven deze statuten. 2. In alle gevallen waarin noch door de statuten, noch door reglementen wordt voorzien, ____________________________________________________ beslist het bestuur. __________________________________________________________ Slotverklaring. _____ Ten slotte verklaarde de verschenen persoon dat van het verhandelde in gemelde ___ bestuursvergadering blijkt uit de notulen, waarvan een uittreksel aan deze akte wordt _______________________________________________________________ gehecht. _________________________________ De verschenen persoon is mij, notaris, bekend.

_____ DEZE AKTE is verleden te 's-Gravenhage op de datum in het hoofd van deze akte vermeld. De inhoud van de akte is aan de verschenen persoon opgegeven en toegelicht. De verschenen persoon heeft verklaard op volledige voorlezing van de akte geen prijs te _ stellen, tijdig voor het verlijden van de inhoud van de akte te hebben kennisgenomen en ______________________________________________ met de inhoud in te stemmen.

_ Onmiddellijk daarna is de akte beperkt voorgelezen en onmiddellijk door de verschenen _________________________________________ persoon en mij, notaris, ondertekend. (Volgt ondertekening) UITGEGEVEN VOOR AFSCHRIFT

Van: Verzonden: Aan: Onderwerp:

Griffie Krimpenerwaard donderdag 4 februari 2021 18:25 'info@stichtingonderwijs.nl' RE: digitale documenten t.b.v. verzoek tot opname in het plan van scholen t.b.v. gemeenteraad Schoonhoven

Opvolgingsvlag: Vlagstatus:

Opvolgen Met vlag

Beste mevrouw Feenstra, Wij hebben uw brief, gedateerd 28 januari 2021 ontvangen. Wij voegen deze toe aan de lijst ingekomen stukken van de raad 16 maart 2021 met het advies aan het college de afhandeling daarvan op te pakken. Van de raad als collectief ontvangt u geen schriftelijke reactie op uw brief. Mogelijk reageren fracties of individuele raadsleden persoonlijk op uw brief.

Met vriendelijke groet,

Griffiemedewerker

Postbus 51 2820 AB Stolwijk Bezoekadres Burgemeester van der Willigenstraat 58 2941 ES Lekkerkerk

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=ccd1da0d-b926-45e9-a04b-494a60b4a810