CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

1.4 Bijlage 2 - Rapportage Uitmijnen of afplaggen - 839294.pdf

Raadsvergadering 8 juni 2022, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: Informatie van het college14.455 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

3.6

Tot hoe laag kan het fosfaatgehalte worden verlaagd door uitmijnen?

Deze vraag is door de korte termijn van onze studie lastig te beantwoorden. Toch is er wel iets over te zeggen. Ehlert et al. (2018) laten op hun uitmijnlocatie op veen (Zegveld) door 13 jaar uit te mijnen de P-Al (in mg P2O5/100 g grond) dalen van 18 naar 8 voor de laag 0-10 cm. Ter vergelijking: onze locatie Veerstalblok had na plaggen in de geplagde plots ook een gemiddeld P-Al getal van 8 mg P2O5/100 g (bijbehorende Olsen-P 238 umol/L). Deze vergelijking met het P-Al getal is natuurlijk een vrij grove vergelijking omdat in veengronden het beter is naar een concentratie per volume eenheid grond te kijken (met andere woorden we nemen aan dat de bodemdichtheid enigszins vergelijkbaar was op beide percelen, maar in een eerdere publicatie wordt voor de proef in Zegveld 0.43 kg/L vermeld voor 0-10 cm, wat inderdaad dicht bij de 0.45 kg/L op onze locatie ligt). Het laat het zien dat men met uitmijnen behoorlijk laag in fosfaatgehalte kan komen, op of in ieder geval dicht bij de streefwaarden voor P van nat schraalland. Daarbij moet echter ook vermeld worden dat Ehlert et al. (2018) een locatie hadden met een schralere uitgangssituatie, en een aantal jaren (ongeveer 6 jaar) door gegaan zijn met uitmijnen hoewel de P-afvoer, mede door een lagere P gehalte in het gemaaide gewas, veel lager was.

28

Uitmijnen of afplaggen voor nat schraalland in de Krimpenerwaard: proefresultaten 2020-2021

4 Discussie 4.1

Gewasopbrengst en -afvoer

De ingezette behandeling van uitmijnen met gras had vrijwel meteen effect, in die zin dat de productiviteit van de betreffende plots hoger werd. Daarmee nam ook de afvoer van fosfor (P) toe. In vergelijking met de controlebehandeling betrof dit een toename van 39 % (eerste jaar) tot 52 % (tweede jaar). Op zich is dit voor dit voor deze eerste twee testjaren een goed resultaat: het uitmijnen had meteen effect en er is meer P afgevoerd. Wat ook positief was, is dat het gehalte aan P in het gemaaide gras van de uitmijnbehandeling niet lager werd in verhouding met de controlebehandeling. Dit gebeurde in uitmijnenproeven op zand, hoogstwaarschijnlijk omdat P één van de eerste nutriënten is die gras opneemt en verdunning optreedt bij een hogere opbrengst, waardoor een verschil in P-afvoer minder groot kan uitvallen dan het verschil in biomassa (Timmermans & Van Eekeren, 2016). Uitmijnen met gras(klaver) in andere proeven leidde tot maximaal 40-45 kg P per ha jaarlijkse afvoer (Timmermans & Van Eekeren, 2016). Dit wordt in deze proef in het tweede jaar gehaald en had zelfs zonder de schapen en ganzenvraat in Veerstalblok (het productieve perceel) nog hoger kunnen zijn. Over de langjarige gewasopbrengst en – afvoer zijn door het korte tijdbestek van deze proef geen resultaten.

In een recente rapportage van een 10-jarige proef in Drenthe nam de effectiviteit van uitmijnen af met de tijd en daalde met name de eerste 5 jaar. Na 5 jaar stabiliseerde deze waarbij gemiddeld 60% meer fosfor werd onttrokken bij uitmijnen dan bij verschralen. De daling in effectiviteit van uitmijnen was het gevolg van een continue daling in het P-gehalte van de vegetatie wat weer werd bepaald door het beschikbaar fosfaat (benaderd met P-Al) in de bovenste 10 cm van de bodem (van Rotterdam et al., 2021). In een fosfaatproef op KTC Zegveld, waar een behandeling van uitmijnen werd meegenomen, nam weliswaar ook de fosfaatafvoer met uitmijnen in de tijd af maar zakte het P-Al getal in 13 jaar van 18 naar 8. Deze snelle daling van het fosfaatgehalte had ook mede te maken met uitgangstoestand van fosfaat in de bodem die weinig door onderlagen werd gebufferd (Ehlert et al., 2018). De gemeten afvoer van 30-47 kg P per ha met lisdodde op de demovelden natte teelten in de Krimpenerwaard was vergelijkbaar of zelfs hoger dan uitmijnen met gras. Geurts et al. (2020) registreerden op verschillende locaties in Europa de P-afvoer van lisdodde en deze varieerden van 5-80 kg P per ha. Pijlman et al. (2019) hebben op KTC Zegveld een P-afvoer met lisdodde gemeten van 8,4 P per ha.

Het langjarige gemiddelde op verschillende proefvelden op KTC Zegveld gaat in de richting van 24 kg P per ha (Bestman et al., in voorbereiding). Het P-gehalte op de demoveldjes was met gemiddeld 2,1 g P per kg droge stof hoger dan gemeten door Pijlman et al., (2019)(1,7 g P per kg droge stof) en het Kgehalte was met 12,9 g (niet geplagd) en 18,1 g per kg droge stof (geplagd) lager dan gemeten door Pijlman et al., (2019) (22,2 g per kg droge stof). Mogelijk had bemesting met kali en eventueel stikstof de P-afvoer op de demovelden in de Krimpenerwaard nog kunnen

Discussie

29

verhogen. Wel moet worden opgemerkt dat dit is gemeten op de demoveldjes die al enkele jaren geleden zijn aangelegd. De teelt van lisdodde heeft een aanlooptijd nodig met een lagere P-afvoer, dit in tegenstelling met gras waar het effect van uitmijnen meteen het eerste jaar in P-afvoer zichtbaar is. Daarnaast is er ook geen ervaring hoe de omstandigheden gecreëerd voor de teelt van lisdodde (waterpeil van 0-20 cm boven maaiveld), na uitmijnen weer kunnen worden omgevormd naar omstandigheden die leiden tot nat schraalland. Mogelijk is dit juist wat betreft waterstand gunstig maar ervaringen tot nu met lisdodde laten zien dat de “bodem” uit een lisdodde perceel verdwijnt en bijvoorbeeld de draagkracht sterk verlaagd (Bestman et al., 2019).

4.2

Bodem

Nadat de plagdiepte was vastgesteld om tot bodemchemische condities te komen die passen bij nat schraalland, is er geplagd. Met het plaggen van 20 tot 30 cm zijn op beide proeflocaties gunstige bodemchemische condities gecreëerd, niet alleen wat betreft fosfaattoestand maar ook voor de basenrijkdom en de buffercapaciteit. De eerste indicaties hiervan in het veld waren dan ook positief: bij de meting van de botanische samenstelling in juni 2021 werden een aantal indicatorsoorten waargenomen voor de overgang naar nat schraalland. Wel was de bodembedekking nog heel laag, wat erop duidt dat de vegetatie nog in ontwikkeling is. De uitgangssituatie voor de behandelingen controle, uitmijnen met gras en uitmijnen met lisdodde was ten aanzien van de fosfaattoestand (Olsen-P en totaal-P) sterk ongunstig. Dit geldt eveneens voor de basenverzadiging en de buffercapaciteit. Na één jaar van behandeling was, zoals verwacht, de fosfaattoestand in de bodem door de gewasafvoer enkel lichtjes afgenomen. Hierbij was de afname hoger bij de behandelingen met uitmijnen in vergelijking met de controle. Bij de behandeling van uitmijnen met gras kan dit verklaard worden door de hogere gewasafvoer in vergelijking met de controle.

Bij de behandeling van uitmijnen met lisdodde heeft dit mogelijk te maken met het verhogen van de waterstand in de lisdodde proefveldjes en daarmee het oplossen van fosfaat en doorstroming van water. Op basis van de gemeten afvoer van fosfor met het gewas en de aanname dat deze afvoer met name in de laag 0-10 cm plaatsvindt, is uitgerekend dat de streefwaarden voor de fosfaattoestand voor nat schraalland cm op beide proeflocaties na 12 tot 14 jaar met uitmijnen van gras gehaald worden (zie Tabel 12). Wat betreft verlaging van de fosfaattoestand zou een tijdbestek van 12 tot 14 jaar passen binnen het streven dat in twee beheerperioden van SNL (2 x 6 jaar) de voorwaarden worden gehaald om het natuurtype nat schraalgrasland te realiseren. Van belang is echter het volgende. Ook al lukt het om met uitmijnen tot een aanvaardbaar niveau voor Olsen-P te komen, dan nog is de kansrijkdom voor het ontwikkelen van nat schraalland vanuit het

30

Uitmijnen of afplaggen voor nat schraalland in de Krimpenerwaard: proefresultaten 2020-2021

huidige maaiveld zeer gering tot afwezig. Dit vanwege de aanwezigheid van de veraarde toplaag. Voor nat schraalland zal de grondwaterstand fors hoger moeten dan die in de huidige situatie is. Vernatting van veraard veen leidt niet tot een basenrijke bodem omdat de veraarding een onomkeerbaar proces is waardoor het adsorptiecomplex (voor kationen) van de bodem niet kan worden hersteld en omdat aanvoer van basenrijk maar voedselarm water in de Krimpenerwaard moeilijk te realiseren is (vasthouden neerslag leidt niet tot aanrijking met basen maar eerder tot uitloging). Er zal zich dus geen basenrijke standplaats kunnen ontwikkelen vanuit een veraarde toplaag. Daarnaast geldt dat in een veraarde bodem de bodemstructuur zodanig is gewijzigd dat deze bij vernatting niet echt zuurstofloos wordt; er zal altijd zuurstof (meer dan in een niet-veraarde bodem) de bodem indringen. Dit zorgt ervoor dat er afbraak van organisch materiaal blijft plaatsvinden waardoor er relatief veel fosfaat beschikbaar komt. Dit wordt ook nog eens extra gevoed door de hoge nitraatconcentratie in de bodem omdat nitraat onder meer anaerobe condities de rol van zuurstof overneemt en er dus alsnog mineralisatie optreedt. De fosfaatbeschikbaarheid blijft daarmee relatief hoog, wat in het voordeel werkt van snel groeiende soorten.

Veel soorten van nat schraalland zijn juist gebaat bij zuurstofloze condities omdat deze soorten onder zuurstofstress anders dan niet gespecialiseerde soorten middels zuren die ze via hun wortels uitscheiden een minimale hoeveelheid fosfaat weten vrij te maken. Voldoende zuurstofstress treedt alleen op in een intacte veenbodem c.q. veenlaag. Dit maakt dat de veraarde of moerige toplaag feitelijk altijd verwijderd dient te worden om weer een basenrijke bodemlaag aan maaiveld (dus als wortelzone) te hebben. Voor de ontwikkeling van nat schraalland dient dus qua bodemstructuur en bodemchemie meer op orde te zijn dan de plantbeschikbare fractie fosfaat (Olsen-P), naast dat natuurlijk ook het preferente grondwaterregime haalbaar moet zijn.

4.3

Mogelijke inrichtings- c.q. beheermaatregelen 1.

Uitmijnen of plaggen werken beide aan fosfaattoestand maar basentoestand is knelpunt bij uitmijnen

Gemeten over één jaar moet de conclusie zijn dat alleen de behandeling plaggen op de korte termijn leidt tot een voldoende mate van de verandering in de fosfaat- en basentoestand. Indien er geen limitatie in de gewasproductie optreedt, kunnen de behandelingen uitmijnen met gras en uitmijnen met lisdodde op de lange termijn (> 10 jaar) leiden tot een gunstige fosfaattoestand. Daarbij is het een onderzoeksvraag of de mate van fosfaat afvoer in absolute zin op peil kan blijven en hoe lang, omdat met de jaren de bodem in alle opzichten verder verschraald (met uitzondering van stikstof en kalium in de behandeling uitmijnen met gras). Omdat er sprake is van verschraling (vooral van basen) zullen bodemorganismen steeds meer moeite krijgen om fosfaat in voldoende mate te mobiliseren in een voor de vegetatie opneembare vorm. Een verbetering in de

Discussie

31

basentoestand valt binnen de behandelingen controle, uitmijnen met gras en uitmijnen met lisdodde niet te verwachten, waarmee de standplaats niet in volledigheid in gunstige zin voor de ontwikkeling van nat schraalland veranderd. Alleen in de behandeling plaggen lijkt de basentoestand verbeterd al zal deze alleen in combinatie met een hoog grondwaterpeil ook op de lange termijn voldoende hoog blijven. 2.

Voor zowel afplaggen als uitmijnen zijn aanpalende maatregel nodig

Voor nat schraalland als ambitie is er het volgende nodig: 

Verlaging van de nutriëntenbeschikbaarheid (met name fosfaat);

Hoge basenbezetting van de bodem;

Hoge grondwaterstand in de natte periode en het voorjaar;

Zaad uit zaadbank of opgebracht maaisel vanuit een donorlocatie. Dat zich soorten uit het gewenste spectrum in de zaadbank bevinden is niet erg realistisch. Hooguit gaat het om enkele meer algemene soorten van vochtige graslanden, soorten zoals die nu ook in de oevers voorkomen.

In Tabel 12 is weergegeven wat de verschillende behandelingen sec doen aan deze randvoorwaarde. Deze weergave is relatief, wat inhoudt dat aangegeven is dat met de behandeling een randvoorwaarde meer of minder binnen bereik komt. Het zegt dus niets over of de randvoorwaarde ook in absolute zin wordt bereikt.

32

Uitmijnen of afplaggen voor nat schraalland in de Krimpenerwaard: proefresultaten 2020-2021

Tabel 12. Randvoorwaarde voor nat schraalland en het effect van de behandelingen in die richting (effect: ++ = sterk positief, + = positief, 0 = geen effect, - = negatief effect) Controle van

Afplaggen

Uitmijnen met gras

verschraling

Uitmijnen met lisdodde

Nutriënten

0/+

++

+

+

Basenbezetting

-/0

+

-/0

-/0

Waterstand

0

+

0

0

Zaad

0

0/+

0

0

Bodemleven

0

-

0

?-

Dit onderzoek geeft aan dat voor de ambitie van nat schraalland, afplaggen het meest kansrijk is op de proeflocaties omdat dit in elk geval op één van de twee locaties tot een voldoende verbeterde basenverzadiging leidde. Ander onderzoek in het gebied (Van Mullekom et al., 2017) laat overigens zien dat op veel locaties in het gebied de huidige basenverzadiging in de laag 0-20 cm niet slecht is. Uitmijnbeheer verandert de nutriëntentoestand, zelfs voor de streefwaarde van fosfaattoestand binnen de gestelde termijn van 2 x6 jaar, maar verandert niet de basenbezetting en de grondwaterstand. De kans dat de basenbezetting negatief wordt beïnvloed door de behandelingen anders dan plaggen en wellicht uitmijnen met lisdodde is niet ondenkbeeldig. De proef heeft hiervoor te kort gelopen om hier harde uitspraken over te doen. Zowel voor aflpaggen als uitmijnen zullen aanvullende maatregelen genomen moeten worden rond het waterpeil en het aanbrengen van geschikt maaisel met zaad. 3.

Bij gunstige hydrologische condities kan plagdiepe worden beperkt

Het plagadvies op beide percelen in dit onderzoek was gebaseerd op alle relevante parameters (P-toestand, basenverzadiging en buffering). Met uitzondering van totaal-P lagen deze parameters in beide percelen vanaf een diepte van 20 cm binnen optimaal bereik (of zeer nabij). Indien het in de praktijk zo is dat 20 cm plaggen tot gunstige hydrologische condities leidt of kan rekenen op een verhoging van de grondwatertoestand, dan is het te overwegen, gelet op de hoge totaal-ijzer en (relatief) hoge totaal-calcium waarden en de gunstige S/(Ca+Mg)- en Fe/P-ratio’s, om het plaggen tot 20 cm te beperken. Weliswaar is de totaal-P waarde dan ongunstig en zal er onder natte condities fosfaat worden gemobiliseerd. Echter, op het moment dat de grondwaterstand weer uitzakt (holle grondwaterspiegel) zal het fosfaat weer worden gebonden. Omdat ook met plaggen van 20 cm de bodemcondities vochtiger worden dan in de huidige situatie, zal de afbraak van organisch materiaal afnemen en daarmee ook de beschikbaarheid van nutriënten. De verwachting is dat de basenverzadiging vanaf een diepte van 20 cm hoog is. De bodem is daarmee weinig verzuringsgevoelig en dit duidt tevens op een hoge basenbeschikbaarheid (voor vorming fosfaat-complexen).

Discussie

33

Daarom is er voor gekozen om de proefveldjes plaggen op beide proeflocaties vanaf de zijde van het midden van het perceel op een oor te leggen door over de midden-slootrichting een plaggradiënt van 10 cm aflopend naar een plagdiepte van 40 cm aan de oever te realiseren. Rudi Terlouw suggereert om strookvormend vochtig hooiland te ontwikkelen bijvoorbeeld door één sloot op hoog peil te brengen, de greppelbuis op de hoog peil sloot aan te sluiten en deels (50% lengte) de greppel en oever onder flauw talud te profileren (zie Bijlage 3). 4.

Uitmijnen of gericht ontwikkelingsbeheer heeft een rol in creëren kruiden- en faunarijk grasland

In veel gevallen zal het niet mogelijk zijn om enkel met uitmijnen en eventueel aanvullende maatregelen de omstandigheden te creëren voor nat schraalland. De referentiewaarden voor de meest relevante bodemchemische parameters voor de natuurtypen vochtig hooiland en kruiden- en faunarijk grasland zijn makkelijk realiseerbaar dan voor nat schraalland en bieden mogelijkheden voor ander ontwikkelingsbeheer (zie ook Bijlage 4). Bijvoorbeeld resultaten op het structuurrijk perceel op Wellepoort, waar de afgelopen jaren een “intensief” verschralingsbeheer begeleid door Rudi Terlouw is uitgevoerd, laten wel zien dat een dergelijk ontwikkelingsbeheer of uitmijnen met gras gebruikt kunnen worden om doelen voor kruiden- en faunrijk grasland te bereiken (zie ook Bijlage 3).

34

Uitmijnen of afplaggen voor nat schraalland in de Krimpenerwaard: proefresultaten 2020-2021

5 Conclusies

In deze proef is een controle van verschraling vergeleken met afplaggen, en uitmijnen met gras en lisdodde. De proef is uitgevoerd op twee locaties binnen de Krimpenerwaard met elk een andere uitganssituatie wat betreft bemestingstoestand en botanische samenstelling: een structuurrijk perceel en een meer productief perceel. De proef is in zijn experimentele vorm pas minder dan twee jaar geleden begonnen (mei 2020), terwijl voor de onderzoeksvragen eigenlijk wel langjarig onderzoek noodzakelijk is. Met deze beperking zal toch zoveel mogelijk gestreefd worden om conclusies te trekken over de mogelijke inrichtings- c.q. beheermaatregelen (behandelingen) om binnen twee beheerperioden van SNL (2 x 6 jaar) de voorwaarden te creëren om op grond van ZHL en PZH het natuurtype nat schraalland te realiseren. 

Uitmijnen met gras kan de fosfaattoestand van de bodem versneld verlagen t.o.v. verschraling met gras. De termijn van uitmijnen met gras is locatie specifiek en afhankelijk van de beschikbaarheid van fosfaat en de totaal hoeveelheid fosfor die door bodemprocessen vanuit de voorraad wordt vrijmaakt voor opname door de plant. Op de twee proeflocaties gaat het minimaal 12-14 jaar duren voordat de specifieke streefwaarde van plantbeschikbaar fosfaat voor nat schraalland is behaald. Uitmiinen met gras verandert niets aan het waterpeil, wat zal moeten worden ingeregeld. Uitmijnen met gras voor het natuurtype nat schraalland kan op de gronden van deze proeflocaties niet voldoen aan de gestelde norm van de basenverzadiging van de bodem. Dit is een gevolg van veraarding en uitspoeling van basen uit de bodem. De structuur van de veraarde bovenlaag op deze locaties is zodanig veranderd, dat deze bij vernatting (zelfs met basenrijk en nutriënten- en sulfaatarm water - condities die in de Krimpenerwaard vooralsnog niet aanwezig zijn) niet tot een basenrijke bodem leidt. Op de huidige proeflocaties kan daarom geen nat schraalland ontstaan met enkel uitmijnen met gras.

Uitmijnen met lisdodde stelt vanaf het begin van de teelt eisen aan het waterpeil. Het groeit optimaal bij een waterpeil van +20 cm en heeft dit waterpeil juist in de vestigingsfase nodig om de concurrentie met andere planten aan te gaan. Door de tragere vestigingsfase zal de groei en daarmee de afvoer van fosfaat pas in het tweede of derde jaar echt opgang komen. De afvoer van fosfaat met een goed ontwikkelde lisdoddestand kan vergelijkbaar zijn met de afvoer van fosfaat met uitmijnen met gras. Door het hogere waterpeil zal het fosfaat in de bodem mobieler zijn en kan de afvoer van fosfaat mogelijk beter stand houden over de jaren dan bij uitmijnen met gras. Netto zal de minimale tijd voor uitmijnen op dezelfde tijdsperiode uitkomen als uitmijnen met gras. Het is onbekend welke bodemconditie uitmijnen met lisdodde achterlaat wat betreft basenverzading en of dit aansluit bij de

Literatuur

35

condities die nagestreefd zouden moeten worden voor nat schraalland, maar de resultaten na één jaar laten vooralsnog geen positieve verandering zien ten opzichte van de controle-behandeling en referentiewaarden voor de basengerelateerde bodemparameters. 

Afplaggen tot en met 20-30 cm leidt op beide proeflocaties tot de gewenste chemische streefwaarden voor plantbeschikbaar fosfaat, totaal fosfor en de basenverzadiging voor nat schraalland. Om deze condities te houden is het belangrijk dat het veen na plaggen niet de kans krijgt om in te drogen en te veraarden. Binnen de NNN Krimpenerwaard is het daarom cruciaal om goed af te stemmen over het toekomstig waterpeil, de plagdiepte, de timing van het afplaggen en de timing van het opzetten van het waterpeil. Daarnaast is het gewenst om “groen” maaisel met zaad van een doelvegetatie op de geplagde zode te brengen. De gewenste soorten ontbreken immers in de zaadbank en de directe omgeving. Dit vereist een goede afstemming van de verschillende werkzaamheden. Als vanaf de aanleg niet aan deze randvoorwaarden kan worden voldaan, leidt ook afplaggen niet tot nat schraalland vanwege het ontbreken van de juiste grondwaterstanden en het juiste soortenspectrum. In dit geval moet gestreefd worden naar een ander natuurtype.

Bovenstaande conclusies gelden voor het natuurtype nat schraalland. Voor vochtig hooiland en kruiden- en faunarijk grasland zijn de referentiewaarden minder streng (Bijlage 4) en zijn er andere inrichtings- en beheersmaatregelen mogelijk. Op de proeflocatie Wellepoort heeft het “intensief” verschralingsbeheer, begeleid door Rudi Terlouw (Bijlage 3), laten zien dat een dergelijk ontwikkelingsbeheer vrij snel kan leiden tot een kruiden- en faunarijk grasland. Uitmijnen met gras zou dit eventueel nog kunnen versnellen of kunnen worden ingezet op percelen met een hogere uitgangssituatie van fosfaat. Daarnaast is het mogelijk om natuurtypen op een perceel te combineren waarbij de randen worden afgeplagd voor nat schraalland of vochtig hooiland en op het midden van het perceel wordt beheerd voor kruidenen faunarijk grasland. Dit is vanuit het oogpunt van beheerbaarheid van het perceel sowieso aan te bevelen.

36

Uitmijnen of afplaggen voor nat schraalland in de Krimpenerwaard: proefresultaten 2020-2021

Literatuur Bestman, M.W.P., J. Geurts, Y. Egas, K. van Houwelingen, F. Lenssinck, A. Koornneef, J. Pijlman, R. Vroom, N. van Eekeren. 2019. Uitmijnen met lisdodden voor het veenweidengebied: Verkenning van de mogelijkheden van lisdodde, riet, miscanthus en wilg. Louis Bolk Instituut, Bunnik. 40 p. Ceulemans, T., C.J. Stevens, L. Duchateau, H. Jacquemyn, D.J.G. Gowing, R. Merckx, H. Wallace, N. van Rooijen, T. Goethem, R. Bobbink, E. Dorland, C. Gaudnik, D. Alard, E. Corcket, S. Muller, N.B. Dise, C. Dupré, M. Diekmann, and O. Honnay. 2014. Soil phosphorus constrains biodiversity across European grasslands. Glob Chang Biol 20:38143822. Chardon, W.J. 2008. Uitmijnen of afgraven van voormalige landbouwgronden ten behoeve van natuurontwikkeling. Een studie in het kader van ‘Bodemdiensten’. Wageningen, Alterra, Rapport 1683, 25 p. Critchley C.N.R., B.J. Chambers, J.A. Fowbert, A. Bhogal, S.C. Rose and R.A. Sanderson. 2002. Plant species richness, functional type and soil properties of grasslands and allied vegetations in English environmentally sensitive areas. Grass Forage Sci., 57:82-92. Deskundigen Advies Team Krimpenerwaard, 2018. (DAT) Plaggen als herstel/inrichtingsmaatregel in de Krimpenerwaard. Advies aan Stuurgroep Krimpenerwaard Ehlert, P., van Middelkoop, J., van Geel, W., de Haan, J., Regelink, I. 2018. Veeljarige fosfaatveldproeven op gras- en bouwland.

Rapport 2906, Wageningen Environmental Research (WENR), Wageningen. 118 p. Geurts, J.J., Oehmke, C., Lambertini, C., Eller, F., Sorrell, B.K., Mandiola, S.R., ... Fritz, C., 2020. Nutrient removal potential and biomass production by Phragmites australis and Typha latifolia on European rewetted peat and mineral soils. Sci. Total Environ. 747, 141102. Pijlman, J., J. Geurts, R. Vroom, M.W.P. Bestman, C. Fritz, N. van Eekeren. 2019. The effects of harvest date and frequency on the yield, nutritional value and mineral content of the paludiculture crop cattail (Typha latifolia L.) in the first year after planting. Mires and Peat. 25(4):1-19. Postma, R., van Rotterdam, D., Hut, H., Warners, H., Blaauw, H., Scheper, A., Hidding, H., Smeenge, H., Verbeek, S., Hofstra, R., de Haas, M.J.G. 2015. Fosfaatuitmijning voor natuurontwikkeling op voormalige landbouwgrond in Drenthe; Eindrapport 2010-2014. Nutriënten Management Instituut NMI B.V., Wageningen. 50 p. Sival, F.P. & Chardon, W.J. 2004. Natuurontwikkeling op fosfaatverzadigde gronden: fosfaatonttrekking door een gewas. Alterra-rapport 1090, Wageningen. 50 p. Timmermans, B.G.H., N. van Eekeren. 2016. Phyto-extraction of Soil Phosphorus by PotassiumFertilized Grass-Clover Swards. J. Environ. Qual. 45:701-708. Van Rotterdam D, R.

Postma, M van Doorn 2021, Natuurontwikkeling Roeghoorn; Resultaten van 10 jaar uitmijnen en verschralen in het beekdal van het Oostervoortschediep, Nutriënten Management Instituut BV, Wageningen, Rapport 1802.N.21, pp 45. Van Mullekom, M., H. Tomassen, M. Poelen & F. Smolders, 2017. Bodemchemisch onderzoek voormalige landbouwgronden noordrand Krimpenerwaard – onderzoek naar de natuurontwikkelingsmogelijkheden. B-Ware, rapportnummer RP-17.105.17.86. In opdracht van Provincie Zuid-Holland.

Literatuur

37

Bijlage 1: Weergave locaties uitmijnproef op kaart Zie onderstaande kaartjes. Geel = Proef Veerstalblok Blauw = Proef Wellepoort Rood = Locatie Piet Blanken Lisdodde

38

Uitmijnen of afplaggen voor nat schraalland in de Krimpenerwaard: proefresultaten 2020-2021

Bijlagen

39

40

Uitmijnen of afplaggen voor nat schraalland in de Krimpenerwaard: proefresultaten 2020-2021

Bijlagen

41

\

42

Uitmijnen of afplaggen voor nat schraalland in de Krimpenerwaard: proefresultaten 2020-2021

Bijlage 2: Logboek Project Uitmijnen of afplaggen 2020-2021 2020 12 mei : Inschatting opbrengst perceel Wellepoort (Veerstalblok) 25 mei: uitzetten proefvelden en bodemmonsters nemen 16 juni: Botanische samenstelling bepalen 2 juni: N- en kalikunstmest op uitmijnplotjes 23 juni: maaien tweede snede van controle en uitmijnplotjes 1 juli: N- en kalikunstmest op uitmijnplotjes 15 juli: aanleg dijkjes voor lisdoddeplotjes en afplaggen plotjes

22 juli: planten van lisdodde 21juli: Bodemmonsters nemen in afgeplagde proefplots 6 augustus: maaien derde snede controle en uitmijnplotjes 7 augustus: maaien maaisel 8 augustus: maaisel verzamelen en aanbrengen op afgeplagde plotjes 22 oktober: maaien laatste snede controle en uitmijnplotjes 2021 31 maart: N- en kalikunstmest op uitmijnplotjes 12 mei: maaien eerste snede van uitmijnplotjes’ 31 mei: maaien eerste snede van controleplotjes 17 juni: Botanische samenstelling bepalen 16 juni: maaien eerste tweede snede van controle en uitmijnplotjes 29 juli: maaien tweede en derde snede van controle en uitmijnplotjes 2 september: maaien derde en vierde snede van controle en uitmijnplotjes 13 september: maaisel lisdodde 13 oktober: maaien laatste snede controle en uitmijnplotjes 15 oktober: Bodemmonsters nemen van diverse plotjes

Bijlagen

43

Bijlage 3: Brief rapport-Pilot verschraling percelen Wellepoort 2021

44

Uitmijnen of afplaggen voor nat schraalland in de Krimpenerwaard: proefresultaten 2020-2021

Bijlagen

45

46

Uitmijnen of afplaggen voor nat schraalland in de Krimpenerwaard: proefresultaten 2020-2021

Bijlagen

47

48

Uitmijnen of afplaggen voor nat schraalland in de Krimpenerwaard: proefresultaten 2020-2021

Bijlagen

49

50

Uitmijnen of afplaggen voor nat schraalland in de Krimpenerwaard: proefresultaten 2020-2021

Bijlagen

51

52

Uitmijnen of afplaggen voor nat schraalland in de Krimpenerwaard: proefresultaten 2020-2021

Bijlage 4: Referentiewaarden voor de SNL-natuurtypen Referentiewaarden voor de meest relevante bodemchemische parameters voor de SNLnatuurtypen: 

N10.01 Nat schraalland

N10.2 Vochtig hooiland

N12.02 Kruiden en faunarijk grasland.

Met < en > is aangegeven of de optimale waarde kleiner of groter dient te zijn dan de aangegeven waarde, met tussen ( ) de suboptimale (acceptabele) waarde. Voor Kruidenen faunarijk grasland zijn er minder kritische parameters dan voor Nat schraalland en Vochtig hooiland. Voor de parameters waar dit voor geldt is dit aangegeven met nk (niet kritisch). In de praktijk is het zelden zo dat alle parameters binnen het (sub)optimale bereik dienen te liggen. Ook hydrologische en beheeraspecten en de aanwezigheid van de juiste zaadbron en/ of het juiste soortenspectrum bepalen mede de haalbaarheid van natuurontwikkeling. Natuurlijk is het wel zo dat hoe beter de parameters binnen het optimale bereik liggen, hoe groter de kans op welslagen is. Bodemparameters

Referentiewaarden natuurtypen Vochtig hooiland

Kruiden- en faunarijk grasland

< 10 (20)

< 20 (50)

< 50

< 300 (500) > 40 (100) > (14) 30 > 50 >5 < 0,67 (4,5) 5 tot 6 (6,5) > 30 > (80) 90

< (700) 800 (1000) > (60) 100 > (20) 30 > 50 >5 < 0,67

< (1200) 1500 Nk Nk Nk Nk Nk

5,5 tot 7,5 > 30 > 90

5,5 tot 7,5 Nk Nk

Eenheid Nat schraalland Totaal fosfor (P) Plantbeschikbaar fosfaat (Olsen-P) Totaal calcium (Ca) Zout-uitwisselbaar calcium (Ca) Totaal ijzer (Fe) Totaal Fe / totaal P Totaal S / (totaal Ca + totaal Mg) pH Organisch stof Basenverzadiging

mmol/ L µmol/L mmol/L mmol/L mmol/L % %

Bijlagen

53

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=55daa1c6-e121-4a2d-9a42-53376350421f