1.31 Bijlage - Proeftuin Magazine.pdf
Tekst van het document
De trots van de
Krimpenerwaard Eenmalig magazine met resultaten uit de Proeftuin Krimpenerwaard mei 2022
Water & bodem
Koeien, gras & kruiden
Mensen & vergezichten
Voorwoord
Inhoud Overzicht Proeftuinprojecten en -experimenten
Hier ligt het dan voor u. Niet zonder trots presenteren wij dit magazine; het overdrachtsdocument van de ‘Proeftuin Trots op Krimpenerwaard’. Het staat vol met wetenswaardigheden en verhalen die we in de afgelopen 4 jaar opgehaald hebben. Het was een spannende periode - een tijd dat de landbouwsector in Nederland en in het bijzonder in de Krimpenerwaard veranderingen moet ondergaan. En waartegen landbouwondernemers massaal op de bres sprongen om de positie van die landbouw veilig te stellen. Ga er maar aan staan. Om de landbouw toekomstbestendig te maken moet er meer aandacht zijn voor klimaat, landschap, milieu en biodiversiteit, vindt Europa. En dit vraagt een grote inspanning van boeren. Het zijn lastige opgaven, waarbij in de veenweidegebieden in de Krimpenerwaard het accent ligt op het voorkomen van bodemdaling en het beperken van broeikasgasemissies. En dan is er nog de stikstofcrisis, de woningbouw, de toename van recreatie en de behoefte aan zoetwaterbuffers in het gebied. Om maar wat te noemen. De druk - de claim op schaarse gronden - neemt aan alle kanten toe. En die grond is grotendeels in het bezit van agrariërs. Het is niet niks om al deze wensen en eisen om te zetten in een robuust plan met als doel een toekomstbestendige landbouw in de veenweiden, waar de agrariërs ook nog een goede boterham kunnen verdienen.
En toch..... hebben we met de Proeftuin gepoogd het vuurtje bij diverse agrarische ondernemers aan te wakkeren. Door de kennis met ze te delen, ze een spiegel voor te houden en ja, soms ook met een schouderklopje.Het moet dan ook worden gezegd: Het verdient groot respect dat vanuit de Proeftuin bij een aantal agrarische ondernemers in de Krimpenerwaard de ogen zijn geopend. Ze benutten het extra zetje om te werken aan een toekomstbestendig bedrijf waar het fijn is (en blijft) om te wonen en te werken. Op deze plek willen we ook waardering uitspreken voor de medewerking en de inzet van de provincie Zuid-Holland en de gemeente Krimpenerwaard. Ook zij kwamen tot het inzicht dat kennis van buiten en nieuwe innovaties kunnen leiden tot het varen van een andere, meer toekomstbestendige koers. Dank ook voor het geduld dat nodig was om de eerste stappen in de transitie naar een meer natuurinclusieve landbouw te zetten. En tot slot bedanken we hier ook de expert- en stuurgroep, die ons als programmateam van raad en daad hebben voorzien en corrigerend werk leverden op de momenten dat we de grip even kwijt dreigden te raken. De eerste fase is nu klaar, maar de volgende fase breekt al weer aan. Een fase waarin de agrarische ondernemers en beleidsmedewerkers de gebiedsprocessen om de stiktofcrisis op te lossen, kritisch moeten gaan volgen.
Want in de gebieden zijn veel tegengestelde belangen. Maar met de opgedane kennis in de Proeftuin moet het lukken om aan de onderhandelingstafel dromen te verwezenlijken.
Frank Lenssinck, programmaleider Proeftuin Trots op de Krimpenerwaard
4
Thema: Vergezichten/mensen 6 Schetsen Transitie Krimpenerwaard 7 Adaptieve denktank en beeldbank 7 Zon in de Krimpenerwaard 7 Mijn Koers 8 Expertgroep 12 Thema: Bodem 13 Grip op draagkracht 14 Klei in veen 16 Met minder druk meer lucht aan de bodem 18 Thema: Water 19 Adaptief watermanagement 20 Grondslag water 24 Thema: Gras/voer 27 Adaptief weiden 28 Hooi(melk) 31 Weidebuffet met kruiden 34 Thema: Koeien 37 Passende koe 38 Duurmelken 41 Adaptieve jongveeopfok 44 Thema: Durf te experimenteren 47 KrimpenerWaardemakers 47 Energierijke gewassen 47 Duurzame kavelpaden 47 Natte teelten 48 Thema: Data 50 Duurzaamheidsdata: feiten en cijfers over de Krimpenerwaard 50 Publicaties 53 Contact 54 Colofon 56
2
3
4
5
Thema: Vergezichten/mensen Mensen maken de veranderingen. De mate waarin mensen zich weten aan te passen aan veranderende omstandigheden is bepalend voor de ontwikkeling van een gebied. Zoals de Krimpenerwaard, een hechte gemeenschap met een rijke geschiedenis en eigen cultuur. Aanpassen aan nieuwe omstandigheden vraagt een gezamenlijke visie/perspectief op de toekomst. En het vraagt van iedere ondernemer om zelf invulling te geven aan de koers voor de toekomst. ‘Doe wat bij je past, binnen de veranderende omstandigheden’ is het centrale vertrekpunt. De Proeftuin heeft via verschillende projecten en activiteiten beweging gebracht; bij mensen en binnen processen in het gebied.
Schetsen transitie Krimpenerwaard Een boom kun je niet van de ene op de andere dag verplaatsen; wil een boom overleven dan moet die zich kunnen aanpassen aan verandering in zijn omgeving. Voor een melkveehouder is dat eigenlijk niet anders; samenwerken met de omgeving en zich kunnen aanpassen aan veranderende omstandigheden zijn belangrijke voorwaarden om toekomstbestendig te zijn. Dat kan door je toekomstvisie te delen en het gesprek aan te gaan om gezamenlijk tot een toekomstvisie te komen voor het gebied. In Schetsen Transitie Krimpenerwaard hebben we met mensen van binnen en buiten de melkveehouderij willen denken in beelden. En dit vertaald naar mogelijke bedrijfstypen, de één dichtbij de bestaande praktijk en de ander daar ver voorbij. Daarin bleek hoe belangrijk het is om die beelden te bespreken met de persoonlijke beelden en visie van ondernemers uit Mijn Koers. Constructief samenspel tussen landbouw en omgeving is een essentiële voorwaarde voor gebiedsontwikkeling.
Adaptieve denktank en beeldbank In het project Adaptieve denktank en beeldbank hebben medewerkers van beleid en uitvoering van de gemeente samen met enkele inhoudelijke experts naar een aantal landbouwonderwerpen gekeken. Doel was om te kijken hoe je kunt checken of deze passen bij de verduurzaming van de landbouw, welke aspecten daarbij een rol spelen en hoe je met betrokkenen hierover in gesprek kunt gaan. Maar vooral ook welke rol de gemeente kan spelen bij de verduurzaming van de landbouw. Aanbevelingen uit dit project zijn: 1. Gebruik Mijn Koers-Krimpenerwaard (zie pag. 8) als startpunt voor het bespreken van de rol van de gemeente in de ontwikkeling van adaptieve landbouw. 2. Geef door middel van een aantal (lunch)lezingen voor gemeente ambtenaren inhoudelijke toelichting op ontwikkelperspectieven die boeren aandragen in Mijn Koers. Zo ontstaat binnen de gemeente een bredere kennisbasis over de landbouw en de mogelijke rol van de gemeente. 3. Formeer een ‘landbouwclub’ van 2-5 beleidsmedewerkers, vergunningverleners, toezichthouders en handhavers van de gemeente. Overweeg om hier provincie en waterschap aan toe te voegen. 4. Geef deze ‘landbouwambtenaren’ de rol van ophaler en antwoordgever in het gesprek met boeren in het traject van Mijn Koers-Krimpenerwaard. 5. Bepaal voor elke vraag welke mensen binnen de gemeente nodig zijn om een antwoord te geven.
Deel de antwoorden met alle medewerkers. 6. Houd een logboek bij waarin alle vragen en antwoorden staan. En welke lessen er zijn getrokken tijdens het proces van zoeken naar antwoorden.
Zon in de Krimpenerwaard De energietransitie vraagt om andere energievormen, ook binnen de landbouw. In een workshop binnen de Proeftuin is verkend wat we kunnen met zonneweides in de Krimpenerwaard en wat de voorwaarden zijn. Hoe kun/wil je als gemeente daarop sturen? Daarvoor zijn de zogenaamde ‘Zonneladder’ en ‘Beleidslijn Zon’ opgesteld. In het beleid wordt gekeken naar brede afweging tussen landschap, capaciteit van het stroomnet, participatie van bewoners en innovatieve oplossingen.
6
7
Mijn Koers: eigen regie in agrarisch ondernemen en toekomstplannen René Schepers, Barend Meerkerk, Els van Westrienen, Teus Verhoeff en Onno van Eijk
“Wie zich het beste aanpast aan de omstandigheden is de meest gelukkige soort’’. Een waarheid als een koe en een vrije vertaling van een citaat van bioloog Charles Darwin (1809-1882). De landbouw staat voor tal van uitdagingen op het gebied van klimaat, water, bodem, natuur en biodiversiteit. Dat vraagt ook inzicht en keuzes van agrarische ondernemers. Hoe ziet een toekomstbestendig boerenbedrijf eruit voor jou? Wat past bij jou als mens en als ondernemer en wat vraagt dat van je? In het project Mijn Koers zijn groepen boeren uit de Krimpenerwaard - begeleid door experts en coaches aan de slag gegaan met hun toekomstplannen.
Opzet en programma
Mijn Koers is een traject waarin groepen ondernemers gezamenlijk en individueel nadenken over hun keuzes voor de toekomst. Ze kijken bij elkaar in de keuken en leren veel van elkaar. De groep wordt begeleid door een coach en op onderdelen worden experts ingezet. In groepen van maximaal 12 ondernemers werkten de ondernemers aan hun eigen koers. Het traject bestaat uit 7 stappen met intervisie en coaching vanuit de begeleiding. De zeven stappen werden in 5-7 bijeenkomsten uitgewerkt, afhankelijk van de groep.
8
1
Stap 1. Mijn Koers: Wat past bij mij als mens en als ondernemer?
2
Stap 2. Mijn Ondernemingsruimte: Wat is de startsituatie van ondernemer en bedrijf?
3
Stap 3. Mijn omgeving: Wat zie ik? Wat zijn de ontwikkelingen?
4
Stap 4. Mijn bedrijf: Sterkte en zwakteanalyse
5
Stap 5. Mijn stip: Perspectieven, wat is mijn richting, wat is mijn stip?
6
Stap 6. Mijn bouwstenen en mijn bouwwerk (Acties korte termijn en lange termijn)
7
Stap 7. Mijn Weg: Plannen van mijlpalen en acties
Mijn Koers: resultaten
Er zijn drie groepen ondernemers met Mijn Koers aan de slag gegaan, met in totaal 24 deelnemers. Iedere groep had een eigen dynamiek, door de verschillende deelnemers en ook door verschil in inhoud en de gekozen koers. Dus de aanpak en invulling verschilde per groep. In de coronatijd is een deel van de activiteiten ook digitaal uitgevoerd, de werkwijze is daarop aangepast. Meer en kortere digitale sessies, gecombineerd met het werken in tweetallen. De invulling van de deelnemers was verschillend, afhankelijk van de startsituatie, omstandigheden en vragen die speelden. Onderstaand schema geeft een overzicht van de Koers die verschillende deelnemers hebben gekozen, met daarbij het motto voor de ‘weg’ die ze hebben te gaan.
“Mijn koers geeft de ondernemers de mogelijkheid over zichzelf, het bedrijf en hun toekomst na te denken, te reflecteren en te dromen. Dat geeft een positieve sfeer, en het is mooi om te zien hoeveel ondernemers hebben aan elkaars ervaringen. Ze helpen elkaar verder. Samen kom je verder, geldt zeker ook voor agrarische ondernemers.” Mijn Koers begeleider René Schepers
Tabel 1: Mijn koers: richtingen van deelnemers.
Mijn Koers Biologisch natuurbedrijf, met tijd voor sociaal leven. Investeren in 2 melkrobots en meer natuur, meer melk van eigen land, koolstofvastlegging.
Motto ‘Dromen, Durven, Doen.’
Begeleiding: groepen werden begeleid door een coach en op onderdelen werden inhoudelijke experts ingezet. Ook is vanuit de groep gewerkt met intervisie, supervisie en maatjes (duo’s).
Optimaliseren van bedrijf, financieel minder zwaar belasten, bedrijf goed doorlichten, voldoende arbeid en voldoende tijd om te kunnen leven.
‘Samen aan de slag met niet harder, maar slimmer werken.’
Bedrijf met 120 koeien, toewerken naar 2 robots, iets meer grond, en dan accent op melken van eigen land, koolstofvastlegging en agrarisch natuurbeheer.
‘Stapsgewijs op weg naar de toekomst.’
Externe oriëntatie: er zijn ook externen bij het proces betrokken en de deelnemers gingen bij elkaar en buiten de omgeving op pad om zich te laten inspireren. Het was een leerproces van een half jaar. Externe oriëntatie was een wezenlijk onderdeel van het proces, het leerde ondernemers anders kijken en denken.
Nieuwe stal die aan deze tijd voldoet. Koeien zijn de passie, kippen zijn leuk om geld te verdienen met eigen verkoop.
‘Kippen voor de pegels, koeien voor het plezier.’
Een melkveebedrijf met een goede snee brood, in 2028 op bedrijf eigen arbeidsloon halen. Extra grond nodig, maximaal 15000 liter melk per hectare.
‘Opstap naar de toekomst.’
Melkveebedrijf met alle ruimte voor weidevogels. Met iets meer grond via melk, natuurbeheer en koolstofvastlegging een goede boterham verdienen.
‘Een weiland zonder weidevogels is als een stadion zonder supporters.’
Koers-sessies: In overleg met de deelnemers zijn er aanvullend zogenaamde koers-sessies georganiseerd rond een thema met een expert van buiten de landbouw. Denk daarbij aan koers-sessies over verdienmodellen, marketing, korte ketens, grond, geluk, energiebalans, duurzaamheid etc.
Zelfvoorzienend voor eigen ruwvoer, meer grond nodig. Over 10 jaar echt hoofdinkomen uit het bedrijf halen.
Materiaal: de deelnemers werkten aan een eigen koers-plan, daarvoor kregen ze een map en werkbladen. Daarnaast werd kennis en informatie overgedragen op verschillende thema’s die aan de orde kwamen. Dat gebeurde in de vorm van praktische hand-outs en digitale doorverwijzing van bronnen en mensen. Presentatie: de deelnemers sloten af met het presenteren van hun Koers, dit kon op verschillende manieren: film, presentatie, brochure, plan etc. Ieder deelnemer maakte een eigen poster.
Over 5 jaar de lokale melkmarkt bedienen met een eigen melklabel en coöperatie van x aantal boeren uit Krimpenerwaard
‘Kijken naar verbetering en zoeken naar mogelijkheden.’ ‘Samen staan we sterk, en komen we er wel.’
Boeren met tweede tak: eigen kippenkar voor verkoop + opleiding voor eigen praktijk aan huis.
‘Een boer heeft altijd meerdere mogelijkheden.’
Meer focus op eigen bedrijf, meegaan met de tijd, nieuwe dingen bedenken.
‘Aanpassen aan omstandigheden, maakt gelukkig.’
Optimaliseren arbeid en melkkoeien. Kaas maken en samenwerken in promotie en verkoop van producten + overdracht van bedrijf aan zoon.
‘Samen op weg naar de toekomst’
Bedrijf met melktap, melkkoeien, camperplaats meer in balans brengen, genieten van de plek en kansen met toeristen benutten.
‘Verbinden en genieten, basis om te verdienen.’
Bedrijf met eerlijk product, beleving en consument centraal. Blijven groeien en ontwikkelen, in balans en netwerk met overheid en consument uitbreiden.
‘Eerlijk, groei en blijven ontwikkelen.’
Eerst gezonde financiering, uitbouwen naar A2 melk en oriënteren op toegevoegde waarde van Natuurinclusief boeren.
‘Zoek naar toegevoegde waarde, voor jezelf en voor de markt’.
Kleinschalig boeren, blaarkop en Natuurinclusief, eigen producten (melk en vlees), winkel aan huis en caravans op de boerderij.
‘Klein maar fijn.’
Kringlooplandbouw: balans vee, land, gebouwen, integreren natuurdoelstellingen met extra verdienmodel, extra paardentak en agrotoerisme.
‘In balans zijn en blijven.’
9
<De weg van de deelnemers> ² <stap 4 >
² <ontwikkelingen, kansen, bedreigingen >
² <stap 3 >
Mijn Koers: presentatie en communicatie
In en rond Mijn Koers is veel aandacht besteed aan de presentatie en communicatie van de koers van deelnemers. De verbinding met je omgeving, de overheden en klanten is essentieel voor de toekomst van de landbouw. Op de website van de Proeftuin zijn diverse filmpjes en bijdragen van de deelnemers van Mijn Koers te vinden.
² <je einddoel / ambitie >
www.proeftuinkrimpenerwaard.nl/mijnkoers
² <stap 2> ² <stap 1 >
“Je hebt allemaal je dromen en wensen voor de toekomst. Door met elkaar en collega’s te sparren en kritische vragen te stellen, krijg je je droom helderder.” ² <waar ga je aan werken? wat ga je ontwikkelen of versterken? > ² <kracht en kwetsbaarheid van je bedrijf nu >
² <jouw talent, plezier en betekenis >
Invulposter voor Mijn Koers-deelnemers om hun route uit te werken.
Mijn Koers: de ervaringen van deelnemers
Deelnemers hebben enthousiast deelgenomen. In onderstaand overzicht feedback en ervaringen van deelnemers: • •
• •
•
•
•
Uitwisseling tussen ondernemers is waardevol; Eerst goed nadenken over wat bij je past, was verrassend. Waarom ben ik boer? Wat geeft mijn plezier? Wat zijn mijn talenten? De vragen over wat past, zijn niet de vragen die ondernemers zichzelf snel stellen; Samen kom je verder dan alleen; Reflectie: het is goed om te reflecteren, het geeft altijd inzicht in waar je staat en welke kant je op wilt. Daar kun je van leren; Sparren: het samen sparren, ook met externen, brengt je op nieuwe ideeën. De externe oriëntatie is belangrijk, maar schiet er in de dagelijkse bedrijfsvoering vaak bij in; Je partner betrekken in zo’n traject helpt, om zo ook van elkaar beter inzicht te krijgen in wat je wilt. Het is toch vaak verrassend; Praktische handvatten: samen en met de begeleiders zet je echt stappen, doordat je het uitspreekt, presenteert en vertaalt in een concreet actieplan.
“Bij Mijn Koers gaat het vooral om wie jij bent als persoon en als ondernemer. Wat brengt plezier? En jezelf een spiegel voorhouden; welke keuzes passen daar dan bij?.”
Mijn Koers: thematrajecten
Naast de 3 groepen met ondernemers zijn binnen Mijn Koers ook 3 thematrajecten gestart en uitgewerkt. Een thematraject is een specifiek onderwerp waarbij de ondernemers, samen met partners gaan kijken hoe je daar invulling aan kunt geven door samen te werken binnen de Krimpenerwaard. Vanuit de groepen van Mijn Koers waren dat de volgende 3 thema’s: 1.
2.
3.
Biologische landbouw: een groep van 12 ondernemers wilde verkennen of je door samen te werken de biologische landbouw in de Krimpenerwaard kunt versterken. Het traject loopt nog. In het voorjaar (2022) worden enkele bijeenkomsten georganiseerd met de ondernemers en experts; Korte keten traject: in een groep met 12 belangstellende ondernemers en vertegenwoordigers vanuit het maatschappelijk veld (o.a. expertgroep) is verkend hoe je verschillende korte keten-trajecten in de Krimpenerwaard kunt versterken en op welke onderdelen samenwerking kan helpen. Er is o.a. gekeken naar de koppeling met het stedelijke gebied (Rotterdam), het verbeteren van de logistiek en de mogelijke meerwaarde van een eigen merk; Gebiedsprocessen en Mijn Koers: de ervaringen van de Mijn Koers-methodiek worden toegepast op de gebiedsprocessen in de regio. Hoe kun je ondernemers meer en beter betrekken bij de maatschappelijke opgaven binnen de gebiedsprocessen? Dit traject krijgt vanuit de gemeente verdere invulling.
Mijn Koers deelnemers Jan en Agatha Voets
Mijn Koers: handleiding erfbetreders
Het is belangrijk dat het nadenken over de eigen koers een vast onderdeel wordt van het ondernemerschap van de agrarisch ondernemer. De rol van de adviseurs, begeleiders en erfbetreders is daarbij cruciaal. Zij zijn vaak de gespreksen sparringpartners van de ondernemers. Om erfbetreders te stimuleren en te helpen om aan de slag te gaan met de methodiek van Mijn Koers is speciaal voor erfbetreders een handleiding gemaakt. De handleiding Mijn Koers wordt verspreid en er wordt een instructiebijeenkomst georganiseerd voor de erfbetreders in het gebied. Doel is om het gesprek over Mijn Koers tussen ondernemers en erfbetreders te stimuleren en tot een vanzelfsprekend onderwerp van gesprek te maken.
“Met Mijn Koers ga je eigenlijk met een soort drone over je eigen bedrijf en je eigen persoonlijkheid heen. Waar ben je mee bezig, waar wil je heen? Doe ik het nog goed, of moet ik iets veranderen? Dat is heel leerzaam en waardevol.” Mijn Koers deelnemer Adrie van Eijk
Mijn Koers deelnemer Niek den Boer
10
11
Experts als spiegel en geweten van de Proeftuin Krimpenerwaard René Schepers, Barend Meerkerk en Aart de Zeeuw
Een groep van ‘deskundigen’ dacht mee en gaf feedback over de Proeftuin Krimpenerwaard. Van supermarktondernemers, vertegenwoordigers van gemeente, waterschappen en natuurorganisaties tot aan agrarische ondernemers: vrijdenkers uit het maatschappelijk veld die functioneerden als de ogen en oren van de Krimpenerwaard.
Rol en doel
De expertgroep is opgericht om mee te denken over invulling van de proeftuin-projecten. Een vrije denkgroep van mensen die op functie en persoonlijkheid zijn gevraagd, met een warm hart voor de Krimpenerwaard. Met als doel mee te kijken naar activiteiten en projecten, en deze te wegen op belang en de impact voor het gebied en haar ondernemers en inwoners. Het was in het begin een beetje zoeken hoe invulling te geven aan die rollen, zonder te veel te sturen op inhoud en uitvoering van projecten.
Werkwijze en activiteiten: • •
•
De expertgroep kwam 3 keer per jaar bij elkaar gedurende de periode van de Proeftuin; Er was regelmatig individueel contact tussen leden van de expertgroep en de Proeftuin met name via het programmateam; De expertgroep heeft ook praktijklocaties bezocht, al werd dat later door corona lastig en bleken fysieke bijeenkomsten ingewikkeld.
Thema: Bodem De bodem is letterlijk en figuurlijk de basis voor de landbouw in het gebied. Een goede, gezonde, vruchtbare en draagkrachtige bodem is een voorwaarde voor goed en duurzaam boeren in de toekomst. In de Proeftuin is dan ook veel aandacht besteed aan de bodem, met nadruk op draagkracht en hoe je bodemdaling kunt voorkomen en afremmen.
Resultaten
De expertgroep heeft op verschillende manieren een rol gespeeld in de proeftuin: • • • • • • •
Agenderen van bepaalde onderwerpen; Ogen en oren van het gebied; Reflectie vanuit wat speelt in het gebeid; Feedback op projecten en plannen van de Proeftuin; Expertkennis inbrengen in projecten of meedenken (o.a. Mijn Koers, Korte Ketens en Streekmerk); Zelf initiatieven en projecten inbrengen in de Proeftuin; Feedback geven aan de stuurgroep.
De waarde
De Expertgroep was van grote betekenis voor de Proeftuin. Het is een groep die functioneerde als geweten voor de Proeftuin en het gebied. Door het sparren en afgeven van signalen, feedback en kritische kanttekeningen heeft de expertgroep de Proeftuin mee vorm gegeven. Een rol die niet onderschat moet worden.
“In de expertgroep zaten mensen uit het gebied met diverse achtergronden: bewoners, ondernemers uit verschillende sectoren, agrariërs, natuurorganisaties, ambtenaren uit gemeente en waterschap. Ieder keek vanuit eigen perspectief naar ontwikkelingen in de Krimpenerwaard. Dat heeft de Proeftuin verrijkt en gezorgd voor een continue kritische blik, opbouwende kritiek en suggesties” Expertgroepbegeleider Aart de Zeeuw
12
13
Effecten van zodedichtheid (%) op insporing 2019
Belang van draagkracht op veenweiden
Effecten 2020
Weeknummers
Weeknummers
30% 50% 70% 90%
Insporing (cm)
Draagkracht op veenweiden is niet alleen de kern voor melkveehouders om te kunnen boeren (lees: maaien en beweiden). Het is ook de crux voor de verhoging van het grondwaterpeil om de bodemdaling te beperken en de uitstoot van CO2 te reduceren - de klimaatopgave. Wat doet de draagkracht van het grasland bij het verhogen van het grondwaterpeil? In het project ‘Grip op draagkracht’ is gekeken naar de factoren die de draagkracht beïnvloeden en de rol van de graszode daarin. Ook bij proefboerderij KTC Zegveld wordt de draagkracht in combinatie met hoog grondwaterpeil onderzocht.
Insporing (cm)
Pedro Janssen en Sjon de Leeuw 30% 50% 70% 90%
Dit project raakt ook aan Adaptief Weiden, Klei in Veen en aan Met minder druk meer lucht aan de Bodem.
Week
Figuur 2: Effect van zodedichtheid in % op de gemodelleerde insporing in een perceel. Bij een hogere zodedichtheid zakt een koeienpoot minder diep weg.
Aanleiding
Bij een hoog waterpeil is de grond gedurende een langere tijd nat. Vocht is een van de meest bepalende factoren in de hoeveelheid draagkracht van een perceel. Het is echter niet eeuwig houdbaar om percelen te ontwateren en zo de draagkracht te verbeteren. Daarom is gezocht naar andere manieren om de draagkracht toch te kunnen verhogen. Dit is de eerste studie waarbij de effecten van vocht, bodem en zode gekwantificeerd zijn voor Nederlandse omstandigheden.
Resultaten en aanbevelingen
Het meest belangrijke resultaat van de metingen die gedaan zijn, is dat vocht het meest bepalend is voor draagkracht. Bij hele natte omstandigheden is er nergens voldoende draagkracht, en bij droge omstandigheden is er overal draagkracht. De ruimte om met managementmaatregelen hierop te sturen, richt zich dan ook vooral op de overgangsperioden. Dus in het voorjaar en in het najaar. Uit het onderzoek blijkt dat de dichtheid van de graszode in deze perioden wel degelijk veel toe kan voegen aan een perceel.
WErkwijze
Om een goed beeld te krijgen van de beïnvloedende factoren op de draagkracht van percelen, is gekeken naar vocht, samenstelling van de bodem en de rol die de graszode speelt. In het voorjaar van 2018, 2019 en 2020 is op verschillende boerenbedrijven in de Krimpenerwaard gemeten. In 2018 is op 24 percelen op 12 bedrijven éénmaal gemeten tijdens de overgangsperiode van nat naar droog. In zowel 2019 als 2020 is gedurende het gehele voorjaar gemeten om het effect van wisselende weersomstandigheden goed in beeld te krijgen. Dit was zeer waardevol aangezien beide voorjaren een heel ander verloop hadden. In 2019 droogden de percelen heel langzaam op terwijl ze in 2020 heel snel opdroogden. Bij het uitzoeken van de bedrijven is gezocht naar een mix voor wat betreft bodemsoorten en bedrijven die vooral maaien of vooral weiden. In deze perioden is gemeten aan de draagkracht van de percelen, het bodemvochtgehalte, de dichtheid van de zode en de samenstelling van de bodem. Om de draagkracht van percelen goed te kunnen meten is een nieuwe meetmethode ontwikkeld die een koeienpoot nabootst. Met deze koeienpoot wordt de draagkracht van een groter oppervlak gemeten in vergelijking met de traditionele meetmethode met een penetrometer. De koeienpoot weegt 8 kg en wordt van op een hoogte van 60 cm losgelaten. Hierna kan gemeten worden hoeveel cm de koeienpoot is weggezakt in de zode. 14
Week
Het meten van draagkracht met de traditionele penetrometer.
De nieuw ontwikkelde koeienpoot methode met het gat dat hij maakt in de zode.
“Draagkracht is een onderwerp wat steeds belangrijker wordt. Aandacht voor het begrijpen en beïnvloeden hiervan loont. Ga het perceel in en voel de draagkracht zelf.” Pedro Janssen, projectleider
Op de bedrijven waar gemeten is, zijn zeer wisselende zodedichtheden aangetroffen. Het perceel met de hoogste zodedichtheid zat op 92% terwijl het perceel met de laagste dichtheid op 24% zat. Hier is dus veel ruimte om als veehouder iets aan te doen. Er is een rekenmodel gemaakt waarmee we de draagkracht hebben voorspeld en hieruit komt naar voren dat dit afhankelijk van het jaar, tussen de 3 en 6 weken kan schelen voordat de koeien naar buiten kunnen. Een veehouder kan verschillende dingen doen om de dichtheid van de zode te verhogen: • Meer weidegang zorgt voor een dichtere zode dan maaien. Door het regelmatig af laten grazen stoelt de zode uit en wordt daarmee dichter. Ook het beweidingssysteem kan hier van invloed zijn. Stripgrazen zorgt voor een meer open zode dan bijvoorbeeld roterend standweiden; • Het laten grazen van schapen in de winter kan voor een dichtere zode zorgen. Dit kan aan het einde van het seizoen toegepast worden wanneer het melkvee niet meer naar buiten kan, maar de schapen wel omdat deze geen vertrapping veroorzaken; • Bij het opnieuw inzaaien van een perceel met grassen, is het verstandig om te kiezen voor goede zodevormende grassen. Diploïde Engels raaigras geeft een dichtere zode dan tetraploïd Engels raaigras. Voor percelen met
•
een zeer slechte draagkracht kan worden gekozen voor een BG11 mengsel met meer zodevormende grassen; Voorkom dat melkkoeien een perceel in gaan als de draagkracht hiervan niet voldoende is. Gebeurt dat namelijk wel, dan ontstaat een negatieve spiraal. Meer schade zorgt voor een minder dichte zode en meer onkruiden, die op hun beurt weer zorgen voor verminderde draagkracht op een perceel. Test de zode met een ‘hakkenproef’: om de tien meter de hak met wat druk in de zode plaatsen. Laat deze een spoor achter in de zode en ondergrond, dan is de draagkracht nog niet voldoende. Dit moet wel door het hele perceel worden gedaan, want de draagkracht binnen één perceel kan nogal verschillen.
Conclusies •
• • •
Vocht is het meest bepalend voor de hoeveelheid draagkracht. Bij veel vocht is er weinig draagkracht en bij weinig vocht is er veel draagkracht; In de perioden daartussen kan de zode een rol spelen. Hoe dichter de zode, hoe hoger de draagkracht; Er is een aantal managementmaatregelen om de draagkracht van een perceel te verhogen; De koeienpootmethode is een verbeterde werkwijze om draagkracht in percelen te meten.
Vocht zorgt voor minder draagkracht.
15
Klei in veen als concept tegen bodemdaling Maaike van Agtmaal, Jeroen Pijlman en Joachim Deru
Een sausje van klei als dressing door het veen - zou dat de CO2 uitstoot door veenafbraak verminderen? Het is een mooie vraag die terugvoert naar de 16e eeuw. Destijds werden er zelfs polders onder water gezet zodat het slib kon bezinken en er een dun laagje klei werd afgezet. Dat dunne laagje klei kan binden met organische stof in veen waardoor het veen beter beschermd is tegen verbranding. In de Proeftuin is onderzocht wat het effect is van het inspoelen van kleideeltjes op de veenafbraak.
Aanleiding
In Nederland zijn grote gebieden met veengrond gedraineerd voor de landbouw en de bouw van woningen. Door een verlaagd grondwaterpeil breekt langzaam de organische stof in de bovengrond af en hebben we te maken met bodemdaling en CO2 emissie. Tot nu toe werden oplossingen vooral gezocht met grondwaterpeilverhoging en drainagemaatregelen. Met ‘klei in veen’ ontstaat mogelijk een nieuw perspectief dat niet rechtstreeks aan grondwaterbeheer is gekoppeld. Bovendien komen jaarlijks grote hoeveelheden schone klei beschikbaar bij o.a. Rijkswaterstaat, waarvoor vaak geen goede bestemming is.
Dit project raakt ook aan Grip op draagkracht.
verschillen te zien tussen kleisoorten en in de tijd. Sommige kleisoorten remmen de afbraak tot bijna 50%, andere soorten laten minder effect zien.
Binnen de Proeftuin is ook in de praktijk de proef op de som genomen. Parallel aan de labproeven is gekeken naar de mogelijkheden voor veldtoepassing van klei in veen bij Marinus de Vries in Stolwijk. Het ging hier vooral om de praktische vragen: Hoeveel klei? Hoe vaak toedienen? In welke vorm verspreiden en wanneer? Om deze vragen te beantwoorden zijn op verschillende momenten in het jaar verspreidingsmethoden uitgeprobeerd. Zo is er in de winter een pilot geweest met verspreiding van ‘vaste klei’ met de meststrooier. Later in het seizoen zijn ook methoden getest met vloeibaar verspreiden. Zo is met de sleepslang en met de baggerspuit een laagje vloeibare kleisuspensie aangebracht op verschillende percelen. Naast ervaringen opdoen met de praktische kant van het verspreiden en de agronomische effecten ervan (wat doet het met de grasgroei en hoe snel is het ‘weg’) werd er ook een proefveld aangelegd voor labmetingen en het meten van de klei-inspoeling. Op dit proefveld zijn verschillende hoeveelheden klei aangebracht.
Uit deze proeven blijkt in elk geval dat de interactie tussen klei en veen een langzaam proces is. Maar ook dat er zeker perspectief zit in het toevoegen van klei in veen met het oog op vermindering van veenafbraak. .
Proof of principle: Van labproeven naar veenafbraak
Een deel van het onderzoek vond plaats in het lab. Het onderzoeksdoel was om te testen of het principe van klei toepassen een effect geeft op veenafbraak. Onder gecontroleerde omstandigheden is klei toegevoegd aan veenkolommen (kunststof buizen gevuld met veengrond) om vervolgens de veenafbraak te volgen door periodiek CO2 te meten. Als controlebehandeling zijn er ook veenkolommen meegenomen waaraan geen klei is toegevoegd, maar die verder dezelfde behandeling hebben gekregen. In de labproeven zijn veel
Spin-off in Friese veenweiden
Binnen en buiten de Krimpenerwaard heeft het project inmiddels navolging gekregen. Zo zijn er als onderdeel van de ‘kleiloterij’ bij de start van het project, ook bij 4 andere melkveehouders in de Krimpenerwaard nieuwe proefvelden aangelegd en is er een vervolgproef gestart bij Marinus de Vries. Bovendien wordt ook op 3 proefvelden in Friesland geëxperimenteerd met klei in veen. In 2022 zullen er nog 5 proefvelden bij komen in Utrecht en Noord-Holland.
Figuur 3: CO2 emissie uit de labexperimenten met 8 kleisoorten (weergegeven als % van controle waarin geen klei is toegevoegd, weergegeven als stippellijn).
Resultaten
We weten dat: • Bijna alle kleisoorten effect geven; • Sommige kleisoorten tot wel >50% reductie van CO2 emissie geven; • Het proces van kleibinding langzaam verloopt, de eerste effecten zijn meestal zichtbaar tussen 6 en 12 maanden na toevoeging klei; • Klei met bestaande machines opgebracht kan worden; • Veldmetingen variabel zijn (maar laten wellicht een eerste effect zien).
Uit de labproeven blijkt duidelijk dat er perspectief is voor kleitoevoeging. Het principe werkt in het lab en geeft bij sommige kleisoorten een sterke reductie van CO2. Maar er zijn ook nog heel veel vragen: Hoe gaat het mixen van kleideeltjes met veen in de praktijk? Is in het veld ook vermindering van veenafbraak te meten? Hoe lang werkt het? Wat is hierbij de rol van het bodemleven? Wanneer moet je klei toevoegen? Welke klei, hoeveel en hoe vaak? En met welke methode en welke veensoorten? Vragen te over. Om op al deze vragen antwoorden te vinden is er een landelijk onderzoekstraject gestart, ‘Klei in veen VIPNL*’, waarin zowel praktische vragen als het mechanisme achter de werking worden onderzocht.
“Klei toepassen als maatregel tegen veenafbraak is veelbelovend, maar er moet nog veel onderzocht worden.” Maaike van Agtmaal, projectleider
Met dank aan fam. De Vries, Ruud van Uffelen, Veenweide Innovatie Centrum (VIC), KTC Zegveld, de Vries BV Stolwijk, Joost Keuskamp (Biont Research), Mariet Hefting (Universiteit van Utrecht).
16
Kleisoort
Hoe verder?
Oud principe, nieuw onderzoek
Ook al gaat het idee al eeuwen terug, er is maar weinig bekend over de interactie tussen kleimineralen en veengrond. Klei is een verzamelnaam voor grond met veel kleine deeltjes (< 2um). De vorm van deze deeltjes, de kleimineralen, zorgt ervoor dat klei een groot uitwisselingoppervlakte heeft. Deze structuur en eigenschappen maakt dat klei veel verbindingen aan kan gaan met organische stofdeeltjes in de bodem. Maar de ene kleisoort is de andere niet, en welke kleimineralen en andere klei-eigenschappen goed kunnen binden aan veengrond, is dan ook onderdeel van het onderzoek.
CO2 emissie (als & van controle zonder klei)
Klei in veen: ervaringen in het veld
*VIPNL: Veenweiden Innovatie Programma Nederland
17
Demoproject: ‘Meer lucht aan de bodem’
Thema: Water
Sjon de Leeuw
Kijk eens in de werktuigschuren bij agrarische ondernemers en je ziet de meest grote, moderne en innovatieve landbouwmachines. Maar wat is de impact daarvan op bodem en gewas? Op verzoek van een Stolwijkse melkveehouder is een velddemonstratie georganiseerd om inzicht te krijgen in de consequenties voor de kwaliteit van graszoden, rijsporen, af- en ontwatering en beweiding.
Aanleiding
Door toenemende schaalvergroting in de landbouw zijn ook de machines steeds meer in omvang en capaciteit toegenomen. Over de impact daarvan op de bodem en de gewasproductiviteit is echter weinig bekend. Draagkracht is een van de speerpunten binnen de Proeftuin. De vraag van Floren de Vries, melkveehouder in Stolwijk, om een praktische velddemonstratie te organiseren, sloot daar goed op aan. Inzicht vanuit de praktijk, voor boeren op veen.
werkwijze
Voorafgaand aan de velddemo is onder melkveehouders geïnventariseerd welke mogelijke problemen er zijn en waardoor deze veroorzaakt (kunnen) worden. Hierbij is er een koppeling gemaakt met het project ‘Grip op draagkracht’ waarbij gedurende 2 seizoenen draagkrachtmetingen in het veld zijn uitgevoerd. Deze inzichten zijn meegenomen in de demonstratieavond in juli 2021, waar de hedendaagse machines de revue passeerden op één van de locaties uit het project ‘Grip op draagkracht’.
Dit project raakt ook aan Grip op draagkracht.
De Krimpenerwaard is een waterrijk gebied. Adaptieve landbouw betekent ook dat je heel goed moet nadenken over hoe je omgaat met water, zowel kwantitatief als kwalitatief. Een onderwerp waarbij naast ondernemers, ook het waterschap en andere overheden een belangrijke rol spelen. In de Proeftuin is een aantal experimenten met adaptief watermanagement gedaan om als ondernemers en waterschap tot vernieuwend waterbeheer te komen, goed voor de landbouw en goed voor de natuur. Een belangrijk onderwerp in de Proeftuin en een thema dat in de toekomst nog veel meer aandacht zal vragen.
Bevindingen en conclusies
De demo liet zien dat de grond kwetsbaar is en gevoelig voor verdichtingen. Naarmate de bandspanningen hoger worden (boven 1 bar) en de druk per cm² boven 1 kg komt, neemt de verdichting fors toe. Dit was goed zichtbaar tijdens de demonstratie die door een grote groep belangstellenden is bezocht. Op basis van de demoresultaten is met de veehouders besproken op welke zaken zij zelf kunnen sturen, zoals: • Afwatering; • Ontwatering; • Kwaliteit en dichtheid graszode; • Vaste rijsporen; • Beweiden (stimuleert dichte graszode); • Niet te zware machines; • Bandenspanning altijd < 1 bar. Voor dat laatste sturingsmiddel (bandenspanning) kregen de deelnemers een sticker mee om in de velg van een relevante machine te plakken, met een duidelijke boodschap.
Demostrook en machines
Om effecten goed in beeld te brengen hebben we een demostrook aangelegd. Deze strook is voorafgaand aan de demonstratieavond tot 15 cm diepte losgemaakt. Achtereenvolgens zijn alle aanwezige machines (diverse mestcombinaties en oogstmachines), twee keer over de teststrook gereden met verschillende bandspanningen. Dit om de effecten van het rijden, berijden en al of niet verdichten goed in beeld te brengen. Dit gebeurde zowel met machines van de melkveehouders als met loonwerkcombinaties. 18
“Een gezonde bodem begint bij gezond verstand. Ga als ondernemer kijken in het land, zowel tijdens werkzaamheden die door jezelf als door de loonwerker worden uitgevoerd. Kijk wat er gebeurt en durf duidelijk te communiceren hierover. Beter vooraf bespreken dan achteraf constateren…” Sjon de Leeuw, projectleider
19
Positieve resultaten waterinfiltratie in proefvelden Krimpenerwaard
Bevindingen •
Barend Meerkerk, Nyncke Hoekstra, Karel van Houwelingen, Teus Verhoeff, Leo Kool en David de Jong
Waterinfiltratie (= onderwaterdrainage) zorgt voor minder bodemdaling en CO2-uitstoot. Bovendien leidt het tot betere ontwatering van percelen in natte perioden. Dat is goed nieuws voor boeren in de veenweidegebieden. Maar wat betekent het in de boerenpraktijk en wat zijn de effecten op draagkracht en grasopbrengst? Om daar meer inzicht in te krijgen zijn vanuit de Proeftuin twee proefpercelen aangelegd bij Krimpenerwaardse melkveehouders voor onderzoek en monitoring vanuit de praktijk.
Aanleiding
Veenafbraak en bodemdaling ontstaan door ontwatering. Een waterinfiltratiesysteem (WIS) is een effectieve manier om dat tegen te gaan. Door in het perceel, onder het slootwaterpeil, drains aan te leggen kunnen deze bij een lage grondwaterstand zorgen voor infiltratie, en bij hoge grondwaterstanden voor ontwatering. In steeds meer veenweidegebeden wordt geëxperimenteerd met waterinfiltratie (WIS). Tijd om ook de economische haalbaarheid en de praktische toepassing van waterinfiltratie te onderzoeken.
Werkwijze
In 2017 zijn op proefpercelen bij twee agrarische ondernemers, David de Jong en Leo Kool in Stolwijk, drainbuizen onder het slootpeil aangelegd. Tot 2021 zijn er op deze proefpercelen metingen verricht naar de grondwaterstand, draagkracht, grasgroei, graskwaliteit en - opbrengst. Het gaat in totaal om 3 ha grasland met ruim 7.000 meter infiltratieslangen op 70 cm diepte bij David de Jong en Leo Kool. Uitgangspunt was om de grondwaterstand in de proefpercelen omhoog te brengen tot minimaal 40 cm onder het maaiveld. In droge
Hans Mulder bij plasdras pomp, speciaal voor de weidevogels.
Dit project raakt ook aan Grip op draagkracht en aan het experiment Weiden bij Hoog Water (van KTC Zegveld).
perioden zakt daardoor het grondwater minder diep weg, waardoor er minder oxidatie optreedt en dus minder broeikasgasemissies. Bovendien wordt door de waterinfiltratie de draagkracht van de bodem in het voor- en najaar verhoogd. Hierdoor kan het weideseizoen worden verlengd en zijn er minder verliezen door vertrapping. Ook houdt de waterinfiltratie in droge zomers (zoals in 2018) het gras groen en fris en blijft de kwaliteit van de zode redelijk goed - waardoor de grasgroei na de droge periode weer snel op gang komt.
Systeem en kosten
Met een drainagebuis wordt in de winter water afgevoerd en in de zomer aangevoerd. Hierdoor blijft de veenbodem vochtig -waardoor er minder oxidatie optreedt. De huidige systemen werken met een centrale put waarin de buizen bij elkaar komen. De put is aangesloten op de sloot. Als het peil gelijk is hoeven er geen pompen en meters te worden geplaatst en dat drukt de kosten. Een dergelijk systeem kost rond de 3000 euro per ha.
1 2 4
Wis en KPI’s
Naast de genoemde voordelen is ook onderzoek gedaan naar het effect van waterinfilitratie op de Kritische Prestatie Indicatoren (KPI’s) in de melkveehouderij, ontwikkeld door de Duurzame Zuivelketen en maatgevend voor een duurzame melkveehouderij. Het gaat dan onder andere om stikstofoverschot in de bodem, eiwit van eigen land, ammoniak- en broeikasgasemissie en natuur en landschap. Het effect op deze indicatoren is positief. Door de waterinfiltratie is het weideseizoen langer, er is minder droogteschade, een hogere benutting van gewasopbrengst, minder mineralisatie, een betere benutting van stikstof en fosfaat uit bemesting door minder af- en uitspoeling en een vochtigere bodem. Dit laatste leidt tot een grotere biodiversiteit. Incidenteel kan de mineralisatie in de bodem negatief uitpakken als er in korte tijd veel regen valt en de bodem verzadigd is met een waterinfiltratiesysteem. Veel van de genoemde effecten zijn echter (nog) niet zichtbaar in het rekensysteem van de Kringloopwijzer, zoals de CO2-uitstoot, stikstofoverschot in de bodem en broeikasgasemissies.
Leren door te doen
Melkveehouder David de Jong experimenteerde met peilgestuurde drainage op zijn bedrijf. Door te ’spelen’ met grondwaterpeil wordt zijn bedrijf minder gevoelig voor weersomstandigheden. “Met de drainage rem ik de bodemdaling, maar ik merk ook andere voordelen, zoals de grasgroei die na een droge periode op het gedraineerde perceel eerder op gang komt.’’, vertelt De Jong op de site van Proeftuin Krimpenerwaard. Hij was vooral benieuwd of door een hoog waterpeil uitdroging en inklinking van het veen wordt voorkomen en of een betere ontwatering in natte perioden leidt tot een verhoogde draagkracht. ,,In het begin was het nog oefenen en uitproberen - want hoe houd je bij droge periodes het grondwaterpeil vlak? Op basis van het weer stel je het systeem bij en dat doe ik vooral op gevoel en ik houd natuurlijk wel het weerbericht in de gaten.’’
David de Jong bij het waterinfiltratiesysteem op zijn perceel.
1 = winterpeil zonder drainagebuis
3 = zomerpeil zonder waterinfiltratie
“Maatregelen om bodemdaling in de veenweiden af te remmen zijn cruciaal voor de toekomst van het gebied en de ruimte voor de landbouw daarin. Ik ben trots op de boeren die willen experimenteren en meedenken over praktische haalbaarheid.“
2 = winterpeil met drainagebuis
4 = zomerpeil met waterinfiltratie
Barend Meerkerk, projectleider
3 Drainagebuis
20
•
Meeste boeren willen aan de slag Het doel van de pilot is om inzichten en ervaringen te delen met andere agrarische ondernemers en bestuurders. Zo konden melkveehouders in het najaar van 2019 een kijkje nemen op het proefperceel van Leo Kool naar de werking en de eerste resultaten. Niet alle melkveehouders zijn overtuigd dat bodemdaling en veenoxidatie een probleem zijn en dat zij daarin een rol spelen. Toch wil een meerderheid (60%) van de boeren die WIS hebben gezien, er wel mee aan de slag. Melkveehouders tevreden, maar bediening mag eenvoudiger Leo Kool en David de Jong zijn tevreden over de resultaten van het waterinfiltratiesysteem - een groter oppervlak mag ermee worden ingericht - al mag de robuustheid nog wel worden verbeterd evenals een eenvoudigere (lees automatische) bediening. Zo vindt Kool het managen van het pompsysteem nog wel lastig, vanwege de storingen die regelmatig optreden en wil De Jong het aantal pompsystemen beperkt houden vanwege de tijd/zin om de individuele percelen op die manier te bedienen. Maar beiden zien dit wel als een oplossing om melkveehouderij op veen toekomstbestendig te maken en te houden.
21
Figuren en tabellen
WIS, weiden en weidevogelbeheer
Nat 2020 Droog 2020 Nat 2021 Droog 2021 Grenswaarde beweiding
2,5
2,0
Draagkracht (MPa)
Verhoging van het grondwaterpeil is een belangrijke factor in het nestsucces en de kuikenoverleving (Teunissen et al., 2012). Deels door vertraagde groei van het gras in het voorjaar en meer ruimte voor kruiden. Dit maakt het grasland beter doorwaadbaar voor kuikens en de kruiden kunnen bijdragen aan grotere insecten die weer een belangrijke voedselbron zijn voor kuikens. Daarnaast kan een hoger waterpeil de beschikbaarheid van regenwormen verhogen. In 2020 en 2021 zijn op een aantal praktijkpercelen met hoog- of laag grondwaterpeil in de Krimpenerwaard metingen uitgevoerd om meer inzicht te krijgen in de beschikbaarheid van regenwormen, de grasproductie en kwaliteit en de draagkracht. Het grondwaterpeil werd wekelijks gemeten in peilbuizen. In 2021 was het waterpeil gemiddeld -35 cm op natte percelen en -55 cm op droge percelen, maar schommelde tussen de 0 cm (na een hevige regenbui in mei en oktober) en -80 cm (na een droge periode in juni).
Grasproductie en kwaliteit
1,5
1,0
0,5
0,0 01-mrt
Draagkracht 01-apr 02-mei
02-jun
03-jul
03-aug 03-sep
04-okt
04-nov
Figuur 5. Verloop van draagkracht op droge en natte percelen in voorjaar en najaar van 2020 en 2021 ten opzchte van de grenswaarde voor beweiding (0,7 MPa).
Beschikbaarheid van wormen voor weidevogels
Het droge voorjaar van 2020 zorgde voor een sterke afname in de beschikbaarheid en bereikbaarheid van regenwormen beter beschikbaar zijn voor de weidevogels. 2021 had een voor weidevogels in de periode van midden maart tot eind veel natter voorjaar, en er waren geen duidelijke effecten van april. Natte percelen (deels met WIS) hadden een hogere verhoogd waterpeil op het totale aantal wormen. Wel was een wormdichtheid en hielden tijdens droogte langer een hoge duidelijke toename van het aantal strooiselbewonende worwormdichtheid in de bovenste 10 cm van de bodem dan droge men te zien in de bovenste 10 cm van de bodem (Figuur 4b). Quote van Barend Meerkerk percelen (Figuur 4a; Den Besten et al., 2021). Bovendien hadDeze wormen zijn zeer interessant voor weidevogels omdat Quote van Barend Meerkerk “Maatregelen ombodemdaling bodemdaling deveenweiden veenweiden afteteremmen remmen zijncruciaal cruciaal voor detoekomst toekomst vanzijn. het den de natte percelen tijdens droogte een lagere indringings- af ze oppervlakkig in de bodem zitten en relatief groot “Maatregelen om ininde zijn voor de van het gebied endan deruimte ruimte voorde delandbouw landbouw daarin. bentrots trotsop opde deboeren boerenininhet hetgebied gebieddie diewillen willen weerstand de droge voor percelen, dit maakt dat daarin. de wormen gebied en de IkIkben
Bij een hoger grondwaterpeil is de verwachting dat de grasproductie wordt geremd, vooral in het voorjaar wanneer een nattere bodem langzamer opwarmt en de mineralisatie en groei langzamer op gang komen. In 2020 en 2021 is de opbrengst op de droge en natte percelen bepaald in kleine maaiveldjes. In geen van beide jaren was er een consistent verschil in grasproductie, stikstofleverend leverend vermogen van de bodem of graskwaliteit. In het droge voorjaar van 2020 was de opbrengst van de eerste snede zelfs iets hoger op natte percelen.
Draagkracht is over het algemeen lager op nattere percelen (Figuur 5). Zeker in het droge voorjaar van 2020 maar ook in 2021 was het effect op de benutting in het voorjaar relatief beperkt en resulteerde in maximaal een paar dagen vertraging in het bereiken van de draagkrachtdrempel voor weidegang. Juist bij verhoogd waterpeil is het dus belangrijk om te zorgen voor een goede dichte zode door het toepassen van beweiding en het vermijden van zware maaisnedes. Het vermijden van een zware snede combineert niet altijd goed met bijvoorbeeld een uitgestelde maaidatum en het is dus zaak om het grasland eventueel vooraf (met voorweiden) of achteraf (met naweiden) extra goed te verzorgen en het bemestingsniveau aan te passen. Daarnaast is het belangrijk om verdichting te voorkomen door goed bodembeheer (zie ook artikel over draagkracht).
experimenterenen enmeedenken meedenkenover overpraktische praktischehaalbaarheid.“ haalbaarheid.“ experimenteren
Droog0-10 0-10cm cm Droog Droog 10-20 cm Droog 10-20 cm Nat 0-10 cm Nat 0-10 cm Nat10-20 10-20cm cm Nat
Aantal regenwormen per m2
700 700 600 600 500 500 400 400 300 300 200 200
250 250 200 200 150 150 100 100 5050
100 100 00
2021:Strooiselbewoners Strooiselbewoners 2021:
Aantal regenwormen per m2
800 800
2020:Totaal Totaalwormen wormen 2020:
15-mrt 15-mrt
07-apr 07-apr Kleisoort
25-apr 25-apr
00
Draagkracht meten met penetrometer: de maximale kracht die nodig is om door de zode heen te drukken. 22-mrt 22-mrt
12-apr 12-apr
03-mei 03-mei
Figuur 4b. in het natte voorjaar van 2021 was er geen effect van waterpeil op Figuur 4a. Sterke afname in het aantal beschikbare wormen voor het totaal aantal regenwormen, maar wel op het aantal strooiselbewonende weidevogels (bovenlaag 0-10 cm) tijdens het droge voorjaar in 2020. Figuur 1. a) Sterke afname in het aantal beschikbare wormenvoor voorweidevogels weidevogels(bovenlaag (bovenlaag0-10 0-10cm) cm) In natte percelen bleven de wormen langer beschikbaar en ook was de Figuur 1. a) Sterke afname in het aantal beschikbare wormen. wormen indringingsweerstand van de grond lager zodat vogels makkelijker met tijdens droge voorjaar in 2020. In natte percelen bleven de wormen langer beschikbaar en ook was de tijdens droge voorjaar in 2020. In natte percelen bleven de wormen langer beschikbaar en ook was de hun snavel de grond in kunnen.
22
indringingsweerstandvan vande degrond grondlager lagerzodat zodatvogels vogelsmakkelijker makkelijkermet methun hunsnavel snavelde degrond grondininkunnen. kunnen. indringingsweerstand b) in het natte voorjaar van 2021 was er geen effect van waterpeil op het totaal aantal regenwormen, b) in het natte voorjaar van 2021 was er geen effect van waterpeil op het totaal aantal regenwormen, maarwel welop ophet hetaantal aantalstrooiselbewoners. strooiselbewoners. maar
23
‘Grondslag Water’ draagt bij aan maatschappelijke discussie over de gevolgen van bodemdaling Youri Egas, Teus Verhoeff en Aart de Zeeuw
In de Krimpenerwaard wordt door agrarische ondernemers volop gediscussieerd over onderwerpen als bodemdaling, broeikasgassen, biodiversiteit en klimaat. Het houdt de boeren in het veenweidegebied bezig. De thema’s hebben één ding gemeen: de grondwaterstand. Maar wat betekent dat eigenlijk en hoe meet je die grondwaterstand? Met het project ‘Grondslag water’ heeft een aantal melkveehouders een start gemaakt met een meetnet - peilbuizen - om het verloop van de grondwaterstand beter in beeld te krijgen.
Aanleiding
Er wordt vaak gesproken over ‘het waterpeil’ in de veenweiden. Maar hebben we het dan over grondwaterpeil of slootwaterpeil? De termen worden vaak door elkaar gehaald en zijn ook verschillend: het slootwaterpeil is zichtbaar, het grondwaterpeil niet. Die laatste is dus het lastigste, een soort black box. Om die de reden hebben de onderzoekers op ruim 60 locaties in de Krimpenerwaard peilbuizen geplaatst die real-time de grondwaterstand monitoren. Dat levert data en inzichten op die helpen bij bewustwording. En ook bij het voeren van een goede dialoog - gebaseerd op kennis over de impact van grondwaterstanden.
Werkwijze: gebiedsdekkende, continue metingen
Het doel is om met gebiedsdekkende, continue metingen van grondwaterpeilen de basis te leggen voor een grondwaterdialoog. Maar ook om input te kunnen leveren in andere discussies waarbij de grondwaterstand een rol speelt. In overleg met melkveehouders, Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard en met PPP-Agro Advies - zijn de locaties verdeeld. Daarbij is rekening gehouden met de ‘raaien’ (slootlijnen) die door het gebied lopen.
Een hoog slootpeil betekent niet ook een hoge grondwaterstand. Dat is een verkeerde aanname. Bij de laatste spelen de bodemeigenschappen een grote rol - denk aan de doorlaatbaar van het veen en hoe ver trekt het slootwater het perceel in? Vaak is dit maar een paar meter. Vandaar de holle grondwaterspiegel in de zomer. De metingen bij de melkveehouders moeten meer inzicht geven over hoe het grondwaterpeil reageert op de eigenschappen van de bodem, maar ook op anderen factoren als het weer en het waterbeheer. Alle uitkomsten zijn interessant. Onder de melkveehouders was veel interesse om mee te doen, om verschillende redenen. “Ik wil nu weleens echt weten hoever het waterpeil in het midden van mijn perceel zakt in de zomer! Volgens mij is dat lang geen meter, zoals door iedereen wordt beweerd.”, aldus een deelnemer. Een ander hoopt op basis van de metingen tegengas te kunnen geven op het overheidsbeleid rond bodemdaling en CO2 uitstoot. “Bodemdaling is hier al eeuwen aan de gang en is nog nooit een probleem geweest.’’, luidde zijn argument.
Figuur 7: Gemiddeld verloop grondwaterstand Krimpenerwaard in de periode maart t/m september 2021
In het voorjaar van 2021 is het meetnet uitgebreid rondom Gouderak. In 2022 wordt het meetnet uitgebreid op de plekken waar nog geen dekking is. Figuur 6: Grondwatermeetnet KTC Zegveld Grondwaterstanden t.o.v. maaiveld Metingen in cm’s
0
1
2
3 km
Grondwaterstand metingen kunnen op verschillende manier worden uitgevoerd en geïnterpreteerd. In overleg met de deelnemende partijen is gekozen voor de volgende meetmethoden: • Focus op laagste grondwaterstand, plaatsing in het midden van het perceel; • Drie peilbuizen per locatie met in de middelste peilbuis een logger/sensor die realtime de verandering van de waterstand meet;
• • •
Peilbuizen van 1,5 meter niet verankerd aan de zandlaag; Inmeten van de coördinaten (x, y, z) van de peilbuizen; Weergeven van de peilbuizen t.o.v. maaiveld.
Op de ruim 60 locaties zijn in het najaar van 2020 tot het voorjaar van 2021 de peilbuizen en sensoren/loggers geplaatst en zijn de peilbuizen ingemeten - grondwaterstand en GPS-coördinaten.
Resultaten
De grondwaterstand wordt sterk bepaald door het weer. Periodes van veel neerslag of juist langdurige droogte beïnvloeden
opentopoachtergrondkaart
24
25
het verloop ervan. Om de metingen goed te kunnen vertalen naar conclusies moet meerdere jaren worden gemeten. Pas dan ontstaat een reëel beeld van de grondwaterstand. Ook vanwege het veranderende klimaat met meer piekbuien en langere periodes van droogte.
Thema: Gras/voer
Van de locaties waar de sensoren/loggers voor de start van het groeiseizoen (15 maart) zijn geplaatst, zijn de resultaten van de metingen en het verloop van de grondwaterstand weergegeven in figuur 7. Het verschil tussen de hoogste en laagste metingen is circa 35 cm. In langjarige metingen van de grondwaterstand die op KTC Zegveld worden uitgevoerd zien onderzoekers terug dat de grondwaterstand in 2021 minder ver wegzakte dan in eerdere jaren. Hoe hoger de grondwaterstand hoe grilliger het verloop lijkt te zijn. Het verschil tussen de hoogste en de laagste metingen is ongeveer 35 cm. Dat voor een goed beeld van de grondwaterstand meerdere meetjaren nodig zijn, blijkt ook bij het bepalen van de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG). Van elk jaar kan de Laagste Grondwaterstand (LG3) worden berekend. Door de LG3 van ten minste acht weerjaren te middelen kan de juiste GLG worden berekend. Daarvoor zijn dus nog zeven jaren nodig. Van de meetpunten waar vanaf de start van het groeiseizoen is gemeten is de LG3 van 2021 berekend. De resultaten van de LG3 in 2021 zijn weergegeven in figuur 8. Om inzichtelijk te krijgen waar in de Krimpenerwaard zich de lagere grondwaterstanden en waar de hogere grondwaterstanden zich bevinden, is per meetlocatie de LG3 aangegeven in de overzichtskaart in figuur 6.
26
Figuur 8: Laagste Grondwaterstand (LG3) -2021.
Gras is de basis van de melkveehouderij. Bij het streven van zoveel mogelijk voer van eigen land ligt de focus op weiden en gras voeren. In de Proeftuin is nadrukkelijk gekeken hoe je het weiden kunt optimaliseren. Hoe krijg je zoveel mogelijk gras in de koe? Het gaat daarbij om vakmanschap maar ook over de samenstelling van het gras en gebruik van kruidenrijke mengsels. De Krimpenerwaard is uitermate geschikt voor grasteelt en weiden.
Inmiddels hebben de onderzoekers al wel een beeld gekregen over het verloop van de grondwaterstand in de verschillende gebieden van de Krimpenerwaard, maar nog onvoldoende om er ‘harde uitspraken’ over te doen. Is de relatie tussen lage grondwaterstanden en een hoge bodemdaling terecht of spelen er andere factoren mee die de bodemdaling beïnvloeden? De metingen in dit project ‘Grondslag water’ kunnen bijdragen aan andere onderzoeken over bodemdaling en veenafbraak en de uitstoot van CO2.
“De resultaten, hoewel nog mager, dragen bij aan de maatschappelijk discussie over klimaat en verduurzaming van de landbouw. Of beter gezegd, door de metingen hebben we de black box op een kier gezet.” Youri Egas, projectleider
27
Beweiden is meer dan gras omzetten in melk Nyncke Hoekstra, Jan Voets en Martine Bruinenberg
Grazende koeien en de Krimpenerwaard zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Koeien zetten gras om in melk. Maar weidegang is meer dan dat; het houdt ook verband met weidevogelbeheer, boeren bij een verhoogd grondwaterpeil*, biodiversiteit (variërend van kruiden en insecten tot bodemleven en weidevogelbeheer) en draagkracht. In het Proeftuinproject ‘Adaptief weiden’ is samen met melkveehouders onderzoek gedaan naar de rol van beweiding en beweidingssysteem binnen deze thema’s. Ook op KTC Zegveld liepen proeven met verschillende beweidingssystemen en koeienrassen.
WErkwijze
Op KTC Zegveld is een beweidingsproef uitgevoerd met vier groepen met ieder 12 koeien waarbij de beweidingssystemen Kurzrasen (KR) en roterend standweiden (RSW) met elkaar zijn vergeleken op verschillende onderdelen, variërend van gras en melkproductie, tot biodiversiteit en draagkracht. Kurzrasen is een soort extreem standweiden-systeem waarbij het gras steeds tussen de 3 en 5 cm hoogte wordt begraasd. Bij roterend standweiden roteren de koeien over 6-7 percelen van gelijke grootte met een grashoogte tussen de 11 en 8 cm hoogte (ook wel Nieuw Nederlands Weiden genoemd). Daarnaast is een aantal demobedrijven in de Krimpenerwaard begeleid bij de beweiding en zijn daarbij grashoogte en melkproductie gevolgd.
Gras en melkproductie
De systeemproef op KTC Zegveld liet duidelijke verschillen zien in productie tussen roterend standweiden (RSW) en kurzrasen (KR). Hoewel de grasproductie op de beweide percelen 29% hoger was voor RSW dan KR (9 en 6 ton droge stof / ha), was de melkproductie per koe en per ha vrijwel gelijk voor beide systemen (Tabel 9). Uit berekeningen bleek dat als rekening werd gehouden met het iets hogere bijvoedingsniveau van de RSW koeien, de melkproductie uit weidegras zelfs hoger was voor KR dan voor RSW. Dit kan worden verklaard door 1) de hogere voederwaarde van KR weidegras (koeien vreten alleen zeer jonge bladspruiten) en 2) hoge benutting van KR weidegras (er zijn nauwelijks weideverliezen in de vorm van vertrapping en bosvorming).
*Zie artikel over waterinfiltratie op pagina 20.
28
Dit project raakt ook aan Grip op draagkracht en aan de projecten Winst en Weidevogels (Louis Bolk Instituut) en Boeren bij Hoog Water op KTC Zegveld
Kurzrasen is een relatief onbekend beweidingssysteem in Nederland, en wordt met name op biologische bedrijven toegepast vanwege het positieve effect op witte klaver. Het beweidingsmanagement vergt wel een grote omslag in denken en kijken, omdat het lijkt alsof de koeien nauwelijks genoeg gras krijgen.
Tabel 9: Resultaten uit de beweidingsproef met kurzrasen (KR) en roterend standweiden (RSW) op KTC Zegveld van 16 april tot 29 september 2018
KR
RSW
(RSW-KR)/RSW X 100%
Krachtvoer (kg / koe / dag)