CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

1.28 bijlage 2b Gebiedskader Krimpenerwaard - RIB gebiedsprocessen.pdf

Raadsvergadering 14 juli 2021, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: Informatie van het college7.557 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Gebiedskader Krimpenerwaard

Bram Bos, Wageningen Livestock Research, versie 3.7,18 juni 2021 bram.bos@wur.nl

1 Inleiding

De Krimpenerwaard is een veenweidengebied van zo’n 11.000 ha in Zuid-Holland en bestaat uit een aantal polders, die goeddeels nog hun oorspronkelijke middeleeuwse verkaveling kennen. De polders liggen ingeklemd tussen de Hollandsche IJssel en de Lek. Melkveebedrijven (144 in 2019) benutten het overgrote deel van het land (9.650 ha) en onderhouden daarmee ook het karakteristieke landschap. Breed leeft de wens om de landschappelijk en cultuurhistorisch waardevolle structuur van de Krimpenerwaard te behouden en waar mogelijk te versterken, en op dit moment zijn de melkveebedrijven daar een belangrijke drager in. Dat behoud is echter niet vanzelfsprekend, omdat er een aantal pregnante uitdagingen zijn voor de Krimpenerwaard, die overigens breder en soms nog sterker gelden voor het gehele veenweidengebied in Nederland. Dat zijn in ieder geval de volgende:  Bijdragen aan nationale opgave reductie broeikasgassen door afremmen bodemdaling  Waterkwaliteit op gewenst niveau van KRW brengen  Waterkwantiteit: in stand houden van een veerkrachtig watersysteem, dat kan omgaan met verdroging door klimaatverandering o.a. door vergroten waterbergend vermogen.  Mogelijk houden en waar mogelijk vergroten van weidegang van melkvee (i.v.m. dierenwelzijn).  Versterking van biodiversiteit en natuur (o.a. maar niet uitsluitend: weidevogels).

In relatie daarmee ook een sterke verlaging van de emissie van stikstof.  Streven naar kringlooplandbouw (LNV)  Versterking van de structuur, en behoud of versterking van het verdienvermogen van de melkveebedrijven in de Krimpenerwaard De gehanteerde volgorde van deze uitdagingen is niet impliciet bedoeld als prioriteitenlijst. De eerstgenoemde, de bijdrage aan de nationale opgave reductie broeikasgassen vormt de aanleiding voor dit stuk en de processen die daaruit volgen. Een deel van bovengenoemde uitdagingen wordt op dit moment al concreet ervaren (denk aan droogte, waterkwaliteit, verdienmodel melkveehouderij, en kwetsbare soortenrijkdom). Desondanks bestaat er over de grootte van deze uitdagingen en de urgentie om er wat aan te doen niet in alle gevallen eenstemmigheid in het gebied. Net als over de vraag of het landgebruik (en de melkveehouderij) in de Krimpenerwaard radicaal van aanzicht moet transformeren, of een geleidelijke adaptatie van de huidige praktijk voldoende zal zijn. Daarbij speelt mee dat het verdienvermogen van de huidige melkveehouderij al jarenlang onder druk staat, er nog geen duidelijke andere (aanvullende) verdienmodellen voor de huidige bedrijven zijn, en de noodzaak tot een forse reductie van de stikstofemissie en -depositie in Nederland de komende jaren druk zal blijven zetten op de toekomst van de sector.

Om die toekomst een positieve richting te geven, werken verschillende overheden (gemeente, provincie, waterschap) en stakeholders (waaronder agrariërs) in en om het gebied samen aan het omvattender Projectplan Gebiedsprocessen Krimpenerwaard, dat bij moet dragen aan de Veenweide-aanpak Krimpenerwaard. De samenwerking wordt sinds de tweede helft van 2020 afgestemd in de Regiegroep Bodemdaling & Klimaat Krimpenerwaard. Er liggen al allerlei voorzetten, ervaringen en materiaal uit eerdere trajecten, zoals de Proeftuin ‘Trots op Krimpenerwaard’, Onderzoek Bodemdaling Krimpenerwaard en de pilotstudie van het College van Rijksadviseurs, maar ook bredere ervaringen elders in het veenweidegebied met

Gebiedskader Krimpenerwaard 3.6

1

bijvoorbeeld Water Infiltratiesystemen (WIS), waarmee in de Krimpenerwaard 21 melkveehouders in Vlist al aan de slag zijn. Daarnaast is een traject ingezet om melkveehouders in de Krimpenerwaard op individuele basis een toekomstbeeld voor hun bedrijf te laten vormen (‘Mijn Koers’).

2 Opdracht

Er is behoefte om van plannen en visies naar (verdere) actie te gaan, maar dan wel vanuit een gezamenlijk beeld van de partijen in en om het gebied. Wat zijn de juiste dingen die kunnen worden gedaan richting 2030 en 2050 (zoals specifieke gebiedsprocessen, kavelruil, zonneparken etc), en waarmee kunnen én willen partijen concreet in actie komen? Dit advies is geschreven op basis van een relatief kort consultatietraject. Het advies geeft weer welke doelstellingen stakeholders concreet hebben voor de Krimpenerwaard voor de periode 2030 en voor de periode daarna, in hoeverre die doelstellingen door stakeholders gedragen worden, en waar doelstellingen nog met elkaar conflicteren. Het advies geeft vervolgens weer welke activiteiten (waaronder gebiedsprocessen) passen in en bijdragen aan de doelstellingen. Het advies betreft primair de omgang met het huidige agrarische buitengebied van de Krimpenerwaard. Alleen waar dat nodig is wordt een relatie gelegd met het Natuur Netwerk Nederland (NNN) en de bebouwde kom.

3 Aanpak

De volgende stappen zijn gezet in het opstellen van dit advies:

3.1 Aanpak in stappen

Doelstellingen in kaart: Op basis van de bestaande documentatie (waaronder toekomstvisies en beleidsdocumenten) en interviews met leden van de regiegroep brengen we de verschillende doelstellingen in kaart, die leven bij verschillende stakeholders, en proberen die zo concreet mogelijk te maken voor de Krimpenerwaard (bv: een nationale klimaatopgave zou gespecificeerd moeten worden voor het gebied). Tijdshorizon: doelen voor i.i.g. 2030 en waar mogelijk ook 2050. Belangrijke notie daarbij is dat doelstellingen in deze fase ook nog strijdig kunnen zijn of lijken. Juist zulke schijnbare strijdigheden zijn een startpunt voor verdere analyse en ontwerp in een eventueel vervolg. De doelstellingen zijn vervolgens besproken met de regiegroep, voor verdere aanscherping en reflectie. Systeemanalyse (desk study): er is in kaart gebracht wat de belangrijkste (functionele, organisatorische of biofysische/ruimtelijke) redenen zijn dat doelstellingen nu nog niet gehaald worden, en wat eventuele tegenstellingen verklaart. De systeemanalyse resulteert in een inventarisatie van belangrijke aangrijpingspunten voor vernieuwing en verandering om de doelen dichterbij te brengen. Dit kunnen ook praktijkexperimenten zijn.

3.2 Over de systeemanalyse

We vatten de Krimpenerwaard op als systeem met een aantal (gestapelde) functies. Vanwege de focus op het buitengebied: fysisch (o.a. bodem, water); biologisch (natuur, bodem, gewasgroei); economisch (landbouw, recreatie); Dat systeem functioneert op dit moment op een bepaalde manier (Ist-toestand), maar om de door partijen geformuleerde urgente doelen te realiseren zal het systeem in meer of mindere mate moeten veranderen. Hetzij via geleidelijke aanpassing, hetzij via een meer ingrijpende transitie. Over de vraag hoe dat systeem er dan uit zou moeten zien (de Soll-toestand) is geen eenstemmigheid. Perspectieven als Panorama Krimpenerwaard en het rapport van het College van Rijksadviseurs (CRa) schetsen weliswaar een wenkend perspectief, maar over de weg ernaar toe, en mate waarin dat radicale veranderingen vereist of niet verschillen de meningen. Prof. Riek Bakker formuleerde in de Strategische Visie Krimpenerwaard (2017) de verschillende posities t.o.v. de

Gebiedskader Krimpenerwaard 3.6

2

noodzakelijk geachte veranderingen in de vorm van drie vergezichten: ‘Het is toch goed zo?’, ‘De schouders eronder’ en ‘Een brede blik’. Er is bovendien sprake van een aantal belangrijke onzekerheden, zoals - De economische volhoudbaarheid van de huidige melkveehouderij (mede afhankelijk van landelijk en Europees beleid) - De mate waarin het stikstof-beleid en het klimaatbeleid verdergaande impact gaan hebben op de melkveehouderij - De hoeveelheid zoet water die in de toekomst beschikbaar zal zijn - De mate waarin bodemdalingremmende maatregelen, zoals water-infiltratiesystemen en klei in veen, daadwerkelijk bijdragen aan CO2-reductie door beperking van veenoxidatie - Aard en omvang van nieuwe verdiensten voor CO2-reductie, C-opslag, en (andere) groenblauwe diensten. In de systeemanalyse wordt – gegeven die onzekerheden – bekeken welke grondoorzaken er zijn voor de geïdentificeerde tegenstellingen tussen doelen. Dat kunnen oorzaken van fysische of biologische aard zijn, maar ook sociaal-economisch. Ook kan het zijn dat zulke grondoorzaken nog niet aan te wijzen zijn, omdat de onzekerheid nog te groot is. Op basis van die grondoorzaken worden mogelijke acties geïdentificeerd voor het gebiedskader.

4 Doelen

Op basis van interviews en bijdragen van de leden van de Regiegroep zijn de onderstaande doelen geïdentificeerd voor het gebied. (Tussen haakjes staan achter elk doel de partijen die daar zich duidelijk over hadden uitgesproken. Ontbrekende partijen zijn echter niet per definitie tegen.) Uitgangspunt voor vrijwel alle betrokkenen lijken de volgende twee doelen: 1. Behoud van agrarische en economische en functionele dragers van het landschap in de Krimpenerwaard. Dit is nu de melkveehouderij, maar kan een breder palet worden. (breed gedeeld, met nuances) 2. Behoud en versterking van het karakteristieke landschap van de Krimpenerwaard (breed gedeeld, met nuances) Dat behoud is echter niet vanzelfsprekend: - Uitdagingen 2030: klimaat, economie landbouw, bodemdaling, stikstof, waterkwaliteit, waterkwantiteit, biodiversiteit - Uitdagingen 2050: klimaat++, bodemdaling++ De overige doelen hieronder zijn vrijwel altijd gericht op die uitdagingen. Klimaat 3. Verlagen uitstoot broeikasgassen als gevolg van oxidatie van veengrond (breed gedeeld) – 2030 4. Zo mogelijk stopzetten uitstoot broeikasgassen uit veengrond (breed gedeeld) – 2050 5. Productie van groene energie (wind, zon etc.) (overheden, agrariërs, nvwk) Water 6. Voldoende water om benodigde agrarische percelen van WIS te voorzien (agrariërs) 7.

Een veerkrachtig watersysteem, waarbij aan- en afvoer van water in balans zijn (waterschap) 8. Goede waterkwaliteit, zowel in de zomer als in de winter (agrariërs, overheden, waterschap) Landbouw 9. Robuuste verdienmodellen voor maatschappelijke en ecologische diensten van melkveehouderij (agrariërs, nvwk)

Gebiedskader Krimpenerwaard 3.6

3

10. Behoud ontwikkelingsmogelijkheden van melkveehouderijbedrijven die door willen (agrariërs) 11. Maatschappelijke waardering voor wat er nu al gebeurt door agrariërs in het gebied (agrariërs, gemeente). Natuur & biodiversiteit 12. Natuur Netwerk Nederland (NNN) Krimpenerwaard gerealiseerd (provincie, waterschap) – 2027 13. Biodiversiteit versterken langs de slootranden (provincie, gemeente, agrariërs, nvwk) 14. 50% reductie emissie stikstof in 2030/2035 (nl. bijdrage gebied aan algemene achtergrondbelasting) – (provincie; rijksoverheid) 15. Robuuste populaties karakteristieke weidevogels (agrariërs, nvwk) Infrastructuur en watersysteem 16. Tegengaan bodemdaling as such, vanwege infrastructuur en houdbaarheid watersysteem (gemeente, provincie, waterschap)

5 Tegenstellingen

Op grond van de doelstellingen in de voorgaande paragraaf zijn de volgende mogelijke tegenstellingen tussen die doelen geïdentificeerd. Deze tegenstellingen zijn bedoeld om te zien waar de schoen wringt, om vervolgens in de verdere analyse hieronder te kijken of en hoe dat kan worden opgelost. Ze zijn dus niet in steen gebeiteld of per definitie onoverbrugbaar. - Behoud landschap vs. nieuwe ontwikkelingen (zoals zonneparken, windmolens en andere teelten) - Behoud (huidige vorm van) melkveehouderij vs. beperken CO2-uitstoot en bodemdaling indien dat geschiedt door peilverhoging. - Agrarisch natuurbeheer (o.a. slootranden) vs. verdienste daarvan - 50% reductie stikstof vs. behoud (huidige vorm en omvang van) melkveehouderij - Zonneparken vs. Biodiversiteit [mogelijk risico] - Watervraag voor WIS op grote schaal vs. veerkrachtig watersysteem [en watervraag elders] - Grote peilvakken vs. Variatie in drooglegging binnen één peilvak en de wens tot aanpassing drooglegging

6 Systeemanalyse

In de systeemanalyse wordt ingegaan op de onderliggende redenen voor de tegenstellingen, en redenen voor het nu nog niet halen van de doelstellingen. Daarbij worden ook onzekerheden (in kennis en feiten) geïdentificeerd. 1. Behoud landschap vs. nieuwe ontwikkelingen (zoals zonneparken, windmolens en andere teelten) - Tegenstelling bevindt zich primair in de sociaal-culturele laag. - In absolute zin onoplosbaar als behoud landschap betekent dat dit landschap volledig hetzelfde moet blijven. - Zo absoluut is dat echter niet: - Het huidige landschap kent ook mooiere en minder mooie plekken. Graslandbeheer verschilt ook per melkveehouder. - Nieuwe ontwikkelingen hoeven niet overal, niet op elke plek. - Het landschap is altijd geleidelijk veranderd. Gewenning. - Nieuwe teelten hebben een ander ‘landschaps-effect’ dan windmolens en zonnepanelen, en zullen dus ook een ander type verzet of steun opleveren.

Gebiedskader Krimpenerwaard 3.6

4

-

Accepteren dat het landschap kan veranderen biedt serieuze kansen voor het economisch doorontwikkelen van de landbouw;

2. Behoud (huidige vorm van) melkveehouderij vs. beperken CO2-uitstoot en bodemdaling indien dat geschiedt door peilverhoging - Tegenstelling tussen biofysische toestand grasland en economische praktijk en verdienmodel van huidige melkveehouderij. - Tegenstelling is overbrugbaar, maar vergt hetzij een (deels) ander verdienmodel voor de melkveehouderij, hetzij technische aanpassingen aan de bodem (WIS/Klei in Veen), of allebei. Beide aspecten kennen onzekerheden. - Zwaarte en urgentie van tegenstelling is ook afhankelijk van specifieke gebied:  Mate van drooglegging  Mate van bodemdaling (verschilt per gebied) 3. Agrarisch natuurbeheer (o.a. slootranden) vs. verdienste daarvan - Primaire tegenstelling is vooral economisch van aard. Betreft de kosten van arbeid aan agrarisch natuurbeheer versus de vergoedingen daarvoor. Dat is zowel bij slootranden als bij weidevogelbeheer het geval. Verminderde opbrengst van natuurlijke slootranden lijkt van secundair belang (omdat die randen toch al kwetsbaar zijn, en zelfs minder kwetsbaar worden door natuurvriendelijker oevers). - Tegenstelling is overbrugbaar; de vergoedingen zouden natuurlijk omhoog kunnen, maar intrinsieke motivatie bij agrariërs en de mogelijkheid om zelf te sturen op de wijze en plek van uitvoering is ook van belang. Vraag is of het huidige sturingsmodel daar voldoende ruimte voor biedt. Signalen bv.

dat provincie stuurt vanuit kaarten, en niet vanuit de praktijk.  Aandacht voor geld + onderzoek sturingsmodel gericht op outcome. 4. 50% reductie stikstof vs. behoud (huidige vorm en omvang van) melkveehouderij Melkveehouderij in Nederland verantwoordelijk voor bijna de helft van de ammoniakuitstoot uit de veehouderij. Die emissies ontstaan zowel in stallen en mestopslagen als bij mestaanwending. Ammoniak is een probleem als het neerslaat in stikstofgevoelig natuurgebied. Daarnaast is het een voorloper-molecuul (‘precursor’) voor secundair fijnstof. De aard en reikwijdte van het stikstofbeleid van de nationale overheid is momenteel onderwerp van hevig debat. Er lijkt politieke overeenstemming dat op de middel-lange termijn (2035) een reductie tot 50% moet worden gerealiseerd, maar juridische procedures kunnen de overheid uiteindelijk dwingen tot een veel snellere reductie. Er zijn technische aanpassingen aan stallen en mestopslagen om de ammoniak-emissie te reduceren (waaronder ‘emissiearme vloeren’), maar hun goede functioneren in de praktijk (zeker op de wat langere termijn) wordt van diverse kanten betwijfeld. Hoe dan ook zijn de meeste van deze technische aanpassingen vooral kostenverhogend voor de melkveehouder.

In het management van de melkveehouderij is nog het nodige te halen, door bijvoorbeeld minder stikstof (in de vorm van eiwit) te voeren, of verdunde mest uit te rijden (cf. Proeftuin Veenweiden). Dat kan, bij een juiste bedrijfsvoering, soms zelfs kosten schelen. Dergelijke managementmaatregelen worden in de huidige regelgeving echter nog niet ‘beloond’, vanwege het gebrek aan borgings-mogelijkheden. Dit zal vermoedelijk wel veranderen in de toekomst. Linksom of rechtsom zal stikstof impact hebben op de huidige vorm (en wellicht ook de omvang) van de melkveehouderij in de Krimpenerwaard. - De tegenstelling komt voort uit de huidige aard van de melkveehouderij (m.n. de stallen en mestopslagen), en de bijna onvermijdelijke maatschappelijke noodzaak om de stikstofdepositie in natuurgebieden fors te verminderen. - De tegenstelling is in theorie (deels) op te lossen langs verschillende routes:

Gebiedskader Krimpenerwaard 3.6

5

-

technologische innovatie (andere vloeren, andere mestopslagen, dagontmesting + mestverwerking op het bedrijf of elders etc.). In het algemeen kostprijsverhogend. - managementmaatregelen: minder stikstof-aanvoer, minder stikstof in het voer, meer weidegang etc. Vakmanschap nodig, dan mogelijk saldo-neutraal. - extensivering: minder dieren per hectare, minder NH3/ha. Minder inkomsten, tenzij in ander marktconcept. - Samen met de druk om methaan-emissies uit de melkveehouderij te reduceren, zal het stikstofdossier behoorlijk bepalend zijn voor de toekomst van de melkveehouderij, ook in de Krimpenerwaard. Alle plannen moeten rekening houden met die ontwikkelingen. De drie routes hierboven kaderen de mogelijkheden op andere fronten ook al behoorlijk in. 5. Zonneparken vs. Biodiversiteit [mogelijk risico] Sommigen beschouwen zonneparken als een risico voor de biodiversiteit ter plekke. Anderen zien juist kansen voor biodiversiteit en bodemherstel, maar eenduidigheid is er nog niet. De gemeente heeft wel een opgave voor de productie van hernieuwbare energie in het kader van de RES. “Eerst de daken volleggen” klinkt logisch, maar blijkt in de praktijk vaak lastig vanwege bouwtechnische voorwaarden (sterkte dak) en onverzekerbaarheid, m.n. bij bedrijfs-onroerendgoed.

Zonneparken kunnen op specifieke plekken juist ook een kans zijn om melkveebedrijven economisch in de benen te houden en tegelijk te werken aan zwaardere natuurdoelen. 6. Watervraag voor WIS op grote schaal vs. veerkrachtig watersysteem [en watervraag elders] Water Infiltratie Systemen (WIS), ook wel aangeduid met onderwaterdrainage (OWD), is één van de manieren om bodemdaling tegen te gaan en de emissies van broeikasgassen door veenoxidatie af te remmen. Naast WIS zijn er ook andere maatregelen met hetzelfde beoogde effect, zoals Klei in veen en Vernatting + natte teelten. Er bestaat bij veel melkveehouders in de Krimpenerwaard enthousiasme om een vorm van WIS toe te passen op hun gronden. Dat kan ‘gewone’ onderwaterdrainage zijn of drukdrainage. Door middel van onderwaterdrainage kan het grondwaterpeil onder een perceel vlakker worden gehouden, en m.b.v. drukdrainage kan dat grondwaterpeil zelfs hoger worden opgezet dan het (sloot)peil in de omliggende sloten. Dat heeft als voordeel dat de drooglegging minder groot hoeft te zijn om een berijdbaar en beweidbaar land te hebben. Voor melkveehouders levert dat met name in het vroege voorjaar en in de nazomer/herfst een voordeel op, omdat er eerder of langer geweid en gemaaid kan worden. Dat maaien kan door WIS ook beter getimed worden, zodat weidevogelbeheer makkelijker is in te passen.

Een maatschappelijk voordeel is daarnaast dat WIS de bodemdaling vertraagt, en daarmee naar verwachting ook de uitstoot van broeikasgassen uit de veenbodem. Om die reden wordt er her en der druk geëxperimenteerd met WIS (o.a. in Vlist), met een forse collectieve bijdrage. Tegelijkertijd zijn er onzekerheden over de effectiviteit van de techniek, m.n. wat de daadwerkelijke reductie van broeikasgassen betreft. Voor melkveehouders kan WIS bovendien ook een nadeel opleveren, omdat de percelen op momenten van hevige regenval minder buffercapaciteit hebben. Een belangrijk nadeel van WIS voor het watersysteem is de grotere watervraag. Door het grondwaterpeil onder het perceel vlakker en hoger te houden zal ook de verdamping via het gras toenemen. Die toenemende watervraag is niet per definitie zeker te dekken, en is ook mede afhankelijk van de mate waarin WIS wordt toegepast in het gebied. Zoet water wordt nu al betrokken uit de Lek. Daar bovenop komt, dat het zoete water dat ingenomen wordt uit de Lek niet alleen bedoeld is voor de Krimpenerwaard, maar ook voor gebieden aan de andere kant van de Hollandse IJssel. Het waterschap voert water door de Krimpenerwaard naar de Hollandse IJssel om daarin te voorzien. WIS in de peilvakken rond die doorvoer onttrekt water zonder dat het waterschap daarin een

Gebiedskader Krimpenerwaard 3.6

6

verdeling kan maken, met als risico dat er aan het einde van de doorvoer te weinig water overblijft voor de andere gebieden. Overigens zij opgemerkt dat elke vorm van vernatting (dus ook een generieke peilverhoging zonder meer) tot een verhoogde watervraag zal leiden. Dit is dus geen exclusief vraagstuk voor WIS. - De tegenstelling is primair fysisch van aard (waterbeschikbaarheid), maar de scherpte ervan is afhankelijk van een aantal factoren, die beïnvloedbaar zijn: a. De mate waarin WIS wordt toegepast in het gebied bepaalt de omvang van de toename b. Deel van het probleem schuilt in het open systeem van de doorvoer en de omliggende peilvakken, waardoor water ook onttrokken wordt als het niet per se nodig is. Daarnaast zijn er onzekerheden en onduidelijkheden die de scherpte van de tegenstelling beïnvloeden: c. De daadwerkelijke omvang van de watervraag ín het gebied en de watervraag elders die door het gebied moet worden geleid. d. De mogelijke toekomstige afname van de aanvoer van zoetwater via de Lek, met name in de zomermaanden 7. Grote peilvakken vs. variatie in drooglegging binnen één peilvak en de wens tot aanpassing drooglegging De Krimpenerwaard kent, in vergelijking met andere polders bij andere waterschappen, een gering aantal peilvakken.

Dat is bewust beleid geweest van het waterschap, om het watersysteem eenvoudig en robuust te houden, en de waterkwaliteit beter te kunnen waarborgen. Die (relatieve) eenvoud van het watersysteem in de Krimpenerwaard kan lokaal botsen met een behoefte aan meer maatwerk. Bijvoorbeeld omdat een relatief laag gelegen perceel in een peilvak vaker (te) nat zal zijn naar de behoefte van de gebruiker. Die eenvoud maakt het vanuit het perspectief van het waterschap ook lastiger om de watervraag van percelen die voorzien zijn van WIS te kunnen beheersen (zie boven onder punt 6). - Verschillende waterschappen hanteren verschillende aantallen peilvakken. Deels is dat historisch zo gegroeid, deels uit noodzaak door de ruimtelijke indeling van polders. Een groter aantal peilvakken in de Krimpenerwaard is weliswaar niet ondenkbaar, maar zou een wel een tamelijk fundamentele verandering in het beheer van het watersysteem door het waterschap betekenen. - Relatief laag gelegen percelen zouden ook met peilgestuurde drainage beter benutbaar kunnen worden, zonder verkleining van het peilvak. - Kleinere peilvakken zouden op de kortere termijn lokaal weliswaar meer mogelijkheden voor sturing geven, maar het is de vraag of die gunstig zijn op de langere termijn, uitgaand van het doel van stopzetten van bodemdaling en de navenante veenoxidatie uiterlijk in 2050.

- Als WIS wordt opgevat als een techniek om tijd te kopen om toe te groeien naar een ander economisch model voor het agrarisch gebied, is de vraag gerechtvaardigd of je de structuur van het watersysteem daarvoor fundamenteel moet wijzigen. - Het lijkt al met al daarom niet verstandig om in te zetten op verkleining van peilvakken.

7 Advies op hoofdthema’s 7.1 Lange termijn & korte termijn

Zoals ook al aangegeven in hoofdstuk 4 zijn er een aantal formidabele uitdagingen die behoud van het bestaande gebruik van het buitengebied in de Krimpenerwaard niet vanzelfsprekend maken. Met name het tegengaan van klimaatverandering en het versterken van de biodiversiteit zullen maatschappelijk, politiek en juridisch hoe dan ook hun stempel gaan drukken, ook op de aard en eventueel omvang van de veehouderij.

Gebiedskader Krimpenerwaard 3.6

7

Zo lijkt het onafwendbaar dat veenoxidatie uiterlijk in 2050 stopgezet moet zijn in het kader van het tegengaan van klimaatverandering. Met de kennis van nu betekent dat tegen die tijd het peil niet meer wordt geïndexeerd met de daling van de bodem. De daarmee hoogstwaarschijnlijk gepaard gaande vernatting heeft aanzienlijke gevolgen voor de manier waarop die bodem gebruikt en benut kan worden. Het is verstandig om de komende jaren te werken aan vormen van (agrarisch) gebruik die economisch volhoudbaar zijn onder die omstandigheden, naast de ruimte die moet worden geboden voor nieuwe maatschappelijke en economische functies die daarin passen. Of dat agrarische gebruik ook een vorm van melkveehouderij kan zijn is niet zeker. In dit advies wordt dit echter wel verondersteld, onder meer vanwege de breed levende gedachte dat herkauwers een functie zullen blijven hebben in het nuttig landbouwkundig gebruiken van de veenweiden voor de voedselvoorziening. De manier waarop zal echter wel veranderen. In het geval van stikstof is de urgentie niet eens meer afhankelijk van de politieke wind, maar een juridische noodzaak. Los van de discussie over piekbelastingen nabij Natura2000 gebieden, is een algehele reductie uit landbouw, verkeer en industrie van meer dan 50% (en mogelijk zelfs 70%) tegen 2035 noodzakelijk (zie o.a. Remkes).

Richting 2030 is het daarom zaak om ook voor de Krimpenerwaard al rekening te houden met een bedrijfsvoering in de melkveehouderij die een veel lager stikstofverlies heeft (naar water en lucht). Investeren in de ontwikkelingsmogelijkheden van melkveehouderij in de Krimpenerwaard door provincie, gemeente en waterschap gebeurt dan ook idealiter op basis van het criterium dat die ontwikkeling een emissiearmere melkveehouderij mogelijk maakt of (op zijn minst) niet in de weg zit. Daarbij zijn er voor de periode tot 2030 ruwweg drie ontwikkelingsrichtingen denkbaar: 1. Het klassieke model: intensivering en schaalvergroting, mede om investeringen in emissiearme technieken mogelijk te maken. Zulke investeringen zijn voor individuele ondernemers echter alleen mogelijk als ze gesubsidieerd worden door het Rijk, en leiden tot een verder toename van vreemd kapitaal in het bedrijf. 2. Tussenvariant daarop: groei op verschillende (bestaande) bedrijfslocaties. Investeringen in emissiearme technieken zijn ook dan nodig, en waarschijnlijk duurder per dierplaats dan op één locatie. 3. Het alternatieve model: bedrijf inrichten op ‘emissiearmere bedrijfsvoering’, waarbij emissies primair via managementkeuzes (en niet via kostbare techniek) worden beperkt. Denk aan geen kunstmest; veel meer weidegang dan standaard; mest verdunnen met water; voeren met lager ruw eiwit.

Deze variant sluit het best aan bij de door LNV gewenste transitie naar ‘kringlooplandbouw’. Deze variant kan eventueel leiden tot extensivering (in de zin van minder koeien per hectare) maar dat hoeft niet. Gegeven onder meer de ruimtelijke uitdagingen van het gebied, het toch al bestaande kostennadeel voor melkveehouderij in het veenweidengebied, de nog relatief kleine schaal van veel bedrijven in de Krimpenerwaard en de maatschappelijke wens tot weidegang, lijkt het verstandig om de gezamenlijke inspanningen te richten op het mogelijk maken van en het leren over de derde richting. Dat sluit individuele bedrijfskeuzes voor een andere richting niet uit. Het advies is alleen om middelen en instrumenten in de komende jaren vooral in te zetten op het mogelijk maken van deze derde richting. Na 2030 zijn het naar verwachting deze bedrijven die in staat zijn om de volgende sprong te maken naar een bedrijfsvoering die is aangepast aan de omstandigheden in 2050, omdat ze in termen van management veel sterker gericht zijn op het benutten van de resources die er lokaal beschikbaar zijn, en minder afhankelijk van het optimaliseren van die resources voor een maximaal productievolume.

Gebiedskader Krimpenerwaard 3.6

8

7.2 Economische dragers landbouw

a. Als melkveehouderij (of algemener: agrarische activiteit) van belang wordt geacht voor het beheer van het gebied (een opvatting die breed wordt gedeeld), dan moeten er verdiensten bovenop de melkprijs bij om dat mogelijk te houden, zolang die kosten niet in de melkprijs kunnen worden verdisconteerd.  Een deel van de ondernemers is in staat om dat te doen via een hogere toegevoegde waarde op het product (bv. door zelf-zuivelen), of door extra functies aan het bedrijf toe te voegen (zorg, recreatie, opvang e.d.).  Een ander deel zal daar echter geen aanleg voor hebben, of geen motivatie, bijvoorbeeld vanwege het gebrek aan een opvolger. Stapeling van verdiensten ligt dan voor de hand om deze bedrijven overeind te houden. Door groen-blauwe diensten, door waterberging, door CO2-credits e.d. Een deel bestaat al (m.n. agrarisch natuurbeheer) maar is nauwelijks kostendekkend, en een deel moet nog ontwikkeld worden (zoals vergoeding voor waterberging, CO2-credits).  Vlak daarnaast energieproductie door melkveebedrijven niet uit, en schep daar mogelijkheden voor in het ruimtelijk beleid. b. Voor die stapeling van verdiensten (zie Drenthe, maar ook Brabant) is het raadzaam om primair op te behalen doelen te sturen, en niet op maatregelen.

Controle op (het behalen van) die doelen moet plaatsvinden, zonder een zware en dure controle-structuur, bijvoorbeeld door zelfcontrole binnen een collectief, gecontroleerd door een accountant. Dat is een nadere ontwerpvraag. c. Die stapeling van verdiensten moet, samen met de in §7.1 genoemde ‘emissiearmere bedrijfsvoering’, bijdragen aan de ontwikkeling van een melkveehouderij die boeren in staat stelt om los van de omvang van de veestapel evenveel of meer te verdienen, in verbinding met en gebruikmakend van de natuur (ecosysteemdiensten) en met de omgeving (burgers, klanten en recreanten). d. Belangrijke afnemer van melk uit het gebied (Vreugdenhil) lijkt meer volgend dan leidend in termen van belonen van duurzame prestaties (i.t.t. coöperaties als Cono en RFC). Dit heeft natuurlijk te maken met haar sterke exportoriëntatie. Neemt wel deel aan programma Duurzame ZuivelKeten (DZK), en kent een beloningssysteem voor duurzame prestaties (max €0,60 per 100 kg melk). De vraag is of Vreugdenhil niet actiever kan meesturen. e. ‘Korte ketens’ met een hogere toegevoegde waarde kunnen alleen een betekenisvolle economische impact voor het gebied als geheel hebben als de afzet van die ketens ook de metropoolregio Rotterdam-Den Haag omvat. De ontwikkeling van die markt vergt collectief ondernemerschap en een lange adem.

7.3 Bodemdaling / peilfixatie

Er bestaat de nodige onzekerheid over de mate waarin bodemdaling optreedt in de Krimpenerwaard, maar het is wel zeker dát het plaatsvindt. Het is ook algemeen aanvaard dat bodemdaling gepaard gaat met verlies van koolstof uit de bodem door oxidatie, in de vorm van broeikasgassen. Meer onzekerheid en discussie bestaat over de effectiviteit van maatregelen om dat tegen te gaan. Een kleinere drooglegging door peilfixatie of -verhoging vertraagt bodemdaling, maar alleen volledig onder water zetten zet dit proces stop, en kan vervolgens zelfs tot veen-aangroei leiden. Elke tussenvorm, of het nu via peilfixatie of -verhoging is, of door een combinatie van een vorm van WIS of Klei in Veen met peilverhoging, levert door het vertragende effect wel tijdswinst op door een tragere bodemdaling. Een vermindering van de emissies van broeikasgassen is te verwachten, maar hoeft niet in een rechtstreeks verband te staan met de tragere bodemdaling. Vernatting kan bovendien ook juist leiden tot verhoogde emissies van de sterke broeikasgassen methaan of lachgas. Een optimum van -20 mv drooglegging wordt genoemd.

Gebiedskader Krimpenerwaard 3.6

9

Technieken als WIS, Klei in Veen, en alternatieve vorm van landgebruik als natte teelten zijn ondanks die onzekerheid de moeite waard om verder uit te proberen, en over meerdere jaren vast te stellen wat het daadwerkelijke effect is op bodemdaling en de emissie van broeikasgassen. Benut daarbij zoveel mogelijk het enthousiasme van agrarische ondernemers om met de ene of de andere techniek aan de slag te gaan, en koppel het aan systematische meerjarige monitoring. 7.3.1 Onderwaterdrainage (WIS) Veel melkveehouders zijn enthousiast over WIS (m.n. onderwaterdrainage met drukdrains), omdat de techniek het land eerder in het seizoen en langer aan het einde van het seizoen bewerkbaar, berijdbaar en beweidbaar maakt, en de zode minder gevoelig maakt voor lange perioden van droogte. Het levert bedrijfseconomische voordelen op, die opwegen tegen de investering, maar wel onder de voorwaarde dat er ook een aanzienlijke collectieve bijdrage (50-75%) aan de investering is (vanwege tegengaan bodemdaling en klimaatverandering). Onderwaterdrainage op zichzelf (zonder peilfixatie) heeft in theorie al een vertragend effect op de bodemdaling omdat de grondwaterspiegel veel vlakker wordt getrokken over de breedte van het perceel. Dat effect kan worden versterkt door het opzetten van het slootwaterpeil.

In de combinatie met drukdrainage kan het peil onder het perceel zelfs hoger worden ingesteld dan het peil in de sloot – tenminste zolang die sloot voldoende water kan aanvoeren. WIS is één van de manieren om melkveehouderij mogelijk te houden bij een uiteindelijk gefixeerd peil. Dat kan ook op specifieke percelen. Het is echter onwenselijk om deze techniek zonder algemene peilfixatie op specifieke percelen verspreid over de polder toe te passen, omdat op de langere termijn dan grotere verschillen in maaiveldhoogte ontstaan, waardoor het nog lastiger wordt om de andere percelen begaanbaar te houden of de watervraag van de gedraineerde delen nog verder zal toenemen. 7.3.2 Klei in Veen Een andere belofte om melkveehouderij mogelijk te houden is Klei op Veen. Die is nog wel minder uitgekristalliseerd dan WIS (omdat het onderzoek ernaar later is begonnen), maar biedt mogelijk een langer houdbare oplossing doordat de structuur van de bodem verandert. De gedachte is door klei op te brengen op veengrond de structuur van de bodem zo te veranderen dat de oxidatie afneemt, door binding van kleideeltjes aan de organische stof in de veenbodem. Een historische parallel is te vinden in de gebieden in de Krimpenerwaard rond de rivieren, waar bodemdaling in het algemeen trager plaatsvindt, door eeuwenlange kleiafzetting door overstromingen.

Klei in Veen is een techniek die vermoedelijk een blijvender effect heeft dan WIS, maar wel over een langere periode (bv. tien jaar) een forse logistieke (en jaarlijkse) operatie vereist om voldoende klei aan te voeren en op te brengen. Met alle verkeersbewegingen van dien. Een combinatie van Klei in Veen en WIS als respectievelijk lange en korte termijn maatregelen is overigens ook denkbaar. 7.3.3 Natte teelten Het economisch perspectief van natte teelten als lisdodde en cranberries is op dit moment nog niet zo groot, maar dat kan wel degelijk veranderen. Zie bijvoorbeeld de (al commerciële) experimenten met lisdodde als isolatiemateriaal in de woningbouw in Friesland.

7.4 Kavelruil

Kavelruil wordt van oudsher ingezet om meer aaneengesloten percelen te hebben per bedrijf, waardoor er minder verkeer (koeien, mechanisering) tussen de percelen nodig is. Dat is een waarde op zich in de Krimpenerwaard, met zijn vaak smalle wegen. Om een toekomstbestendige melkveeveehouderij mogelijk te maken is het echter raadzaam om kavelruil ook in te zetten om

Gebiedskader Krimpenerwaard 3.6

10

melkveebedrijven die dat willen meer mogelijkheden te bieden om een toekomstgerichte, emissiearme bedrijfsvoering te kunnen voeren. Dat zou dan bijvoorbeeld kunnen betekenen dat kavelruil vooral wordt ingezet om de huiskavels van bedrijven te vergroten, of kavels beter bereikbaar te maken voor weidende koeien (bv. met de aanleg van kavelpaden). Daarnaast kan kavelruil ingezet worden om geschikte plekken voor een zwaardere vorm van agrarisch natuurbeheer vrij te spelen in ruil voor meer voor landbouw geschikte grond. De provinciale BBL-gronden kunnen een belangrijke rol spelen in dit proces.

7.5 Provinciale gronden  

Inzetten voor maatschappelijk gestuurde kavelruil (zie hierboven) Verder uitgeven onder beheersvoorwaarden (afrekenbare doelen), hetgeen al gebeurd.

7.6 Energie

Groene energieproductie in het gebied is een belangrijke kans om een nieuwe economische functie toe te voegen aan het gebied, die de economische robuustheid van agrarische bedrijven kan versterken. De ontwikkelingen om zonneparken en biodiversiteit met elkaar te verbinden, of zonneparken en vormen van agrarische activiteit zijn volop gaande. Bovendien is hernieuwbare energieproductie noodzakelijk in het kader van de RES. Gemeente en provincie zouden daarom niet te snel zonneparken of windmolens moeten uitsluiten onder publieke druk, maar juist ook de samenhang met behoud van het buitengebied en de agrarische activiteit daar moeten uitdragen. Het mogelijk maken van kleinere installaties als zonneerven in het bouwblok is al voorzien in de Omgevingsvisie. Instrumenten als SDE helpen bij de realisatie, maar in de sfeer van de voorfinanciering kunnen mogelijk nog drempels voor weinig kapitaalkrachtige bedrijven worden weggenomen. Normale leningen op de kapitaalmarkt introduceren een extra risico, terwijl met alternatieve vormen van financiering als lease de rendementen in de eerste tien jaar juist weglekken uit de sector. Laagrentende financieringsvormen van overheidswege (bv. in de vorm van revolving funds) kunnen hier wat toevoegen. Grootschalige zonneparken zullen kwa locatie de komende tien jaar waarschijnlijk beperkt blijven tot de nabije omgeving van schakelstations.

Terzijde: Thermische Energie uit Oppervlaktewater (TEO) voor de gebouwde omgeving lijkt me een prachtkans voor de waterrijke Krimpenerwaard, want het is een grote bron van hernieuwbare energie met nauwelijks landschappelijke impact. Het heeft mogelijk ook positieve effecten op de waterkwaliteit door minder opwarming in de zomer. Dat hoeft ook niet beperkt te blijven tot grote waterwegen en plassen. In Friesland werden recent de resultaten bekend1 van een proef waarbij veertig huizen werden verwarmd met water uit een sloot van drie meter breed en tachtig meter lang.

7.7 Waterkwaliteit

Door in te zetten op emissiearmere bedrijfsvoering moet ook de uit- en afspoeling van nitraat afnemen. Verbetering van de waterkwaliteit in de sloten vergt echter meer inspanning dan dat. Met name de explosieve toename van de rivierkreeft wordt door veel partijen gezien als een belangrijke negatieve factor. Commerciële vangst daarvan heeft volgens het waterschap in het verleden niet tot gewenste resultaten geleid (terugwerpen van jonge exemplaren). Een bestrijdingsprogramma is wenselijk. In de slootbodem ontstaan overigens ook broeikasgassen2 door de anaerobe afbraak van plantenresten, een proces dat versterkt wordt door de activiteit van voornoemde rivierkreeften. Een meer natuurlijke oever-inrichting zou meervoudige voordelen kunnen opleveren voor het beperken 1 https://frieschdagblad.nl/2021/3/26/voor-40-huizen-warmte-uit-een-stukje-sloot-onvoorstelbaar-hoeveel-energie-onze-natuur-bevat 2 Bij de berekeningen van de opgave van 1 Mton voor het veenweidegebied wordt de uitstoot uit sloten overigens niet meegerekend.

Gebiedskader Krimpenerwaard 3.6

11

van de uitstoot van broeikasgassen, versterking van de biodiversiteit, het beperken van de schade vanuit de rivierkreeften en het vereenvoudigen van het beheer van de sloten.

7.8 Concurrentie om ruimte

Een tegenstelling die in de loop van het proces geregeld naar boven kwam, maar niet direct uit de geformuleerde doelen voortkomt, is de concurrentie om ruimte. Landbouw, natuur, wonen, recreatie en energie leggen allemaal claims op de ruimte die per definitie schaars is. Niet alles kan altijd en overal. Dit speelt natuurlijk op nationale schaal evengoed, en is bij uitstek een politieke vraag. In het kader van dit advies beperk ik me dan ook tot het algemene punt dat zeker functies als wonen, energie en recreatie niet alleen een concurrent van de landbouw of de natuur zijn, maar die laatsten in een goed ontwerp ook kunnen versterken en hun verdienpotentieel kunnen vergroten. Mogelijk kan daarbij gestuurd worden met het gericht op- en afwaarderen van gronden, via het bestemmingsplan of beheersovereenkomsten. Denk bijvoorbeeld aan ‘rood-voor-groen’ regelingen, waarbij een bouwlokatie wordt bestemd onder gelijktijdige afwaardering van grond eromheen of elders (via beheersovereenkomsten, of verandering van bestemming). Voorkomen moet worden dat de hoge grondprijzen voor woningbouw en energieparken ook de waarde van agrarische grond verder omhoog stuwt, aangezien die grondwaarde nu al hoger is dan wat er agrarisch op gegenereerd kan worden.

Gebiedskader Krimpenerwaard 3.6

12

8 Aanbevelingen en concrete acties

Hieronder worden aanbevelingen gedaan en concrete acties voorgesteld op basis van de voorgaande paragraaf 7. Dit kader kan de basis vormen voor de in te zetten gebiedsprocessen, en moet dan in een vervolg verder worden uitgewerkt in concrete beleidsinstrumenten en regelingen.

8.1 Keuzes van nu richten op de lange termijn

a. Richt de gezamenlijke inspanningen in de gebiedsprocessen en de besteding van middelen op het mogelijk maken van en leren over emissiearmere bedrijfsvoering in de melkveehouderij, waarbij emissies primair via managementkeuzes (en niet via kostbare techniek) worden beperkt. b. Houd daarbij de mogelijkheid open dat het landgebruik ook kan en mag veranderen, en ook andere functies dan melkveehouderij het gebied mede kunnen dragen. c. Ga uit van een toekomst voor de melkveehouderij in de Krimpenerwaard die los van de omvang van de veestapel evenveel of meer verdient, gebaseerd op een stapeling van verdiensten. Ga aan de slag met het instrumentarium en het geld daarvoor. d. Ga uit van een situatie in uiterlijk 2050 waarbij het peil niet meer wordt geïndexeerd op de bodemdaling. Pas technieken om bodemdaling tegen te gaan toe voor zover ze het gebruik van het gebied in die uiteindelijke situatie niet lastiger maken, bijvoorbeeld door grote lokale verschillen in hoogte te creëren.

8.2 Pijnpunten lange termijn

a. Het klassieke model van bedrijfsontwikkeling via schaalvergroting zal voor de meeste melkveebedrijven geen begaanbare route zijn in de Krimpenerwaard. Dat betekent voor sommigen een (gedwongen) heroriëntatie. b. Gestapelde verdiensten kúnnen overkomen als gesubsidieerd boeren. Het is zaak om samen modellen uit te werken waarin ondernemerschap wordt beloond op andere takken van het melkveebedrijf, zoals groen-blauwe diensten en CO2-credits. c. Vernatting van de veenweiden zal hoe dan ook tot een hogere zoetwater-vraag leiden. Dat zal toekomstige schaarste aan zoetwater vergroten, en dan tot dilemma’s in aanwending leiden.

8.3 Kennisleemten

a. De mate waarin de vernatting van het gebied (of het nu is via WIS of via peil opzetten) uiteindelijk te realiseren is in het licht van de beschikbaarheid van en concurrentie om zoet water. Deze vraag is op te pakken in de provinciale veenweidenstrategie, omdat die breder is dan de Krimpenerwaard alleen, en ook gaat over de toekomstige verdeling van zoet water. b. De mate waarin Klei in Veen daadwerkelijk bijdraagt aan tegengaan bodemdaling en veenoxidatie. Zorg voor een langjarig monitoringprogramma (zie verderop). Ontwerp daarnaast een logistieke structuur om langjarig klei het gebied in en op te brengen zonder veel extra belasting van de wegen (bv. via het water) en de bodem. c. De mate waarin WIS (in verschillende varianten) daadwerkelijk bijdraagt aan het tegengaan van de emissies van broeikasgassen (in CO2-eq), en hoe effectief de techniek is in verschillende delen van de Krimpenerwaard in het tegengaan van bodemdaling en veenoxidatie. Zorg voor een langjarig monitoringprogramma (zie verderop). d. Onderzoek in welke mate natuurvriendelijke oevers besparingen elders in het systeem opleveren, bijvoorbeeld in termen van verbeterde waterkwaliteit of lagere kosten voor uitbaggeren, en kapitaliseer daarop t.b.v. de vergoedingen.

Gebiedskader Krimpenerwaard 3.6

13

8.4 Concrete acties 8.4.1 Gebiedsprocessen Algemeen: Benut de Impulsgelden om in specifieke gebieden binnen de KPW te werken aan tegengaan bodemdaling onder de randvoorwaarde dat dit ook bijdraagt aan het vormgeven van een toekomstbestendige landbouw: de Impulsgelden zijn bedoeld om daadwerkelijke CO2-reductie te realiseren, maar deze incidentele gelden kunnen het beste tegelijk ook slim ingezet worden als investering om straks van grotere betekenis te zijn voor het hele gebied. Specifiek: - Ga in een aantal gebieden waar energie zit bij agrariërs (voorselectie is al gemaakt) het gesprek aan hoe bodemdaling en beperking uitstoot van broeikasgassen daar het beste gecombineerd kan worden met werken aan een toekomstbestendige landbouw, en een grotere biodiversiteit. Zet die combinatie centraal. - Zorg dat je een aantal instrumenten en middelen op zak hebt om op die vraag een concreet antwoord te geven, waarop binnen een jaar gehandeld kan worden. Denk daarbij in ieder geval aan: o WIS, Klei in Veen of vernatting o Kavelpaden o Kavelruil o De diverse ervaringen uit de Proeftuin Krimpenerwaard, Mijn Koers, en de betrokkenen bij DAW.

o Groen-blauwe verdiensten [op nieuwe leest geschoeid] - Maak een collectief ontwerp van het gebied, waarin op basis van de individuele motivatie en toekomstplannen van de ondernemers in dat gebied de verschillende doelen (zie hoofdstuk 4) maximaal bij elkaar komen. Betrek daarnaast landinrichters, waterschap, en onafhankelijke bedrijfsadviseurs in dat proces. Werk toe naar een samenhangend gebiedsplan, en onderbouw / kwantificeer de maatschappelijke meerwaarde op korte en lange termijn. - Ga in dat ontwerpproces ook het gesprek aan over de borging van de te behalen doelen, en het voorkomen van misbruik. Denk bijvoorbeeld aan de juiste inzet van WIS, of het behalen en controleren van doelen op het gebied van water en biodiversiteit. - Stimuleer in dat proces geschikte huiskavels (via ruilverkaveling, aanleg kavelpaden, waar nodig WIS of Klei in Veen) zodat melkveebedrijven gemakkelijk veel weidegang kunnen toepassen. - Investeer vervolgens in zo’n samenhangend gebiedsplan met de Impulsgelden. Ga dus niet in eerste instantie individuele plannen van individuele bedrijven ondersteunen. 8.4.2 Monitoring van de effecten van bodemdaling remmende technieken a.

Investeer in de toepassing van bodemdaling-remmende technieken als WIS en Klei in Veen op een schaal die ook al betekenis heeft voor de agrariërs in het gebied, maar koppel dat nadrukkelijk aan een meerjarig systematisch monitoringprogramma om de daadwerkelijk effecten op bodemdaling en broeikasgasemissies in de Krimpenerwaard vast te stellen. Sluit hierbij zoveel mogelijk aan bij het enthousiasme en energie van individuele ondernemers en collectieven om met die technieken aan de slag te gaan. b. Beschouw WIS (onderwaterdrainage) primair als een aanvullende maatregel om melkveehouderij mogelijk te houden bij een uiteindelijk hoger algemeen peil. Peilfixatie als generieke maatregel in de toekomst aankondigen. Stoppen met aanpassen peil aan bodemdaling. c. Subsidieer WIS primair als dat gekoppeld wordt aan andere maatschappelijke doelen dan alleen het tegengaan van bodemdaling, bijvoorbeeld gelijktijdig plas-dras maken van een ander perceel ten behoeve van weidevogelbeheer en overige biodiversiteit, of bijvoorbeeld

Gebiedskader Krimpenerwaard 3.6

14

als dat een emissiearme bedrijfsvoering makkelijker maakt (door bv. een beter/langer bruikbaar huiskavel). d. Subsidieer drukdrainage alleen op specifieke plekken waar klassieke of peilgestuurde drainage niet voldoet voor de maatschappelijke opgave. e. Monitor de effecten van WIS op verschillende plekken in de Krimpenerwaard meerjarig en nauwkeurig, zowel in termen van bodemdaling als in termen van emissies van broeikasgassen. Stel vast wat de additionele watervraag is en of die op de langere termijn ook in te vullen is. Bepaal daarna wat de maatschappelijke waarde van toepassing in de Krimpenerwaard is. 8.4.3 Groen-blauwe verdiensten De aandacht voor biodiversiteit door agrarische ondermeners in het gebied is al relatief hoog. Die kracht kan worden versterkt door nu met elkaar serieus werk te maken van een verdienmodel voor groen-blauwe diensten in het gebied. Besteed daarbij aandacht aan de juiste manier om dat te organiseren en te controleren. Betrek Weidehof daarbij. Misschien kan het nog niet concreet gefinancierd worden, maar er kan wel een goed voorstel worden ontwikkeld (bv. naar analogie van Drenthe en Brabant) dat als model gebruikt kan worden door de provinciale overheid en waterschap(pen). Ontwikkel een programma van doel-gerelateerde vergoedingen voor de komende tien jaar rondom groen-blauwe diensten en CO2-credits.

Loop daarin vooruit op landelijke trends en ontwikkelingen in het Europese landbouwbeleid (GLB; European Green Deal). f. Creëer met de gezamenlijke overheden experimenteerruimte om een houdbaar model te ontwikkelen en uit te proberen voor het meerjarig (bv 5 of 10) minimaal kostendekkend vergoeden van groen-blauwe diensten (gekoppeld aan klimaat en bodemdaling). Besteed daar een deel van de impulsgelden aan en bespreek de mogelijkheden voor een aanvullende bijdrage vanuit LNV (bv. in de vorm van een langjarig experiment, anticiperend op nieuwe invulling GLB in het kader van de European Green Deal). Een en ander is gericht op het uitwerken van een bekostigingssystematiek die blijvend kan zijn, en niet afhankelijk van incidentele gelden. g. Maak de huidige stand van de biodiversiteit in het agrarische gebied van de Krimpenerwaard inzichtelijk, en zorg voor een regelmatig terugkerende monitoring van de stand van zaken. Dit kan ook helpen in de verantwoording van een serieus verdienmodel hiervoor. 8.4.4 Emissiearme bedrijfsvoering h. Beloon emissiearme bedrijfsvoering (sturen op KPI’s, zoals weidegang en totaal stikstofoverschot), en doe dat de komende jaren ook vanuit de provinciale overheid en eventueel gemeente/waterschap om die praktijk in de benen te krijgen en daarvan te leren. i.

Overweeg de mogelijkheid van een of meer demo- of pilotbedrijven in het gebied, waar deze bedrijfsvoering bij uitstek wordt beoefend, verder aangescherpt en onderbouwd met cijfers. Deze bedrijven kunnen een katalyserende rol spelen. 8.4.5 j.

Verdienmodellen uit de primaire productie Onderzoek en stimuleer de opzet van een collectief afzetkanaal van agrarische productie naar de metropoolregio Rotterdam-Den Haag, waarmee tegelijk de Krimpenerwaard als de achtertuin van de regio zichtbaar wordt gemaakt (kruisbestuiving met recreatie en toerisme; ‘branding’) k. Ga het gesprek aan met Vreugdenhil over hun bijdrage aan de verduurzaming van de melkveehouderij in de Krimpenerwaard. Aanvullende premies op de melk bv. bij specifieke KPI’s.

Gebiedskader Krimpenerwaard 3.6

15

8.4.6 l.

Verdiensten uit energie Maak decentrale energieopwekking op melkveebedrijven (ook op stukken land) mogelijk, maar plan zonneparken en de inpassing daarvan zorgvuldig.

8.4.7 Kavelruil m. Zet kavelruilprocessen in gang op basis van een meervoud aan criteria, en niet alleen om de agrarische structuur in de klassieke zin te versterken. Prioriteer daarbij het stimuleren van emissiearme en meer natuurinclusieve melkveehouderij, en het versterken van biodiversiteitsdoelen.

Gebiedskader Krimpenerwaard 3.6

16

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=baa7e4ea-062c-49d1-9841-ed453b860ce7