1.28 Bijlage 1 Startnotitie Veenweidestrategie Zuid-Holland - RIB gebiedsprocessen.pdf
Tekst van het document
Startnotitie Veenweidestrategie Zuid-Holland 1.0
Versie 15 juni 2021 Auteurs: schrijfteam VWS-ZH
Inhoud Samenvatting
3
1. Context
4
1.1 Inleiding 1.2 Leeswijzer 1.3 Klimaatakkoord
4 4 5
2. Opdracht aan de provincie
2.1 Veenweidestrategie 2.2 Adaptief en transparant proces 2.3 Gekozen aanpak Veenweidestrategie Zuid-Holland tot nu toe 2.4 Startpunt Veenweidestrategie Zuid-Holland 1.0
3. Uitnodiging aan de drie prioritaire gebieden
6
6 6 7 7
11
3.1 Uitnodiging 3.2 Ambitie 3.3 Aanpak 3.4 Prioritaire gebieden 3.5 Koppelkansen met provinciaal en beleid partners 3.6 Pilots, kennisvragen, nieuwe instrumenten en maatregelen
11 11 11 12 12 12
4. Aandachtsgebieden
13
5. Kader
5.1 Bestaand beleid en koppelkansen met andere opgaven 5.2 Opgave voor CO2-reductie in Zuid-Holland
6. Kennis
6.1 Stand van kennis 6.2 Kennis over huidige bodemdaling en broeikasgasemissies uit veen 6.3 Uitgangspunt Bodemdaling van beloften 6.4 Disclaimer
7
Maatregelen, instrumenten, middelen en monitoring
7.1 Kaarten 7.2 Maatregelen 7.3 Aanpalende water(systeem)maatregelen 7.4 Instrumenten 7.5 Middelen 7.6 Monitoring
8 Organisatie en uitvoering
15
15 15
16
16 16 17 18
19
19 19 20 20 21 22
23
8.1 Organisatie 8.2 Rollen en taken 8.3 Uitvoering
23 24 25
9 Proces Veenweidestrategie Zuid-Holland 1.0
26
Bijlage I Bijlage II Bijlage III Bijlage IV Bijlage V Bijlage VI Bijlage VII
27 29 30 31 32 33 34
Maatregelen Instrumenten Leidraad gebiedsplan Kennisprogramma’s en netwerken Kaart Veenbodemtypen Kaart bodemdalingsvoorspelling Schrijfteam en deelnemers bijeenkomsten 9 maart en 3 juni
Startnotitie Veenweidestrategie Zuid-Holland 1.0
2
Samenvatting Deze notitie markeert de formele start voor het proces om te komen tot een Regionale Veenweide Strategie 2030, conform de afspraken uit het Klimaatakkoord. Daarin is afgesproken dat de CO2-uitstoot uit veenweidengebieden aanzienlijk teruggebracht moet worden, met als uiteindelijke ambitie een toekomstbestendige landbouw1 met (onder andere) minder uitstoot van broeikasgassen en stikstof en een hogere biodiversiteit en waterkwaliteit. Met deze Startnotitie nodigt de provincie Zuid-Holland overheden en maatschappelijke partijen in de veenweidegebieden uit om een gezamenlijke Veenweidestrategie Zuid-Holland te ontwikkelen. De afgelopen jaren hebben deze partijen al samengewerkt aan verschillende vraagstukken rond de problematiek in de veenweidengebieden. De Veenweidestrategie moet houvast bieden bij het bredere doelbereik en de basis vormen voor beleidsontwikkeling en het beschikbaar stellen van uitvoeringsinstrumentarium door alle betrokken partijen. Regionale gebiedsplannen voor de korte en langere termijn vormen belangrijke bouwstenen voor de Veenweidestrategie, deze notitie dient hierbij als leidraad. De provincie Zuid-Holland heeft in dit langjarige proces een regiefunctie en een stimulerende en faciliterende rol. Daarbij hanteren we een strategie van kennisontwikkeling in combinatie met een adaptieve aanpak.
De urgentie van de opgave vraagt om een snelle start ondanks de huidige beperkte kennis, informatie en betrouwbare cijfers over bodemdaling en uitstoot. Gedurende de komende jaren neemt de kennis toe en worden instrumenten en maatregelen aangepast. Dat vraagt om een intensieve samenwerking met alle betrokken partijen, waarin ruimte is te leren en innovatieve aanpakken met elkaar te delen. Dat vertaalt zich in de volgende twee sporen: 1. Vooruitlopend op het ontstaan van een breed gedragen veenweidestrategie heeft de provincie samen met gebieden de Impulsnotitie opgesteld. Dit plan is gericht op het nemen van maatregelen die op de korte termijn (tot 2025) al leiden tot een vermindering van emissies. Hiervoor heeft het Rijk een bedrag van € 22 miljoen beschikbaar gesteld. De uitwerking van dit plan staat nu centraal. 2. De ultieme ambitie is het leveren van een nieuw en toekomstbestendig perspectief voor de grondgebruikers en -eigenaren binnen de kaders en beperkingen die klimaat en milieu aan het landelijk gebied stellen. Gezien de complexe en ingewikkelde opgave over een lange tijdshorizon richt dit spoor zich in eerste instantie vooral op het opstarten van de dialoog en het proces om dit vorm te geven. Naarmate de kennis toeneemt en de horizon van 2030/2050 dichterbij komt, leidt dit tot een concretere aanpak, respectievelijk uitvoering van maatregelen.
Dit loopt parallel aan de landelijke versie van het Veenplan, waar het Rijk samen met de provincies aan werkt. Graag gaan we met deze uitgangspunten gezamenlijk aan de slag met de opgaven uit het Klimaatakkoord, met als uiteindelijk doel duurzame én toekomstbestendige veenweidegebieden in de provincie Zuid-Holland.
1
Onder toekomstbestendige landbouw verstaan we: een economisch rendabele landbouw met minder uitstoot van broeikasgassen en stikstof en een hogere biodiversiteit en waterkwaliteit en aandacht voor dierenwelzijn.
Startnotitie Veenweidestrategie Zuid-Holland 1.0
3
1. Context 1.1
Inleiding
Gezamenlijke partijen hebben zich vanuit hun verantwoordelijkheid voor een leefbare toekomst eerder al op landelijk niveau gecommitteerd aan het klimaatakkoord2 . In dit akkoord is ook een afspraak opgenomen over het reduceren van CO2-uitstoot vanuit het veenweidegebied. Vanuit dit nationaal kader is afgesproken dat elke provincie aan de slag gaat met een strategie om de CO2-uitstoot uit veenweidegebieden aanzienlijk te verminderen. Op verzoek van de minister van LNV hebben provincies en gebiedspartijen in 2020 al een start gemaakt met het opstellen van de Impulsnotitie en de besteding van de impulsgelden. In dit proces van groeiende samenwerking heeft deze Startnotitie als doel de formele start te markeren voor het opstellen van de Veenweidestrategie Zuid-Holland (hierna: VWS-ZH). Uitgangspunt daarbij is dat het proces een breed gedragen bestuurlijk steun heeft bij de betrokken overheden, het maatschappelijk middenveld en andere niet-overheidspartijen. Partijen gaan gezamenlijk aan de slag in een langjarig proces, dat is gericht op de vermindering van de emissie van broeikasgassen, uit zowel de veenbodems als uit de bovengrondse activiteiten van de grondgebruikers en -eigenaren. Dit programma biedt naast een uitdagende doelstelling ook kansen voor de ontwikkeling naar een duurzame landbouw, verbetering van de biodiversiteit en waterkwaliteit of andere lokale opgaven.
Reeds aan de slag Al voor de ondertekening van het Klimaatakkoord2 is door partijen in de provincie geëxperimenteerd met technieken om bodemdaling en CO2 te verminderen. Met de ondertekening van het Klimaatakkoord hebben de provincies de regierol op zich genomen om deze experimenten te ondersteunen, uit te breiden en sturing te geven aan de toekomst van de veenweidegebieden en de opgaven die hieruit voortkomen. Deze startnotitie vormt het vertrekpunt van dit proces, gericht op de VWS-ZH en is een leidraad voor het opstellen van gebiedsplannen als bouwstenen voor deze Veenweidestrategie. Een integrale strategie van en opgesteld door de gezamenlijke partijen in de veenweidegebieden in Zuid-Holland. Vertegenwoordigers van een brede kring van overheden en maatschappelijke organisaties wordt gevraagd in te stemmen met inhoud en strekking tijdens het bestuurlijk overleg Veenweidestrategie op 3 juni 2021.
1.2
Leeswijzer
In het eerste hoofdstuk wordt de context van de veenweidestrategie Zuid-Holland als onderdeel van het Klimaatakkoord geschetst. Hoofdstuk 2 geeft een toelichting op de opdracht aan de provincies. Vanuit deze opdracht beschrijft hoofdstuk 3 de uitnodiging aan de gebieden om een gebiedsplan op te stellen met een lange termijn toekomstperspectief en een aanpak voor uitvoering op korte termijn. In hoofdstuk 4 wordt het kader geschetst waarbinnen zo’n gebiedsplan wordt opgesteld. Hoofdstuk 5 geeft de stand van kennis over bodemdaling weer. Hoofdstuk 6 gaat in op maatregelen, instrumenten en middelen. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 de organisatie en in hoofdstuk 8 het proces om te komen tot een Veenweidestrategie Zuid-Holland toegelicht. De Startnotitie is opgesteld onder leiding van de programmamanager veenweiden door het Schrijfteam VWS Zuid-Holland bestaande uit medewerkers van provincie, gemeenten en waterschappen. Daarbij is tijdens verschillende bestuurlijke en ambtelijke sessies inbreng geleverd vanuit een brede kring van betrokken partijen.
2
Het Klimaatakkoord is een onderdeel van het Nederlandse klimaatbeleid. Het is een overeenkomst tussen veel organisaties en bedrijven in Nederland om de opwarming van de aarde tegen te gaan. Het doel is om de CO²-uitstoot in 2030 met 49% verminderen. (Landbouw en Landgebruik: zie hoofdstuk C4, pag. 117 en verder.) Voor de leesbaarheid hanteren we in dit document de term CO². Dit moet gelezen worden als CO²-eq: het totaal van broeikasgassen uit veen. Startnotitie Veenweidestrategie Zuid-Holland 1.0
4
1.3
Klimaatakkoord
Het veenweidegebied in Zuid-Holland is onderdeel van een groter veengebied dat zich ook uitstrekt in de provincies Utrecht en Noord-Holland. De veenbodems vormen de laatste eeuwen een productiemiddel voor de melkveehouderij. Hiertoe wordt door de waterschappen het waterpeil beheerd op grond van peilbesluiten, die via een breed afgewogen en wettelijke procedure tot stand komen. De peilbesluiten gelden voor het oppervlaktewater en zijn niet een-op-een gekoppeld aan het grondwaterpeil in een perceel. Het uitzakken van de grondwaterstanden naar een holle grondwaterstand, tijdens droge perioden, wordt in hoge mate bepaald door de combinatie van hoge verdamping en sterke wegzijging en in mindere mate door het oppervlaktewaterpeil. Het uitzakken van de grondwaterstand leidt tot veenoxidatie. Bij de oxidatie komt CO2 vrij en ook veenbodemdaling is daarbij een gevolg. Er lijkt een -empirische- relatie tussen de emissies en het gehandhaafde peil te zijn (in het NOBV wordt die relatie nader bepaald). In het kader van het Klimaatakkoord zijn binnen de Klimaattafel Landbouw en Landgebruik (KALL) landelijk afspraken gemaakt over het terugdringen van de broeikasgasemissies uit veenbodems en de landbouw. Samengevat komen die afspraken op het volgende neer: 1. Het terugdringen van 1Mton CO2-emissie uit veenbodems3 per jaar in 2030. Het aandeel van Zuid-Holland in de totale opgave bedraagt ca.
25% van de nationale hoeveelheid oxideerbare veengrond4 . 2. De opgave wordt gebiedsgericht aangepakt en integraal gecombineerd met en gekoppeld aan andere functies en opgaven in de gebieden (o.a. biodiversiteit, waterkwaliteit, milieudruk, recreatie en agrarische economie). 3. De ambitie is om in 2050 grotendeels klimaatneutraal te zijn, echter om de ambities realistisch te kunnen duiden is 2030 gekozen als tussenmoment, waarop een tussenresultaat bereikt moet zijn. 4. Activeren van beweging naar gewenste resultaten door beschikbaar stellen van voldoende middelen en stimuleren van nieuwe verdienmogelijkheden voor grondgebruikers en -eigenaren en de (financiële) waardering voor zij die een verandering inzetten. 5. Kennisontwikkeling en -verspreiding is een kritische succesfactor bij het maken van de goede keuzes en het verwerven van draagvlak; er wordt maximaal ingezet op het kennisspoor dat landelijk is uitgezet, o.a. via het Nationaal Onderzoekprogramma Broeikasgassen Veenweiden (NOBV) en het Nationaal kennisprogramma bodemdaling (NKB). 6. De betrokken overheden stellen ieder binnen hun eigen rol, verantwoordelijkheid en bevoegdheid hun kaders, gericht op effectief doelbereik; datzelfde geldt voor marktpartijen, die binnen hun eigen mogelijkheden hieraan kunnen bijdragen waarbij verschillen wederzijds worden gerespecteerd. 7.
Het Rijk heeft vooruitlopend op het tot stand komen van een veenweidestrategie, op basis van de Impulsnotitie ‘Aanbod Inzet Impulsgelden Veenweiden Zuid-Holland’, juli 2020 (hierna: Impulsnotitie)5 , een bedrag beschikbaar gesteld voor Zuid-Holland van € 22 miljoen, te besteden aan klimaatmitigerende maatregelen op veenbodems, die op korte termijn te realiseren zijn (de “impulsgelden”). De provincie heeft in dit langjarige proces een regiefunctie: organiseert en ondersteunt het proces, stimuleert kennisontwikkeling en innovatie en initieert de ontwikkeling van benodigde beleid en instrumenten en zorgt voor de verdeling van de rijksmiddelen. 3
4
5
De uitstoot uit watergangen in veengebieden maakt geen onderdeel uit van de Veenweideopgave in het Klimaatakkoord. De daadwerkelijke broeikasgasemissie uit veengrond hangt af van vele factoren, zoals het type veen, de ontwateringssituatie en de aanwezigheid van een kleipakket op het veen. https://staten.zuidholland.nl/DMS_Import/Statencommissie_Klimaat_Natuur_en_Milieu_KNM/2020/ Agenda_KNM_09_09_2020/Opening_procedurevergadering/Ingekomen_stukken/Stuknr_747112489.org; Zie tevens paragraaf 2.4
Startnotitie Veenweidestrategie Zuid-Holland 1.0
5
2. Opdracht aan de provincie 2.1
Veenweidestrategie
In het Klimaatakkoord is afgesproken dat alle veenweideprovincies een proces organiseren/ faciliteren met grondgebruikers en -eigenaren, medeoverheden en maatschappelijke partijen voor het ontwikkelen van een regionale veenweidestrategie. De opgave is niet vrijblijvend en er ligt een bestuurlijk bindende afspraak, gemaakt door de ondertekenaars van het Klimaatakkoord, op de vermindering van broeikasgasemissies. De opdracht om te komen tot een veenweidestrategie ziet er als volgt uit: • Stel een Regionale Veenweide Strategie 2030 op, conform de afspraken uit het Klimaatakkoord; in Zuid-Holland is de werktitel Veenweidestrategie Zuid-Holland (VWS-ZH) gekozen, • Zorg voor een integrale binding van alle partners, zowel overheden en maatschappelijke partijen als burgers en (agrarisch) ondernemers (partnerschap), • Zorg voor een inhoudelijk aanpak, waarbij de veenweideproblematiek van grond, grondgebruikers en -eigenaren en landschap integraal wordt benaderd, • Zorg voor een effectieve verdeling van beschikbare middelen over de betrokken gebieden en projecten, • Zorg dat het provinciebestuur van Zuid-Holland effectief de rol van regisseur kan vervullen. Concreet betekent dit dat de provincie alle partijen uitnodigt om gezamenlijk de VWS-ZH te ontwikkelen.
2.2
Adaptief en transparant proces
Voor Zuid-Holland zal deze veenweidestrategie vooral een bindende factor zijn tussen fysisch geografisch, en sociaaleconomisch-cultureel en bestuurlijk van elkaar verschillende deelgebieden. De strategie moet houvast bieden bij het bredere doelbereik en de basis vormen voor beleidsontwikkeling en het beschikbaar stellen van uitvoeringsinstrumentarium door alle betrokken partijen. Een strategie is een langjarige koers richting een concreet einddoel. De maakbaarheid van dit vraagstuk hangt vooral af van beschikbare kennis, middelen, instrumenten, maatregelen en de uiteindelijk keuzes, die grondgebruikers en -eigenaren, overheden en andere partijen maken (Zie ook bijlagen I en II). De urgentie van de opgave vraagt om een snelle start met beperkte kennis, informatie en betrouwbare cijfers over bodemdaling en uitstoot. We beginnen met een beperkte uitrol van maatregelen en monitoring hiervan. Intussen gaan we door met innoveren en zoeken naar een passende vorm en waardering van het grondgebruik dat de bodemdaling en emissie weet te remmen. Gedurende de komende jaren neemt de kennis toe en worden instrumenten en maatregelen aangepast of toegevoegd: een adaptief proces. In alle gevallen zal met veel partijen samengewerkt moeten worden voor het halen van de doelen. Deze partijen hebben vaak een ander vertrekpunt.
Dit vraagt om een dynamisch proces met een intensieve samenwerking als partners, een open gesprek waarin onzekerheden op tafel komen en ruimte is om te leren. Er zijn pilots en er is onderzoek en experimenteerruimte nodig om innovatieve aanpakken met elkaar te delen en op te pakken. Daarom is een adaptieve ontwikkeling van de VWS-ZH voorzien.
Startnotitie Veenweidestrategie Zuid-Holland 1.0
6
2.3
Gekozen aanpak Veenweidestrategie Zuid-Holland tot nu toe
In de aanloop naar deze startnotitie is door de provincie en een groep betrokken en belanghebbende partijen gediscussieerd over hoe een veenweidestrategie handen en voeten te geven. Om tot een Veenweidestrategie Zuid-Holland 2030 te komen is voorzien in een aantal tussenversies over de jaren. De eerste periode tot 2023 is vooral gericht op het snel aan de slag gaan op basis van bestaande kennis (besteding impulsgelden), het vergaren van nieuwe kennis en het starten van een dialoog in gebieden. Naarmate er meer kennis en maatregelen beschikbaar zijn, wordt de omslag gemaakt naar grootschalige uitrol van maatregelen. Een ontwikkeling van proces naar uitvoering, die zijn weerslag vindt in een update van de VWSZH6 , van 1.0 op hoofdlijnen via 2.0 naar een gedetailleerde versie 3.0. Dit loopt parallel aan de landelijke versies van het Veenplan, waar het Rijk aan werkt samen met de provincies:
Zoals in de figuur is te zien gaat in 2021 (begin 2022) de VWS-ZH 1.0 opgeleverd worden. Deze strategie zal vooral het pad uitstippelen richting 2030, waarbij de ontwikkeling van een toekomstbeeld en -perspectief voor de grondgebruikers en -eigenaren langzaam maar zeker zal worden geconcretiseerd in de VWS-ZH 2.0 en 3.0. De onderstaande figuur illustreert globaal deze langzame verschuiving van focus op toekomstperspectief en vergroten van de kennis naar uitvoering en inhoud.
2.4
Startpunt Veenweidestrategie Zuid-Holland 1.0
Vooruitlopend op het ontstaan van een breed gedragen veenweidestrategie heeft de provincie samen met gebieden de Impulsnotitie opgesteld. Dit is een plan gericht op het realiseren van doelen op korte termijn. Op grond van dit plan is de opgave voor Zuid-Holland erkend door het Rijk door toekenning van impulsgelden. In de Impulsnotitie worden drie prioritaire gebieden genoemd waar de urgentie om de bodemdaling aan te pakken het grootste is: Nieuwkoopse Plassen e.o., Krimpenerwaard en Alblasserwaard, zie hiervoor onderstaande kaart. De Impulsnotitie biedt ook aandachtsgebieden ruimte om te komen met projecten.
6
Op landelijk niveau wordt de provinciale veenweidestrategie ‘Regionale Veenweide Strategie (RVS)’ genoemd.
Startnotitie Veenweidestrategie Zuid-Holland 1.0
7
Prioritaire gebieden bodemdaling: 1. Nieuwkoop e.o. 2. Krimpenerwaard 3. Alblasserwaard Aandachtsgebieden: 4. Midden Delfland 5. Oude Rijn-gebied 6. Kagerplassen 7. Rijn en Veenstreek 8. Waddinxveen en Bodegraven Reeuwijk 9. Zuidplas (niet op de kaart)
Beeld van de werkzaamheden in de prioritaire gebieden Ontwikkelingen in de Krimpenerwaard • In de Krimpenerwaard wordt gewerkt aan de realisatie van natuur in het kader van het Natuur Netwerk Nederland. • In de Proeftuin ‘Trots op de Krimpenerwaard’ wordt gewerkt aan een toekomstkomstbestendige landbouw. • In de Omgevingsvisie wordt de ontwikkeling naar de toekomstbestendige landbouw verankerd. • In het Project Mijn Koers maken boeren duurzame toekomstbestendige plannen die kunnen worden benut in gebiedsontwikkelplannen. • Klimaatslim boeren in Vlist, 350 ha onderwaterdrainage gekoppeld aan versterking biodiversiteit klimaatslimboeren. • Prioritering deelgebieden op fysieke kenmerken en energie voor inzet impulsgelden met hoog rendement. • Gebiedskader met acties voor de korte termijn en bouwstenen voor toekomstperspectief op lange termijn. • Voortzetting Delta Programma Agrarisch Waterbeheer. • Projecten sturen met Grondwater en adaptief watermanagement, Proeftuin Krimpenerwaard.
Foto: aanleg onderwaterdrainage
Startnotitie Veenweidestrategie Zuid-Holland 1.0
8
Ontwikkelingen in de Alblasserwaard • In de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden vinden momenteel veel activiteiten plaats, zowel in het buitengebied als de bebouwde omgeving: • Gemeente Molenlanden (ZH) en Vijfherenlanden (Utr) werken samen aan de “Regionale Maatschappelijke Agenda”. • De Groene Cirkel Kaas en Bodemdaling, getrokken door Deltamilk/De Graafstroom timmert stevig aan de weg als het gaat om verduurzaming en bodemdalingsbestrijding in de landbouw. • Het Waterschap Rivierenland en de gemeente Molenlanden bouwen aan een “Regionale adaptatie Strategie” (RAS)(klimaatadaptatie). • In het kader van de veenweidestrategie Zuid Holland draagt de Alblasserwaard zijn steentje bij door het starten van een tweetal veenweide sporen; spoor 1 voor de korte en spoor 2de lange termijn. • Het zoekgebied voor spoor 1 is bepaald op basis van: 1. Kaart bodemdalingsvoorspelling (bijlage VI) 2. Kaarten Geschiktheid van de peilgebieden voor wateraanvoer en waterafvoer. De combinatie van de kaarten levert het zoekgebied voor WIS voor de korte termijn. Het waterschap zal de (kaart met) interesse voor WIS in dit zoekgebied toetsen op de effecten voor het watersysteem en het waterbeheer.
Figuur: zoekgebied spoor 1 Alblasserwaard
Startnotitie Veenweidestrategie Zuid-Holland 1.0
9
Ontwikkelingen in Nieuwkoop e.o • In dit gebied zijn de opgaven van het klimaatakkoord (veenweiden en veehouderij) geïntegreerd met de aanpak van het stikstofvraagstuk. Ook thema’s als water en biodiversiteit zijn meegenomen in het adaptieve plan van aanpak voor dit gebied. De stuurgroep Gebiedsgerichte Aanpak Stikstof en Bodemdaling in dit gebied fungeert als regiegroep gebied (zoals genoemd onder hoofdstuk 7). De resultaten van deze aanpak worden vertaald in de VWS-ZH. • Vanuit het project Klimaatslim Boeren in Meijepolder Laag, wordt een voorstel ontwikkeld voor de aanleg van waterinfiltratiesystemen (besparing CO2 uit de bodem) gecombineerd met watermaatregelen, vernieuwing bruggen en vergroting biodiversiteit. Aanleg is voorzien vanaf 2021-2022. • Vanuit het IBP wordt in het gebied rond Aarlanderveen gewerkt aan een vitale landbouw, waarbij ook gewerkt wordt aan maatschappelijke doelen als stikstofreductie, een betere aterkwaliteit, verbetering biodiversiteit en vermindering van bodemdaling.
Foto: veenweidegebied In de VWS-ZH 1.0. wordt gekozen voor een stimulerende en faciliterende rol door de provincie, om het gezamenlijk eigenaarschap voor het proces maximale ruimte te geven. Er wordt in eerste instantie gezocht naar knelpunten in het huidig instrumentarium. Tegelijk kunnen uitgelezen kansen om meer te sturen ook benoemd en benut worden. Men dient zich te beseffen dat het sturen op effect met bekende instrumenten als eerste aan de orde is, maar dat, naarmate de tijd vordert, in toenemende mate gezamenlijk op ‘resultaat’ gestuurd zal moeten worden, in casu op het halen van de klimaat-mitigerende effecten. Met name wanneer het ‘resultaat’ onvoldoende de ambities benadert. Deze aanpak is in lijn met het Veenplan 1.0 op rijksniveau.
Startnotitie Veenweidestrategie Zuid-Holland 1.0
10
3. Uitnodiging aan de drie prioritaire gebieden 3.1
Uitnodiging
Aan de drie prioritaire gebieden Nieuwkoop e.o., Krimpenerwaard en Alblasserwaard heeft de provincie al in een eerdere fase gevraagd om gezamenlijk een gebiedsplan op te stellen, waarin duidelijk komt te staan waar op korte termijn kansen en mogelijkheden liggen voor de uitrol van maatregelen. Dit in het verlengde van de Impulsnotitie. Bij Kaag en Braassem is ook belangstelling voor het opstellen van een gebiedsplan. Dit initiatief wordt de komende tijd nader besproken. De overige veenweidegebieden binnen de provincie Zuid-Holland worden uitgenodigd om met projectvoorstellen te komen. Tegelijkertijd wordt aan alle prioritaire gebieden gevraagd om het gesprek met de stakeholders/ grondgebruikers en -eigenaren over de lange termijn aan te gaan. Hierbij gaat het met name over de duurzame toekomst van het grondgebruik. Een leidraad voor een gebiedsplan is opgenomen in Bijlage III.
3.2
Ambitie
De veenweidestrategie is een aanpak voor de lange termijn richting 2030 en 2050. De strategische inzet richt zich op het terugdringen van broeikasgasemissies, conform algemene totaal ambitie van Klimaatakkoord, met 49% in 2030 en van 75-100% in 2050. De weg naar deze horizon begint echter met de eerste stap, waarbij maatregelen moeten worden uitgerold, die op de korte termijn al leiden tot een vermindering van emissies. Om dit mogelijk te maken heeft het Rijk een bedrag van € 22 miljoen beschikbaar gesteld als impulsgelden voor korte termijn no-regret maatregelen.
3.3
Aanpak
In het Klimaatakkoord is de keuze gemaakt om de veenweideaanpak per gebied ‘bottom-up’ in te richten op basis van vrijwilligheid bij alle deelnemende partijen. Deze veenweideaanpak richt zich niet sectoraal op CO2, maar omvat de brede veenweideproblematiek (Klimaatakkoord). Inzet is om te komen tot een toekomstbestendige landbouw met onder meer minder uitstoot van broeikasgassen, stikstof en hogere biodiversiteit en waterkwaliteit. Hierbij wordt ingezet op een twee-sporenaanpak: • Spoor 1: Nemen van maatregelen op de korte termijn (tot 2025) Dit is een nadere uitwerking van de Impulsnotitie. Hierbij gaat het met name om het kiezen van gebieden, spreken met grondgebruikers en -eigenaren, maken van keuzes op te nemen maatregelen en een snelle implementatie en uitrol daarvan (zie Bijlage I). Op dit moment is nog niet duidelijk welke effecten de te kiezen maatregelen sorteren. Dat zal gaandeweg duidelijk worden wanneer de diverse onderzoeksprogramma’s resultaten opleveren. • Spoor 2: Het toekomstperspectief voor de grondgebruikers en -eigenaren op de lange termijn (2030/2050) De ultieme ambitie is het leveren van een nieuw en toekomstbestendig perspectief voor de grondgebruikers en -eigenaren binnen de kaders en beperkingen die klimaat en milieu aan het landelijk gebied stellen.
Gezien de complexe en ingewikkelde opgave over een lange tijdshorizon richt dit spoor zich in eerste instantie vooral op het opstarten van de dialoog en het proces om dit vorm te geven. Naarmate de kennis toeneemt en de horizon van 2030/2050 dichterbij komt, leidt dit tot een concretere aanpak, respectievelijk uitvoering van maatregelen.
Startnotitie Veenweidestrategie Zuid-Holland 1.0
11
3.4
Prioritaire gebieden
Aan de gemeente Krimpenerwaard, Molenlanden en Nieuwkoop is gevraagd om een leidende rol te pakken in de organisatie van het proces in de drie prioritaire gebieden. De plaatselijke portefeuillehouder is gevraagd om als voorzitter van een regiegroep op te treden. De regiegroep is een gremium, dat specifiek is opgericht voor het plaatselijke veenweideproces op de korte én de lange termijn (spoor 1 en spoor 2). In de regiegroep nemen vertegenwoordigers plaats van de regionale en lokale overheden (provincie, gemeente, waterschap), stakeholders, met name vanuit de grondgebruikers en -eigenaren en de diverse lopende gebiedsontwikkelingen. Door de worteling van de regiegroep in de gebieden kan de kennis en slagkracht van lokale organisaties (o.a. collectieven en terreinbeherende organisaties) en grondeigenaren worden benut voor de uitvoering van beide sporen.
3.5
Koppelkansen met provinciaal en beleid partners
Zoals hierboven aangegeven geeft het Klimaatakkoord aan dat er niet sectoraal wordt ingezet op CO2 maar hiernaar vanuit een breder perspectief wordt gekeken. Dit biedt alle samenwerkende partijen kansen andere doelen en kansen voor het veenweidegebied in een integraal gebiedsplan mee te nemen. In paragraaf 4.1 staat een overzicht van mogelijke koppelkansen.
3.6
Pilots, kennisvragen, nieuwe instrumenten en maatregelen
Momenteel wordt al veel onderzoek gedaan in verschillende programma’s en kennis opgedaan. Deze kennis is van belang voor de uitvoering en de kennisvragen moeten daarom worden gevoed vanuit de praktijk. In overleg met de onderzoeks- en kennispartijen wordt ingezet op het jaarlijks bijstellen en/of aanvullen van de kennis- en onderzoeksprogramma’s, met vragen vanuit de gebieden die door de provincie kunnen worden ingebracht. Nieuwe kennis kan leiden tot ontwikkeling van nieuwe instrumenten en nieuwe maatregelen. In paragaaf 5.1 wordt nader ingegaan op de huidige stand van de kennis. Voor een overzicht van de beschikbare maatregelen en instrumenten zie resp. bijlage I en II.
Startnotitie Veenweidestrategie Zuid-Holland 1.0
12
4. Aandachtsgebieden In een aantal aandachtsgebieden wordt nu al gewerkt aan plannen en projecten die bijdragen aan de CO2-opgave en daarmee passen binnen de Veenweidestrategie. Zo is er vanuit ondernemers in Reeuwijk-Dorp een idee voor Klimaatadaptief Beheer Weidevogelgrasland. In drie polders in de gemeente Kaag en Braassem is op initiatief van het waterschap een gebiedsproces gestart. In Midden-Delfland is recent een Leidraad Bodemdaling opgeleverd die mogelijk leidt tot nieuwe projecten. Wanneer er in de gebieden nieuwe plannen of projecten worden ontwikkeld die kunnen bijdragen aan de provinciale c.q. landelijke opgave voor vermindering van de CO2-emissie uit veen, dan worden partijen uitgenodigd om hierover in gesprek te gaan met de provincie zodat de projecten opgenomen kunnen worden in de VWSZH 1.0 (of een latere versie).
Beeld van werkzaamheden in de aandachtsgebieden Dit is een eerste inventarisatie, maar geen uitputtende lijst. Ontwikkelingen in Midden-Delfland • Recent is de Leidraad Bodemdaling Midden-Delfland opgeleverd. Met de Leidraad kunnen agrariërs en andere grondeigenaren op perceelniveau zien welke maatregelen zij kunnen nemen om bodemdaling tegen te gaan. Ontwikkelingen in Kagerplassen • In de Waterloospolder, Blauwe polder en Vlietpolder in de gemeente Kaag en Braassem trekt het hoogheemraadschap van Rijnland het gebiedsproces ‘Peilen op de toekomst’. In dit gebiedsproces werkt Rijnland samen met betrokken boeren aan een handelingsperspectief en gezamenlijke gebiedsaanpak voor een toekomstbestendige bedrijfsvoering, waarbij de bodemdaling in het gebied wordt tegengegaan en daarmee CO2-uitstoot vermindert.
Ontwikkelingen in Rijn en Veenstreek • In het kader van het Nationaal Onderzoek Broeikasgassen (NOBV) wordt de uitstoot van broeikasgassen gemeten in polder Lange Weide.
Startnotitie Veenweidestrategie Zuid-Holland 1.0
13
Ontwikkelingen in Waddinxveen en Bodegraven-Reeuwijk • Klimaatadaptief Beheer Weidevogelgrasland; een kleinschalig initiatief in Reeuwijk-Dorp waarbij tegengaan van bodemdaling gekoppeld wordt aan vergroting van de biodiversiteit. Ontwikkelingen in Zuidplas • In het veenweidegebied rond Moordrecht (gemeente Zuidplas) is het project Restveengebied in transitie in uitvoering. Met verschillende pilots wordt gewerkt aan een eerste stap in de overgang naar een toekomstbestendig multifunctioneel landschap met natuur- en waterfuncties. Met een andere wijze van landgebruik en een nieuw verdienmodel voor de eigenaren. Interprovinciale Samenwerking • Gebiedsprocessen rond Driebruggen en Zegveld; beide gebieden liggen op de grens tussen Zuid-Holland en Utrecht. Door samenwerking tussen provincies kan het waterschap effectief maatregelen nemen tegen bodemdaling en CO2 uitstoot. • In programma Klimaatslimboeren op veen werkt waterschap Stichtse Rijnlanden in samenwerking met boeren, collectieven en overheden poldergericht aan biodiversiteit, waterinfiltratiesystemen, natte teelten, klei inbrengen en boeren bij hoog water. Op dit moment loopt er een project in Lange Weide, in Meijepolder laag, in de Vlist, Kamerik en in de polders Kortrijk en Portengen. • Vanuit de Regionale Maatschappelijke Agenda (RMA) wordt al samengewerkt tussen Alblasserwaard en Vijfheerenlanden.
Binnen de gebiedsprocessen zal deze samenwerking worden benut.
Startnotitie Veenweidestrategie Zuid-Holland 1.0
14
5. Kader 5.1
Bestaand beleid en koppelkansen met andere opgaven
De VWS-ZH staat niet op zichzelf. In het Zuid-Hollandse veenweidegebied spelen meer uitdagingen dan het inzetten op remmen van bodemdaling en CO2-reductie. Dat biedt koppelkansen die op zowel korte als middellange en lange termijn spelen, zoals: 1. Duurzaam toekomstperspectief voor de landbouwsector, dat wil zeggen een landbouwsector die economisch rendabel is met een circulaire en natuur- en omgevingsinclusieve agrarische bedrijfsvoering (o.a. provinciale Hoofdlijnennotitie Landbouw); 2. Toekomstbestendig watersysteem en zoetwatervoorziening (Deltaprogramma) dat zowel piekbuien aankan als weerbaar is tegen tekorten, dat tegemoet komt aan de toenemende vraag aan zoet water en waarmee de waterkwaliteitsdoelen (KRW) worden aangepakt; 3. Stikstofopgave en natuurontwikkeling (N2000 en NNN, Programma Natuur); 4. Versterken van de biodiversiteit zoals weidevogels (Aanvalsplan grutto, Actieplan Boerenlandvogels); 5. Energietransitie, Regionale Energie Strategieën (RES) en mogelijkheden voor nieuwe verdienmodellen voor de agrarische sector zoals energieopwekking; 6. Recreatie-ontwikkeling; 7. Waardevolle cultuurhistorie en (nieuw) landschap. Inzet van de provincie is om waar het kan zoveel mogelijk integraal te werken en daarbij ook te kijken of beleidsontwikkeling en uitvoering naast elkaar kunnen plaatsvinden.
Vanuit het Rijk komt in juni een kadernotitie met daarin de context en uitgangspunten voor de uitvoering van het veenweideprogramma.
5.2
Opgave voor CO2-reductie in Zuid-Holland
In het Klimaatakkoord is de doelstelling opgenomen dat alle Nederlandse veenweidegebieden uiterlijk in 2030 gezamenlijk een reductie in jaarlijkse broeikasgassenuitstoot van 1 Mton CO2-eq moeten hebben behaald. In het Klimaatakkoord is die opgave niet tussen de provincies verdeeld. Hoe die verdeling eruit moet komen te zien en welk deel van de opgave in Zuid-Holland ligt, wordt nog “indicatief” bepaald. Daarbij wordt rekening gehouden met hoeveelheid veen (areaal en dikte) maar ook met de kansrijkheid van projecten. Een eerste indicatie voor de VWS-ZH is dat in Zuid-Holland ongeveer 25% van de nationale hoeveelheid oxideerbare veengronden ligt. Wat niet betekent dat Zuid-Holland ook verantwoordelijk is voor een kwart van de uitstoot uit veengronden. In het Klimaatakkoord is ook de verdeling van de opgave binnen de provincie Zuid-Holland niet bepaald. Dat is iets dat de Zuid-Hollandse partners zelf kunnen bepalen. Het ligt voor de hand om dat (straks) te doen in lijn met de rekenregels en indicatoren die op nationaal niveau worden gebruikt, en daar eigen keuzen in te maken. Voor het bepalen van de opgave per gebied is het noodzakelijk om te weten hoeveel CO2-equivalenten iedere specifieke grond/veensoort uitstoot. Dit zal de komende jaren duidelijker worden.
Startnotitie Veenweidestrategie Zuid-Holland 1.0
15
6. Kennis 6.1
Stand van kennis
Het ligt in de lijn der verwachting dat we komende jaren, mét de nieuwe kennis en inzichten, steeds beter weten en begrijpen wat de huidige emissie is en met welke aanpak en maatregelen doelmatig resultaten geboekt kunnen worden en dat sommige uitgangspunten moeten worden herzien. Dit alles zal in een volgende Veenweidestrategie ZH (versie 2.0 in 2023 of latere versie) worden verwerkt. In lijn met de nog aanwezige kennisbehoefte is gekozen voor een strategie van kennisontwikkeling in combinatie met een adaptieve aanpak. Kennisontwikkeling en grootschalige experimenten gaan vloeiend over in een vorm van begeleide uitrol van maatregelen. Ook wordt onderzocht hoe opgedane kennis via het agrarisch onderwijs een weg naar het boerenerf kan vinden. Daarnaast kunnen agrarische bedrijven voor deskundigheidsbevordering op het gebied van duurzame landbouw gebruik maken van de landelijke SABE regeling (voor Agrarische Bedrijfsadvisering en Educatie), lokale studiegroepen van DAW (Deltaplan Agrarisch Waterbeheer) en andere projecten en pilots. Voor een overzicht van de belangrijkste programma’s en netwerken zie bijlage IV. Door samenwerking van overheden, kennisinstellingen, agrarische ondernemers en agrarische- en natuurbeheerders is dit al tot stand gebracht. Dit willen we graag versterken, voortzetten en (gebiedsgericht) verder opschalen.
6.2
Kennis over huidige bodemdaling en broeikasgasemissies uit veen
De Veenweidestrategie Zuid-Holland gaat over de veengronden die zich bevinden in het landelijk gebied van de provincie Zuid-Holland. Veengronden zijn er in soorten en maten en worden gekenmerkt door verschillen in bodemdaling en uitstoot van broeikasgassen. Er zijn weinig gegevens beschikbaar over de feitelijke grootte van de structurele, gebiedsdekkende bodemdaling en broeikasgasuitstoot. Beide zijn ook moeilijk rechtstreeks en nauwkeurig te meten en mede afhankelijk van het type veen (zie onderstaande kaart ‘Veenbodemtypen’). Een onderzoeksprogramma om te komen tot eenduidige metingen loopt reeds.
Foto: Klei in veen; aanbrengen verdunde klei door middel van sproeien
Startnotitie Veenweidestrategie Zuid-Holland 1.0
16
Voor de VWS-ZH draait het om de oxidatie van veen, waarbij organisch materiaal wordt omgezet in CO2 en andere broeikasgassen en verdwijnt in de lucht. Door de afbraak vermindert het volume en daalt de bodem. Oxidatie vindt vooral in de zomer plaats, als het grondwater laag staat, het veen dus meer aan lucht wordt blootgesteld en de bodemtemperatuur relatief hoog is.
6.3
Uitgangspunt Bodemdaling van beloften
Om toch een indicatie en vertrekpunt voor de VWS-ZH 1.0 te hebben, heeft de provincie ervoor gekozen om gebruik te maken van de bodemdaling voorspellingskaart van Zuid-Holland (grotere kaart, zie Bijlage V), die Deltares in opdracht van PZH heeft gemaakt. Deltares heeft de bodemdaling voorspellingskaart gemaakt op basis van landelijk beschikbare data en modellen, op een voor alle gebieden vergelijkbare manier (dat kan afwijken van gebiedsspecifieke data die (nog) niet in het landelijke systeem zit). Deze kaart is vertaald naar een indicatie van de emissie c.q. opgave per deelgebied (zie taartpunten).
Startnotitie Veenweidestrategie Zuid-Holland 1.0
17
De kaart en taartpunten laten goed zien dat de grootste opgave in de Krimpenerwaard en Alblasserwaard liggen. Daarna volgt Nieuwkoopse plassen en omgeving, waar de opgave extra groot is doordat daar ook een stikstofopgave ligt.
6.4
Disclaimer
De kaart en taartpunten zijn gebaseerd op data en rekenregels die nog in ontwikkeling zijn. Betere en éénduidige cijfers en regels worden nog verwacht uit het nationale onderzoek (NOBV) en afspraken op nationaal niveau. Dit zal moeten leiden tot meer duidelijkheid over de verhouding tussen de opgave in het Klimaatakkoord en de emissie in Zuid-Holland. Dit betekent dat de gebruikte rekenregel gedurende de periode tot 2023 zeer waarschijnlijk worden aangepast. Dat kan gevolgen hebben voor de opgave en te nemen maatregelen. Echter ondertussen zetten we gezamenlijk in op reductie middels de VWS-ZH 1.0.
Startnotitie Veenweidestrategie Zuid-Holland 1.0
18
7
Maatregelen, instrumenten, middelen en monitoring
7.1
Kaarten
Met name de beschikbare bodemdalingsinformatie die via de provincie, de waterschappen, Deltares en andere onderzoeksinstanties is te vinden, helpt bij het zoeken naar en kiezen van gebieden waar (no regret) maatregelen uitgerold kunnen worden. Informatie is (gecombineerd) te vinden op o.a. bodemdalingskaarten, hoogtekaarten, droogleggingskaarten en bodemkaarten waarop veentype en aanwezigheid kleipakket is te zien.
7.2
Maatregelen
Van de maatregelen die in beeld zijn kan nog slechts een zeer beperkt aantal maatregelen voorzichtig worden uitgerold. We zitten nog in een traject van uitproberen en innoveren. Gaandeweg zullen kennis en inzichten rond de mogelijke maatregelen toenemen en de meest effectieve keuze(s) en richting(en) helderder in beeld brengen. Inmiddels weten we al wel dat het verhogen van de grondwaterstand (tot zelfs 20 cm onder maaiveld) zorgt voor reductie van de emissie. Maatregelen die de grondwaterstand omhoog weten te krijgen, zoals waterinfiltratiesystemen, zullen we op beperkte schaal gaan uitrollen, om in de praktijk de effectiviteit verder te monitoren en verbeteren. De klimaatambities zijn echter niet haalbaar met alleen technische maatregelen binnen het totale systeem van de agrarische bedrijfsvoering, water- en natuurbeheer. Er moet ook worden gekeken naar verdere verduurzaming van dat systeem. In onderstaand figuur zijn de mogelijke maatregelen geplaatst in het speelveld van innovatie en systeemverandering. De maatregelen zijn afgezet tegen de assen van mate van systeemverandering en nieuwe technologie. Hierbij gaat het om het duiden van verschillen tussen de maatregelen, niet om de duiding van de precieze plek in de figuur. De figuur is bedoeld als hulpmiddel in het gesprek met stakeholders in gebieden over het toekomstperspectief en is geen absolute waarheid.
Figuur: Mate van systeemverandering en innovatie (bron: Koersnotitie veenweiden, provincie Utrecht) Op de horizontale as verschuiven bekende, al toegepaste technieken en kennis naar nieuwe technieken en kennis. De grondwaterstand verhogen kan worden gedaan via bekende technieken, bijvoorbeeld greppelinfiltratie, of met nieuwe technieken als waterinfiltratie. Het huidige grondgebruik kan worden geoptimaliseerd door grondverbetering (klei in veen). Op de verticale as gaat het om een verschuiving van het huidige landbouwsysteem, via een ander landbouwsysteem met een fors hogere grondwaterstand, tot ander grondgebruik en watersysteem. Er zijn verschillende gradaties denkbaar in verandering ten opzichte van het huidige grondgebruik en watersysteem. Bijvoorbeeld van extensieve veeteeltbedrijven, toepassen van natte teelten, natuurinclusieve landbouw tot verdergaande systeemverandering naar natuur, energietransitie en recreatie.
Startnotitie Veenweidestrategie Zuid-Holland 1.0
19
7.3
Aanpalende water(systeem)maatregelen
Er is ruimte voor maatwerk per gebied en groei in de tijd. Er is een veld aan maatregelen met op de assen de richtingen waarin we kunnen denken. Er zijn ook allerlei tussenoplossingen en combinaties denkbaar. Het kan leiden tot een palet aan verschillende maatregelen binnen een gebied waarbij de keuze afhangt van de mogelijkheden ter plaatse (fysiek, effectiviteit), het draagvlak van de perceeleigenaar voor bepaalde oplossingen en kansen voor inpassing in de bedrijfsvoering. Veelal gaat het om een combinatie van maatregelen7 . Voor een uitgewerkt overzicht van maatregelen zie bijlage I. De mate van systeemverandering vraagt om ander waterbeheer en meer samenwerking tussen waterbeheerder en grondgebruiker en -grondeigenaar. Dit betekent dan ook een transitie van het waterbeheer met meer sturing op grondwater en het streven naar een meer natuurlijk peilbeheer. Het is nodig in de VWS-ZH afspraken op te nemen over bijvoorbeeld: - De aanleg van een freatisch grondwatermeetnet, waarmee sturing op grondwater kan plaatsvinden en effecten van maatregelen gemonitord en verantwoord kunnen worden. - Het (modelmatig) in beeld brengen van de impact van grootschalige uitrol van maatregelen op het watersysteem en, als dat nodig blijkt, voorstellen te doen voor het agenderen en/of beheersen daarvan.
Dit kan gaan over de toenemende vraag naar zoet water (waarvoor mogelijk gekeken moet worden naar het bovenregionale watersysteem) en/of om een toenemend risico op (overschrijden van de normen voor) wateroverlast.
7.4
Instrumenten
Hoofdvraag aan betrokken partijen bij de uitvoering van alle aspecten van de veenweide-strategie is: “Wat hebben we nodig om de klimaatdoelen te halen en voortgang te boeken bij de nevendoelen vanuit een gebiedsgerichte aanpak?” Om deze vraag te kunnen beantwoorden, is het noodzakelijk om in beeld te hebben wat het bestaande instrumentarium is dat kan worden ingezet voor het behalen van de doelstelling. Het instrumentarium is het verlengstuk van beleid van de partijen, die betrokken zijn, zoals de overheden, de agrarische keten, de stands- en natuur- en milieuorganisaties. Ook is het van belang dat wordt aangegeven, waar instrumentarium ontwikkeld moet worden, bijvoorbeeld om transities mogelijk te maken.
Foto: Waterinfiltratiesysteem (WIS)
7
bron: Koersdocument Veenweide provincie Utrecht Startnotitie Veenweidestrategie Zuid-Holland 1.0
20
Er is sprake van bottom-up processen, waarbij vrijwilligheid bij het implementeren van maatregelen voorop staat. Instrumenten faciliteren de ‘hoe-vraag’ bij het inzetten van maatregelen en middelen. Vaak zijn de instrumenten juridisch van aard, maar zeker in deze opstartfase vooral financieel. Omdat het grondgebruik in de veenweidestrategie centraal staat is, naast ‘geld’ en ‘water’, ‘grond’ de meest bepalende factor. Grondinstrumentarium dat congruent is met de opgave is daarbij een kritische succesfactor. Om het instrumentatieproces te richten, zal binnen de veenweidestrategie gewerkt moeten worden aan het in beeld brengen van het bestaande en gewenste overheids- of markt instrumentarium, gericht op het terugdringen van broeikasgassen en de gedefinieerde nevendoelen. Bijlage II bevat hiertoe een eerste aanzet. Instrumentarium bestaat uit regels en prikkels en het systeem van verantwoording en verantwoordelijkheden. Vanuit de veenweidestrategie zal worden gezocht naar verbeteringen in dit systeem door het benoemen van knelpunten in het instrumentarium en doen van voorstellen voor verbetering of aanvulling. Hierbij zullen de gezamenlijke veenweideprovincies samenwerken. Bij de totstandkoming van de startnotitie zijn hiervoor al ideeën aangeleverd.
Zo valt te denken aan versterking van collectieven, nieuw wettelijk kader (bodem en grondwater) waarbinnen de veenweideproblematiek kan worden gestuurd.
Foto: Projectbord Klei in Veen; Proeftuin Krimpenerwaard
7.5
Middelen
Voortvloeiend uit het Klimaatakkoord heeft het Rijk middelen beschikbaar gesteld en een Veenplan opgesteld waar deze rijksmiddelen aan gekoppeld zijn: 1. € 100 miljoen Impulsgelden Veenweiden, te besteden in de eerstkomende jaren (t/m 2025). 2. € 176 miljoen voor het bereiken van de doelen uit het Klimaatakkoord in 2030, verdeeld in: • Onderzoek en kennisontwikkeling: € 76 miljoen • Aanvullende uitstoot verminderende maatregelen: € 100 miljoen Wat betreft de € 100 miljoen aan Impulsgelden hebben de provincies, op verzoek van de minister, zelf een verdeling gemaakt over de zes veenweideprovincies. Bij deze verdeling is rekening gehouden met de grootte van de opgave (hectares veen) en de kans rijkheid van projecten. Op basis hiervan heeft Zuid-Holland € 22 miljoen toebedeeld gekregen. De gebiedsgerichte inzet van de Impulsgelden veenweiden is onderdeel van de VWS-ZH. Startnotitie Veenweidestrategie Zuid-Holland 1.0
21
Het bedrag van € 176 miljoen stelt Rijk tot en met 2030 beschikbaar onder de conditie dat provincies, waterschappen, boeren en andere grondeigenaren ook bijdragen • De € 76 miljoen voor onderzoek en kennisontwikkeling is en wordt ingezet op onder meer het broeikasgassenonderzoek (NOBV), de pilots van de IBP-VP gebiedsontwikkelingen en het aanstaande nationale Veenweide Innovatie Programma en Programma VIPNL. Partijen uit de regio’s/gebieden kunnen jaarlijks kennis- of innovatievragen aandragen met het verzoek deze in het onderzoek vanuit VIP-NL mee te nemen, waarmee (naar verwachting) circa 50% bijdrage vanuit de Rijksmiddelen is te krijgen. • De € 100 miljoen voor de uitrol van maatregelen, is voor de periode 2022-2030 beschikbaar gesteld. Voor het andere deel wordt financiering vanuit de regio/gebieden verwacht. Naast het bedrag van de rijksoverheid is er op de provinciale begroting een bedrag opgenomen van in totaal 5,8 miljoen voor de huidige collegeperiode. Dit bedrag bestaat uit gelden voor onderzoek en de personele lasten behorende bij het programma veenweiden. Ook vanuit de gebieden wordt bijgedragen aan het programma. Er wordt menskracht en middelen ingezet voor planvorming en uitvoering. Daarnaast wordt er voor (enkele) maatregelen een bijdrage gevraagd van grondeigenaren en boeren. In het gebiedsplan worden deze bijdragen inzichtelijk worden gemaakt.
7.6
Monitoring
In het Klimaatakkoord is afgesproken dat partijen gezamenlijk de voortgang en effectiviteit van maatregelen en de CO2-uitstoot monitoren en daarvoor, ondersteund door het kennisprogramma, een monitoringsprogramma uitwerken. De provincies maken met het Rijk afspraken over het monitoringsprogramma.
Startnotitie Veenweidestrategie Zuid-Holland 1.0
22
8
Organisatie en uitvoering
8.1
Organisatie
Voor de organisatie op provinciaal niveau en op gebiedsniveau wordt aangesloten bij de landelijke opzet van een interbestuurlijk kernteam en een brede regiegroep met overheden en maatschappelijke partners, zie onderstaand figuur. Provinciale Regiegroep Strategie vormend PZH en prioritaire gebieden (gemeente, waterschappen en maatschappelijke organisaties)
Breed maatschappelijk overleg geïnformeerd
Alle belanghebbenden en belangstellenden
Organisatie VWS Zuid-Holland
Bestuurlijk kernteam – Regie en sturend PZH, Waterschap, Gemeente
Programma-manager
gebieden Ambtelijk kernteam
Ambtelijk overleg
generiek
Regiegroep Alblasserwaard
Werkgroep Alblasserwaard
Beleid, plannen, overleg Waterschappen
Regiegroep Krimpenerwaard
Werkgroep Krimpenerwaard
Beleid, plannen, overleg Provincie Beleid, plannen, overleg Rijk
Regiegroep Nieuwkoopse plassen
Projecten
Werkgroep Nieuwkoopse plassen
Initiatiefgroep
Beleid, plannen, overleg Gemeente
Figuur: organisatie Veenweidestrategie Zuid-Holland De verbinding met de landelijke organisatie is georganiseerd via het IPO, de VNG en de Unie van Waterschappen die op alle niveaus vertegenwoordigd zijn. Zie onderstaand figuur. Op interprovinciaal niveau wordt nauw samengewerkt met provincie Utrecht. Met name in de aanpak rond de Nieuwkoopse plassen en de Vijfheerenlanden en in relatie met VIP-NL.
GS ZH
Bestuurlijk kernteam ZH
Figuur: Organisatieschema opbouw landelijke programma Veen
Startnotitie Veenweidestrategie Zuid-Holland 1.0
23
De organisatie stuurt op het proces van de totstandkoming en uitvoering van de veenweidestrategie. Inhoudelijke besluiten worden genomen door de besturen die daartoe bevoegd zijn. Wat betreft de overheden gaat dit met name om het betrekken van volksvertegenwoordigingen bij fundamentele besluiten die het gebied aangaan (democratische legitimatie). Hoewel stands- en belangenorganisaties intensief worden betrokken bij de regiegroepen, is de regiegroep geen onderhandelingsplatform voor belangen.
8.2
Rollen en taken
De organisatie op provinciaal niveau is als volgt uitgewerkt: • Bestuurlijk Kernteam Het bestuurlijk kernteam bestaat uit de gedeputeerde, een wethouder en een waterschapsbestuurder. Het bestuurlijk kernteam heeft een vaste samenstelling. De taken van het kernteam zijn het aansturen van het programma en de regievoering en aansturing van het proces. Het bestuurlijk kernteam vergadert iedere 6 weken. De programmamanager is secretaris. • Provinciale regiegroep De provinciale regiegroep bestaat uit bestuurders van gemeenten en waterschappen in de prioritaire gebieden, landbouw- en natuur- en milieuorganisaties, banken, en een organisatie van grondeigenaren. Van de regiegroepleden wordt verwacht dat zij een integrale brede blik hebben en met de voeten in het veen staan. De taak van de regiegroep is inbreng leveren vanuit de praktijk, knelpunten signaleren, input leveren voor het kennis- en onderzoeksprogramma, en het formuleren van de strategie op provinciaal niveau. En in het proces naar WVS-ZH 2.0 nieuwe elementen, invalshoeken, richtingen inbrengen. Daarnaast biedt het overleg ruimte de koppeling te leggen tussen gebieden en om de aanpak regionaal en provinciaal op elkaar af te stemmen. De regiegroep komt op adhoc basis bij elkaar. • Regiegroepen in gebieden In de prioritaire gebieden zijn regiegroepen gevormd. De samenstelling van de regiegroepen wisselt per deelgebied.
De regiegroep bestaat tenminste uit de drie overheden en agrariërs. In Nieuwkoop fungeert de Gebiedsgerichte Aanpak Stikstof (GGA Nieuwkoop) als regiegroep. In de deelgebieden Alblasserwaard en Krimpenerwaard nemen ook andere partijen deel aan de regiegroep. De taak van de regiegroepen is het opstellen van een gebiedsplan (inclusief besteding Impulsgelden) als onderdeel van de WVS-ZH, de aanvraag voor de Impulsgelden en de aansturing van de uitvoering in de gebieden. De governance in de prioritaire gebieden wordt opgenomen in de gebiedsplannen. De regionale regiegroepen zijn verantwoordelijk voor het organiseren van het bottom-up proces. • Breed Maatschappelijk Overleg Om de overige veenweidengebieden en andere belanghebbenden mee te nemen in de ontwikkelingen en uitvoering van de VSW-ZH wordt een Breed maatschappelijk overleg gevoerd. Dit overleg bestaat uit een brede groep van gemeenten en waterschappen, banken, zuivelcoöperaties en andere partijen. Deze groep wordt minimaal 2 maal per jaar geïnformeerd en geconsulteerd. De rol van dit overleg is vooral een breed klankbord.
Startnotitie Veenweidestrategie Zuid-Holland 1.0
24
• Ambtelijke werkgroepen Deze opzet vertaalt zich ook in ambtelijke werkgroepen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in meewerkers en meedenkers. Meewerkers /Ambtelijk kernteam De meewerkers bestaan uit een ambtelijk kernteam met medewerkers van provincie, gemeente en waterschap. Dit kernteam werkt actief mee aan de uitvoering op provinciaal niveau en door ondersteuning van het bestuurlijk kernteam. Meedenkers/ Brede Werkgroep Een brede werkgroep met (ambtelijke) medewerkers van de deelnemende organisaties in de provinciale regiegroep vormt een klankbord. Zij denken mee en leveren input in het proces. Op basis van expertise kunnen zij worden gevraagd als meewerker in de uitwerking van bepaalde onderwerpen.
8.3
Uitvoering
De startnotitie richt zich met name op het opstellen van de VWS-ZH en de gebiedsplannen. In de uitvoering van deze plannen is de verwachting dat agrarische collectieven een belangrijke rol kunnen spelen in de gebieden. De collectieven beschikken over gebiedskennis en deskundigheid. Voor deze opgave is het ook belangrijk om de komende periode na te denken over de wijze waarop de uitvoering ter hand wordt genomen. Zeker als de realisatie langere tijd gaat duren, professionele ondersteuning en inzet van geld en grond vraagt, is een goed georganiseerde uitvoeringsorganisatie een vereiste. Omdat een dergelijke vraag ook speelt in andere provincies wordt dit op interprovinciaal niveau verder besproken en uiteraard in samenwerking met de wensen vanuit de gebieden. In de Veenweidestrategie zal hier nader op worden ingegaan.
Startnotitie Veenweidestrategie Zuid-Holland 1.0
25
9
Proces Veenweidestrategie Zuid-Holland 1.0
Startnotitie Veenweidestrategie Zuid-Holland 1.0
26
Bijlage I
Maatregelen
Geen spijt / kansrijk 1. Grondwaterstand sturen/verhogen a) Waterinfiltratiesysteem zonder druksysteem (OWD) b) Waterinfiltratiesysteem met druksysteem (DD) c) (Sloot)peilverhoging d) Greppel infiltratie 2. Bodemsamenstelling aanpassen a) Klei in veen b) Systematisch ophogen 3. Graslandbeheer - kruidenrijk / weidevogelpakket plas-dras of hoogwater 4. Vee aanpassing - kleinere lichter koe / permanent op stal/lagere vee dichtheid 5. Functie verandering - moerasnatuur / drijvende zonnepanelen / waterberging / bos / wonen 6. Zonering / verkaveling - t.b.v. combinatie van bovenstaande tot hybride (nieuw) landschap Mogelijke innovatieve maatregelen 1 Gewas verandering - cranberry / lisdodde / riet / veenmos 2 Bodemsamenstelling aanpassen - verzuren / verbrakken Voorlopige rekensystematiek maatregelen Er zijn enkele maatregelen waarvan er enige kennis is over het effect op de uitstoot van CO2. Bij de toepassing van deze maatregelen wordt uitgegaan van de volgende reductie: • Alle peilopzet / wis / greppel met behoud van huidig grondgebruik op 50% reductie • Hogere peilopzet / wis / greppel i.c.m. aanpassingen binnen huidige grondgebruik op 75% • Nog hogere peilopzet / wis / greppel i.c.m.
wijziging grondgebruik naar plasdras / veenmos 100% • En wat we niet weten kan experimenteel worden toegepast, zoals verkleien, verbrakken, verzuren In het PBL “Achtergronddocument effecten ontwerp Klimaatakkoord: landbouw en landgebruik, 2019” wordt uitgegaan van: • Onderwaterdrainage levert 45% reductie • Drukdrainage levert 67% reductie • Zomer peilopzet naar niveau weidevogelgebied levert 75% Disclaimer Bovengenoemde percentages zijn voorlopig bepaald. Deze percentages worden aangepast nadat uit onderzoek van het NOBV duidelijk wordt wat het effect is op de emissie van CO2 van de maatregelen op de verschillende soorten veen. Er kan dus bij de berekening van vermindering van de CO2-emissie slechts een globale inschatting worden gemaakt. De subwerkgroep monitoring werkt nog aan een generieke rekensystematiek met o.a. reductiefactoren voor diverse archetypen veenbodem.
Startnotitie Veenweidestrategie Zuid-Holland 1.0
27
Mogelijke andere systeem impact /aanpassing Beoogde maatregelen zijn vooral gericht op het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen uit veen. Dat neemt niet weg dat deze maatregelen mogelijk negatieve effecten kunnen hebben op andere doelen in het gebied, en aanvullende of compenserende maatregelen vergen, óf juist bij kunnen dragen aan andere maatschappelijke doelen.
Startnotitie Veenweidestrategie Zuid-Holland 1.0
28
Bijlage II
Instrumenten
Bij het bestaande instrumentarium moet worden gedacht aan: EU-subsidies en bijdragen • Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (o.a. POP3) • Agrarisch Natuur en Landschapsbeheer (Anlb) • LIFE: projecten gefinancierd vanuit de EU • Nieuw Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) • Maatregelen rond de vermindering stikstofemissies, deze gaan in de veenweiden gepaard met vermindering broeikasgassen • Gewascodes voor nieuwe natte teelten Rijk • Greendeals van de rijksoverheid, gericht op wegnemen belemmeringen en knellende regelgeving; • Wet inrichting Landelijk Gebied (WILG) • Regelingen voor fiscaal voordelig investeren in bodem- en milieu-verbeterende maatregelen; • MKB-Innovatiestimuleringsregeling topsectoren • SABE-regeling - subsidieregeling om te leren over duurzamere landbouw voor agrariërs middels advies van een erkende bedrijfsadviseur • Startup in Residence Challenge (SIR) – gericht op innovatie door ondernemers samen met overheden Provincie • Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap (SKNL) - compensatie grondwaardedaling bij functieverandering van landbouwgrond naar natuur of bij verandering naar nieuwe functie “landbouwgrond met hoog peil” • Financiering van klimaat-mitigerende maatregelen in de veenweiden (onder en boven de grond); • Grondinstrumentarium (pacht, bedrijfsverplaatsing en -beëindiging, inzetten provinciale gronden,
kavelruil • Ruimtelijk instrumentarium (“rood-in ruil voor-vernatten”, “zonnevelden-in ruil voorvernatten”) Waterschappen • Peilbesluiten • Maatregelen rond Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW) – BOOT-lijst; • Regeling voor sturen via waterschapsbelasting • Regeling voor natschadevergoeding Markt • Valuta voor Veen en vrijwillige koolstofmarkt (CO2-credits) • Sturen via de prijs voor agrarische grondstoffen (o.a. melk) middels KPI’s (Kringloopwijzer en ‘On the way to Planet-Proof’ van RFC) • Beleid van banken inzake duurzaamheidsinvesteringen; Groenfinanciering / impactlening of omschakelfonds vanuit het Nationaal Groenfonds • Gestapelde beloning / incentives
Startnotitie Veenweidestrategie Zuid-Holland 1.0
29
Bijlage III Leidraad gebiedsplan Opbouw gebiedsplan Het gebiedsplan moet minimaal de volgende onderwerpen bevatten: • Korte beschrijving van het gebied • Doelen • Kader • Governance • Aanpak korte termijn (spoor 1), nadere uitwerking Impulsnotitie (2025): • Maatregelen • Planning uitrol maatregelen • Financiering (besteding impulsgelden) • Impact op watersysteem en watervraag • Beschrijving van benodigde kennis, pilots en instrumenten • Toekomstperspectief 2030 met een doorkijk naar 2050 (spoor 2) en de weg ernaartoe • (proces) • Behoefte aan instrumenten, pilots, kennis en middelen
Hoe kan invulling worden gegeven aan een gebiedsplan? • Een beknopt gebiedsplan, bestaande uit: • De selectie van de deelgebieden waar in het kader van de besteding van de (impuls)gelden wordt gestart met de implementatie van maatregelen. • Een zo beperkt mogelijke set van spelregels en beleidskeuzes (gemeente, provincie, waterschap en mogelijke particuliere partijen). • Een adaptieve gebiedsstrategie: In de wetenschap dat de maakbaarheid over een periode van 30 jaar beperkt is worden de gebieden uitgenodigd om na te denken over een strategische aanpak, die gaandeweg het gebied en de daarin gevestigde stakeholders perspectief biedt richting de toekomst.
• Rapportage van de resultaten van spoor 2; • Een globaal implementatieplan, dat kan dienen als grondslag voor het vrijmaken van (impuls)gelden voor het gebied bij de penvoerder van de (impuls)gelden: provincie Zuid-Holland; dit plan bevat minimaal: • Waar en hoe gaan welke maatregelen uitgerold worden; • Een globale planning op hoofdlijnen; • Een begroting van de kosten op hoofdlijnen; • Een risicoanalyse op basis van de kennis op dat moment; • Een inzicht in het bestaande krachtenveld en risico’s per gebied; wie doen er wel en niet mee? • Een voorstel voor een effectieve governance van het implementatie- en uitroltraject; zowel bestuurlijk als ambtelijke organisatie van dit proces; • Een voorstel voor een communicatieaanpak gericht het bestendigen en borgen van resultaten op de lange termijn; • Een vastgesteld advies van de regiegroep over de aanpak van de implementatie en uitrol van maatregelen aan de penvoerder, de provincie Zuid-Holland.