1.27 Bijlage - Richtlijnen kleine windturbines (23mei22).pdf
Tekst van het document
(Interne) Richtlijnen kleine windturbines Aanleiding In 2015 is het Klimaatakkoord van Parijs ondertekend door een groot aantal landen, waaronder Nederland. In Nederland is het Klimaatakkoord van Parijs uitgewerkt in het landelijke Klimaatakkoord en in de Klimaatwet. Het belangrijkste doel van het landelijke Klimaatakkoord is de CO2-uitstoot in 2030 met 49% verminderen vergeleken met 1990. In 2050 moet de uitstoot van broeikasgassen met 95% afgenomen zijn. Dit is nodig om de opwarming van de aarde niet verder te laten oplopen dan 1,5 ℃. Ook de gemeente Krimpenerwaard levert hier een bijdrage aan (Programmaplan Duurzaamheid). Om onze klimaatdoelstellingen te behalen hebben we een goede mix van energiebronnen nodig. Ook de meer kleinschalige energieproductie draagt bij aan onze duurzaamheidsdoelstellingen, en een bewuster energiegebruik bij initiatiefnemers. De gemeente Krimpenerwaard staat in principe positief tegenover de realisatie van kleinschalige duurzame energie opwek en hanteert daarbij een 'ja, mits' benadering. Dit betekent dat kleine windturbines in principe mogelijk zijn, mits voldaan wordt aan de voorwaarden zoals geformuleerd in deze richtlijnen. Maar het blijft ook maatwerk. Ook in de Omgevingsvisie Gemeente Krimpenerwaard staat kleinschalig energie opwekken op eigen erf zoals kleine windmolens en een zonneveldje op het erf genoemd.
In de Regionale Energie Strategie Midden-Holland zijn mogelijke locaties voor zon en kleine windturbines op boerenerven aangeduid. Doel van de richtlijnen Voor initiatiefnemers is het niet altijd duidelijk wanneer een principeverzoek/omgevingsvergunning wel of niet wordt gehonoreerd of welke procedure gevolgd moet worden. Met deze (interne) richtlijnen scheppen we duidelijkheid over de mogelijkheden en voorwaarden voor het installeren/plaatsen van kleinschalige duurzame opwek zoals kleine windturbines. Deze (interne) richtlijnen worden vastgesteld door het college. Aanvragen voor kleine windturbines kunnen daarna vergund worden via een tijdelijke afwijking van het bestemmingsplan waarbij getoetst wordt aan de interne richtlijnen. De richtlijnen worden daarna verankerd in een beleidsregel en worden vastgesteld door de raad. Als gemeente gaan we in het eerste jaar op 2 momenten de uitvoering van de richtlijnen kleine windturbines evalueren door gesprekken te voeren met belanghebbenden en zo nodig worden de richtlijnen aangepast. Afbakening Er zijn twee soorten kleine windturbines: met horizontale as en met verticale as. In bijlage 1 is een beschrijving te zien welke zijn toegestaan.
Voorwaarden In bijlage 2 is een overzicht gegeven van de belangrijkste wetgeving van verschillende overheidsniveaus die van toepassing is op kleine windturbines. Het is de volledige verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer om te zorgen voor een haalbaar en uitvoerbaar plan. Daarnaast stelt de gemeente ook voorwaarden. Eigen gebruik De energieopwekking van de kleine windturbine is niet bestemd voor commerciële doeleinden maar uitsluitend ten behoeve van het verbruik van het (agrarische) bedrijf. Locatie 1. Stad-en dorpskernen We sluiten kleine windturbines binnen stad-en dorpskernen uit. Door de dichtheid van de bebouwing zullen kleine grondgebonden windturbines een beklemmend effect geven, wat leidt tot een negatief effect op de leefbaarheid van de openbare ruimte en in de kernen. Kleine windturbines daarnaast overlast veroorzaken door geluidshinder en slagschaduw. 2. Buitengebied In het buitengebied (grond buiten bebouwde kom van stad en dorp) zijn kleine windmolens bij (agrarische) bedrijven en woonerf binnen het bouwvlak mogelijk. Daar is het windaanbod meer en hierdoor ligt het rendement hoger. a. Voor Beschermingsgebieden geldt: In de Provinciale Omgevingsverordening Zuid-Holland zijn speciale beschermingsgebieden binnen Krimpenerwaard aangewezen die onderdeel zijn van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), kroonjuweel cultureel erfgoed en belangrijk weidevogelgebied.
Natuurnetwerk Nederland en kroonjuweel cultureel erfgoed valt binnen beschermingscategorie 1.Weidevogelgebied valt onder beschermingsgebied categorie 2. Bij ontwikkelingen zoals het plaatsen van kleine windturbines dient de ruimtelijke kwaliteit van deze gebieden behouden te blijven. In bijlage 1 zijn de beschermingsbieden te zien. b. Voor Cultuurhistorisch erfgoed geldt: De gemeente Krimpenerwaard kent verschillende soorten cultuurhistorisch erfgoed die wettelijke bescherming genieten. Kleine windturbines kunnen het zicht op Rijks- of gemeentelijke monumenten verstoren of ontsieren. Voor windturbines op minder dan 100 meter afstand van een Rijks- of gemeentelijk monument is ruimtelijke inpassing een aandachtspunt.
In beschermd stads- of dorpsgezicht geldt: ja, mits een positief advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Bij gebieden met een hoge landschappelijke en cultuurhistorische waarde (vanwege de verkavelingsstructuur, monumentale lintbebouwing) kan de aanwezigheid van kleine windturbines mogelijk leiden tot een onevenredige aantasting van de bestaande landschappelijke waarden. Voor kleine windturbines in dit soort landschappen geldt ook dat extra aandacht voor de ruimtelijke inpassing nodig is. 3. Bedrijventerreinen De daken van bedrijfsgebouwen zijn onttrokken van het straatbeeld en worden daarom al vaak gebruikt voor technische faciliteiten als luchtbehandelingskasten, liftsystemen etc. Op bedrijventerreinen staan we daarom kleine windturbines toe op de daken van gebouwen of bouwwerken met een tiphoogte van maximaal 6 meter. Ook op bedrijventerreinen zijn kleine grondgebonden windturbines kansrijk, omdat ze hier minder storend zijn in het straatbeeld en er doorgaans minder woningen aanwezig zijn die hinder van de molens kunnen ondervinden. Wel is maatwerk geboden voor de plaatsing van een kleine grondgebonden windturbine, een goede ruimtelijke inpassing is belangrijk. Zo is bijvoorbeeld een kleine wind turbine in een bedrijventerrein aan de kant van een woonwijk minder wenselijk.
Een gezamenlijk initiatief van bedrijven op een bedrijventerrein voor de plaatsing van een kleinschalige windturbine heeft de voorkeur. Dit kan bijvoorbeeld georganiseerd worden door samen met andere ondernemers een Bedrijven Investeringszone op te richten.
Plaatsing bij (agrarisch bedrijf) 1. Aantal windmolens De gemeente ziet graag eerst zonnepanelen op dak, om de druk op het landschap en de leefomgeving te beperken. Maar over het algemeen blijkt dat zon en wind beiden nodig zijn om een gelijkmatige stroomproductie te leveren verdeeld over dag-nacht en zomer-winter bij (agrarisch) bedrijven, zodat optimaal in eigen stroom kan worden voorzien. Het heeft de voorkeur per (agrarisch) bedrijf ten hoogste één kleine windturbine te plaatsen. Als sprake is van een aanvullende energiebehoefte voor eigen verbruik dient eerst te worden gekeken of hierin kan worden voorzien met zonne‐energie. Alleen wanneer het plaatsen van gebouwgebonden zonnepanelen niet mogelijk, dan wel onvoldoende toereikend is om te kunnen voorzien in de aanvullende
energiebehoefte voor eigen gebruik, kan onder voorwaarden medewerking worden verleend aan het plaatsen van meer dan één kleine windturbine (max. 2). De windturbines worden dan achter elkaar geplaatst worden in lijn met de hoofdrichting van de huidige bebouwing en het landschap. 2. Visuele relatie bebouwing Om de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving van een erfturbine zo goed mogelijk in stand te houden, stellen we als voorwaarde voor plaatsing dat er een duidelijke koppeling/visuele relatie moet zijn tussen de kleine windturbine en de aanwezige bebouwing en beplanting op het erf. Een turbine dient daarom geplaatst te worden binnen het bouwvlak. Op deze manier vormt de kleine windturbine een ruimtelijke eenheid met de bebouwing en kan het niet verstrooid over het hele landschap geplaatst worden. De kleine windturbine dient bij voorkeur aan de achterzijde van het erf (achtererf) te worden geplaatst (ten opzichte van de openbare weg en erf entree). In bijlage 3 zijn tekeningen te zien van mogelijke plekken waar kleine windturbines geplaatst kunnen worden, ter inspiratie. 3. Afstand tot andere bebouwing Indien er woningen van derden in de directe omgeving van een initiatief zijn, dient er een minimale afstand tussen de kleine windturbine en de gevel van deze woning(en) aangehouden te worden.
Deze minimale afstand bedraagt 80 meter vanwege de slagschaduwhinder en visueel/geluidshinder. Dit geldt zowel voor grond- als dakgebonden kleine windturbine. 4. Landschappelijke inpassing De kleine windturbines moeten ingepast worden in de bestaande omgeving, passend bij de landschappelijke structuur en stedenbouwkundige structuur. Er dient rekening gehouden te worden met zichtlijnen in het landschap vanaf huizen, (tiend)wegen, paden en monumentale gebouwen. Bestaande landschappelijke elementen dienen behouden te blijven. Hiervoor moet bij de aanvraag omgevingsvergunning een landschappelijk inpassingsplan worden bijgevoegd. In landschappelijke inpassingsplan moet staan: welke locatie, bouwvlak, bestaande bebouwing, verschillende mogelijkheden voor plaatsing, welke windturbine, materiaal van kleine windmolen. Maatschappelijk draagvlak Kleine windturbines hebben impact op de directe omgeving. De gemeente Krimpenerwaard hecht veel waarde aan het creëren van draagvlak en participatie. De ervaring leert dat een goede landschappelijke inpassing en vroege betrokkenheid van omwonenden en andere belanghebbenden van groot belang is voor het creëren van voldoende draagvlak voor kleinschalige windturbines. Door de wensen van omwonenden vroegtijdig te inventariseren en waar mogelijk te honoreren, wordt de betrokkenheid vergroot.
De gemeente adviseert om omwonenden te betrekken (zie ook participatiebeleid en participatieverordening gemeente Krimpenerwaard). Onder omwonenden worden in ieder geval verstaan de eigenaren van percelen die direct zicht hebben op de windturbine. Draagvlak moet gezocht worden, maar het is geen resultaatverplichting. Hoogte De ashoogte van een kleine windturbine bedraagt niet meer dan 15 meter. In de Provinciale Omgevingsverordening wordt ruimte geboden voor de ontwikkeling van agrarische windturbines met een ashoogte tot 15 m in het landelijke gebied van de provincie Zuid-Holland. Kenmerken van de windmolen Het is bij kleine windturbines belangrijk om te kijken naar de verhouding tussen de rotor maat en de mastmaat, de vorm en het materiaal. Als de verhoudingen ontbreken of de vorm en het materiaal te veel overeenkomen met grote windturbines, kan dit vanaf een afstand een verwarrend en onrustig beeld opleveren. De kleurstelling van de windturbine is ingetogen en afgestemd op het landschap. De verschijningsvorm en het materiaalgebruik van de windturbine worden afgestemd op het karakter van het (agrarisch) erf. De windturbine is geen drager van (opvallende) reclame‐uitingen. Indien zichtbaar vanaf het openbaar toegankelijk gebied de windturbine slank vormgeven.
Nadere eisen De plaatsing van een kleinschalige windturbine blijft altijd maatwerk. De gemeente Krimpenerwaard kan in voorkomende situaties nadere eisen stellen aan de plaats, omvang, het gebruik en de landschappelijke inpassing van kleinschalige windturbines, ten behoeve van: a. de bezonningsituatie; b. lichttoetreding in nabijgelegen bebouwing; c. zichtlijnen of visuele hinder; d. het voorkomen van slagschaduw; e. risico's voor gevoelige of kwetsbare objecten; f. geluidshinder, voor een kleine windturbine met een rotordiameter van 2 meter of meer is een melding activiteitenbesluit milieubeheer verplicht, waarbij ook een akoestisch onderzoek nodig is; g. de mogelijkheid tot voortzetting dan wel uitbreiding van een bestaand bedrijf;
h. een zorgvuldige landschappelijke inpassing.
Procedure Een initiatiefnemer die het voornemen heeft om een kleine windturbine te plaatsen maakt dit bekend bij de gemeente. De initiatiefnemer wordt uitgenodigd voor een gesprek om zijn/haar ideeën te bespreken. In dit gesprek wijst de gemeente op de ruimtelijke randvoorwaarden en de richtlijnen voor kleinschalig windturbine. Vervolgens gaat de initiatiefnemer in gesprek met omwonenden (zie onderdeel draagvlak en participatie). Nadat omwonenden zijn geïnformeerd over het plan, dient de initiatiefnemer een principeverzoek bij de gemeente. De gemeente toetst of het initiatief past binnen de ruimtelijke randvoorwaarden. De gemeente kan een verzoek doen om aanvullende gegevens. Daarna volgt de procedure voor een omgevingsvergunning. Een aanvraag voor de bouw van een kleine windturbine wordt getoetst aan diverse wetten en regelgeving: 1. Kleinschalige windturbines moeten aan alle relevante wet- en regelgeving voldoen, met speciale aandacht voor de Wet Milieubeheer en de Provinciale Omgevingsverordening Zuid- Holland. De ODMH geeft per initiatief advies over milieuaspecten, want het blijft maatwerk. 2. Kleinschalige windturbines moeten voldoen aan de NEN-EN-IEC norm 61400-2 dan wel de eisen uit de Handreiking miniwind en kleine windmolens van Nederlandse WindEnergie Associatie (NWEA) 3.
Bij de aanvraag dient de aanvrager zijn verzoek te onderbouwen met de in de NWEA Afvinklijst genoemde aspecten van de aanvraag, te weten: situatietekening, tekening windturbine, constructieberekeningen windmolen, constructieberekeningen fundering, grondonderzoek en de milieumelding: geluidsproductie informatie. 4. Bij de aanvraag dient een landschappelijk inrichtingsplan te worden overlegd, zodat de windturbine zo goed mogelijk ingepast wordt en het niet ten koste gaat van de aanwezige beplanting (uiteraard rekening houdend met windbelemmering)
Bijlage 1 Horizontale as turbines Horizontale as turbines (HAT types) maken gebruik van dezelfde techniek als grote windturbines. De as ligt evenwijdig aan de richting van de wind en de wieken staan loodrecht op de richting van de wind.
Verticale as turbines Bij verticale as turbines (VAT types) staat de as loodrecht op de richting van de wind en de wieken of schoepen evenwijdig aan de as. VAT typen draaien niet met de windrichting mee en vangen de wind die loodrecht op de wieken komt. VAT types maken gebruik van een savonius rotor of een darrieus rotor.
Savonius rotor
Darrieus motor
Bijlage 2
Kroonjuweel: Middengebied Krimpenerwaard
Natuurnetwerk Nederland en belangrijk weidevogelgebied
Bijlage 3 Overzicht belangrijkste wet -en regelgeving -
Externe veiligheid (voldoende afstand tot objecten en infrastructuur, hoogspanningsleidingen, spoor en hogedrukgasleidingen) Bouwbesluit (landelijke regels voor bouwweken) Activiteitenbesluit (regels in par. 3.2.3), waaronder geluidsnormen en Slagschaduw Wet Natuurbescherming (Flora en Fauna)
Bijlage 4