CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

1.1 BIJL 1 - Afwegingskader Maatschappelijke Voorzieningen Krimpenerwaard.pdf

Raadsvergadering 21 december 2021, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: Informatie van het college4.320 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Afwegingskader Maatschappelijke Voorzieningen Voor vitale accommodaties met maatschappelijke impact

Afdeling Afdelingsmanager Auteur Datum Versie Zaaknummer Documentnummer

: Sociaal Domein : mevrouw S. Van der Ruit : heer J. Hodzelmans, mevrouw M. Jutte, heer T. Nobel (TwynstraGudde), : 3 november 2021 : 16 : ZK 723382 : 723451

1

Inhoud 1.

2.

3.

4.

5.

Inleiding

3

1.1

Introductie

3

1.2

Beleidscontext

3

1.3

Doelstelling Afwegingskader

4

1.4

Leeswijzer

5

Ambities

6

2.1

Wat bedoeld wordt met vitale maatschappelijke voorzieningen

6

2.2

Wat beoogd wordt met vitale maatschappelijke voorzieningen

6

2.3

Wat geambieerd wordt met de kadernota

7

Beleidsuitgangspunten

8

3.1

Faciliteren van maatwerkinvulling

8

3.2

Rolscheiding

8

3.3

Versterking programmatisch beheer

9

3.4

Verbetering door eenduidige subsidiemethodiek

9

3.5

Verbetering van transparantie door eenduidige huurmethodiek

10

Afwegingskader

11

4.1

Kernvraag 1

11

4.2

Kernvraag 2

11

4.3

Kernvraag 3

12

Organisatorische inbedding gedachtegoed

13

2

1. Inleiding 1.1 Introductie Het college heeft de ambitie om in deze bestuursperiode te komen tot beleid voor maatschappelijke voorzieningen. Beleid dat invulling geeft aan het streven naar behoud van bestaande voorzieningen, op basis van realisme en maatschappelijke meerwaarde. Het initiatief is genomen om invulling te geven aan de ambitie van het college om beleid te maken voor het faciliteren van maatschappelijke activiteiten met onderdak. De vraag naar huisvesting voor maatschappelijke activiteiten dus. Resultaat is het voorliggende afwegingskader Maatschappelijke Voorzieningen. Het afwegingskader biedt een procesaanpak én beleidsuitgangspunten. Door dit afwegingskader langs specifieke huisvestingsvragen voor maatschappelijke activiteiten per beleidsveld of kern te leggen, wordt het eenvoudiger om hier eenduidige besluiten over te nemen vanuit de gemeente. Ook de rol die de gemeente inneemt bij het organiseren van dat specifieke onderdak wordt meer afgewogen bepaald. Dit afwegingskader voorziet niet in een antwoord op de vraag waar welke huisvesting gewenst of vereist is, bijvoorbeeld per sector, per kern of op objectniveau. Het heeft niet het karakter van bijvoorbeeld een masterplan, met daarin voorgenomen besluitvorming op objectniveau.

Alhoewel een dergelijke uitvoeringsagenda slagvaardigheid en helderheid doet overkomen, doet dat geen recht aan de weerbarstigheid van de praktijk, de dynamiek van politiek-bestuurlijke context en de complexiteit per individueel geval. De bestuurlijke besluitvormingsvoorbereiding is aan de betreffende beleidsfunctionaris(sen) - in samenspraak met andere afdelingen, maatschappelijke partners en inwoners. Het college en de raad kunnen door gebruik te maken van dit afwegingskader op ieder gewenst moment een afweging maken bij een specifieke huisvestingsvraag op hun beleidsterrein. Deze afweging kan desgewenst opnieuw worden gemaakt naar aanleiding van lokale ontwikkelingen, veranderende gebruikerswensen of politiek-bestuurlijke voorkeuren. In dit licht is het relevant te vermelden dat in de afgelopen periode is gewerkt aan actualisatie van basisinformatie en gemeentelijke data over onder meer accommodaties en deze data is verwerkt in een standenregister. De ambtelijke voorbereiding wordt door gebruikmaking van voorliggende nota én het standenregister meer integraal, weloverwogen en genuanceerd. Dit maakt ook raadsbesluiten grondiger voorbereid.

1.2 Beleidscontext Op landelijk niveau is er veel gaande in het sociaal domein. Eén daarvan is de transformatie van maatwerkvoorzieningen naar aandacht voor preventie. Een opgave die ook speelt in Krimpenerwaard. Deze transformatie zal invloed hebben op de wijze waarop maatschappelijke voorzieningen nodig zijn voor en door bewoners. Ongetwijfeld heeft dit ook effect op de wijze waarop de fysieke accommodaties in de leefomgeving gebruikt (gaan) worden. Om samenhang te creëren tussen de verschillende beleidsvelden binnen het Sociaal Domein is in de gemeente een verbindend kader ontwikkeld vanuit een aantal gezamenlijke waarden. Dit is het Integraal Beleidskader gaan heten. Dit beleidskader omvat beleid aangaande onder meer jeugd en Wmo, minima, schulddienstverlening, gezondheid, sport, cultuur en onderwijs. Het beleidskader levert - samen met voorliggende document - belangrijke input voor de behoefte aan maatschappelijke voorzieningen. Overigens volgt de (veranderende) behoefte aan fysieke voorzieningen niet alleen vanuit Sociaal Domein, maar kan ook volgen vanuit andere beleidsvelden, waaronder Ruimtelijke Ontwikkeling.

3

Het voorliggende afwegingskader komt niet in de plaats van beleid vanuit de diverse beleidsvelden. Het betreft het regisseren van het maken van de juiste afweging over de rol die de gemeente heeft in het ondersteunen van een maatschappelijk voorziening, en de vorm waarin de gemeente ondersteunt als zij dat als haar taak ziet. De op basis van het afwegingskader gedefinieerde huisvestingsbehoefte is vervolgens aanleiding om daar een vastgoedoplossing bij te organiseren. Dat laatste is niet aan de inhoudelijke beleidsafdelingen, maar een kerntaak van team Vastgoed. In dat kader is een Vastgoedregeling vastgesteld. In de Vastgoedregeling liggen kaders vast om op een doeltreffende en efficiënte wijze gemeentelijk vastgoed te beheren. Het vastgoed biedt onderdak aan tal van, onder andere, maatschappelijke activiteiten. De Vastgoedregeling draagt er aan bij dat dit op een slimme en transparante wijze georganiseerd wordt. Wat met de Vastgoedregeling ontstaat is een duidelijke rolverdeling tussen de huisvestingsvrager en de huisvestingsaanbieder. Vastgoedkeuzes en vastgoedbesluiten worden met de Vastgoedregeling eenduidiger genomen.

Onderstaand een visualisatie van de beleidscontext van het afwegingskader maatschappelijke voorzieningen met aan de rechterzijde de Vastgoedregeling en aan de linkerzijde de diverse beleidsvelden, deels vallend binnen het Integraal Beleidskader Sociaal Domein.

1.3 Doelstelling Afwegingskader Dit afwegingskader is met twee doelen opgesteld. Het reikt de gemeente een kader aan om op een integrale en afgewogen wijze huisvestingsbehoeften te duiden. Tevens biedt het houvast bij het bepalen van de rol die de gemeente wenst in te nemen bij het huisvesten van betreffende activiteiten. Juist omdat het afwegingskader een procesaanpak biedt met beleidsuitgangspunten, is het stuk bedoeld om breed toe te passen in de gemeentelijke organisatie. Het afwegingskader is niet sec uitgewerkt als checklist, stappenplan of alles omvattend model. Het faciliteert meer in een manier van redeneren over huisvesting en faciliteert in het samenspel tussen de ‘vraagzijde‘ aan onderdak en de ‘aanbodzijde’ van vastgoed. Waarbij de Vastgoedregeling zoals benoemd de aanbodzijde bedient.

4

Het Afwegingskader kan dienen als inspiratiebron en naslagwerk, maar is met name als middel bedoeld om het redeneren en besluiten over huisvesting op een maatschappelijk én bedrijfsmatig verantwoorde wijze te laten verlopen.

1.4 Leeswijzer Voorliggende afwegingskader bevat in hoofdstuk twee de ambities voor vitale maatschappelijke voorzieningen. Hoofdstuk drie gaat in op kaderstellende afspraken ter sturing en ondersteuning van het passend organiseren van fysieke voorzieningen. Het vierde hoofdstuk introduceert een afwegingskader dat houvast biedt om te bepalen welke rol de gemeente inneemt in het ondersteunen bij diverse huisvestingsvragen van maatschappelijke activiteiten, en in welke vorm dat plaats heeft. Het laatste hoofdstuk tenslotte staat stil bij de noodzaak om de inhoud en de toepassing van deze nota in de gemeentelijke organisatie in te bedden.

5

2. Ambities De ambitie die met dit afwegingskader wordt nagestreefd is het versterken van de impact van maatschappelijke activiteiten door de wijze waarop deze worden gehuisvest. De gemeente wenst deze ambitie verwezenlijken middels ‘vitale maatschappelijke voorzieningen’.

2.1 Wat bedoeld wordt met vitale maatschappelijke voorzieningen Met vitale maatschappelijke voorzieningen bedoelen we fysieke voorzieningen in de gemeenschap die dienen als onderdak voor maatschappelijke activiteiten. Het betreft in letterlijke zin onderdak of beschutting bieden aan de betreffende activiteit, of het voorzien in geschikte sportvelden of ondersteunen met fysieke terreininrichting. In abstracte zin faciliteren de vitale voorzieningen de betreffende activiteit. De voorziening is daarmee randvoorwaardelijk en ondersteunend, maar niet een doel op zich. Met de toevoeging ‘vitaal’ worden voorzieningen bedoeld die niet alleen kwantitatief en kwalitatief passend zijn voor de betreffende activiteit, maar ook: o Flexibel van aard of opzet zijn, zodat ze voor meerdere doeleinden of activiteiten geschikt zijn en zo nodig in de loop der tijd aanpasbaar. o Als fysieke voorziening een grotere meerwaarde bieden aan inwoners dan alleen het bieden van onderdak. Bijvoorbeeld maar niet uitsluitend door het aanjagen van ongeplande ontmoeting, het bieden van een (sociaal) veilige plek, het inspireren van bezoekers of het motiveren van inwoners om sociaal nog actiever deel te nemen aan de gemeenschap. o Langjarig een betaalbare exploitatie kennen.

2.2 Wat beoogd wordt met vitale maatschappelijke voorzieningen Wat beoogd wordt met vitale maatschappelijke voorzieningen, lichten we toe aan de hand van de piramide van Maslow.

6

In de meest basale vorm bieden we met vitale maatschappelijke voorzieningen onderdak aan maatschappelijke activiteiten in Krimpenerwaard. Het onderste niveau. Daarnaast ambiëren we met de fysieke voorziening een plek te bieden waar de inwoner c.q. gebruiker een sociaal en fysiek veilige omgeving vindt die laagdrempelig en uitnodigend is. Uitsluiting van doelgroepen wordt actief bestreden en de voorziening is breed toegankelijk. Een herkenbare plek met een heldere structuur en een passende organisatie. Ten derde beogen we met de voorziening een ontmoetingsplek te creëren voor (on)geplande ontmoeting, door middel van een aantrekkelijk activiteitenprogramma. Daarmee vergroten we onder meer de sportbereidheid, het welbevinden van de inwoner en een rijker cultureel aanbod. Zodoende interesseren en enthousiasmeren we inwoners ook tot het leggen van meer sociaal contact met buurtgenoten. Het derde niveau van de piramide. We hopen met invulling van de drie onderste niveaus een voedingsbodem te creëren voor inwoners voor de bovenste twee niveaus van de piramide namelijk erkenning & waardering en zelfrealisatie of zelfontplooiing. De fysieke voorziening is meer dan alleen de ‘schil’ om de activiteit heen.

Het stimuleert, motiveert en vergroot sociale cohesie tussen inwoners, neemt eenzaamheid weg, verleidt tot het ontplooien van sociale en culturele activiteiten en biedt inwoners een nabije en eigen plek. Voorzieningen met maatschappelijke impact!

2.3 Wat geambieerd wordt met de kadernota De ambities van het ontwikkelen van voorliggend afwegingskader zijn gelegen in de toepassing ervan. Door toepassing van dit afwegingskader: o Zorgen we voor betere articulatie van de behoeften aan fysieke maatschappelijke voorzieningen. o Optimaliseren we het samenspel tussen de huisvestingsvraag en het vastgoedaanbod. o Zorgen we voor een afwegingsproces dat leidt tot het innemen van een passende rol van de gemeente daar waar het gaat om het faciliteren van (maatschappelijke) activiteiten met onderdak. Het Afwegingskader heeft zodoende een bijdrage bij het verkrijgen van maatschappelijke impact, waarbij de besluiten door de integrale afweging langjarig houdbaar, betaalbaar, eenduidig en transparant zijn.

7

3. Beleidsuitgangspunten Dit hoofdstuk bevat algemene kaderstellende afspraken die ter sturing en ondersteuning dienen van het passend organiseren van fysieke voorzieningen in Krimpenerwaard. Staccato komt het neer op: 1. Faciliteren van maatwerkinvulling, geen blauwdruk of allesomvattend plan. 2. Scheiding van rollen in huisvestingsvrager en -aanbieder. 3. Versterking programmatisch beheer. 4. Verbetering door eenduidige subsidiesystematiek. 5. Verbetering van transparantie door eenduidige huurmethodiek. Hieronder worden deze punten nader toegelicht.

3.1 Faciliteren van maatwerkinvulling Zoals gesteld in de introductie voorziet dit document niet in een antwoord op de vraag waar welke huisvesting gewenst of vereist is, bijvoorbeeld per sector of per kern. De uiteindelijke behoeftebepaling is aan de betreffende beleidsfunctionaris(sen), in samenspraak met andere afdelingen, maatschappelijke partners en inwoners. Uitgangspunt voor het bepalen van de huisvestingsbehoefte is dat dit elke keer en voor elke situatie apart bezien dient te worden. Dit aan de hand van lokale ontwikkelingen, specifieke gebruikerswensen of politiek-bestuurlijke voorkeuren op dat moment. Randvoorwaardelijk voor maatwerk is de beschikbaarheid van de juiste en actuele basisinformatie. Onder meer de volgende basisinformatie is zeer wenselijk: - Objectgegevens. - Contractuele gegevens (huurafspraken, etc.). - Inzicht in bezetting. - Behoeften vanuit inwoners (met name op middellange en lange termijn). - Visie op mate c.q. wijze van ondersteuning van betreffende beleidsveld door gemeente. In deze informatiebehoefte zal op een deugdelijke wijze invulling gegeven moeten worden om de maatwerkinvulling mogelijk te maken.

3.2 Rolscheiding Het doel is om gescheiden en heldere rollen vast te leggen waarin duidelijk wordt wie welke rol, taak en verantwoordelijk op zich neemt. Dit moet leiden tot transparantie en zakelijke verhoudingen. Wanneer elke betrokkene naar deze rollenscheiding gaat handelen zal de samenwerking effectiever en gemakkelijker verlopen en kan er meer uit het maatschappelijk vastgoed van de gemeente worden gehaald. De betrokkenen bij maatschappelijk vastgoed zijn: - De beleidsafdelingen die werken met fysieke maatschappelijke voorzieningen als middel om beleidsdoelen te halen. - Team Vastgoed als eigenaar en beheerder van het maatschappelijk vastgoed. - De afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling. - De huurder / gebruiker. Rollenscheiding moet er toe leiden dat er altijd in een logische volgorde wordt gehandeld. Rolscheiding creëert duidelijkheid over wie op welk moment in de keten van het maatschappelijk vastgoed de opdrachtgever is. Daar is behoefte aan, omdat zowel de beleidsafdeling als de afdeling 8

Ruimtelijke Ontwikkeling als team Vastgoed opdrachtgever kan zijn bij maatschappelijk vastgoed, afhankelijk van de situatie en de fase waarin het zich bevindt. Gezien het feit dat meerdere intern betrokken partijen worden gedefinieerd, is het wenselijk om invulling te geven aan een deugdelijke organisatorische inbedding. Wenselijk wordt het geacht om een verbindende rol of coördinators functie te beleggen in de organisatie. Dit vanuit de ‘geest’ van zowel voorliggend afwegingskader als vanuit de beleidsuitgangspunten van de Vastgoedregeling. Afstemming met de werkwijze van de Omgevingsvisie lijkt hier voor de hand te liggen.

3.3 Versterking programmatisch beheer Het doel van het aanscherpen van programmatisch beheer is dat het moet leiden tot een betere benutting en bezetting van maatschappelijk vastgoed van de gemeente en uiteindelijk van een compacte(re) vastgoedportefeuille. Uitgangspunt is dat het programmatisch beheer bij de gebruiker ligt en niet bij de team Vastgoed of de beleidsafdeling. Daarmee wordt de verantwoordelijkheid gelegd bij de huurder/gebruiker, wat ertoe leidt dat de betrokkenheid van mensen in de wijk of buurt wordt vergroot en de leefbaarheid wordt versterkt. Om als gemeente regie te kunnen voeren moet de gemeente instrumenten hebben om gebruikers te kunnen bewegen tot hogere bezettingsgraden en multifunctioneel gebruik. Er zijn twee verbeterpunten voor het versterken van programmatisch beheer: 1. Bewuster afwegingen maken o Kan de voorziening meer multifunctioneel gemaakt worden? o Is de gebruiker in staat op het programmatisch beheer op zich te nemen? (En kan de gebruiker het beter dan bijvoorbeeld de gemeente?) o Is multifunctioneel gebruik en verhoogde bezettingsgraad wenselijk voor de oorspronkelijke doelstelling van het object? 2. Gebruik van een prestatiecontract Programmatische versterking leidt tot hogere bezetting en benutting. Dat heeft effect op de mate van multifunctionaliteit van de accommodatie.

En dat leidt indirect tot verbetering van sociale veiligheid, meer ongeplande ontmoeting etc.. Programmatische optimalisatie dus ten faveure van tal van maatschappelijk gewenste effecten.

3.4 Verbetering door eenduidige subsidiemethodiek Organisaties zoals verenigingen en stichtingen die maatschappelijke activiteiten ontplooien worden financieel ondersteund middels subsidie, mits ze aansluiten bij beleidsdoelstellingen van de gemeente. Daarmee kunnen de activiteiten aanbieders zo nodig ook hun onderdak bekostigen. De gebouwbezitter - wat ook de gemeente zelf kan zijn - wordt dus niet zelf financieel ondersteund voor het beschikbaar stellen van het betreffende onderdak. Uitgangspunt is ook niet dat de betreffende activiteitenaanbieder per se gemeentelijk vastgoed dient te gebruiken voor het verkrijgen van onderdak. Wel kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld door de gemeente bij de subsidieverlening om af te dwingen dat gebruik gemaakt wordt van een gemeentelijk vastgoedobject. Bijvoorbeeld omdat de gemeente daarmee reuring, ongeplande ontmoeting en/of sociale veiligheid wil versterken in haar eigen maatschappelijke accommodatie. In zo’n situatie kan het zijn dat de subsidie van de activiteitenaanbieder aangepast wordt om zodoende afdoende te zijn voor het dekken van de kostprijsdekkende huur van de gemeentelijke accommodatie.

9

3.5 Verbetering van transparantie door eenduidige huurmethodiek De gemeente streeft bij haar eigen vastgoedbezit naar een eenduidige huur- en subsidiesystematiek. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij team Vastgoed, maar heeft grote positieve impact op het bereiken van maatschappelijke meerwaarde in Krimpenerwaardse kernen en buurten. De eenduidige huursystematiek moet leiden tot transparantie in de kosten en huur van gemeentelijk maatschappelijk vastgoed. Door toepassing van een eenduidige huurprijsberekening op basis van kostendekkendheid, worden alle kosten van het gebruik van een vastgoedobject inzichtelijk Dit biedt kansen om te sturen op de effectiviteit van gemeentelijk maatschappelijk vastgoed en het maatschappelijk effect dat ermee behaald moet worden. Met een eenduidige huursystematiek wordt helder in hoeverre er voor betreffend maatschappelijk vastgoedobject maatschappelijke behoeften bestaan. In geval er onvoldoende dekking is vanuit de beleidsafdelingen, ligt de principiële vraag voor of het bezit van dit object maatschappelijk gerechtvaardigd is. Blijkbaar is er bij zo’n situatie onvoldoende maatschappelijke behoefte aan het betreffende onderdak en staat bezit daardoor ter discussie. Continuering van dit bezit met onvoldoende dekking blijft alleen mogelijk via twee routes: 1.

De gemeente stelt specifiek en expliciet extra (structurele) financiële middelen ter beschikking ter overbrugging van het geconstateerde dekkingsprobleem. Bijvoorbeeld vanwege gewenst behoud van de culturele waarde in het dorp of vanwege de wens om erfgoed toegankelijk en beschikbaar te houden voor de gemeenschap. 2. Inzetten op het vinden van extra huurders die voor aanvullende dekking zorgen. Deze tweede route is zeer aanbevelingswaardig. Het is namelijk zowel financieel een sterk argument als een route met tal van maatschappelijke kansen. In geval deze beide routes niet reëel zijn in een dergelijke situatie ligt afstoting voor de hand.

10

4. Afwegingskader Via voorliggend Afwegingskader Maatschappelijke Voorzieningen wordt afgewogen welke rol de gemeente inneemt in het ondersteunen bij diverse huisvestingsvragen van maatschappelijke activiteiten, en in welke vorm. Voor die afweging zijn drie kernvragen relevant: 1. Welke fysieke voorziening is randvoorwaardelijk om de betreffende maatschappelijke activiteit te ondersteunen c.q. mogelijk te maken? 2. Hoe kan de fysieke voorziening optimaal ondersteunen aan de maatschappelijke activiteit waarvoor zij gewenst is? 3. Is een exploitatie mogelijk, waarbij de lasten voor de gemeente én haar maatschappelijke partners in een houdbare verhouding staan tot de te verwachten maatschappelijke baten? Onderstaand worden de drie kernvragen nader toegelicht.

4.1 Kernvraag 1 Welke fysieke voorziening is randvoorwaardelijk om de betreffende maatschappelijke activiteit te ondersteunen c.q. mogelijk te maken? Deze kernvraag is ten principale aan de betreffende vaksectie om te beantwoorden. Voor de behoefte aan een fysieke voorziening ligt dus een inhoudelijke grondslag, volgend uit flankerend beleid. Van belang is het om de behoefte te expliciteren. Met deze kernvraag wordt vooral ingegaan op de onderste twee niveaus van de piramide van Maslow. Bij het beantwoorden van deze eerste kernvraag kan gedacht worden aan het ingaan op: o Kwantiteit: zoals bijvoorbeeld gewenste capaciteit in m², plafondhoogte en behoefte aan aanpalende ruimten (sanitair, kleedruimte, keuken, garderobe). o Kwalitatief: zoals thema’s als binnenmilieu, ventilatie, toegankelijkheid, milieuvriendelijkheid en duurzaamheid, ligging, bereikbaarheid, deelgebruik en parkeergelegenheid. o Gebruiksperiode: gewenste gebruikstermijn c.q. beschikbaarheid. o Doelgroep: zoals aantallen gebruikers, gebruikstijden en of er sprake is van extra onaangekondigde bezoekers, gasten en/of publiek. o Contractuele wensen: rol van gemeente (regisseur, sleutelbeheer, controles), opzegtermijnen, verlengbaarheid en mate gedeeld ruimtegebruik.

Bovengenoemde samenstelling van voorbeelden van mogelijk te beantwoorden onderwerpen is niet compleet of bedoeld als checklist, maar ter inspiratie om kernvraag 1 te beantwoorden. Het gaat bij het expliciteren niet om de gewenste contractuele positie van de gemeente ten opzichte van de voorziening. Oftewel, het gaat niet om de vraag of de fysieke voorziening in bezit moet komen of blijven. Het betreft hier de beschikbaarheid van een fysieke voorziening (onderdak).

4.2 Kernvraag 2 Hoe kan de fysieke voorziening optimaal ondersteunen aan de maatschappelijke activiteit waarvoor zij gewenst is? Met deze kernvraag wordt vooral ingegaan op het derde niveau van de piramide van Maslow en de niveaus daarboven. De kernvraag dient een analyse (wellicht ook discussie) te ontlokken over de wijze waarop met de fysieke voorziening kan bijdragen aan meer dan alleen onderdak. Voorbeeld is het creëren van een ontmoetingsplek voor (on)geplande ontmoeting, en daarmee het versterken van het welbevinden van de inwoner. De fysieke voorziening is daardoor meer dan alleen de ‘schil’ om de activiteit heen.

11

Gedacht kan worden aan het ingaan op de wijze van clustering van activiteiten, combinatie(s) en functies, gebruikers en doelgroepen. Ook spreiding van aanbod van maatschappelijke activiteiten is een voor de hand liggend thema, evenals de positionering van activiteiten in kernen en buurten. Tot slot kan het bij deze vraag ook gaan om het vergroten van eigenheid van de voorziening bij inwoners en het doen ontstaan van een eigen signatuur van de fysieke voorziening. Met deze kernvraag wordt beoogd de fysieke voorziening meer te laten zijn dan de optelling van klokuren of het bieden van vierkante meters. Een fysieke voorziening kan zoveel meer zijn dan dat.

4.3 Kernvraag 3 Is een exploitatie mogelijk, waarbij de lasten voor de gemeente én haar maatschappelijke partners in een houdbare verhouding staan tot de te verwachten maatschappelijke baten? De gedachte bij deze derde kernvraag is of de gemeente de vereiste middelen voor het beschikbaar stellen van een dergelijke fysieke voorziening in verhouding vindt staan tot wat die fysieke voorziening aan ondersteuning voor het betreffende maatschappelijk doel biedt. In feite is kernvraag 3 een herbezinning op de impact. Van groot belang bij deze herbezinning is de reflectie op het resultaat van kernvraag 2. Los van de expliciete behoefte bij kernvraag 1 kan behandeling van kernvraag 2 ertoe leiden dat de activiteiten plaats hebben in een voorziening of accommodatie met meerdere gebruikers, met verschillende doelgroepen of in een constellatie anderszins die onwenselijk is dan wel juist versterkend. Als hulpmiddel van gepresenteerd afwegingskader is onderstaande visualisatie toegevoegd. Deze visualisatie toont aan de linkerzijde de drie kernvragen zoals geïntroduceerd in dit document. Vanuit het perspectief van de gemeentelijk als maatschappelijk regisseur. Aan de rechterzijde staan drie kernvragen die gesteld kunnen worden vanuit het perspectief van de gemeente als maatschappelijk ondernemer.

Het ‘spel’ tussen vraag en aanbod wordt gestimuleerd indien vanuit beide perspectieven dergelijke kernvragen worden behandeld. Het liefst vanuit een integrale blik.

12

5. Organisatorische inbedding gedachtegoed Dit hoofdstuk biedt handvatten voor implementatie van dit document in de organisatie. Uitdragen en toepassen vergt integrale en multidisciplinaire aanpak Het afwegingskader en de beleidsmatige uitgangspunten hebben raakvlakken met tal van onderwerpen en disciplines binnen de gemeentelijke organisatie. Het toepassen van dit document vergt daarom een integrale manier van werken en een multidisciplinaire aanpak. Dit vraagt onder meer: -

-

-

Erkennen, herkennen en kunnen anticiperen op tal van perspectieven van waaruit een accommodatievraag aangevlogen kan worden. Behendigheid in het continue schakelen tussen perspectieven, belangen en besognes van uiteenlopende afdelingen en gremia binnen de gemeente. Vraagstukken niet alleen als probleem of kostenpost voor de gemeente te bezien, maar om continue gespitst te zijn op kansen door combineren van initiatieven, behoeften of stapelen van wensen. Het vraagt maatschappelijk ondernemerschap om enerzijds opportunistisch te pionieren en tegelijkertijd het bewustzijn te bewaren van het werken en handelen met maatschappelijk gelden in een politiek-bestuurlijke context. Continue maatwerk en niet te snel bij redenaties standaardisatie toe te passen. Daarentegen is het wel zaak om het proces en de wijze van redeneren eenduidig toe te passen, zodat resultaten navolgbaar en transparant worden. De integrale blik is de enige constante. Sterk ontwikkeld omgevingsbewustzijn om de totstandkoming van keuzes soepel te laten verlopen, wat leidt tot besluitvorming met optimaal draagvlak. Communicatieve souplesse om door de hele organisatie heel een netwerk op te bouwen en relaties te ontsluiten om zodoende niet alleen informatie en kennis te ontsluiten, maar om actief het gedachtegoed uit te dragen en in te bedden in de organisatie.

Positionering De benoemde kaders, beleidsuitgangspunten en het afwegingskader moeten breed worden ingebed binnen de gemeentelijke organisatie. Het is wel raadzaam om het eigenaarschap expliciet te beleggen. Een plek in de organisatie waar vandaan het gedachtegoed actief wordt uitgedragen. De positie van het eigenaarschap in de organisatie lijkt niet randvoorwaardelijk. Sterker, het biedt voordelen als de relatie (of innigheid) met specifiek één van de afdelingen niet al te groot is. Dit om te voorkomen dat vraagstukken te prominent beschouwd en behandeld worden vanuit één perspectief, bijvoorbeeld teveel bedrijfsmatig, te financieel of teveel vanuit één vakinhoudelijk domein. Naast het belang van een centrale plek in de organisatie is het ook zaak om de verbinding met bestaande afdelingsonderdelen te bewaken. Een nauwe verbinding met Sociaal Domein, in verband met de relatie tot maatschappelijke activiteiten en beleidsdoelstellingen (o.a. Integraal Beleidskader, Maatschappelijke Agenda en prestatie- en subsidieafspraken met maatschappelijke partners). Ook verbinding met Openbare Werken, Ruimtelijke Ontwikkeling, BOR, Financiën en korte lijntjes met bestuur is onontbeerlijk. Effect van organisatorische inbedding Het borgen van het gedachtegoed in de organisatie vergt weliswaar organisatorische aandacht (en mogelijk aanpassingen).

Desalniettemin wordt verwacht dat deze inzet zich naar verloop van tijd in geld én in maatschappelijke impact terug betaald. Door de integrale visie en multidisciplinaire aanpak worden keuzes nog meer weloverwogen gemaakt, wordt meer gestuurd of kosteneffectiviteit en maatschappelijke doelmatigheid.

13

Rollen van gemeente bij het onderdak bieden van activiteiten De gemeente voert vanzelfsprekend een regisserende rol bij het opstellen van voorliggende afwegingskader. Bij die interne regie stuurt de gemeente zoveel mogelijk aan op bijdragen en afstemming van verschillende gemeentelijke beleidsterreinen. Bovendien speelt steun en betrokkenheid vanuit verschillende afdelingen binnen de gemeentelijke organisatie een belangrijke rol. Die vanzelfsprekendheid van de rol van regievoerder bestaat niet voor het uiteindelijk faciliteren van activiteiten met onderdak op objectniveau. Per individuele huisvestingsbehoefte dient afgewogen te worden welke rol de gemeente voor haarzelf ziet en welke rol, taak en/of verantwoordelijkheid partners willen, kunnen en mogen innemen. Op objectniveau zijn verschillende basisrollen denkbaar. Hieronder de meest voorkomende: Rol:

Toelichting:

Uitvoerder

Publieke taken en collectieve functies worden exclusief door de overheden uitgevoerd. De gemeente voert huisvestingstaken niet zelf uit, maar zet taken uit bij publieke en private organisaties. Er is nog wel sturing en controle vanuit de gemeente om erop toe te zien dat de externe partijen optimaal bijdragen. Deze manier van werken heeft als uitgangspunt dat iedereen afhankelijk is van elkaar en elkaar nodig heeft om maatschappelijke huisvestingsopgaven op te lossen. De gemeente is slechts één van de spelers in het veld, alle partijen zijn wederzijds afhankelijk van elkaar. Taken worden overgelaten aan het zelforganiserende vermogen van de samenleving. De gemeente is niet meer belast met de uitvoering, maar vervult een coördinerende en faciliterende rol ten opzichte van de samenleving en zorgt ervoor dat de samenleving deze taak zelf kan uitvoeren.

Regisseur

Participant

Facilitator

De keuze voor een rol van de gemeente is onder andere afhankelijk van de mogelijkheden en behoeften binnen de lokale context en de betrokkenheid, voorkeuren, kunde en slagkracht van partners in de gemeenschap. Los van bovenstaande veel voorkomende rollen zijn er bij huisvestingsvraagstukken ook een aantal taken en verantwoordelijkheden die de gemeente op zich kan nemen, onafhankelijk van welke rol zij (wil) spelen. De belangrijkste taken en verantwoordelijkheden zijn: • Eigenaarschap van de accommodatie • Vergunningverlenings- en handhavingstaak • Het nemen van financiersverantwoordelijkheid en/of het bieden van financiële ondersteuning in de vorm van een subsidie. Het is raadzaam om bij de keuze voor het innemen van een rol niet direct ook keuzes te maken over taken en verantwoordelijkheden.

14

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=dc801255-4ce9-466b-baff-5d3598f8025a