CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

08 Bijlage bij toelichting 4. Quickscan Wet natuurbescherming

Raadsvergadering 8 februari 2022, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (H) Bestemmingsplan IJsseldijk-Noord 353, Ouderkerk aan den IJssel7.090 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

f

BURO SRO B.V. T.a.v. dhr. R. van der Made ’t Goylaan 11 3525 AA Utrecht

Datum

12 november 2020

Kenmerk

BE/2020/795/r

Uw kenmerk

Email d.d. 25 september 2020

Auteur(s)

ir. M. Poelman

Collegiale toets

ir. ing. K.J. Rebergen

Quickscan Wet natuurbescherming IJsseldijk-Noord 353 te Ouderkerk aan den IJssel Aan de IJsseldijk-Noord 353 te Ouderkerk aan den IJssel is een woonperceel gesitueerd met een woonhuis, een schuur, een oprit en een grote tuin met veel groen. De initiatiefnemer is voornemens de woning en de schuur te saneren en een nieuwe woning te realiseren. Het bouwvlak dient gewijzigd te worden, waardoor een herziening van het bestemmingsplan benodigd is. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Buro SRO B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan.

Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland, Belangrijke weidevogelgebieden en/of de Strategische reservering natuur? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de IJsseldijk-Noord 353 te Ouderkerk aan den IJssel (figuur 1). Het betreft een perceel met een woning, een schuur, een verharde oprit en een grote tuin met veel en afwisselende groenstructuren. De woning (A in figuur 1) is opgetrokken uit stenen gepleisterde muren zonder spouw en een zadeldak met dakpannen. Tevens zijn er een aanbouw en een dakkapel aanwezig welke bestaan uit muren bedekt met houten gevel betimmering en een plat bitumen dak. De schuur (B in figuur 1) is opgetrokken uit muren met een gemetselde basis en daarboven potdeksels. Er is geen spouw aanwezig. Het dak is bedekt met golfplaten en heeft geen dakbeschot. Tevens is er een aanbouw aanwezig welke bestaat uit wanden van damwandplaat en één wand met houten betimmering. Het dak is bedekt met golfplaten. De oprit is betegeld. Er is een grote tuin aanwezig met veel groen, bomen en takkenhopen en -rillen. Deze blijft echter onaangetast en valt buiten de beoogde ontwikkeling. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door veenweidegebied met smalle weidekavels en kavelsloten. De Hollandse IJssel met uiterwaarden ligt ten noorden van de IJsseldijk-Noord. Ten zuiden van deze dijk bevindt zich een lint met bebouwing.

Op circa 300 m ten zuiden ligt Begraafplaats Lageweg en daarnaast de bebouwde kom van het dorp Lageweg. Polder de Nesse ligt ten zuidoosten en is belangrijk weidevogelgebied. Aan de overzijde van de Hollandsche IJssel liggen op circa 1 km de N219 en een spoorlijn ten noordwesten. De A20 ligt op ongeveer 1,8 km ten noordwesten.

A B

Figuur 1

2

De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de IJsseldijk-Noord 353 te Ouderkerk aan den IJssel. A) de woning; B) de schuur (bron kaartmateriaal: arcgis.com).

Figuur 2

Fotografische indruk van de woning (boven) en de schuur (linksonder) met aanbouw (rechts onder).

Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft de sanering van de woning en de schuur en de realisatie van een nieuwe woning. De nieuwbouw wordt iets verder van de weg af geplaatst richting het zuidoosten, waardoor het bouwvlak wordt gewijzigd. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • •

3

saneren van de woning en de schuur: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

Figuur 3

Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Hogendoorn adviesburo).

Figuur 4

Het bouwkavel van de nieuwe woning. Er is een blauwe lijn gespannen (slecht zichtbaar) welke de exacte locatie weer geeft van de toekomstige woning.

Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 29

4

oktober en is uitgevoerd door ir. M. Poelman. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 8/8 bewolkt, 12 Celsius en windkracht 2-3 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.

In de verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Zuid-Holland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ree Bastaardkikker

Gewone pad

Rosse woelmuis

Bosmuis

Haas

Veldmuis

Bruine kikker Bunzing Dwergmuis

Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander

Vos Wezel Woelrat

Dwergspitsmuis Egel

Konijn Meerkikker

(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht.

5

(c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare

per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten Binnen een straal van circa 2 km van de planlocatie is het voorkomen bekend van de volgende beschermde vaatplanten: groot spiegelklokje en smalle raai (NDFF 2010-2020). Het groot spiegelklokje groeit op zonnige, open plaatsen op vochtige, matig voedselrijke, kalkrijke grond (zand, leem, zavel, lichte klei, löss en mergel). De soort komt voor op akkers (graanakkers en braakliggende stoppelvelden), bermen en dijken (open plaatsen), braakliggende grond, als adventief nabij graansilo's (haventerreinen) en langs spoorwegen.

De smalle raai is een pionierssoort en groeit op zonnige, warme, open plaatsen op droge tot matig vochtige, matig voedselrijke, stikstofrijke, kalkarme, verstoorde grond (zand, leem, mergel, grind en ander stenig substraat). De soort komt voor op akkers (graanakkers op kalkhellingen en akkerranden), langs spoorwegen (ballastbedden en schouwpaden op spoorwegterreinen, meestal tussen grind), rolsteenhellingen, puinhellingen, afgravingen (steengroeven) en dijken (Wilde planten, 2020). De planlocatie betreft een woonperceel waarvan delen verhard zijn. Het heeft een kleiige bodem met een vrij hoge grondwaterstand. Op de onverharde delen van de bodem waar wordt gesaneerd of gebouwd groeien weinig planten. Eén van de soorten die er wel groeit is de grote brandnetel, wat duidt op een hoge stikstofconcentratie in de bodem. Dit is geen geschikt habitat voor beschermde plantensoorten, waaronder het groot spiegelklokje en de smalle raai. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden.

6

Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante vaatplanten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: aardpeer, bamboe, es, grote brandnetel, conifeer, hazelaar, hondsdraf, klimop, laurier, ooievaarsbek, paardenkastanje, schietwilg, taxus en zwarte els. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten kunnen derhalve worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, bosmuis, bruine rat, bunzing, damhert, dwergmuis, egel, haas, hermelijn, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, veldmuis, vos, wezel en woelrat (NDFF 2010-2020). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever en damhert. Bevers komen voor in het overgangsgebied tussen land en water zoals in moerassen, langs beken, rivieren en meren.

Daarbij is de aanwezigheid van bossen op de oevers een vereiste (Zoogdiervereniging, 2020). Hier is geen sprake van op de planlocatie. Negatieve effecten op de bever zijn uitgesloten. Het damhert komt vooral voor in lichte loofbossen en gemengde bossen, minder vaak in uitgestrekte naaldbossen. Ook komt de soort voor in randzones bij open plekken, graslanden en akkerranden en in parkachtige bosgebieden (zoogdiervereniging, 2020). Op de planlocatie is geen geschikt habitat aanwezig voor het damhert. Negatieve effecten zijn uitgesloten. Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten niet op de locatie voorkomen. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten zoals egel, haas, konijn, en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.

Op en rondom de planlocatie zijn geen holen of nesten aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van een verblijfplaats van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van circa 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis (NDFF 2010-2020). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). In de tuin van de woning zijn bomen aanwezig met holten en/of andere structuren als loshangende bast welke potentieel geschikte verblijfplaatsen vormen voor boom bewonende vleermuizen. Echter, het grootste gedeelte van deze tuin valt buiten de planlocatie en derhalve ook buiten de beoogde ontwikkeling. Binnen de planlocatie zijn geen bomen met potentieel geschikte openingen aanwezig, en er worden geen bomen aangetast.

Negatieve effecten op potentiële verblijfplaatsen van boom bewonende vleermuizen kunnen worden uitgesloten. De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden.

7

Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De woning en de schuur bevatten geen structuren die een potentiële verblijfplaats vormen voor vleermuizen. De muur van de woning heeft geen spouw en er is geen toegang tot een open dakruimte via de dakpannen of andere kierende structuren als dakranden of dak overstekken. De gevelbetimmering op de uitbouw en de dakkapel zijn eveneens niet toegankelijk via kierende delen. Achter de raamluiken zijn geen sporen van vleermuizen aangetroffen. De schuur heeft geen dakbeschot, waardoor er geen geschikte open dakruimte aanwezig is. De potdeksels sluiten nauw op elkaar aan en er is geen betimmering/beplating aan de binnenzijde achter de potdeksels aanwezig. Het is derhalve uit te sluiten dat de bebouwing op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Er is eveneens geen potentie aanwezig voor de gewone grootoorvleermuis, welke onder andere gebruik maakt van loshangende balken op zolders. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute.

In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Op de planlocatie rondom de bebouwing is geen sprake van essentieel foerageergebied, mede gezien er boven de tuin en omliggende weides sprake is van geschikt(er) foerageergebied. Deze gebieden blijven onaangetast. Er is eveneens geen sprake van aantasting een potentiële essentiële vliegroute, gezien er geen rechtlijnige groenstructuren verdwijnen die gebieden met potentiële verblijfplaatsen verbinden met essentiële foerageergebieden. Er kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient zo min mogelijk verlichting te worden toegepast. De werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd.

Amfibieën Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en rugstreeppad (NDFF 2010-2020). Voor de rugstreeppad geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Hethabitat van de rugstreeppad laat zich omschrijven als ruige, onbeschaduwde, laag begroeide terreinen. Braakliggende bouwterreinen, zand- en kleiafgravingen, (rivier)duinen en uiterwaarden vormen een ideaal leefgebied voor de rugstreeppad. De soort is ook te vinden in meer stabiele gebieden als sloten in akker- en graslandgebieden. Vaak is er een goed vergraafbare (zanderige) bodem aanwezig. De soort kent drie typen verblijfplaatsen: voortplantingswateren, meerder terrestrische zomerverblijfplaatsen en een terrestrische winterverblijfplaats. Het voorplantingswater is ondiep (tijdelijk) water dat snel opwarmt en dat bij voorkeur vrij is van vegetatie en concurrentie van andere amfibieën, zoals ondiepe (tijdelijke) poeltjes, regenplassen, recent geschoonde sloten of ondiepe sloten.

Terrestrische zomer- en winterverblijfplaatsen bevinden zich op hoogwatervrije terreinen. Bestaande ruimtes kunnen benut worden, zoals muizen- of konijnenholen. Daarnaast kunnen ze zich ingraven, als de bodem zich daartoe verleent. Voor de winterverblijfplaats is het van belang dat deze vorstvrij is en boven het grondwaterpeil ligt (BJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017; Creemers & Van Delft, 2009). De sloten lands de weidekavels zijn in potentie (beperkt) geschikt als mogelijk voortplantingswater voor de rugstreeppad.

8

Deze blijven echter onaangetast. In de tuin zijn voldoende structuren als takkenhopen en struweel aanwezig die als potentiële overwinteringsplaatsen zouden kunnen fungeren. Deze blijven echter onaangetast. De planlocatie zelf is deels verhard, wat ongeschikt is voor de rugstreeppad. De bodem van de onverharde delen is kleiig, waardoor de vergraafbaarheid beperkt is. Tevens is er sprake van verstoring door menselijke activiteiten. Er zal derhalve geen sprake zijn van een essentiële functie als foerageer- of overwinteringsgebied in dat deel van het perceel. De rugstreeppad staat er echter om bekend dat deze bouwterreinen snel kan koloniseren zodra er geschikte omstandigheden ontstaan (bijlage 2). Er is kans op vestiging als er tijdens de werkzaamheden binnen de planlocatie ondiepe wateren ontstaan in de periode april-september (voortplanting), of indien er hopen vergraafbaar zand of puinbedden met bouwmateriaal, houtafval of stenen blijven liggen in de periode september-november (overwintering). Derhalve wordt aanbevolen om de planlocatie ongeschikt dan wel ontoegankelijk te houden voor rugstreeppadden tijdens de werkzaamheden. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie.

Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende inheemse reptielen: ringslang (NDFF 2010-2020). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De ringslang is gebonden aan waterrijke habitats. Vaak betreffen dit overgangen van droge zandgrond naar natte veen- of kleigronden. Voldoende ei afzet mogelijkheden en een ruim aanbod van wateren van goede kwaliteit in de nabijheid van hoge gronden zijn belangrijke randvoorwaarden voor het voorkomen van de soort (Creemers & Van Delft, 2009; Ravon ringslang, 2019). Er zijn 3 waarnemingen van een ringslang bekend op ongeveer 2 km afstand. Op de planlocatie en in de directe omgeving hiervan is geen geschikt oppervlaktewater aanwezig voor de ringslang. Tevens is er sprake van te veel verstoring door menselijke activiteiten rondom de bebouwing. De planlocatie heeft derhalve geen functie voor de ringslang. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers.

Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde vissoorten: grote modderkruiper en Noordzeehouting (NDFF 2010-2020). De Noordzee houting komt momenteel enkel voor in de grotere rivieren, het IJsselmeer en in de kustzone. De grote modderkruiper komt voor in kleinere, ondiepe, stilstaande of langzaam stromende wateren met een dikke modderlaag en bij voorkeur waterplanten. De soort is bijvoorbeeld te vinden in sloten, vennen, plassen en oude afgesneden meanders (Ravon, 2020). Er liggen kavelsloten naast de tuinpercelen welke in potentie mogelijk geschikt zijn voor de grote modderkruiper. Deze vallen echter buiten de beoogde ontwikkeling en blijven onaangetast. Er is derhalve geen sprake van negatieve effecten op (beschermde) vissen. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: groene glazenmaker en platte schijfhoren (NDFF 2010-2020). De groene glazenmaker leeft tussen de bladen van krabbescheerplanten, meestal in dichte krabbescheervegetaties (Vlinderstichting, 2020).

Hier is geen sprake van op de planlocatie. Negatieve effecten op de soort zijn uitgesloten. De platte schijfhoren heeft als voorkeurshabitat voedselrijk stilstaand water met begroeiing van waterplanten, voornamelijk gele plomp en waterlelie.

9

De kans op het voorkomen van de platte schijfhoren is klein wanneer deze planten of ondergedoken planten volledig afwezig zijn (Anemoon platte schijfhoren, 2019; Boesveld et al., 2009). In de kavelsloten rondom de planlocatie komen deze soorten niet voor. Gezien het ontbreken van deze soorten kan de aanwezigheid van platte schijfhoren uitgesloten worden. Tevens zijn er geen werkzaamheden voorzien aan de kavelsloten. Het is derhalve uitgesloten dat de beoogde ontwikkelingen een negatief effect hebben op de platte schijfhoren.Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: buizerd, houtduif, lijster, merel, vink, wilde eend, winterkoning en zwarte kraai. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien.

Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). De bebouwing op de planlocatie is ongeschikt voor huismussen. De schuur heeft een golfplaten dak zonder dakbeschot, waardoor er geen ruimte aanwezig is onder het dak waar huismussen kunnen nestelen. De woning heeft een dak bedekt met dakpannen. Op het deel van het dak met de dakkapel zijn geen dakpannen aanwezig. Op de beperkte oppervlakte van de rest van het dak wordt de toegang tot de onderste rij dakpannen beperkt door de aanwezigheid van een houten balk. Daarnaast ligt de westzijde van het woonhuis direct aan de dijk, waardoor huismussen niet direct vanuit het dak toegang hebben tot beschutting en jaarrond groen. Tevens bevindt de planlocatie zich in een gebied waar het voorkomen van de buizerd bekend is; in de tuin van de woning bevindt zich een buizerd nest in een oude wilg. Dit is niet gunstig voor de huismus. De beoogde ontwikkeling leidt tot zeer beperkte aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied van de huismus.

Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Om een kolonie gierzwaluwen te kunnen huisvesten, moeten er voldoende potentiële nestlocaties aanwezig zijn. Dat betekent dat er in de bebouwing openingen op voldoende hoogte met vrije aanvliegroute dienen te zijn. Hier is geen sprake van in de bebouwing op de planlocatie. Tevens ligt het in landelijk gebied, wat niet de voorkeur heeft van de soort. De aanwezigheid van gierzwaluwen op de planlocatie kan uitgesloten worden. De bebouwing is niet geschikt voor uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Op de planlocatie is geen sprake van essentieel functioneel leefgebied van uilen. De tuin zou wel geschikt kunnen zijn als jachtgebied zijn voor bijvoorbeeld de steenuil. Deze valt echter buiten de beoogde ontwikkeling en blijft onaangetast. Er is een buizerd nest aangetroffen in een oude wilg in de tuin van de woning. Deze valt echter buiten de beoogde ontwikkeling. Er zijn geen andere grote nesten of horsten van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie.

Er is eveneens geen sprake van essentieel functioneel leefgebied van roofvogelsoorten, mede gezien er in de directe omgeving veel gebied aanwezig is waar roofvogels gebruik van kunnen maken. Buizerd gebruiken horsten soms gedurende meer dan één broedseizoen. Er wordt derhalve geadviseerd om zekerheidshalve de werkzaamheden buiten het broedseizoen van de buizerd (februari t/m augustus) uit te voeren. Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. Voor deze soort zijn op de planlocatie geen geschikte nestlocaties of functioneel leefgebied aanwezig.

10

Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

11

Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 9 km ligt het Natura 2000gebied ‘Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein’ (figuur 5). Op een afstand van circa 20 m ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 6). Op een afstand van circa 1,2 km ligt het dichtstbijzijnde Belangrijk weidevogelgebied (figuur 7). Op een afstand van circa 10,7 km ligt het dichtstbijzijnde gebied wat valt onder de ‘Strategische reservering natuur’ (figuur 7). Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig op de planlocatie die weggenomen worden ten gevolge van de beoogde ingreep.

9 km

Figuur 5

De planlocatie ligt op een afstand van circa 9 km tot het Natura 2000-gebied ‘Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein’ (bron: pzh.maps.arcgis.com).

20 m

Figuur 6

12

De planlocatie ligt op een afstand van circa 20 m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: pzh.maps.arcgis.com).

1,2 km

10,7 km

Figuur 7

De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,2 km tot een Belangrijk weidevogelgebied en op een afstand van circa 10,7 km tot het dichtstbijzijnde gebied wat valt onder de ‘Strategische reservering natuur’ (bron: pzh.maps.arcgis.com).

Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden voldoende groot is om significante negatieve effecten uit te kunnen sluiten. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een nieuwe woning. Ten opzichte de huidige situatie leidt de beoogde ingreep niet tot een significante toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben.

Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). Gezien er sprake is van een grote afstand (9 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en in de gebruiksfase geen sprake is van een toename in stikstofemissie wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven.

Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien.

13

Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Tevens dient rekening gehouden te worden met rugstreeppad en buizerd (zie te treffen maatregelen). (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur en er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS calculatie, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

-

-

-

-

-

+/-

-

-

n

n

n

n

+

+/-

n

n

Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort

-

-

Geschikt habitat Andere soort

-

+/-

Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk

n

n

Gebiedsbescherming

afstand

effecten

nader onderzoek

Natura 2000

9 km

geen

n.v.t.

Natuurnetwerk Nederland

20 m

geen

n.v.t.

Belangrijk weidevogelgebied

1,2 km

geen

n.v.t.

Strategische reservering natuur

10,7 km

geen

n.v.t.

Houtopstanden

aanwezig

kap

melding

Struiken

ja

nee

n.v.t.

Bomen

ja

nee

n.v.t.

n

-

broedvogels (j)

Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort

broedvogels (a)

vissen

reptielen

amfibieën

insecten en ongewervelden

Soortenbescherming - = ongeschikt + = geschikt n (nee)/ j (ja)/ m (maatregelen)

vaatplanten

Legenda

vleermuizen

Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna en ook de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. (a) algemene broedvogel en cat. 5 soorten, (j) jaarrond beschermde nesten, cat. 1 t/m 4 soorten.

grondgebonden zoogdieren

Tabel 2

Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen, rugstreeppadden en algemene broedvogels (in het kader van Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.

14

Conclusie De sanering van de huidige bebouwing en de realisatie van een nieuwe woning aan de IJsseldijk-Noord 353 te Ouderkerk aan den IJssel is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

Vervolgstappen • De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarde (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.

Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden.

Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van de buizerd en andere broedvogels (februari t/m augustus). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

15

Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Buizerd Buteo buteo versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997.

Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.kaartbank.brabant.nl www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl

16

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., ir. M. Poelman Auteur

Blom Ecologie B.V., ir. ing. K.J. Rebergen Collegiale toets

Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Ecologie rugstreeppad

© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

17

Bijlage 1 Fotografische impressie

18

Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan de IJsseldijk-Noord 353 te Ouderkerk aan den IJssel en bestaat uit een woning en een schuur.

Figuur 2

De planlocatie gezien vanuit het oosten.

19

Figuur 3

Het bouwvlak van de nieuwe woning is aangegeven middels een blauw touw..

Figuur 4

De tuin van de planlocatie bevat veel takkenbossen, stenenhopen en verticaal een horizontaal dood hout. Deze valt echter buiten de beoogde ontwikkeling en blijft onaagetast.

Bijlage 2 Rugstreeppad Herkenning De rugstreeppad (Epidalea calamita) is een middelgrote pad met een lengte van circa 4,5 - 7 cm. De pad heeft vrij korte poten en heeft op de rug een karakteristieke lichtgele lengtestreep. Verder is de rug grijsbruin met groenige vlekken en heeft de buik een lichtgrijze kleur met grijszwarte vlekken. De ogen zijn geelgroen en hebben een horizontale pupil. Mannetjes zijn in de paartijd te onderscheiden van vrouwtjes door een paars/blauwe verkleuring van de keel. Gedurende het voortplantingsseizoen is tijdens de kooractiviteiten een typische en harde roep te horen die over een afstand van 1 - 3 km is waar te nemen (Creemers & Van Delft, 2009). De larven van rugstreeppad zijn maximaal 2,5 cm lang en zwart van kleur. Oudere larven hebben een lichte keelvlek en soms een streep over de rug (Diepenbeek & Creemers, 2006).

Gedrag De rugstreeppad is een typische pionier soort die opportunistisch profiteert van tijdelijke gunstige omstandigheden. Veranderingen in weersomstandigheden als vocht en temperatuur vormen in sterke mate een sein voor migratie, voortplanting en dergelijke. Onderstaande periodes zijn dan ook indicatief. Bij het koloniseren van nieuwe gebieden kunnen jonge rugstreeppadden afstanden tot wel 5 km afleggen (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). De overwintering vindt plaats van oktober/november tot en met maart. De eerste dieren kunnen vanaf begin maart de overwinteringslocatie verlaten om vervolgens al dan niet direct door te trekken naar de voortplantingslocaties. De voortplanting vindt plaats in de periode april - september met een hoogtepunt rond half april - mei. Het vaststellen van aan- of afwezigheid van rugstreeppadden kan middels drie gerichte (avond)veldbezoeken in de periode 15 april – juli (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017).

20

Habitat en verblijfplaatsen De geprefereerde habitat van de rugstreeppad bestaat uit een dynamische omgeving met vergraafbaar zand of fijne grond. De verblijfplaatsen van de soort kunnen worden onderverdeeld in voortplantings-, zomer- en overwinteringshabitat. De voortplantingshabitat is aquatisch en na de voortplanting zijn rugstreeppadden hoofdzakelijk op het land te vinden. Het functionele leefgebied bestaat ook uit het gebied tussen deze habitats (migratieroutes). De eitjes worden afgezet in veelal tijdelijke, ondiepe en wateren zonder vegetatie, waar weinig tot geen sprake is van concurrentie of predatie. Voorbeelden hiervan zijn greppels, rijsporen, regenplassen en geschoonde sloten. De zomer en- en winterlocaties bevinden zich op het land in hoogwatervrije terreinen. Voor de overwintering gebruikt de rugstreeppad bestaande (muizen)holletjes, graaft deze zich in de bodem of kruipt de rugstreeppad onder materialen als: stenen, boomstammen, banden en houtstapels. Voorwaarde voor de winterhabitat is dat deze locatie vorstvrij dient te zijn. Populatieomvang Rugstreeppadden verspreiden zich in diverse richtingen waardoor de minimale populatieomvang en bijbehorend oppervlakte voor de gunstige staat van instandhouding locatiespecifiek is.

Als vuistregel wordt gehanteerd dat een gezonde populatie uit minimaal 100 - 200 dieren bestaat en dat deze in verbinding staat met andere populaties (BIJ12 Kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Voorkomen kolonisatie Doordat de rugstreeppad een typische pioniersoort is en een dynamische omgeving met vergraafbare grond prefereert, kan snel spontane kolonisatie van de soort in een braakliggend gebied of bouwterrein ontstaan. Om kolonisatie van rugstreeppad te voorkomen wordt geadviseerd maatregelen te treffen. Deze maatregelen bestaan uit het ongeschikt dan wel ontoegankelijk houden van het plangebied. Het ongeschikt houden van het plangebied voor rugstreeppadden houdt in dat zo min mogelijk vergraafbaar zand gebruikt of opgeslagen wordt binnen het bouwterrein. Bij het bouwrijp maken van het perceel dient het zand direct geëgaliseerd te worden. De aanleg van een zanddepot moet voorkomen worden. In de voorjaars- en zomerperiode zorgen dat er geen kleine poelen ontstaan waar rugstreeppadden eieren kunnen leggen. Diepe rijsporen van machines kunnen al voldoende diep zijn als voortplantingswater voor rugstreeppadden (figuur 2).

Figuur 2

21

Bij hevige regenval kunnen ontstane geulen gevuld worden met water. Deze tijdelijke poelen zijn uitermate geschikt voor de rugstreeppad. Het ontstaan van deze geulen dient te allen tijde voorkomen te worden.

In de najaar- en winterperiode moet gezorgd worden dat er geen overwintering van rugstreeppadden kan optreden. Voldoende vergraafbaar zand (zanddepot) kan gebruikt worden voor overwintering. Ook stenenstapels, houtstapels of andere vorstvrije structuren (onder een bouwkeet bijvoorbeeld) kunnen gebruikt worden voor overwintering. Dergelijke structuren dienen weggehaald te worden buiten de overwinteringsperiode van de soort. Het ontoegankelijk houden van het plangebied voor rugstreeppadden houdt in dat voorzieningen worden geplaatst waardoor rugstreeppadden het plangebied niet kunnen bereiken. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond (figuur 3). De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen.

Figuur 3

22

Een incorrect geplaatst amfibiescherm (links). Een correct geplaatst amfibiescherm (rechts). Deze dient minimaal 10 cm ingegraven te zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=717dc11b-1237-489d-b019-b96f4773602b