CConstaterende datKrimpen aan den IJssel
Koppel je AI →
Document · PDF

Rapport dr. Leenknegt - Naar een sterkere raad, een verkenning van mogelijke varianten van een gemeentelijk statuut

Besluitvoorbereidende raadscommissie 2 24 mei 2022, gemeente Krimpen aan den IJsselBij agendapunt: Toelichting traject gemeentelijke statuut door dr. Leenknegt (ca. 19.30 - 20.30 uur)12.572 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Zeven bouwstenen voor een statuut

Op basis van de voorstudie kunnen mogelijke inhoudelijke bouwstenen voor een gemeentelijk en regionaal statuut worden geïdentificeerd. Binnen de ruimte en mogelijkheden die de Grondwet en de organieke wetgeving bieden, kunnen ten aanzien van uiteenlopende thema’s eigen keuzes worden gemaakt. Hieronder wordt daarvoor een aantal suggesties gedaan. Overigens hoeven niet alle bouwstenen onderdeel te zijn van een te realiseren statuut: een selectie is ook denkbaar. Mogelijk zijn er naast de hieronder beschreven thema’s nog andere onderwerpen die zich lenen voor opname; vanzelfsprekend zou die ruimte er moeten zijn. A. Beginselen, doelen en identiteit In een (aantal) algemene bepaling(en) kunnen centrale waarden en doelen van de betreffende gemeenschap worden vastgelegd. Hoewel dergelijke bepalingen eerder symbolisch dan normatief zijn, kunnen ze richtinggevend zijn bij de interpretatie van de overige onderdelen van het statuut en kunnen ze een uitdrukking zijn van de identiteit van de gemeenschap. Onderdeel daarvan kan ook zijn een aanduiding van het grondgebied, met een territoriale onderverdeling in stadsdelen, wijken of kernen. B.

Burgerbetrokkenheid en publieke verantwoording Een statuut kan afspraken bevatten over de inrichting van uiteenlopende vormen van burgerparticipatie, zoals inspraak, interactieve beleidsvoorbereiding, betrokkenheid bij de begrotingsvoorbereiding, burgerinitiatieven, verschillende vormen van lokale (niet-bindende) referenda, en de gevallen waarin dergelijke instrumenten al dan niet inzetbaar zijn. Daaraan gekoppeld zouden bepalingen kunnen worden opgenomen over informatievoorziening aan burgers en vormen van publieke verantwoording. C. Inrichting van de bestuurlijke en ambtelijke organisatie De hoofdlijnen van de bestuurlijke organisatie van de gemeente liggen vast in de organieke wetgeving. Een statuut kan daarnaast afspraken bevatten over de instelling van andere organen en over de toekenning van regelgevende en bestuurlijke bevoegdheden daaraan. De inrichting 25

van de ambtelijke organisatie is volgens de gemeentewet de bevoegdheid van het college en ook over de deelname in privaatrechtelijke rechtspersonen beslist in eerste instantie het college. Om te voorkomen dat de raad het zicht verliest op de wijze waarop uitvoeringstaken zijn georganiseerd, en daarmee moeilijker zijn controlerende taken kan uitoefenen, kunnen afspraken over de hoofdlijnen daarvan worden neergelegd in een statuut. D. Regionale samenwerking In het verlengde van de vorige bouwsteen kunnen bepalingen worden opgenomen over de deelname in regionale verbanden, waaronder gemeenschappelijke regelingen (anders dan bijvoorbeeld veiligheidsregio’s en andere wettelijk geregelde verbanden). Daarin kan worden vastgelegd op welke gebieden het gemeentebestuur die samenwerking zal zoeken, welke doelstellingen het daarbij nastreeft en hoe het belang van de eigen gemeente daarin vorm zal worden gegeven. E. Beleid Een statuut zou aandacht kunnen besteden aan de voornaamste inhoudelijke opgaven voor een nader te bepalen periode. Daarmee identificeert het gemeentebestuur welke beleidskwesties in de betreffende periode de aandacht van het bestuur en van de burgers verdienen.

Dat kunnen de voornaamste beleidskeuzes op bepaalde beleidsterreinen zijn, maar wellicht ook afspraken ten aanzien van specifieke projecten of voor de betreffende gemeente belangrijke dossiers waar grote belangentegenstellingen een rol spelen. In een statuut kan dan worden bepaald welke doelen zullen worden nagestreefd en hoe wordt omgegaan met de strijdende belangen van groepen burgers. F. Verantwoording, controle en informatievoorziening De centrale doelstelling van een statuut is de versterking van de positie van de raad, onder meer wat betreft democratische controle ten aanzien van de veelal complexe organisatie, zowel binnengemeentelijk als regionaal. In een statuut kan helder worden vastgelegd op welke wijze en op welke momenten de bestuurders over bepaalde vraagstukken of thema’s verantwoording afleggen. Daarbij is het steeds van groot belang dat de raad beschikt over alle benodigde informatie om zijn controlerende en taken naar behoren te kunnen uitoefenen. Dat geldt met name waar het gaat om uitvoeringstaken die zich buiten het directe gezichtsveld van de raad afspelen, zoals taken die in bovengemeentelijke of regionale verbanden worden uitgeoefend, taken waarvoor private organisaties werkzaam zijn of binnengemeentelijke organisatieonderdelen die verder van het ‘centrale’ gemeentebestuur af staan.

Over de wijze waarop hierover informatie wordt verstrekt aan de raad, op een toegankelijke wijze, kunnen in een statuur afspraken worden vastgelegd. G. Wijziging, periodieke bespreking en afwijking van het statuut Een statuut zou, eventueel als laatste onderdeel, een aantal zaken van procedurele aard kunnen vastleggen. Te denken valt aan een bepaling over de geldigheidsduur van het statuut; regels over de wijze van (periodieke) bespreking; een procedure voor herziening, wellicht op basis van voorstellen van een daartoe ingericht orgaan waarin ook burgers een rol kunnen hebben; mogelijk ook een ‘entrenchment clause’, dat wil zeggen een bepaling die voor afwijking 26

van of wijziging van het statuut een versterkte meerderheid in de gemeenteraad vereist (zie 1.4). A G wijziging en bespreking

C inrichting organisatie

doelen en beginselen

B

F informatie, controle en verantwoording

burgerbetrokken -heid

D regionale verbanden

E beleid

Figuur 1 – Zeven bouwstenen

Hierboven zijn de zeven bouwstenen schematisch weergegeven. Door de rangschikking wordt aangegeven gemaakt dat er een duidelijk kernthema zou zijn: de wijze waarop de informatievoorziening en processen van controle en verantwoording zijn ingericht (F). Gelet op de voornaamste doelstelling van een statuut – het versterken van de positie van de raad in het gemeentebestuur – ligt het voor de hand dat in elk geval daarover afspraken worden vastgelegd. In feite geldt dat ook voor de deelname in bovengemeentelijke en regionale verbanden (D); juist op dat punt geven raadsleden vaak aan dat hun controlerende taken in het gedrang komen. Andere thema’s zijn meer perifeer of optioneel, afhankelijk van de overige doelen en ambities die de raad met een statuut zou hebben. 2.2

Vaststelling en periodieke bespreking

Een statuut zou de basis moeten vormen voor een regelmatig gesprek tussen raad en college over (onder meer) de inrichting van de uitvoeringsorganisatie, de deelname in regionale verbanden en de betrokkenheid van burgers bij het gemeentebestuur. Vanzelfsprekend kan het statuut door de raad op elk gewenst moment onderwerp van bespreking worden gemaakt, door het te agenderen en het onderwerp van een plenair debat met het college te maken. Of dat gesprek plaatsvindt, en wanneer, is dan geheel afhankelijk van de wens van de raadsleden; een garantie voor regelmatige, periodieke bespreking – de centrale doelstelling van een statuut – is er niet. Een andere mogelijkheid die hierboven al even aan de orde kwam (zie paragraf 1.2), is de geldingsduur van statuut zelf te beperken door een einddatum daarin vast te leggen. Het naderen van die datum kan dan aanleiding zijn voor de raad en het college om de inhoud van het statuut te bespreken en gezamenlijk te besluiten tot verlenging, al dan niet in gewijzigde 27

vorm. De zekerheid dat dat gebeurt biedt die constructie niet: het laten passeren van de einddatum zonder debat en besluit tot verlenging of nieuwe vaststelling betekent dan simpelweg dat het statuut komt te vervallen. Anders gezegd: de geldingsduur van een statuut staat uiteindelijk los van periodieke bespreking. Een statuut zou daarom het beste zelf kunnen voorzien in een regeling die bespreking en desgewenst bijstelling van de erin neergelegde hoofdlijnen op vooraf bepaalde momenten vastlegt. De twee met elkaar samenhangende vragen die dan beantwoord moeten worden zijn: hoe frequent zou het gesprek over de daarin neergelegde afspraken moeten plaatsvinden? En op welk(e) moment(en) gedurende de zittingsperiode van de raad moet dat gebeuren? Denkbaar is de vaststelling of periodieke bespreking te laten samenvallen met het begin van een nieuwe zittingsperiode van de raad, na de gemeenteraadsverkiezingen en de daaropvolgende collegevorming. De gedachte ligt voor de hand omdat dan een (deels) vernieuwde raad aantreedt, een nieuw college wordt gevormd en in een collegeprogramma afspraken over de hoofdlijnen van beleid voor de komende jaren worden gemaakt (zie ook 1.2). Parallel daaraan zou een statuut kunnen worden vastgesteld waarin de meer institutionele en organisatorische aspecten van de samenwerking tussen raad en college worden vastgelegd.

Daarmee staat dan ook vast dat het statuut ten minste elke vier jaar onderwerp van bespreking is. Tegen deze constructie zou pleiten dat bij de collegevorming de nadruk ligt op zaken van voornamelijk politieke aard, zoals het vinden van politieke compromissen tussen de (beoogde) collegepartijen ten aanzien van inhoudelijke dossiers en het onderhandelen over de middelen die voor de uitvoering van het voorgenomen beleid nodig zijn. Het gevaar bestaat dat het statuut ook onderwerp wordt van die onderhandelingen; naar zijn aard zou het minder politiek moeten zijn, en vooral organisatorische en institutionele afspraken moeten bevatten. Dan zouden bespreking en eventueel gewijzigde vaststelling van een statuut op een later moment, ruim na de vorming van het college, meer voor de hand liggen. Een tussentijds moment voor gezamenlijke bespreking – en daarmee een tweejaarlijks ritme – zou ervoor zorgen dat raad en college de gemaakte afspraken gedurende de zittingsperiode scherper op het netvlies houden. Hieronder is een tweejaarlijkse bespreking schematisch weergegeven, binnen de cyclus van vier jaar tussen gemeenteraadsverkiezingen die in beginsel steeds in maart plaatsvinden. 37 maart-mei vanaf mei september

jaar 1 verkiezingen en collegevorming voorbereiding statuut bespreking en vaststelling statuut

jaar 3

bespreking en bijstelling statuut

jaar 5 verkiezingen en collegevorming voorbereiding aanpassingen statuut bespreking en bijstelling statuut

Figuur 2 – Tweejaarlijkse bespreking Behoudens vervroegde gemeenteraadsverkiezingen ten behoeve van gemeentelijke herindelingen, zoals op 18 november 2020 plaatsvonden in Appingedam, Loppersum, Delfzijl, Oisterwijk, Vught, Boxtel en Haaren. 37

28

Ook is denkbaar dat een statuut jaarlijks onderwerp van bespreking tussen raad en college wordt gemaakt, wellicht op een vaste dag of in steeds in dezelfde periode van het jaar. Daarmee zou het stevig worden ingebed in de jaarlijkse cyclus van de lokale politiek. Het begin van een nieuw ‘raadsjaar’ in september, na afloop van het zomerreces van de gemeenteraad, zou ermee kunnen worden gemarkeerd – naar analogie met de landelijke Prinsjesdag, waarop het parlementaire jaar van de Staten-Generaal wordt geopend. Het zou vooral de symbolische waarde van een statuut benadrukken en versterken. juni/juli voorjaarsnota

september begin nieuwe raadsjaar bespreking en bijstelling statuut

november/december vaststelling begroting

vóór half juli vaststelling jaarrekening

najaarsrapportage

Figuur 3 – Jaarlijkse bespreking

2.3

Wijze van vaststelling

Op welke wijze kan een statuut worden vastgesteld zodat college, ambtelijke organisatie, burgers, maatschappelijke organisaties en bedrijven zich gehoord voelen en het college zich gebonden voelt aan het statuut? In beginsel kan dat op de gebruikelijke wijze waarop de raad en het college, met ambtelijke ondersteuning, algemeen verbindende voorschriften vaststellen. In dat geval is een statuut wat betreft de wijze van totstandkoming geen bijzondere regeling. Het gemeentebestuur zou er ook voor kunnen kiezen de bijzondere status van een statuut te benadrukken door een andere procedure hanteren voor de voorbereiding en vaststelling. Daarvoor zijn meerdere opties denkbaar. Gezien het ‘constitutionele’ karakter van een statuut is de vraag naar de procedure voor de totstandkoming ervan in zekere zin vergelijkbaar met de vraag hoe een grondwet tot stand komt. Gewoonlijk verlopen de totstandkoming en amendering van grondwetten volgens een procedure die afwijkt van de totstandkoming van gewone wetten. 38 De achterliggende gedachte is dat er brede steun voor een dergelijke fundamentele wet moet zijn: een ‘eenvoudige’ meerderheidsbeslissing in een parlement is dan niet toereikend. De verlangde bredere steun komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in de eis van een gekwalificeerde meerderheid in de volksvertegenwoordiging voor aanname van een voorstel tot amendering.

Daarnaast is er vaak een vorm van burgerbetrokkenheid bij de vaststelling (en amendering) van constituties, in de vorm van bijzondere conventies bij de voorbereiding ervan, tussentijdse verkiezingen of een referendum ter goedkeuring van het uiteindelijke ontwerp.

Zie over ‘constitution-making’ onder meer: S. Choudhry, T. Ginsburg (eds.), Constitution Making, Cheltenham 2016; M. Brandt, J. Cottrell, Y. Ghai, A. Regan, Constitution-making and Reform. Options for the Process, te vinden op: https://constitutionmakingforpeace.org/the-constitution-making-handbook/. 38

29

Het eisen van een gekwalificeerde meerderheid voor vaststelling van een statuut lijkt zonder aanpassing van de organieke wetgeving niet mogelijk te zijn. Wel zou, zoals hierboven is aangegeven (paragraaf 1.4), denkbaar zijn dat in een statuut wordt vastgelegd dat voor wijziging of afwijking ervan een gekwalificeerde meerderheid vereist is. Ook vormen van burgerbetrokkenheid kunnen bij de totstandkoming van een statuut het bijzondere karakter ervan benadrukken. Bij de voorbereiding kan een bijzondere commissie of een forum worden ingericht waarin burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties zijn vertegenwoordigd en dat meedenkt, adviseert en wellicht zelfs meebeslist over een ontwerp-statuut. Een andere mogelijkheid is de ingezetenen te laten adviseren over een ontwerp-statuut door voorafgaand aan de formele vaststelling een referendum daarover uit te schrijven. Hieronder worden drie mogelijke scenario’s beschreven voor de vaststelling van een statuut, waarin de genoemde elementen zijn opgenomen. Voor elk scenario geldt dat daarbinnen over drie zaken moet worden besloten: wie betrokken zijn bij de vaststelling van het statuut, welke juridische vorm wordt gebruikt en welke inhoud het statuut moet hebben.

Scenario 1: ambtelijke voorbereiding – voorstel in de raad – plenair debat – vaststelling Een eerste mogelijkheid is in grote lijnen de gebruikelijke procedure voor vaststelling van een intern reglement, een verordening of een ander type besluit te hanteren. Gewoonlijk wordt een voorstel daartoe ambtelijk voorbereid, in opdracht van het college of de raad, waarna het voorstel wordt behandeld door raadscommissies en uiteindelijk in een plenaire zitting van de raad wordt vastgesteld. Een politiek akkoord wijkt in zoverre af dat het met ambtelijke ondersteuning tot stand wordt gebracht door (vertegenwoordigers van) de raadsfracties die deelnemen, waarna het wordt gepresenteerd. Afhankelijk van het type akkoord zullen ook de (beoogde) wethouders betrokken zijn; formele vaststelling in de raad ontbreekt gewoonlijk. Er is dan geen sprake van directe burgerbetrokkenheid. Wanneer deze werkwijze zou worden gehanteerd voor vaststelling van een statuut, zou het voorstel daarom in elk geval een inhoudelijk plenair debat in de raad met het gehele college verdienen.

Wanneer het na ambtelijke voorbereiding en behandeling in een raadscommissie als hamerstuk zou worden afgedaan, beantwoordt dat niet aan de hoofddoelstelling – het versterken van de positie van de raad door het voeren van een regelmatig gesprek over de wijze waarop uitvoering, informatievoorziening, controle en verantwoording plaatsvinden. Scenario 2: scenario 1, maar formele vaststelling na raadpleging van stemgerechtigde ingezetenen (referendum) Een manier om burgers direct te betrekken bij de vaststelling van een statuut is aan het einde van de hierboven geschetste procedure, voorafgaand aan de formele vaststelling, het voorstel ter goedkeuring aan de stemgerechtigde ingezetenen voor te leggen in een gemeentelijk referendum. Het uitschrijven van een referendum is een keuze die het gemeentebestuur binnen de eigen autonome bevoegdheidssfeer zelf kan maken. Wanneer het voorstel voor een statuut door een meerderheid van de stemmers wordt gesteund, verkrijgt het daarmee een 30

sterkere legitimiteit. Daarnaast kan het de bekendheid van het statuut onder de inwoners vergroten en wellicht zelfs de burgerbetrokkenheid bij het gemeentebestuur versterken. Bedacht moet worden dat een referendum een gecompliceerd instrument kan zijn. Zo is het binnen het huidige wettelijke kader niet mogelijk om een bindend referendum te organiseren.39 De uitkomst van een gemeentelijk referendum is een advies aan de raad, die uiteindelijk zelf beslist. Hierover zal volstrekt helder moeten worden gecommuniceerd. Verder blijft de betrokkenheid van burgers beperkt tot het uitspreken van een ‘ja’ of ‘nee’, stemgerechtigde burgers zullen vooraf voldoende moeten worden geïnformeerd over doel en inhoud van het voorstel en de uitkomst kan, vooral bij een laag opkomstpercentage, verschillend worden geïnterpreteerd wanneer daarover niet vooraf duidelijke afspraken zijn gemaakt. 40 Scenario 3: een speciaal daartoe bijeengeroepen conventie van raadsleden, wethouders, burgers, vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties en bedrijven formuleert voorstellen – gevolgd door scenario 1 Een tweede mogelijkheid om burgerbetrokkenheid bij de vaststelling van een statuut te organiseren is het bijeenroepen van een speciale conventie, een forum of een burgerpanel.

Daarin kunnen naast ‘gewone’ burgers ook vertegenwoordigers van het lokale bedrijfsleven en van maatschappelijke organisaties zitting hebben, en mogelijk ook nog niet stemgerechtigde jongeren. Zij worden al tijdens de voorbereiding van een ontwerp-statuut gevraagd daarover te adviseren of zelf inhoudelijke voorstellen te doen. Op deze manier kan gerichter meer inhoudelijke burgerbetrokkenheid bij de vaststelling van een statuut worden georganiseerd. Ook hier zijn er vanzelfsprekend belangrijke praktische vragen, bijvoorbeeld aangaande de wijze van samenstelling van zo’n conventie: selecteert het gemeentebestuur zelf de leden, of worden zij door loting aangewezen? Wellicht zou een conventie niet hoofdzakelijk moeten bestaan uit mensen die al politiek actief zijn in de gemeente, zoals bijvoorbeeld leden van steunfracties, om te voorkomen dat het een ‘quasi-gemeentelijk’ orgaan wordt. Verder zal deze wijze van voorbereiding invloed hebben op de inhoud: de betrokkenheid van burgers op deze wijze is alleen zinvol als het statuut niet alleen een interne functie vervult, maar ook thema’s bevat die hen rechtstreeks aangaan. Het lijkt bij uitstek een geschikte wijze van vaststelling te zijn wanneer het statuut ook regelingen dient te bevatten aangaande burgerparticipatie en vormen van directe democratie.

Het verbod van last dat is neergelegd in artikel 129, zesde lid, Grondwet en artikel 27 Gemeentewet houdt in dat raadsleden bij het nemen van beslissingen niet gebonden kunnen worden door opdrachten of besluiten van anderen – ook niet door de uitkomst van een referendum. Zie hierover J. Westerweel en F.J.H. van Tienen, Het gemeentelijke referendum in de praktijk. Spanningen van directe democratie in een representatief stelsel, in: Tijdschrift voor Constitutioneel Recht 2017, nr. 2, p. 188-209. 40 Uitgebreid over het referendum: F. Hendriks, K. van der Krieken, C. Wagenaar, Democratische vloek of zegen? Aantekeningen bij het referendum, Amsterdam University Press, 2017. 39

31

scenario 1

participatie

scenario 2 scenario 3

conventie formuleert voorstellen

voorbereiding ambtelijke voorbereiding – voorstel in de raad – plenair debat ambtelijke voorbereiding – voorstel in de raad – plenair debat ambtelijke voorbereiding – voorstel in de raad – plenair debat

raadpleging

besluit vaststelling door de raad

referendum

vaststelling door de raad vaststelling door de raad

Figuur 4 – Scenario’s voor totstandkoming van een statuut

2.4

Drie varianten van een statuut

Hierboven zijn uiteenlopende aspecten van een gemeentelijk en regionaal statuut belicht. Duidelijk is dat verschillende combinaties van vorm en inhoud, van de wijze en het moment van vaststelling en van periodieke bespreking denkbaar zijn. Wat zijn nu de meest voor de hand liggende combinaties van de geschetste mogelijkheden? Weke bruikbare varianten levert dat op? Op basis van de geschetste opties en variabelen lijken er drie mogelijke varianten voor een statuut te zijn. Deze zouden kunnen worden aangeduid als respectievelijk een intern statuut, een politiek statuut en een constitutioneel statuut. intern statuut

politiek statuut

constitutioneel statuut

juridische vorm

intern reglement

politiek akkoord

verordening

verbindende kracht

alleen intern bindend; geen externe werking

geen juridische, wel politieke binding

algemeen verbindend voorschrift

aard van de inhoud

het vastleggen en verhelderen van interne procedures en structuren

het vastleggen van uitgangspunten en hoofdlijnen van de wijze van samenwerken

het vastleggen van uitgangspunten en hoofdlijnen van de wijze van samenwerken; het creëren van aanspraken en verplichtingen voor ingezetenen

creëren van draagvlak

mogelijkheid van ‘entrenchment’

bijzonderheden bouwstenen

C, D, F, G

A t/m G

A t/m G

bespreking

jaarlijks

tweejaarlijks

jaarlijks/tweejaarlijks

scenario 1 of 2

scenario 2 of 3

totstandkoming scenario 1 Figuur 5 – Drie varianten van een statuut

32

De bovenstaande schematische weergave maakt duidelijk hoe de juridische vorm, de inhoud en de wijze van totstandkoming van een statuut samenhangen. Wanneer het gemeentebestuur een statuut (mede) wil gebruiken om er aanspraken of verplichtingen voor ingezetenen mee te creëren, bijvoorbeeld in het kader van burgerparticipatie, zal dat de vorm van een algemeen voorschrift vereisen. Een intern reglement is alleen geschikt voor het vastleggen van uitsluitend interne regels en afspraken over zaken die de organieke wetgeving niet of slechts in de vorm van randvoorwaarden regelt, zoals het functioneren van commissies of het presidium. Met een politiek akkoord dat vooral uitgangspunten en hoofdlijnen bevat worden geen juridisch afdwingbare aanspraken geschapen, maar daarvoor kan wellicht een breder draagvlak worden gevonden dan voor concrete, juridisch bindende en afdwingbare voorschriften; de politieke binding aan een akkoord verzekert dat de gemaakte afspraken niet krachteloos zijn. En voor elke gekozen variant ligt een bepaalde wijze van totstandkoming meer voor de hand dan andere.

Burgerbetrokkenheid bij de vaststelling van een statuut dat alleen intern beoogt te werken, lijkt weinig zinvol; voor een statuut dat het opereren van het gemeentebestuur transparanter zou moeten maken, of zelfs een ‘constitutioneel’ karakter zou moeten hebben, lijkt een vorm van betrokkenheid van burgers bij ofwel de voorbereiding, ofwel de vaststelling ervan wel aangewezen. 2.5

Vervolgstappen

In het voorgaande zijn de contouren geschetst van een gemeentelijk en regionaal statuut in drie mogelijke varianten, afhankelijk van de doelen en ambities van de raad. Binnen de huidige organieke wetgeving is elk van de geschetste drie varianten mogelijk; uiteindelijk is het aan de raad om te bepalen of een statuut een waardevol instrument kan zijn en welke variant het meest geschikt is. De vraag is dan wat volgende stappen zouden kunnen zijn om gemeenteraden te ondersteunen die vaststelling van een statuut overwegen. o Omdat het gaat om een nieuw en onbekend instrument ligt het niet voor de hand op korte termijn te streven naar een algemene ‘invoering’ in een groot aantal gemeenten. Een eerste stap zou kunnen zijn het idee voor te leggen aan enkele mogelijk geïnteresseerde gemeentebesturen en met hen een beperkt aantal pilotprojecten op te zetten. Zo kunnen de voorbereiding, vaststelling en werking van een statuut in de praktijk worden ondersteund en gevolgd. o Ten behoeve van de ondersteuning en monitoring van de pilotprojecten zou een expertgroep kunnen worden gevormd. De samenstelling daarvan zou deels ambtelijk kunnen zijn, aangevuld met externe deskundigen en wellicht lokale politici (raadsleden) of griffiers.

o De ervaringen die bij voorbereiding en vaststelling in de pilotprojecten worden opgedaan kunnen aanleiding zijn voor bijstelling of nadere invulling van de voorgestelde varianten van een statuut. Ook de toepassing ervan in de praktijk – de eerste momenten van periodieke bespreking – kan leiden tot verdere concretiseringen. 33

Bijlage 1 – Samenstelling van de begeleidingscommissie o C.R. (Roger) Broer – juridisch adviseur – Vereniging van Nederlandse Gemeenten o E.S. (Emma) Cnossen – senior beleidsmedewerker – Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Directie Democratie en Bestuur o H.M. (Maarten) Hoogstad – senior beleidsmedewerker – Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Directie Bestuur, Financiën en Regio’s o B. (Bouke) Knop – coördinerend wetgevingsjurist – Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving o A. (Abassin) Nessar – senior beleidsmedewerker – Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Directie Democratie en Bestuur o P. (Paul) Piket – raadsgriffier – gemeente Breda o A.E. (Mandy) van Rooij – wetgevingsjurist – Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving

34

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11469242/2