Raadsvoorstel Verordening maatschappelijke ondersteuning 2021
Tekst van het document
Raadsvoorstel
Datum collegevergadering: 13 april 2021 Datum raadsvergadering: 3 juni 2021 Portefeuillehouder: Hugo van der Wal Behandelend ambtenaar: Antonie Bok Zaaknummer:ZK428958 E-mailadres: antoniebok@krimpenaandenijssel.nl
Onderwerp: Verordening Maatschappelijke ondersteuning gemeente Krimpen aan den IJssel 2021
Gevraagde Beslissing: 1. De verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Krimpen aan den IJssel 2021 ingaande 1 juli 2021 vast te stellen onder gelijktijdige intrekking van de verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Krimpen aan den IJssel 2020 en hiermee de volgende wijzigingen door te voeren: 1.1 Het invoeren van de beoordeling van de eigen financiële mogelijkheden bij de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden; 1.2 Het afschaffen van de vervoersbudgetten Wmo-vervoer en invoeren van de reizigersbijdrage per 1 juli 2021 conform de systematiek die landelijk geldt. 2. Kennis te nemen van de (concept) beleidsregel beoordeling financiële zelfredzaamheid bij Wmo maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden.
Inleiding 1.1 Beoordeling van de eigen financiële mogelijkheden bij de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden. De invoering van het abonnementstarief heeft binnen de Wmo geleid tot een toename van de uitgaven. Zeker bij de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden zijn de uitgaven aanzienlijk toegenomen. Wanneer de uitgaven van 2020 worden vergeleken met die van 2018 dan is er sprake van een toename van ongeveer € 980.000,--. Een toename van ruim 50% in twee jaar.
Inmiddels is duidelijk geworden dat het Rijk niet van plan is om gemeenten hiervoor volledig financieel te compenseren. Daarom wordt voorgesteld om voor de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden een aanvullende beheersmaatregel in te voeren, namelijk de eigen financiële mogelijkheden (zelfredzaamheid) te betrekken bij het onderzoek naar de noodzaak van de voorziening. In dat geval wordt een verdere invulling gegeven aan de begrippen eigen kracht, zelfredzaamheid en eigen mogelijkheden als bedoeld in de Wmo en de gemeentelijke verordening maatschappelijke ondersteuning. Hiertoe is een zin aan artikel 3, tweede lid, sub a. van de verordening toegevoegd, die luidt als volgt: “Bij de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden wordt bij de beoordeling van de eigen kracht en eigen mogelijkheden tevens de eigen financiële mogelijkheden (zelfredzaamheid) meegewogen.” Verder is de artikelsgewijze toelichting voor artikel 3, tweede lid aangepast. Voor niet AOW-gerechtigden wordt een inkomensgrens gehanteerd van 200% van het bruto wettelijk minimumloon en voor AOW-gerechtigden wordt een inkomensgrens van 150% van het bruto wettelijk minimumloon gehanteerd. De reden om twee inkomensgrenzen in te voeren is gelegen in het feit dat een niet AOW-gerechtigde aanzienlijk meer loonheffing op het inkomen dient af te dragen dan een AOW-gerechtigde en dus netto minder overhoudt.
Heeft de cliënt een hoger (gezins)inkomen dan 150% van het wettelijk minimumloon (AOWgerechtigd) dan wel 200% van het wettelijk minimumloon (niet AOW-gerechtigd) dan is hij in principe financieel zelfredzaam, kan hij zelf in een oplossing voorzien en zal de aanvraag voor een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden na afronding van het onderzoek worden afgewezen. Dit kan anders zijn wanneer er bijvoorbeeld sprake is van beslag op het gezinsinkomen of hoge schulden, aangezien de eigen financiële mogelijkheden dan aanzienlijk beperkt kunnen zijn. Kortom, er dient in alle gevallen een volledig onderzoek plaats te vinden naar de individuele omstandigheden van de cliënt. Een afwijzing puur het op inkomen zonder volledig onderzoek is niet toegestaan 1.2 Afschaffen van de vervoersbudgetten Wmo-vervoer en invoeren van de reizigersbijdrage per 1 juli 2021 conform de systematiek die landelijk geldt. Ons huidige Wmo-vervoer kent een aantal vervoersbudgetten (bijvoorbeeld € 1.275,00 voor een taxi; € 2.149,00 voor een rolstoeltaxi) die jaarlijks maximaal verreden mag worden. De eigen bijdrage voor het Wmo-vervoer is tot op heden gelijk aan de landelijke eigen bijdrage voor alle Wmo-voorzieningen en bedraagt conform de huidige regelgeving maximaal 19 euro per maand.
Wij zijn met deze methodiek een uitzondering op hoe het over het algemeen in Nederland bij gemeenten is geregeld wat betreft het Wmo-vervoer. Met ingang van 1 januari 2020 heeft het CAK de systematiek van inning van de eigen bijdrage gewijzigd. Tot 1 januari 2020 beoordeelde het CAK of de eigen bijdrage niet hoger was dan de feitelijke kosten van de voorziening. Na 1 januari 2020 voeren ze deze controle niet meer uit en dient de gemeente de inning van de eigen bijdrage ‘aan’ of ‘uit’ te zetten. Aangezien de kosten van het gebruik van de taxi erg wisselend zijn zou dit betekenen dat per klant per maand beoordeeld dient te worden of er wel/geen sprake zou zijn van een eigen bijdrage. Het is administratief haast onmogelijk c.q. zeer arbeidsintensief om voor de cliënten die alleen Wmo-vervoer hebben (of ook een rolstoel hebben waarvoor geen eigen bijdrage geldt) maandelijks te bepalen wat de eigen bijdrage is die men zou moeten betalen. In deze beoordeling zou dan onder andere ook meegewogen moeten worden of de klant de eigen bijdrage (abonnementstarief) al niet betaald had vanwege een Wlz voorziening.
2
Landelijk zien we dat de systematiek die Krimpen aan den IJssel hanteerde uitzonderlijk is. Nagenoeg alle gemeenten hanteren een systematiek waarbij geen eigen bijdrage verschuldigd is op basis van de Wmo eigen bijdrage systematiek maar een vergoeding per rit gelijk aan het OV tarief. Hierdoor ontstaat er een vervoerssysteem voor mensen met een beperking die tegen dezelfde kosten als mensen zonder beperking kunnen reizen. Voorgesteld wordt om per 1 juli 2021 de landelijke systematiek ook binnen onze gemeente toe te passen en over te gaan tot het invoeren van de reizigersbijdrage. Beoogd effect Het vaststellen van de verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Krimpen aan den IJssel 2021. Argumenten 1.1.1 Het meewegen van de financiële zelfredzaamheid zal leiden tot een daling van de uitgaven voor de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden. De verwachting is dat met het invoeren van het onderzoek van de financiële zelfredzaamheid bij een aanvraag voor de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden er vaker een aanvraag zal worden afgewezen. Dit zal leiden tot een daling van de uitgaven 1.1.2 De Wmo komt weer ten goede aan de mensen waarvoor de Wmo ooit bedoeld was en bedoeld is. De huidige Wmo 2015 (net als de oude Wmo uit 2007) heeft nadrukkelijk het karakter van een wet die bedoeld is om mensen te ondersteunen die dat nodig hebben in het dagelijks leven.
Mensen die niet zelfredzaam zijn. Met de invoering van het abonnementstarief is er, zeker voor wat betreft de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden, een nieuwe groep waar te nemen die eigenlijk ten onrechte een beroep doet op de Wmo. Dit werd kortgeleden tijdens een overleg met één van onze zorgaanbieders bevestigd. Dit is een groep inwoners die nog volledig zelfredzaam is, hulp bij het huishouden puur als schoonmaakwerk ziet, de hulp in het huishouden vaak directief aanstuurt en de kosten van de schoonmaak vervolgens afwentelt op de gemeente. 1.2.1 Er wordt aangesloten bij de landelijke systematiek. Zoals in de inleiding al is aangegeven wordt met de invoering van de reizigersbijdrage voor het Wmo-vervoer aangesloten bij de systematiek die landelijk gebruikelijk is. De hoogte van de reizigersbijdrage is gelijk aan het reguliere OV tarief. Dit is vastgelegd in artikel 7, vijfde lid, van de verordening. De reizigersbijdrage geldt in principe voor de gebruiker van het Wmo-vervoer en de medereiziger. Indien er sprake is van een medisch begeleider die noodzakelijk is omdat de gebruiker van Wmo-vervoer niet zelfstandig kan reizen dan geldt de reizigersbijdrage niet voor de medisch begeleider (artikel 7, zesde lid, van de verordening).
Aan de gebruiker van het Wmo-vervoer met een inkomen tot 120% van het sociaal minimum wordt geen reizigersbijdrage opgelegd (artikel 7, zevende lid, van de verordening). Naar verwachting heeft dit een geringe invloed op de totale inkomsten uit de reizigersbijdrage en hiermee wordt aangesloten bij de regeling voor gratis OV 67+ die kortgeleden is vastgesteld. Met de invoering van de nieuwe systematiek is er geen sprake meer van een gelimiteerd aantal kilometers dat jaarlijks gereden kan worden wat een voordeel is voor de gebruiker van het Wmo-vervoer. 1.2.2 Minder administratieve lasten
3
De invoering van de reizigersbijdrage en de inning daarvan is qua administratieve lasten de meest efficiënte optie. Het berekenen wat de eigen bijdrage moet zijn op grond van het abonnementstarief is voor bepaalde groepen, zoals in de inleiding al is aangeven, een zeer tijdrovende en haast onmogelijke klus. 1.2.3 Mogelijke verschuiving van korte ritten binnen onze gemeente naar de Belbus Nu de gebruikers van het Wmo-vervoer een reizigersbijdrage moeten gaan betalen is de kans reëel dat gebruikers van 60 jaar of ouder voor de ritten binnen onze gemeente vaker gaan kiezen voor de Belbus. Voor de gemeente is dit aantrekkelijk omdat er dan minder ritten worden gereden met het Wmo-vervoer. De ritten binnen de gemeente zijn ook relatief duur omdat elke rit een opstaptarief kent van 4 keer de kilometerprijs. Kanttekeningen 1.1.1 Het meewegen van de financiële zelfredzaamheid kan sneuvelen bij de bestuursrechter In het verleden zijn er door de Centrale Raad van Beroep uitspraken gedaan dat het beoordelen van het inkomen en draagkracht alleen mag op de manier zoals dat wettelijk is geregeld. Gemeenten mochten geen aanvullende regels bedenken zoals een vermogenstoets. Maar dat was in de tijd toen er voor de Wmo via het CAK nog een eigen bijdrage kon worden geheven die deels inkomensonafhankelijk was en deels inkomensafhankelijk.
Daarvoor is vanaf 1 januari 2019 het abonnementstarief in de plaats gekomen waarin helemaal geen inkomensafhankelijke bijdrage zit. Sterker nog, het is niet meer dan de inkomensonafhankelijke minimumbijdrage die we voor 1 januari 2019 al kenden. 1.2.1 Reizigers kunnen onbeperkt reizen en dat leidt tot een toename van de kosten Een gebruiker kan in de nieuwe situatie onbeperkt gebruik maken van het Wmo-vervoer. Het bedrijf Forseti voert voor onze gemeente maandelijks de factuurcontroles op het gebied van het Wmo-vervoer, leerlingenvervoer en het vervoer op grond van de Jeugdwet. De vraag is bij Forseti neergelegd hoe groot het risico is dat er veel meer gereisd gaat worden. Forseti heeft aangegeven dat het risico beperkt is. Het landelijke beeld is dat slechts een beperkte groep gebruikers in dat geval meer gaat reizen en het gaat dan vaak om reizigers die oneigenlijk gebruik maken van het Wmo-vervoer door het te gebruiken voor vervoer naar dagbesteding etc. Forseti geeft aan dat zij dit goed kunnen monitoren en dat er dan goed op gestuurd kan worden. Verder is gebleken dat in het verleden slechts een zeer klein percentage van de gebruikers (3%) het budget voor 90% of meer heeft verreden.
1.2.2 Mensen met meerdere voorzieningen gaan meer betalen Gebruikers van het Wmo-vervoer die daarnaast ook nog een andere voorziening hebben, zoals hulp bij het huishouden, gaan meer betalen dan voorheen. Betaalden ze in het verleden voor alle voorzieningen inclusief het Wmo-vervoer het abonnementstarief van € 19,00 per maand, zijn ze nu aanvullend de reizigersbijdrage verschuldigd. Dat is kostenverhogend. Daar staat tegenover dat gebruikers van het Wmo-vervoer met een inkomen tot 120% van het sociaal minimum de reizigersbijdrage niet hoeven te betalen. Financiën 1.1 Aanpassingen beoordeling maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden Vooralsnog zal bij nieuwe aanvragen vanaf ingangsdatum van de nieuwe verordening
4
worden beoordeeld of er sprake is van financiële zelfredzaamheid. Dit zal er toe leiden dat de verdere stijging van de kosten getemperd zullen worden. Er is op dit moment nog niet voorzien in een grootschalige herindicatie voor alle lopende voorzieningen. Deze maatregel zou doorgevoerd kunnen worden na de eerste uitspraak van de bestuursrechter. Bij de kadernota 2022 en de begroting 2022 zal het effect van deze maatregelen worden meegewogen. Hierbij zal ook rekening gehouden dienen te worden met het procesrisico. Voor 2021 zal het effect van de maatregel nog beperkt zijn. Hier zal op basis van monitoring van de kosten waar mogelijk de begroting worden bijgesteld. 1.2 Aanpassing eigen bijdrage systematiek vervoer Het exacte effect van de wijziging van de systematiek is niet vast te stellen. Voor de invoering van de reizigersbijdrage wordt verwacht dat deze kostenneutraal kan worden ingevoerd. Duurzaamheid N.v.t. Communicatie De Adviesraad Sociaal Domein heeft op 24 maart 2021 een positief advies uitgebracht over de voorgestelde aanpassingen van de verordening maatschappelijke ondersteuning. Wel heeft de Adviesraad nog enkele vragen gesteld die beantwoord zijn in de brief van het college van burgemeester en wethouders van 13 april 2021. Bekendmaking van de aangepaste verordening vindt plaats op onze gemeentelijke website en via www.overheid.nl.
Bijlagen / achtergrondinformatie - Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Krimpen aan den IJssel 2021 - Advies van de Adviesraad Sociaal Domein van 24 maart 2021 - Reactie van het college van burgemeester en wethouders van 13 april 2021 - Beleidsregel beoordeling financiële zelfredzaamheid bij Wmo maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden Hoogachtend, De secretaris,
De burgemeester,
Mr. A. Boele
M.W. Vroom
5
besluit De raad van de gemeente Krimpen aan den IJssel; Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 13 april 2021 gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste tot en met het vierde lid en zesde lid, 2.1.4a, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en artikelen 3.8, tweede lid, en 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; overwegende - dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven; dat van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan; - dat burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; - dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang, en dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen,
diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving; besluit: vast te stellen de verordening Maatschappelijke ondersteuning gemeente Krimpen aan den IJssel 2021 ingaande 1 juli 2021 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten; - andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; - bijdrage: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4 en 2.1.4a van de wet; - gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; - goedkoopst adequaat: een oplossing biedend voor het opheffen en/of verminderen van de belemmeringen die de cliënt ervaart tegen de voordeligste prijs; - hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; - melding: melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; - onderzoek: het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 van de wet; - pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet;
6
-
voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening waarmee aan de behoefte aan ondersteuning wordt tegemoetgekomen; wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; zelfredzaamheid; in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden; Krimpens Sociaal Team: Krimpen sociaal team als bedoeld in beleidsplan ‘Krachtig Verder’; Krimpenwijzer: Krimpenwijzer als bedoeld in beleidsplan ‘Krachtig verder’;
Artikel 2. Procedureregels aanvraag maatschappelijke ondersteuning 1. Het college bepaalt met inachtneming van de artikelen 2.3.1 tot en met 2.3.5 van de wet bij nadere regeling op welke wijze in samenspraak met de cliënt wordt vastgesteld of de cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, of opvang in aanmerking komt. 2. De indicatie en verstrekking van beschermd wonen vindt plaats door de centrumgemeente Rotterdam. Op beschermd wonen en opvang in de zin van artikel 1.1.1, lid 1 van de wet zijn de artikelen 1.1 onder f, 1.2 lid 3, 2.3 lid 2, 3.2.1 lid 1 onder f, 3.2.10, 3.4.4 lid 1 onder a, 3.4.4 lid 2 onder a en 4.1.5. van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2018 van toepassing zoals die op 1 januari 2018 luiden. 3. Voor zover bepalingen in deze verordening in strijd zijn met de in het tweede lid bedoelde bepalingen, zijn uitsluitend de in het eerste lid genoemde bepalingen van toepassing en blijven de desbetreffende bepalingen buiten toepassing. Artikel 3. Criteria voor een maatwerkvoorziening 1. Het college neemt indien aanwezig het verslag als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening. 2. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening: a.
ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. Bij de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden wordt bij de beoordeling van de eigen kracht en eigen mogelijkheden tevens de eigen financiële mogelijkheden (zelfredzaamheid) meegewogen. In dit geval wordt voor niet AOW-gerechtigden een inkomensgrens gehanteerd van 200% van het bruto wettelijk minimumloon en voor AOW-gerechtigden wordt een inkomensgrens gehanteerd van 150% van het bruto wettelijk minimumloon. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven; en b.
ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De
7
maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zo zich snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 3. Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie geldt dat een cliënt alleen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt als de noodzaak tot ondersteuning: a. voor de cliënt redelijkerwijs niet vermijdbaar was; en b. voorzienbaar was, maar van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt. 4. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven, a. tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; b. tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten; of c. als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning. 5.
Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening. Artikel 4. Advisering Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen als het dit van belang acht voor de beoordeling van de aanvraag om een maatwerkvoorziening. Artikel 5. Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c. hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing, en d. welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; d. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en e. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 4.
Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd. Artikel 6. Regels voor pgb 1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet. 2. Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand
8
aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was. 3. De hoogte van een pgb: a. wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden; b. wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering, en; c. bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura. 4. Het college stelt nadere regels en aanzien van de berekeningswijze van pgb’s. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende vormen van zorg en ondersteuning en, voor zover van toepassing, in ieder geval in verband met de te bieden deskundigheid, of het vereiste opleidingsniveau en of er gewerkt wordt volgens toepasselijke professionele of kwaliteitsstandaarden. 5. Een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk als: a.
deze persoon hiervoor een tarief hanteert dat niet hoger is dan het bij de uitvoering van de Wet langdurige zorg gangbare tarief voor informele hulpverleners, en b. tussenpersonen of belangenbehartigers niet uit het pgb worden betaald. Artikel 7. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en pgb’s 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening dan wel pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. 2. De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of pgb en voor bij verordening aangewezen algemene voorzieningen, zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste € 19,00 per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de wet geen of een lagere bijdrage is verschuldigd. 3. De kostprijs van een: a. maatwerkvoorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na een consultatie in de markt, of in overleg met de aanbieder; b. pgb is maximaal gelijk aan de kostprijs die als voorziening in natura zou zijn verstrekt. 4. In de gevallen bedoeld in artikel 2.1.4b, eerste lid, van de wet, worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb door het CAK vastgesteld en geïnd. 5. De hoogte van de reizigersbijdrage voor de maatwerkvoorziening vervoer wordt vastgesteld conform de geldende OV-tarieven: 2021
Reiziger
Medisch begeleider
Medereiziger (max 1)
Kind < 4 jaar
Kind 4-12 jaar
Opstaptarief
€ 0,65
Gratis
€ 0,99
Gratis
€ 0,65
Tarief per km Tot en met 25 km
€ 0,10
Gratis
€ 0,15
Gratis
€ 0,10
De OV-tarieven worden jaarlijks bekend gemaakt door de metropoolregio Rotterdam Den Haag.
9
6. Indien er tijdens de reis gebruik wordt gemaakt van een medisch begeleider omdat de gebruiker van het Wmo-vervoer niet zelfstandig met het Wmo-vervoer kan reizen dan is de medisch begeleider geen reizigersbijdrage verschuldigd. Indien er tijdens de reis gebruik wordt gemaakt van een medereiziger dan is de medereiziger wel een reizigersbijdrage verschuldigd. 7. Geen reizigersbijdrage is verschuldigd indien het (gezins)inkomen van de gebruiker van de maatwerkvoorziening vervoer lager is dan 120% van het sociaal minimum. De mogelijke medereiziger is in een dergelijk geval ook geen reizigersbijdrage verschuldigd 8. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt. 9. Voor zorgmijders bestaat de mogelijkheid de eigen bijdrage de eerste zes maanden van de hulpverlening niet te innen. Deze termijn kan in een individueel geval worden verlengd indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven. 10.Voor de volgende maatwerkvoorzieningen wordt geen eigen bijdrage geïnd: a. De individuele financiële begeleiding tijdens een schuldhulpverleningstraject; b.
De begeleiding dementiezorg (begeleiding groep middel) welke verleend wordt in het Ontmoetingscentrum Krimpen aan den IJssel; en c. Respijtzorg in de vorm van kortdurend verblijf. Artikel 8. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt en het aansluiten bij de informele zorg; b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning, waaronder informele zorg; c. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; d. voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken. 2. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. 3.
Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel 9. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015 1. Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.
10
2. Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet. 3. Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen; c. de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; d. de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden; of e. de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt. 4. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen 6 maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 5.
Als het college een beslissing op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb. 6. Als het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd. Artikel 9a. Opschorting betaling uit het pgb Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting voor ten hoogste dertien weken van betalingen uit het pgb als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de wet. Artikel 9b. Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan. Artikel 10. Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1.
Mantelzorgers van cliënten in de gemeente kunnen door middel van een melding bij het college voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering in aanmerking worden gebracht. 2. Het college kan bij nadere regeling regels stellen over op welke wijze zorg wordt gedragen voor de jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 11. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met: a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. een redelijke toeslag voor overheadkosten;
11
c. een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; d. kosten voor bijscholing van het personeel, en; e. de kosten van de beroepskracht, waaronder de loonkosten en overige kosten voortvloeiend uit de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst, de kosten van wettelijke verplichtingen ter zake van de arbeid en de overige kosten van wettelijke verplichtingen verbonden aan het leveren van een dienst. 2. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in ieder geval rekening met: a. de marktprijs van de voorziening; en b. de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals: i. aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening; ii. instructie over het gebruik van de voorziening; iii. onderhoud van de voorziening; en iv. verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden (bijv. KrimpenWijzer en Krimpens Sociaal Team). Artikel 12. Klachtregeling 1. Het college stelt een regeling vast voor afhandeling van klachten van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening. 2.
Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen. 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel 13. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van door het college aan te wijzen voorzieningen. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel 14. Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1. Het college stelt ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, vroegtijdig gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 2.
Het college zorgt ervoor dat ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie.
12
3. Binnen onze gemeente worden ingezetenen onder andere betrokken bij het beleid middels het periodiek overleg met de Adviesraad Sociaal Domein. Het college stelt nadere regels vast ter verdere uitvoering van het eerste en tweede lid. Artikel 14a Right to challenge 1. Het college wijst de ingezetenen op de mogelijkheid initiatieven te ontplooien die het uitvoeren van taken van het college op grond van de Wmo 2015 en de Jeugdwet betreffen. 2. Het college kan nadere regels stellen omtrent de in het eerste lid beschreven mogelijkheid om initiatieven te ontplooien. Artikel 15. Evaluatie Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per 2 jaar geëvalueerd. Het college zendt hiertoe telkens 2 jaar na de inwerkingtreding van de verordening aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk. Artikel 16. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 17. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2021, onder gelijktijdige intrekking van de verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Krimpen aan den IJssel 2020. 2.
Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Krimpen aan den IJssel 2021.
13
ALGEMENE TOELICHTING Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). De Wmo 2015 maakt onderdeel uit van de bestuurlijke en – met toepassing van een budgetkorting – financiële decentralisatie naar gemeenten van een aantal taken uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ). Deze taken zijn toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning. Hierbij wordt deels voortgeborduurd op de weg die met die wet al was ingezet. Er wordt bekeken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociaal netwerk, vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een maatwerkvoorziening waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij.
Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden om de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen, om te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke voorzieningen, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren, om te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat een maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een andere voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt. De Wmo 2015 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom in hoofdlijnen vast. Want waar het recht op compensatie dat bestond onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning is komen te vervallen, wordt een recht op een zorgvuldige, tweezijdige procedure daartegenover gesteld. Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is.
Indien de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of dat hem opvang of beschermd wonen ten onrechte wordt onthouden, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn bezwaar. De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. De Wmo 2015 en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in mandaat) door deskundige consulenten, ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Waar in deze verordening en in de wet ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid namelijk mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Awb. Op grond van artikel 2.6.3 van de wet kan het college de vaststelling van rechten en plichten van de cliënt echter alleen mandateren aan een aanbieder.
Zie voor de definitie van ‘aanbieder’ de toelichting onder artikel 1. Deze beperking geldt alleen voor mandatering aan niet-ondergeschikten. Het college kan de vaststelling van rechten en plichten ook aan ondergeschikten mandateren.
14
De Wmo 2015 schrijft in artikel 2.1.3, eerste lid, voor dat de gemeente per verordening de regels dient vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het verplichte gemeentelijk beleidsplan met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. In de verordening dient overeenkomstig de artikelen 2.1.3, tweede, derde en vierde lid, 2.1.4, eerste tot en met vierde lid en zesde lid, lid, 2.1.4a, eerste, tweede en zesde lid, 2.1.4 b tweede lid en 2.1.6 van de Wmo 2015 in ieder geval bepaald te worden: - op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt; - op welke wijze de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; - welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, inclusief eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten; - ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten vereist is; - ten aanzien welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn vereist is; - op welke wijze ingezeten, waaronder cliënten of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij uitvoering van de wet, voorstellen voor beleid kunnen doen, gevraagd en ongevraagd advies kunnen
uitbrengen over verordeningen en beleidsvoorstellen, worden voorzien van ondersteuning en deel kunnen nemen aan periodiek overleg; - op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt berekend; en - op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Ook dient de gemeente overeenkomstig de artikelen 2.1.3, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015 per verordening regels te stellen: - voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet; - ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de Wmo 2015 door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.
Daarnaast kan de gemeente op grond van de artikelen 2.1.4, eerste en tweede lid, 2.1.4a, 2.1.4b, 2.1.5,eerste lid, 2.1.7 en 2.3.6, derde lid, van de Wmo 2015: - bepalen dat cliënten voor algemene voorzieningen, niet zijnde cliëntondersteuning, en maatwerkvoorzieningen een bijdrage verschuldigd zullen zijn; - de hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van voorzieningen, ook wanneer de cliënt de ondersteuning zelf inkoopt met een persoonsgebonden budget, in de verordening verschillend vaststellen. Hierbij kan tevens worden bepaald dat op de bijdrage een korting wordt gegeven voor personen die behoren tot daarbij aan te wijzen groepen en dat de bijdrage afhankelijk is van het inkomen en het vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot; - bepalen dat in geval van een minderjarige cliënt die niet zelf de eigenaar is van de woning, een bijdrage wordt opgelegd aan diens onderhoudsplichtige ouders en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag over de cliënt uitoefent; - bepalen onder welke voorwaarden betreffende het tarief de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de ondersteuning kan inkopen van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.
15
Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan ‘Krachtig verder’, dat de raad op grond van artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 eveneens heeft vastgesteld. In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning vastgelegd. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Artikel 1. Begripsbepalingen Een algemeen gebruikelijke voorziening is bijvoorbeeld een elektrische fiets. ’Gebruikelijke hulp’ is niet in de verordening, maar in de wet gedefinieerd en is bijvoorbeeld de hulp van een partner van de cliënt. Zie ook de wettelijke definitie hieronder. Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet (in artikel 1.1.1) al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Voor de duidelijkheid zijn een aantal belangrijke wettelijke definities hieronder weergegeven.
- aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens het college gehouden is een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening te leveren; - algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning; - begeleiding: activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven; - cliënt: persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid; - cliёntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; - gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten; - maatschappelijke ondersteuning: 1°.
bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld, 2°. ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psycho-sociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving, 3°. bieden van beschermd wonen en opvang; - maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen: 1°. ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, 2°. ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen, 3°. ten behoeve van beschermd wonen en opvang; - mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen,
16
opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep; - participatie: deelnemen aan het maatschappelijke verkeer; - persoonsgebonden budget: bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden heeft betrokken; - sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliёnt een sociale relatie onderhoudt; - vertegenwoordiger: persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake; - voorziening: algemene voorziening of maatwerkvoorziening; - zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal (definitie)bepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid): een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen, en ‘beschikking’ (artikel 1:2). Artikel 2.
Procedureregels aanvraag maatschappelijke ondersteuning Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de wet. Daarbij is onder meer bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang. De gemeente Rotterdam is op grond van de Wmo aangewezen als centrumgemeente voor wat betreft de verstrekking van de maatwerkvoorziening Beschermd Wonen voor de regiogemeenten Albrandswaard, Barendrecht, Ridderkerk, Capelle aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel en Lansingerland. Het betreft mensen met (ernstige) psychische problemen die niet zelfstandig kunnen werken en die een 24uurs begeleiding en toezicht nodig hebben, Het betreft een kwetsbare groep met GGZ-problematiek. Gezamenlijk wordt invulling gegeven aan de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van Beschermd Wonen. Mandatering aan de gemeente Rotterdam om namens de gemeente Krimpen aan den IJssel voor dit onderdeel een besluit te nemen heeft plaatsgevonden.
Artikel 3.Criteria voor een maatwerkvoorziening In artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt.
17
Het tweede lid is gebaseerd op artikel 2.3.5, derde en vierde lid, van de wet. Het gebruik van ‘of’ tussen de twee onderdelen van het tweede lid maakt duidelijk dat deze onderdelen niet cumulatief zijn bedoeld. Aan artikel 3, tweede lid sub a, is een zin toegevoegd namelijk: “Bij de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden wordt bij de beoordeling van de eigen kracht en eigen mogelijkheden tevens de eigen financiële mogelijkheden (zelfredzaamheid) meegewogen”. Uit artikel 3:2 van de Awb in samenhang met de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo 2015 vloeit voort dat het college voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over maatschappelijke ondersteuning van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. Dit brengt met zich dat wanneer bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag is. Vervolgens zal het college moeten vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving.
Eerst wanneer die problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager, onderscheidenlijk het zich kunnen handhaven in de samenleving. Uit artikel 2.3.2, vierde lid, aanhef en onder b, c en f, van de Wmo 2015 in samenhang met het derde en vierde lid van artikel 2.3.5 vloeit voort dat het onderzoek er vervolgens op gericht moet zijn of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet kunnen ontbreken. In het geval van de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden zal bij het gesprek met de cliënt de gemeente nagaan of de aanvrager zelf in een oplossing kan voorzien. Daarbij komt onder andere ook de financiële zelfredzaamheid c.q. eigen financiële mogelijkheden aan de orde. Financiële zelfredzaamheid valt onder het oplossend vermogen.
Er is een verband tussen de zelfredzaamheid van een persoon en diens financiële omstandigheden. Kortom, financiële redzaamheid is onderdeel van de algemene zelfredzaamheid en de eigen kracht. Hiertoe wordt voor niet AOW-gerechtigden een inkomensgrens gehanteerd van 200% van het bruto wettelijk minimumloon en voor AOW-gerechtigden wordt een inkomensgrens van 150% van het bruto wettelijk minimumloon gehanteerd. De grens van 150% van het bruto wettelijk minimumloon en 200% van het bruto wettelijk minimumloon zijn ruimschoots hoger dan de inkomensgrens waar, voor de invoering van het abonnementstarief, de inkomensafhankelijke bijdrage op van toepassing was. De reden om twee inkomensgrenzen in te voeren is gelegen in het feit dat een niet AOW-gerechtigde aanzienlijk meer loonheffing op het inkomen dient af te dragen dan een AOW-gerechtigde en dus netto minder overhoudt. Heeft de cliënt een hoger (gezins)inkomen dan 150% van het wettelijk minimumloon (AOWgerechtigd) dan wel 200% van het wettelijk minimumloon (niet AOW-gerechtigd) dan is hij in principe financieel zelfredzaam en zal de aanvraag voor een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden na afronding van het onderzoek worden afgewezen. Dit kan anders zijn wanneer er bijvoorbeeld sprake is van beslag op het gezinsinkomen of hoge schulden, aangezien de eigen financiële mogelijkheden dan aanzienlijk beperkt kunnen zijn.
Kortom, er dient in alle gevallen een volledig onderzoek plaats te vinden naar de individuele omstandigheden van de cliënt. Een afwijzing puur het op inkomen zonder volledig onderzoek is niet toegestaan. Het vijfde lid van artikel 3 kan er bijvoorbeeld toe leiden dat als maatwerkvoorziening niet een woningaanpassing wordt verstrekt maar een verhuiskostenvergoeding. De
18
woningaanpassing kan dermate kostbaar zijn dat het college het primaat van verhuizing hanteert. Artikel 4. Advisering Het college kan extern advies inwinnen indien dat voor de beoordeling van een aanvraag nodig is; als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek naar de aanvraag te doen, is het zelfs in zekere zin verplicht. Het is bij de adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of afgebakende opdracht wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de cliёnt en de adviseur welk aanvullend onderzoek nog nodig is. In artikel 2.3.8, derde lid, van de wet is een medewerkingsplicht opgenomen. De cliёnt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. Artikel 5. Inhoud beschikking Uitgangspunt van de wet is dat de cliёnt een maatwerkvoorziening in ‘natura’ krijgt. Indien gewenst door de cliёnt bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een budget. Tweede lid, onder a, en derde lid, onder a: het beoogde resultaat is bijvoorbeeld ‘maatschappelijke participatie of zelfredzaamheid en niet ‘een scootmobiel’. Tweede, onder b, en derde lid, onder d: onder ‘duur’ valt ook de termijn waarop een voorziening technisch is afgeschreven. Het vierde lid dient uitsluitend ter informatie aan de cliënt. Het college neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op.
Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. Zie artikel 7 en artikel 2.142.1.4a en 2.1.4b van de wet, waarin is bepaald dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget, met uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en voor de gemeente geïnd door het CAK. Artikel 6. Regels voor pgb Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een verplichting van het college worden gesproken. Van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de cliёnt dit gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6, tweede lid, onder b). Met behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen (zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 103). Het tweede lid geeft aan dat het in beginsel niet mogelijk is om achteraf kosten te declareren. Het derde lid berust op artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz.
39) is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Gemeenten kunnen bij het vaststellen van tarieven in de verordening bijvoorbeeld onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale netwerk, door hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen (zoals werkstudenten, zzp’ers zonder diploma’s e.d.).
19
Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de wet). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers- of opvangvoorzieningen. Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg in natura omdat er minder overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een pgb is in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura. Er is met het vierde lid van artikel 11 voor gekozen om het vaststellen van nadere regels te delegeren aan het college.