CConstaterende datKrimpen aan den IJssel
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel en besluit Erfgoedverordening 2023 GETEKEND

Gemeenteraad 14 december 2023, gemeente Krimpen aan den IJssel8.487 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Raadsvoorstel Datum collegevergadering: Portefeuillehouder: Behandelend team: Zaaknummer:

14-11-2023 Kirsten Jaarsma Samenleven 1304709

Onderwerp Erfgoedverordening 2023

Gevraagd raadsbesluit: 1. De ‘Erfgoedverordening 2023, gemeente Krimpen aan den IJssel’ vast te stellen; 2. Te bepalen dat de ‘Erfgoedverordening 2023, gemeente Krimpen aan den IJssel’ in werking zal treden op de dag dat de Omgevingswet in werking treedt. 3. Te bepalen dat artikel 16 van de ‘Erfgoedverordening 2023, gemeente Krimpen aan den IJssel’ in werking zal treden op de dag voor de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet. 4. De ‘Monumentenverordening van de gemeente Krimpen aan den IJssel 2008’ in te trekken op de dag dat de Omgevingswet in werking treedt.

Aanleiding De huidige Monumentenverordening Krimpen aan den IJssel 2008 is verouderd, gelet op de invoering eerder van de Erfgoedwet in 2016, die gedeeltelijk de Monumentenwet 1988 verving. De invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2024 maakt dat de monumentenverordening nu moet worden vernieuwd. Omdat de Monumentenverordening ook regels bevat over de fysieke leefomgeving. De VNO heeft in haar begeleiding van de invoering van de Omgevingswet aangegeven dat deze wijziging voor 1 januari 2024, de dag van inwerkingtreding van de Omgevingswet, moet zijn gebeurd. Om geen lacunes te laten ontstaan in de overgang naar de Omgevingswet.

In de Monumentenverordening 2008 staan voorschriften en regels met betrekking tot (het aanwijzen van) gemeentelijke monumenten. Bij de juridisch technische aanpassing aan de Omgevingswet is gebruik gemaakt van de VNO model erfgoedverordening. Deze verordening is breder van opzet.

De wijzigingen in de voorgestelde verordening hebben betrekking op verwijzingen naar wetgeving, regelgeving, grondslagen en definities die waar nodig zijn aangepast en/of aangevuld. De gemeentelijke monumentencommissie wordt de adviescommissie omgevingskwaliteit op grond van artikel 17.9 van de Omgevingswet. Gemeentelijk erfgoedbeleid verandert De bundelingen van wetgeving in één Erfgoedwet en de invoering van de Omgevingswet (hierna: Ow) stimuleren zowel een meer integraal gemeentelijk erfgoedbeleid als de erkenning dat erfgoed een integraal onderdeel is van (de kwaliteit van) de fysieke leefomgeving. Door de invoering van deze twee wetten is het bereik van de gemeentelijke Erfgoedverordening in vergelijking met de Monumentenverordening 2008 zowel breder - het betreft nu monumenten én cultuurgoederen - als smaller: belangrijke fysieke onderwerpen

1 van 5

zoals de aanwijzing of bescherming van archeologische waarden en verwachtingen worden steeds minder geregeld via een verordening en meer via het bestemmingsplan en straks, onder de Ow, het omgevingsplan. Per saldo leidt een en ander tot deze Erfgoedverordening.

De Erfgoedverordening houdt rekening met de nieuwe Erfgoedwet, per 1 juli 2016. De Erfgoedwet vervangt en integreert verschillende wettelijke regelingen op het gebied van het cultureel erfgoed. Naast de Erfgoedwet wordt besluitvorming over cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving op termijn geregeld via de Ow. De Erfgoedwet anticipeert op de invoering van de Ow door overgangsrecht als gevolg waarvan delen van de Monumentenwet 1988 van kracht blijven, tot de inwerkingtreding van de Ow. Daarom is deze verordening zowel gebaseerd op de Erfgoedwet als op de Monumentenwet 1988. In de Ow wordt materieel gezien het bestaande stelsel van monumenten- en sloopvergunningen nagenoeg één-op-één overgenomen. Wel vindt op een aantal wetstechnische, procedurele en inhoudelijke punten stroomlijning plaats, die samenhangt met de samenvoeging met andere stelsels en de achterliggende vereenvoudigingsgedachte. Ook bepalingen over taken en bevoegdheden van de gemeentelijke monumentencommissies en de bepalingen over de archeologische monumentenzorg in bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen gaan over naar de Ow. Omdat de Monumentenverordening 2008 vanwege deregulering geen bepalingen kende voor de aanwijzing van gemeentelijke beschermde stads- of dorpsgezichten in Krimpen aan den IJssel, is er voor gekozen ook in deze Erfgoedverordening geen bepalingen hieromtrent over op te nemen.

Reikwijdte De Erfgoedwet integreert vanaf juli 2016 de Regeling materieelbeheer museale voorwerpen 2013, de Wet verzelfstandiging museale diensten, de Monumentenwet 1988, de Wet tot behoud van cultuurbezit, de Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 inzake onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen en de Wet tot teruggave cultuurgoederen afkomstig uit bezet gebied. Met de inwerkingtreding van de Ow vervalt daaruit het onderdeel Monumentenwet 1988, dat overgaat naar de Ow. In aansluiting op de Erfgoedwet is gekozen voor een brede Erfgoedverordening die conform het begrip ‘cultureel erfgoed’ ziet op zowel onroerend cultureel erfgoed (monumenten) als roerend cultureel erfgoed (cultuurgoederen).

Deze verordening ziet in beginsel niet op archeologie. Archeologische waarden moesten ook voor de Ow worden geborgd via het ruimtelijke spoor (lees: de bestemmingsplannen en de afwijkvergunning op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo)) op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 5.2 van het Besluit omgevingsrecht. In het overgangsrecht is afzonderlijk wel in een vangnetbepaling voorzien (artikel 16). Wettelijke grondslag De grondslag voor deze verordening bestaat uit artikel 3.16 van de Erfgoedwet en artikel 38 van de Monumentenwet 1988. Na inwerkingtreding van de Ow zal in de Erfgoedwet (artikel 3.16, vierde lid,) zijn opgenomen dat deze verordening geen regels bevat over de fysieke leefomgeving als bedoeld in artikel 2.4 van de Ow. Dit geldt met een geplande overgangstermijn tot 2032.

2 van 5

Argumenten 1.1 Het vaststellen van een Erfgoedverordening is een bevoegdheid van de raad Door het vaststellen van de verordening geeft de raad uitvoering aan artikel 3.16 van de Erfgoedwet (deze wet gaat deels op in de Omgevingswet maar blijft in afgeslankte vorm bestaan). De Erfgoedverordening 2023, gemeente Krimpen aan den IJssel treedt in werking op de dag waarop de Omgevingswet in werking treedt (beoogd op 1 januari 2024). Artikel 16 van de Erfgoedverordening 2023, gemeente Krimpen aan den IJssel treedt in werking op de dag voor de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet. Dit gelet op het overgangsrecht van de Omgevingswet. Het intrekken van de huidige Monumentenverordening 2008 is geregeld in artikel 21 van de voorliggende verordening. Het overgangsrecht is geregeld in artikel 22 van de voorliggende verordening. Door het tijdig vaststellen van de Erfgoedverordening ontstaan er geen lacunes in de regelgeving bij de overgang naar de Omgevingswet.

1.2 Met het vaststellen van de Erfgoedverordening, aangepast aan de Omgevingswet, voldoen we aan één van de door de VNO geformuleerde "Minimale acties Omgevingswet" De VNO heeft een overzicht met “Minimale acties Omgevingswet ” opgesteld. Hierin wordt aangegeven welke voorbereidingen gemeenten minimaal moeten hebben getroffen voor de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet om te kunnen starten met werken onder de Omgevingswet. Het vaststellen van een Erfgoedverordening die aan de Omgevingswet voldoet is één van de acties. 1.3 De omzetting van de Monumentenverordening 2008 naar de Erfgoedverordening 2023 heeft betrekking op wijzigingen in verband met de Omgevingswet en de Erfgoedwet Verwijzingen naar wet- en regelgeving zijn aangepast. Definities zijn, waar nodig, aangepast of aangevuld. De grondslagen zijn aangepast. Daarnaast is een aantal artikelen aangepast aan de modelverordening van de VNO en is een aantal artikelen toegevoegd die in de modelverordening van de VNO staan, maar nog niet in onze eigen Monumentenverordening. Het begrip ‘cultureel erfgoed’ is breder in aansluiting op de Erfgoedwet. Waar bepaalde zaken voortaan op rijksniveau geregeld zijn in de Omgevingswet en dus niet meer op lokaal niveau geregeld hoeven te worden zijn er geen artikelen opgenomen.

De omzetting naar de Erfgoedverordening is zoveel als mogelijk beleidsneutraal uitgevoerd. Door de Erfgoedverordening 2023 kan vanaf de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet worden doorgewerkt met een geldige Erfgoedverordening. 1.4 De gemeentelijke monumentencommissie wordt gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit op grond van artikel 17.9 Omgevingswet. Op basis van artikel 17.9 van de Omgevingswet moet een gemeentelijke adviescommissie ingesteld worden die tot taak heeft te adviseren over de aanvragen om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit, voor zover het andere dan archeologische monumenten betreft. In de Erfgoedverordening Krimpen aan den IJssel 2023 wordt geregeld dat de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit ook adviseert over gemeentelijke monumenten en omgevingsplanactiviteiten. 1.5 Archeologische monumentenzorg is van rechtswege onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan

3 van 5

De wettelijke grondslag voor artikel 16 (vangnet archeologie) vervalt bij inwerkingtreding van de Omgevingswet. De werking van dit artikel 16 kan uitsluitend behouden blijven door dit artikel één dag vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet in werking te laten treden. Dit is dan ook zo opgenomen in de Erfgoedverordening 2023, gemeente Krimpen aan den IJssel. Kanttekeningen 1.1 Alle regels voor de fysieke leefomgeving moeten onder de Omgevingswet in het gemeentelijke omgevingsplan opgenomen worden. Er geldt een overgangsfase (tot 2032) waarbij de gemeente regels over onroerend cultureel erfgoed die zijn gekoppeld aan een locatie moet overbrengen naar het omgevingsplan. Vanaf 1 januari 2032 vervallen alle bepalingen uit de Erfgoedverordening die verplicht in de omgevingsplannen moeten worden opgenomen.

1.2 Mogelijke inhoudelijke aanpassing/aanscherping van Erfgoedbeleid en/of -verordening volgt later. Wij hebben nog steeds het voornemen - zoals verwoord in het Bestuursakkoord - om het gemeentelijk erfgoedbeleid tegen het licht te houden. Op dit moment hebben wij ons moeten beperken tot de strikt noodzakelijke technische aanpassing van de verordening. Op een later moment komen wij op een mogelijke aanpassing van ons beleid terug. Participatie Participatie heeft niet plaats gevonden, omdat het hier een strikt noodzakelijke technische aanpassing betreft.

Financiële gevolgen Niet van toepassing

Communicatie Indien de Erfgoedverordening 2023, gemeente Krimpen aan den IJssel door de gemeenteraad is vastgesteld, dan wordt deze bekend gemaakt in het elektronisch Gemeenteblad en op officielebekendmakingen.nl. Nadien is de verordening te raadplegen via www.overheid.nl. Indien de Monumentenverordening 2008 wordt ingetrokken, dan wordt dit bekend gemaakt op de gebruikelijke wijze en aangegeven op www.overheid.nl. Vervolg De Erfgoedverordening treedt in werking op de dag van inwerkingtreding van de Omgevingswet met uitzondering van artikel 16 van de Erfgoedverordening dat in werking treedt één dag vóór de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Bijlagen 1. Erfgoedverordening 2023, gemeente Krimpen aan den IJssel 2. Monumentenverordening van de gemeente Krimpen aan den IJssel 2008

4 van 5

Hoogachtend,

Burgemeester en wethouders van Krimpen aan den IJ^sel, mr. A. Boele

5 van 5

Raadsbesluit Onderwerp Erfgoedverordening 2023

De raad van de gemeente Krimpen aan den IJssel; Besluit, na het lezen van het voorstel van burgemeester en wethouders van 14 november 2023, om:

1. De 'Erfgoedverordening 2023, gemeente Krimpen aan den IJssel’ vast te stellen; 2. Te bepalen dat de ‘Erfgoedverordening 2023, gemeente Krimpen aan den IJssel’ in werking zal treden op de dag dat de Omgevingswet in werking treedt. 3. Te bepalen dat artikel 16 van de 'Erfgoedverordening 2023, gemeente Krimpen aan den IJssel’ in werking zal treden op de dag voor de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet. 4. De 'Monumentenverordening van de gemeente Krimpen aan den IJssel 2008’ in te trekken op de dag dat de Omgevingswet in werking treedt.

Erfgoedverordening 2023, gemeente Krimpen aan den IJssel

De raad van de gemeente Krimpen aan den IJssel;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 14 november 2023; overwegende dat het inwerking treden van de Omgevingswet gevolgen heeft voor de

Monumentenverordening omdat deze verordening regels bevat over de fysieke leefomgeving;

dat de Monumentenverordening met het inwerking treden van de Omgevingswet technisch aangepast moet zijn; gelet op artikel 3.16 van de Erfgoedwet en artikel 38 van de Monumentenwet 1988;

besluit vast te stellen:

de Erfgoedverordening 2023, gemeente Krimpen aan den IJssel

HOOFDSTUK 1. Algemeen

Artikel 1. Definities In deze verordening en de daarop berustende voorschriften wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan

onder: 1.

Gemeentelijk beschermd cultuurgoed: cultuurgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de

2.

Gemeentelijk beschermde verzameling: verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de

Erfgoedwet dat als zodanig is aangewezen op grond van artikel 3, eerste lid; Erfgoedwet die als zodanig is aangewezen op grond van artikel 3, tweede lid;

3.

Gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister;

4.

Adviescommissie omgevingskwaliteit: de op basis van artikel 17.9 van de Omgevingswet ingestelde commissie met als taak het college op verzoek of uit eigen beweging te adviseren

over de toepassing van de Erfgoedwet, de Monumentenwet 1988, de Omgevingswet, de

verordening en het monumentenbeleid;

5.

Minister: minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

6.

Omgevingsvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a,

van de Omgevingswet voor een activiteit met betrekking tot een gemeentelijk monument of een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht.

Artikel 2. Gemeentelijk erfgoedregister

1.

Burgemeester en wethouders houden een door eenieder te raadplegen gemeentelijk

erfgoedregister bij van krachtens deze verordening aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed inclusief de locaties waaraan krachtens artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet in het omgevingsplan de functie cultureel erfgoed is toebedeeld .

2.

Het gemeentelijk erfgoedregister bevat:

a.

gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed;

b.

gegevens over door burgemeester en wethouders van de minister ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in

artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet en instructies als bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet betreffende een locatie met de functie-aanduiding rijks beschermd stads- en dorpsgezicht; c.

gegevens over door burgemeester en wethouders van gedeputeerde staten ontvangen instructies als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, van de Omgevingswet betreffende een

locatie met de functie-aanduiding provinciaal monument, provinciaal archeologisch monument of provinciaal beschermd stads- en dorpsgezicht.

Hoofdstuk 2 - Aanwijzing gemeentelijke beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling

Artikel 3. Aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling 1.

Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een cultuurgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of uitzonderlijke schoonheid is en dat als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk

cultuurbezit en dat in eigendom is van de gemeente of dat aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als gemeentelijk beschermd cultuurgoed.

2.

Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een verzameling van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis, die als geheel of door een of meer van de

cultuurgoederen die een wezenlijk onderdeel van de verzameling zijn, als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en die in

eigendom van de gemeente is of die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te

wijzen als gemeentelijk beschermde verzameling. 3.

Voor de aanwijzing van een cultuurgoed dat of een verzameling die aan de zorg van de

gemeente is toevertrouwd is toestemming van de eigenaar vereist. 4.

Over het voornemen van een aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid, alsmede over

de vervreemding van een gemeentelijk beschermd cultuurgoed of een gemeentelijk beschermde verzameling of over het afstand doen van de zorg daarvoor vragen

burgemeester en wethouders advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 van de 5.

Erfgoedwet. Dit artikel is niet van toepassing op: a.

door de minister beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen als

bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, en

b.

cultureel erfgoed dat is aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.

6.

Burgemeester en wethouders verwerken de aanwijzing na het onherroepelijk worden direct in het gemeentelijk erfgoed register.

Artikel 4. Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling 1.

Burgemeester en wethouders kunnen een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste of tweede lid, wijzigen of intrekken. Artikel 3, vierde lid, is hierop van overeenkomstige

toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het

gemeentelijk beschermd cultuurgoed of de gemeentelijk beschermde verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan.

2.

Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het gemeentelijk beschermd

cultuurgoed of de gemeentelijk beschermde verzameling waarop de aanwijzing betrekking

heeft wordt aangewezen als: a. door de minister beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, of

b. 3.

beschermd cultureel erfgoed op grond van een provinciale erfgoedverordening als

bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. Burgemeester en wethouders verwerken de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing na het onherroepelijk worden direct in het gemeentelijk erfgoed register.

Hoofdstuk 3 - Aanwijzing gemeentelijk monument

Artikel 5. Aanwijzing als gemeentelijk monument

1.

Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de

wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument.

2.

Dit artikel is niet van toepassing op:

a.

rijksmonumenten, en

b.

monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet of een

omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet.

Artikel 6. Voornemen tot aanwijzing 1.

Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 5, eerste lid, wordt door burgemeester en

wethouders schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de

2.

Kadasterwet. Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voeren burgemeester en wethouders

overleg over het voornemen met de eigenaar.

Artikel 7. Voerbescherming 1.

De bescherming van hoofdstuk 4 is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, is bekend gemaakt.

2.

De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van

de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 8. Advies adviescommissie omgevingskwaliteit

1.

Burgemeester en wethouders vragen over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 5, eerste lid, advies aan de adviescommissie omgevingskwaliteit zoals bedoeld in artikel 17.9

van de Omgevingswet en de Verordening adviescommissie omgevingskwaliteit gemeente

Krimpen aan den IJssel 2023.

2.

De adviescommissie omgevingskwaliteit betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies.

3.

De adviescommissie omgevingskwaliteit adviseert schriftelijk binnen acht weken na

ontvangst van het verzoek van het college. Artikel 9. Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit

1.

Op de voorbereiding van het besluit over het aanwijzen van een gemeentelijk monument is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

2.

Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen 26 weken na ontvangst van

de aanvraag. 3.

De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijk

monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument. Artikel 10. Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving

1.

De aanwijzing wordt schriftelijk bekend gemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de

onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.

2.

Burgemeester en wethouders verwerken de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 11. Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument 1.

In een spoedeisend geval kunnen burgemeester en wethouders een monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. In afwijking van

artikel 8 wordt in dat geval aan de gemeentelijke adviescommissie advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument. 2.

Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 5, eerste lid.

3.

Hoofdstuk 4 is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat zakelijk gerechtigden

schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van burgemeester en wethouders tot aanwijzing van het monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk

monument. Artikel 10 is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing.

Artikel 12. Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument

1.

Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister.

2.

Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is hoofdstuk 3 van overeenkomstige

toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing

betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 3.

Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het

rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de

Omgevingswet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het

gemeentelijk erfgoedregister. 4.

Het college kan bepalen dat alvorens de aanwijzing van een gemeentelijk monument wordt

ingetrokken, een bouwhistorisch onderzoek moet worden verricht en het pand wordt gedocumenteerd. 5.

De eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde en gebruiker zijn desgevraagd verplicht mee te werken aan de documentatie van het monument.

HOOFDSTUK 4 - Bescherming gemeentelijk monument

Artikel 13. Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument

Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan

onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. Artikel 14. Omgevingsvergunning gemeentelijk monument 1.

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders een gemeentelijk monument:

a.

geheel of gedeeltelijk te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of

b. 2.

te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

Het eerste lid is niet van toepassing op:

a.

het uitvoeren van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving,

materiaalsoort en kleur van het monument, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg niet wijzigt; b.

alleen inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft;

c.

het binnen een monument dat als begraafplaats in gebruik is met inachtneming van de monumentale waarden:

1°. plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift;

2°. doen van begravingen of as bijzettingen, of

3°. ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als gemeentelijk monument.

3.

Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de monumentenzorg nadere regels

stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk

monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het tweede lid. 4.

Burgemeester en wethouders kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften verbinden.

Daaronder wordt onder meer verstaan een voorschrift tot:

a.

het opleggen van de verplichting tot het toestaan van het verrichten, door of van

gemeentewege, van bouwhistorisch en/of archeologisch onderzoek, zowel voorafgaand als gedurende de uitvoering van de vergunning;

b.

het indienen en van gemeentewege goedkeuren van constructieberekeningen, een

funderingsplan, een funderingspalenplan en/of een kelderplan, waarbij goedkeuring

mede afhankelijk kan zijn van de resultaten van het onder a. genoemde onderzoek. Artikel 15. Weigeringsgronden

1.

De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daar niet tegen verzet.

2.

Een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar.

HOOFDSTUK 5 - Vangnet archeologie

Artikel 16. Vangnet archeologie

1.

Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar

archeologische vondsten of waarden worden verwacht als in het daar vigerende omgevingsplan niet is voldaan aan artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, tenzij:

a.

voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste of tweede

lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is verleend;

b.

het de verstoring betreft van een archeologisch monument, waarde of verwachting die is aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleids-, waarden- of verwachtingskaart,

de provinciale archeologische monumentenkaart of de landelijke indicatieve kaart van archeologische waarden en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met door burgemeester en wethouders vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring; c.

de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of

te verwachten archeologische monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige

schade voor archeologische waarden wordt voorkomen, of

d.

met een vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig

zijn.

2.

Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over het verrichten van archeologisch onderzoek.

Artikel 17. Particulier verbod gebruik metaaldetectoren

1.

Voor het grondgebied van de gemeente Krimpen aan den IJssel inclusief de (buiten)wateren geldt een particulier verbod op het gebruik van een apparaat of voorwerp met als doel metalen op te sporen, tenzij er door het college van burgemeester en wethouders vooraf toestemming is gegeven.

2.

Het college van burgemeester en wethouders kunnen voorwaarden verbinden aan het gebruik van een apparaat of voorwerp met als doel metalen op te sporen.

3.

Gebieden met (zeer) hoge verwachtingswaarden zijn uitgesloten voor het verkrijgen van

toestemming zoals bedoeld onder lid 1.

HOOFDSTUK 6 Overige bepalingen

Artikel 18. Nadere regels

Het college is bevoegd om nadere regels vast te stellen ten behoeve van een zorgvuldige bescherming en omgang met het boven- en ondergrondse erfgoed.

HOOFDSTUK 7 - Toezicht en handhaving

Artikel 19. Toezichthouders 1.

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van het college aan te wijzen personen.

2.

Burgemeester en wethouders kunnen daarnaast andere personen met dit toezicht en

handhaving belasten, zoals een aangesteld of ingehuurd senior KNA archeoloog of (bij hoge uitzondering een) provinciaal archeoloog.

Artikel 20. Strafbepaling Degene die handelt in strijd met artikel 13,14,16 of 17 van deze verordening wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.

HOOFDSTUK 8 - Slotbepalingen

Artikel 21. Intrekken oude verordening

De Monumentenverordening van de gemeente Krimpen aan den IJssel 2008 wordt ingetrokken op de

dag dat de Omgevingswet in werking treedt. Artikel 22. Overgangsrecht

1.

Een krachtens de Monumentenverordening van de gemeente Krimpen aan den IJssel 2008

aangewezen en geregistreerd gemeentelijk monument, wordt geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.

2.

Aanvragen en bezwaren die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze verordening

worden afgehandeld met inachtneming van de Monumentenverordening van de gemeente Krimpen aan den IJssel 2008.

Artikel 23. Inwerkingtreding en citeertitel 1. 2.

Deze verordening treedt in werking op de dag dat de Omgevingswet in werking treedt. In afwijking van het eerste lid treedt artikel 16 van deze verordening in werking op de dag voor de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet.

3.

Deze verordening wordt aangehaald als: Erfgoedverordening 2023, gemeente Krimpen aan den IJssel.

Ondertekening Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Krimpen aan den IJssel gehouden op 14 december 2023.

jriffiep.

J.J. Luteijn

mr. O. Vliegenthart

TOELICHTING

Algemeen

Inleiding

Het gemeentelijk erfgoedbeleid verandert. Vooral de bundelingen van wetgeving in één Erfgoedwet

en de invoering van de Omgevingswet (hierna: Ow) stimuleren zowel een meer integraal gemeentelijk erfgoedbeleid als de erkenning dat erfgoed een integraal onderdeel is van (de kwaliteit van) de fysieke leefomgeving. Door de invoering van deze twee wetten is het bereik van de gemeentelijke Erfgoedverordening in vergelijking met de Monumentenverordening 2008 zowel breder - het betreft nu monumenten én cultuurgoederen - als smaller: belangrijke fysieke onderwerpen zoals de

aanwijzing of bescherming van archeologische waarden en verwachtingen worden steeds minder geregeld via een verordening en meer via het bestemmingsplan en straks, onder de Ow, het

omgevingsplan. Per saldo leidt een en ander tot deze Erfgoedverordening. De Erfgoedverordening houdt rekening met de nieuwe Erfgoedwet, per 1 juli 2016. De Erfgoedwet

vervangt en integreert verschillende wettelijke regelingen op het gebied van het cultureel erfgoed. Naast de Erfgoedwet wordt besluitvorming over cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving op termijn geregeld via de Ow. De Erfgoedwet anticipeert op de invoering van de Ow door

overgangsrecht als gevolg waarvan delen van de Monumentenwet 1988 van kracht blijven, tot de inwerkingtreding van de Ow. Daarom is deze verordening zowel gebaseerd op de Erfgoedwet als op de Monumentenwet 1988.

In de Ow wordt materieel gezien het bestaande stelsel van monumenten- en sloopvergunningen nagenoeg één-op-één overgenomen. Wel vindt op een aantal wetstechnische, procedurele en inhoudelijke punten stroomlijning plaats, die samenhangt met de samenvoeging met andere stelsels

en de achterliggende vereenvoudigingsgedachte. Ook bepalingen over taken en bevoegdheden van de gemeentelijke monumentencommissies en de bepalingen over de archeologische

monumentenzorg in bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen gaan over naar de Ow. Omdat de Monumentenverordening 2008 vanwege deregulering geen bepalingen kende voor de

aanwijzing van gemeentelijke beschermde stads- of dorpsgezichten in Krimpen aan den IJssel, is er voor gekozen ook in deze Erfgoedverordening geen bepalingen hieromtrent op te nemen.

Reikwijdte De Erfgoedwet integreert vanaf juli 2016 de Regeling materieelbeheer museale voorwerpen 2013, de Wet verzelfstandiging museale diensten, de Monumentenwet 1988, de Wet tot behoud van

cultuurbezit, de Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 inzake onrechtmatige invoer, uitvoer of

eigendomsoverdracht van cultuurgoederen en de Wet tot teruggave cultuurgoederen afkomstig uit bezet gebied. Met de inwerkingtreding van de Ow vervalt daaruit het onderdeel Monumentenwet 1988, dat overgaat naar de Ow.

In aansluiting op de Erfgoedwet is gekozen voor een brede Erfgoedverordening die conform het begrip 'cultureel erfgoed' ziet op zowel onroerend cultureel erfgoed (monumenten) als roerend cultureel erfgoed (cultuurgoederen).

Deze verordening ziet in beginsel niet meer op archeologie. Archeologische waarden moesten ook voor de Ow worden geborgd via het ruimtelijke spoor (lees: de bestemmingsplannen en de afwijkvergunning op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo)) op

grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 5.2 van het Besluit

omgevingsrecht. In het overgangsrecht is afzonderlijk in een vangnetbepaling voorzien (artikel 16).

Wettelijke grondslag

De grondslag voor deze verordening bestaat uit artikel 3.16 van de Erfgoedwet en artikel 38 van de Monumentenwet 1988. Na inwerkingtreding van de Ow zal in de Erfgoedwet (artikel 3.16, vierde lid,)

zijn opgenomen dat deze verordening geen regels bevat over de fysieke leefomgeving als bedoeld in

artikel 2.4 van de Ow. Dit geldt met een geplande overgangstermijn tot 2032.

Artikelsgewijs Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hieronder behandeld.

Artikel 1. Definities

De wettelijke definities uit artikel 1.1 van de Erfgoedwet gelden onverkort voor de begrippen die gebruikt worden in deze verordening, nu deze verordening berust op artikel 3.16 van de Erfgoedwet

en derhalve in samenhang met de Erfgoedwet moet worden gelezen. Artikel 1 van deze verordening bevat daarom uitsluitend de begrippen 'gemeentelijk beschermd cultuurgoed', 'gemeentelijk

beschermde verzameling', 'gemeentelijk monument', 'monumentencommissie', 'minister' en

'omgevingsvergunning' waarvan de definitie moet worden omschreven of die kortheidshalve zijn gegeven en die niet reeds (in deze vorm) in artikel 1.1 van de Erfgoedwet zijn gegeven.

De voor deze verordening relevante begrippen uit de Erfgoedwet zijn voorts: - archeologisch monument: terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar

aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen;

- archeologische vondst: overblijfsel, voorwerp of ander spoor van menselijke aanwezigheid in het verleden afkomstig van een archeologisch monument;

- beschermd cultuurgoed: cultuurgoed dat:

a. als zodanig is aangewezen op grond van artikel 3.7, eerste lid, van de Erfgoedwet; b. voorkomt in een opsomming als bedoeld in artikel 3.7, derde lid, van de Erfgoedwet; of c. in geval van de aanwijzing van een beschermde verzameling op grond van artikel 3.8, eerste lid, van de Erfgoedwet zolang nog geen opsomming voor die verzameling is vastgesteld, redelijkerwijs onder de algemene omschrijving van die beschermde verzameling valt;

- beschermde verzameling: verzameling die is aangewezen op grond van artikel 3.7, tweede lid, van de Erfgoedwet;

- cultureel erfgoed: uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tij

tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden; - cultuurgoed: roerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed; - kerkelijk monument: monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig

onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander

genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging;

- monument: onroerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed; - normaal onderhoud: noodzakelijke reguliere werkzaamheden die gericht zijn op het behoud van monumentale waarde; - rijksmonument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het

rijksmonumentenregister; - rijksmonumentenregister: register als bedoeld in artikel 3.3, van de Erfgoedwet;

- verzameling: cultuurgoederen die uit cultuurhistorisch of wetenschappelijk oogpunt bij elkaar horen.

Artikel 2. Gemeentelijk erfgoedregister Het gemeentelijk erfgoedregister heeft betrekking op al het gemeentelijk (beschermd) aangewezen cultureel erfgoed als dat krachtens deze verordening is gebeurd. Het gaat om door het

gemeentebestuur zelf aangewezen monumenten, cultuurgoederen of verzamelingen.

Tweede lid, onder b Hier is geregeld dat ook informatie over rijksmonumenten die in de gemeente zijn gelegen in het

gemeentelijk erfgoedregister worden opgenomen. Op grond van de Erfgoedwet ontvangen burgemeester en wethouders deze informatie in afschrift van de minister bij de inschrijving in het

rijksmonumentenregister. Het kan ook gaan om informatie via instructies als bedoeld in artikel 2.34,

vierde lid, van de Ow betreffende een locatie met de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht. Tweede lid, onder c

In onderdeel c van het tweede lid is opgenomen dat door burgemeester en wethouders van gedeputeerde staten ontvangen instructies als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, van de Ow betreffende een locatie met de functie-aanduiding provinciaal monument, provinciaal archeologisch

monument of provinciaal beschermd stads- en dorpsgezicht in het gemeentelijke erfgoedregister kunnen worden opgenomen.

Gelet op de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (hierna: Wkpb) dienen gemeenten uiterlijk op 1 januari 2021 hun publiekrechtelijke beperkingen op onroerende

zaken geregistreerd te hebben in de Basisregistratie kadaster publiekrechtelijke beperkingen (hierna. BRK-PB). Dit geldt ook voor gemeentelijke monumenten. Beperkingen kunnen niet alleen meer op

kadastrale percelen worden geregistreerd, maar ook op basis van Basisregistratie Adressen en

Gebouwen (BAG)-objecten (bijvoorbeeld een woning of een bedrijfspand), Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT)-objecten (bijvoorbeeld een brug) en vrije contouren (bijvoorbeeld

een verontreinigingscontour).

Na de inwerkingtreding van de Ow is het de bedoeling dat bestaande ruimtelijke beperkingen te zien zijn in het Digitaal Stelsel Omgevingswet - Landelijke Voorziening (DSO-LV), mogelijk per tranche. Dit

geldt ook voor nog aan te wijzen nieuwe beperkingenbesluiten met name op basis van het

omgevingsplan. Levering aan de openbare registers en bijhouding in de BRK-PB komt voor deze besluiten dan te vervallen. De beperkingen die vóór de inwerkingtreding Ow in de BRK-PB zijn

opgenomen, komen tot en met 2029 te vervallen wanneer ze worden vervangen door nieuwe beperkingenbesluiten op basis van de Ow.

Tot op heden zijn overigens in de gemeente Krimpen aan den IJssel geen gemeentelijke monumenten aangewezen.

Artikel 3. Aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling

Dit artikel maakt het mogelijk dat topstukken van het gemeentelijk cultuurbezit worden aangewezen

als gemeentelijk beschermde cultuurgoederen of gemeentelijk beschermde verzamelingen, voor zover deze niet al voor het Nederlandse cultuurbezit als beschermde cultuurgoederen zijn

aangewezen door de minister op grond van artikel 3.7 van de Erfgoedwet of door gedeputeerde staten op grond van de provinciale erfgoedverordening krachtens artikel 3.17 van de Erfgoedwet. De

formele gevolgen van een aanwijzing van een cultuurgoed of verzameling als gemeentelijk

beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling zijn beperkt: ingevolge artikel 2 van deze verordening zullen ze ingeschreven dienen te worden in het gemeentelijk erfgoedregister en er geldt op grond van het derde lid, in aanvulling op artikel 4.18 van de Erfgoedwet, een adviesverplichting bij een eventuele vervreemding daarvan door de gemeente of wanneer de

gemeente afstand wil doen van het eigendom of de zorg voor het cultuurgoed dat of de verzameling die aan haar was toevertrouwd. De aanwijzing heeft daarnaast vooral een symbolische betekenis en

geeft uitdrukking aan het belang dat de gemeente stelt in het betreffende cultuurgoed of de betreffende verzameling.

De aanwijzing van gemeentelijk beschermde cultuurgoederen en verzamelingen kan uitsluitend

betrekking hebben op cultuurgoederen en verzamelingen die in eigendom zijn van de gemeenten of cultuurgoederen en verzamelingen waarvan de zorg aan de gemeente is toevertrouwd. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij cultuurgoederen die door de gemeente in bruikleen zijn verkregen uit

collecties van derden. Voor aanwijzing van dergelijke cultuurgoederen is overeenstemming met de eigenaar een vereiste. Burgemeester en wethouders moeten voorts in het geval van een schenking, erfstelling, legaat of aankoop eventuele beperkende of andere juridische voorwaarden in acht nemen.

Er kan op grond van deze verordening geen sprake zijn van de aanwijzing van cultuurgoederen van derden als gemeentelijk beschermde cultuurgoederen of verzamelingen, zonder toestemming van de

eigenaar. Er bestaat onvoldoende wettelijke grondslag om bij verordening een juridisch beschermingsregime eenzijdig aan een andere eigenaar op te leggen, zoals dat geldt voor de op

rijksniveau beschermde cultuurgoederen (zie hoofdstuk 4 van de Erfgoedwet). Van een eventuele

aanwijzing zou daardoor geen enkele beschermde werking uitgaan. Daarom is ervan afgezien een

aanwijzingsbevoegdheid voor burgemeester en wethouders te creëren.

Artikel 4. Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd

cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling Dit artikel bepaalt o.a. dat bij wijziging (van niet-ondergeschikte aard) van een aanwijzing en bij

intrekking van de status als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling dezelfde adviesprocedure geldt als bij onder meer de aanwijzing daarvan; over het

voornemen daartoe vragen burgemeester en wethouders advies aan een commissie als bedoeld in

artikel 4.18 van de Erfgoedwet. Bij een wijziging van ondergeschikte betekenis kan o.a. gedacht worden aan de plaatsaanduiding i.v.m. verhuizing van een cultuurgoed naar een andere locatie ter plekke of omdat het in tijdelijke bruikleen wordt gegeven aan een museum. Voorts is hier bepaald dat

een aanwijzing vervalt zodra het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking

door de minister op een provincie wordt aangewezen als beschermd cultuurgoed of beschermde

verzameling.

Artikel 5. Aanwijzing als gemeentelijk monument Dit artikel regelt de toekenning van de status van gemeentelijk monument aan een monument of archeologisch monument (een tuin en een park vallen binnen het begrip 'monument',

natuurlandschap niet). De aanwijzing vergt een belangenafweging tussen het met de aanwijzing te dienen belang en de overige bij de aanwijzing betrokken belangen, waaronder planologische en/of

economische belangen of het gebruik van het monument of archeologisch monument. Deze formulering is ontleend aan artikelen 3.1, eerste lid, en 3.16, tweede lid, van de Erfgoedwet.

Burgemeester en wethouders hebben beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een monument of archeologisch monument als gemeentelijk beschermd monument; er geldt bovendien niet zoiets als de voorheen gehanteerde vijftigjarengrens voor monumenten. Bij de afweging van belangen die

daarbij een rol spelen moeten ook de belangen van het gebruik ten opzichte van de te beschermen

monumentale waarde uitdrukkelijk en gemotiveerd naar voren komen. Bij de voorbereiding van een

aanwijzing moeten deze belangen derhalve in concreto worden onderzocht. Artikel 2, eerste lid, van

de Monumentenwet 1988 over het gebruik van het monument, keert echter niet terug in deze verordening. Voor de aanwijzing als gemeentelijk monument voegt de bepaling over het gebruik van

het (archeologisch) monument geen belang toe dat niet al op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de

Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient te worden meegewogen. Volgens vaste

jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat het bij een besluit over de aanwijzing als beschermd monument om de afweging van het algemeen belang dat is

gemoeid met de bescherming van het cultureel erfgoed tegen de belangen die de eigenaar heeft bij al dan niet aanwijzing. Het gebruik van het monument wordt beschouwd als een aspect van de

belangen van de eigenaar en behoeft daarom niet afzonderlijk te worden benoemd.

Artikel 6. Voornemen tot aanwijzing Eerste lid

leder monument is gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet per definitie een

onroerende zaak (een bouwwerk of (groen)aanleg). leder archeologisch monument omvat ten minste één onroerende zaak (het terrein, dat vanwege en samen met de daar aanwezige overblijfselen,

voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen, gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet

wordt aangemerkt als archeologisch monument). Voor alle zakelijke gerechtigden op de betreffende onroerende zaken is ontvangst van het voornemen van een aanwijzing door burgemeester en

wethouders van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wkpb. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire

schuldeisers ten aanzien van de onroerende zaak. Tweede lid

De aanwijzing van kerkelijke monumenten vereist voorafgaand overleg met de eigenaar. Het gaat dan

per definitie om een monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op

geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging (artikel 1.1 van de Erfgoedwet). Dit lid stemt overeen met de vergelijkbare eis in artikel 3.1 van de Erfgoedwet en artikel 16.58 van de Ow en

doet recht aan de bijzondere positie van het kerkelijk monument als plaats voor het gezamenlijk belijden van godsdienst of levensovertuiging. Dit geldt naast de algemene regel van artikel 4:8 van de Awb op grond waarvan belanghebbenden zoals eigenaren moeten worden gehoord.

Artikel 7. Voorbescherming Het is wenselijk ook ten aanzien van gemeentelijk monumenten in voorbescherming te voorzien. Dat

gebeurt met dit artikel. De voorbescherming start zodra burgemeester en wethouders het

voornemen tot aanwijzing hebben bekendgemaakt aan de zakelijk gerechtigden. De voorbescherming voor gemeentelijk monumenten is gebaseerd op artikel 1 van de Wkpb en vergelijkbaar met de

voorbescherming voor rijksmonumenten die voortvloeide uit artikel 5 van de Monumentenwet 1988 (dat, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van Erfgoedwet, tot inwerkingtreding van de Ow blijft gelden voor rijksmonumenten). De voorbescherming van rijksmonumenten loopt onder de Ow via de

definities 'voorbeschermd rijksmonument' en 'rijksmonumentenactiviteit' en de vergunningplicht in artikel 5.1, eerste lid, onder b, van de Ow. Een rijksmonumentenactiviteit is vergunning plichtig en betreft gelet op de definitie ook voorbeschermde rijksmonumenten. In de definitie van

'voorbeschermd rijksmonument' staat wat er onder wordt verstaan (hetzelfde als tot 1 juli 2022).

Artikel 8. Advies Monumentencommissie Artikel 15 van de Monumentenwet 1988 blijft van kracht tot de invoering van de Ow. Op grond van dat artikel dient ten minste in de onderhavige verordening te zijn geregeld de inschakeling van "een

commissie op het gebied van de monumentenzorg die in elk geval tot taak heeft te adviseren over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid,

onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht." Binnen de commissie zijn enkele leden

deskundig op het gebied van de monumentenzorg. Hiertoe behoort ook de archeologische

monumentenzorg. De Monumentenwet 1988 laat de ruimte om voor de adviestaak voor monumenten de inschakeling

te regelen van een commissie waaraan in de praktijk meer taken in de fysieke leefomgeving zijn toegedicht. In de praktijk wordt de monumentencommissie bijvoorbeeld wel gecombineerd met een

commissie voor ruimtelijke kwaliteit. Artikel 8 maakt daarvan gebruik om mogelijk te maken dat

vooruitlopend op de Ow gewerkt kan worden met een bredere gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit. Nu een voorwaarde van de Ow zal zijn dat geen leden van het gemeentebestuur

deel uitmaken van deze commissie (onder de Monumentenwet 1988 geldt dat voor leden van burgemeester en wethouders), is deze voorwaarde daartoe overgenomen in deze verordening.

Onder de Ow zal op basis van artikel 17.9 een gemeentelijke adviescommissie ingesteld moeten

worden die tot taak heeft te adviseren over de aanvragen om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit, voor zover het andere dan archeologische monumenten betreft. Ook

daarbinnen dienen enkele leden deskundig te zijn op het gebied van de monumentenzorg. Het gaat (onder de Ow) om een adviescommissie met een bredere taak voor de omgevingskwaliteit, waarin de

erkenning ligt van het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Het gaat daarbij (onder de Ow) zowel om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving als om de intrinsieke

waarden die de maatschappij toekent aan de identiteit van gebieden en aan dier- en plantensoorten.

De Ow maakt uitdrukkelijk een bredere taakstelling van deze adviescommissie mogelijk. De gemeentelijke adviescommissie is geregeld in de Verordening adviescommissie omgevingskwaliteit

gemeente Krimpen aan den IJssel 2023.

Artikel 9. Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit

Wat betreft de termijn is aangesloten bij de termijn die gehanteerd wordt in de Erfgoedwet (artikel 3.2, derde lid).

Artikel 10. Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving

Eerste lid Dit artikel geldt naast de algemene verplichting tot bekendmaking van besluiten op basis van de Awb.

Ontvangst van de aanwijzing door burgemeester en wethouders is voor alle zakelijk gerechtigden van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b,

onderdeel 5, van de Wkpb. Op een aanwijzingsbesluit is deze wet ook van toepassing. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers. Tweede lid

De registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister is een louter administratieve

verrichting en niet een besluit. Overigens zal van de aanwijzing ook inschrijving in het gemeentelijke beperkingenregister en in het kadaster plaatsvinden op grond van artikel 1, onder c en e, van de Wkpb.

Artikel 11. Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument

Dit artikel biedt burgemeester en wethouders de mogelijkheid om in spoedeisende gevallen een

monument of archeologisch monument als gemeentelijk monument aan te wijzen. In dat geval wordt de adviescommissie zoals bedoeld in artikel 8 pas ingeschakeld na de voorlopige aanwijzing. De

bescherming van paragraaf 4 geldt echter vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis zijn gesteld van de voorlopige aanwijzing. Een bezwaarschrift heeft dus geen opschortende

werking en daarmee kan de voorlopige aanwijzing dus niet eenvoudig omzeild worden. Als de aanwijzing definitief wordt door de opname in het erfgoedregister loopt deze bescherming door. Als

er uiteindelijk geen opname in het erfgoedregister plaatsvindt vervalt de bescherming.

Artikel 12. Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument Dit artikel bepaalt dat op het schrappen uit het register van een aanwijzing als gemeentelijk

monument dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. Voorts is hierin bepaald dat de aanwijzing als gemeentelijk monument vervalt zodra een monument is opgenomen in het

rijksmonumentenregister, in een provinciaal erfgoedregister of een provinciale

omgevingsverordening.

Artikel 13. Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument

Dit artikel is voor gemeentelijke monumenten naar analogie met artikel 11, eerste lid, van de

Monumentenwet 1988 geschreven, zoals dat is gewijzigd door artikel 10,18 van de Erfgoedwet, met inbegrip van de instandhoudingsplicht die daarbij is geïntroduceerd. Het verbod op beschadigen en vernielen van rijksmonumenten en voorbeschermde

rijksmonumenten wordt onder de Ow geregeld in artikel 13.12 van het Besluit activiteiten

leefomgeving (hierna: Bal).

Artikel 14. Omgevingsvergunning gemeentelijk monument

Dit artikel is oorspronkelijk gebaseerd op artikel 2.2 van de Wabo en vanwege het overgangsrecht tot en met 2032 inhoudelijk zoveel mogelijk gelijk gebleven. Wel is een bepaling conform artikel 3.11 van

het Bal onder andere handelend over rijksmonumentenactiviteiten bij begraafplaatsen en

grafmonumenten toegevoegd.

Artikel 15. Weigeringsgronden

In het eerste lid ligt op grond van de belangenafweging die moet worden gemaakt tevens besloten dat rekening wordt gehouden met het gebruik van het monument. In het tweede lid is voor wat betreft de vereiste overeenstemming met de eigenaar van een kerkelijk monument aangesloten bij

artikel 3.2a van de Wabo. Dit geldt ook deels voor artikel 16.58 van de Ow, maar er is geen gebruik

gemaakt van het eerste lid van dit artikel waarin wordt gesproken over "overleg" en niet over "overeenstemming" omdat dit de kerkelijke eigenaar minder rechten geeft.

Artikel 16. Vangnet archeologie

Op grond van artikel 38a Monumentenwet jo. artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening diende in het bestemmingsplan in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving opgenomen te worden van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Met de invoering van deze verplichting was de bescherming archeologische waarden in beginsel ruimtelijk geborgd. Alle bestemmingsplannen die na 2007 zijn geactualiseerd, moeten in principe voldoen aan deze eis. Er

waren echter nog bestemmingsplannen van kracht van vóór de invoering van deze eisen. Om, mede gelet op de verplichtingen van het Verdrag van Valletta, ook voor de gronden waar deze 'oude'

bestemmingsplannen nog geldende bescherming van archeologische waarden te verzekeren, is dit artikel opgenomen. De strekking van dit artikel is te waarborgen dat mogelijk in deze gronden aanwezige archeologische waarden niet worden verstoord, tenzij daaraan aandacht is besteed die

gelijkwaardig is aan waartoe artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgevingverplicht, door middel van de verwachtingskaarten, een omgevingsvergunning of eigen onderzoek dat aan die eisen

kan voldoen.

Artikel 17. Particulier verbod gebruik metaaldetectoren

Spreekt voor zich.

Artikel 18. Nadere regels Bij eventuele nadere regels van burgemeester en wethouders over het verrichten van archeologisch

onderzoek zoals genoemd in het tweede lid van dit artikel kan bijvoorbeeld gedacht worden aan

regels m.b.t. een programma van eisen of een plan van aanpak. Het tweede lid wordt, gelet op het vervallen van artikel 38 van de Monumentenwet 1988 en het inwerking treden van de Ow,

rechtstreeks onderdeel van het tijdelijk omgevingsplan.

Artikel 19. Toezichthouders

Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift (artikel 5:11

Awb). Toezichthouders kunnen zowel individueel als categoraal worden aangewezen. In de artikelen 5:15 tot en met 5:19 Awb worden bevoegdheden aan toezichthouders toegekend.

Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner. 'Plaatsen' is daarbij een ruim

begrip en omvat niet alleen erven en andere terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen). Uit

artikel 5.13 van de Wabo volgt dat de ambtenaren die op grond van artikel 22, eerste lid, belast zijn met het toezicht op de naleving ter zake van het bepaalde bij of krachtens de Wabo, voor zover het

betreft activiteiten als bedoeld in artikel 2.2, daarnaast ook bevoegd zijn, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning te betreden zonder toestemming van de bewoner. Dit laatste wordt in artikel 18.7 van de Ow geregeld.

Artikel 20. Strafbepaling De strafbaarstelling geldt in aanvulling op de Ow en de Wet economische delicten (hierna: Wed). Het

handelen zonder vergunning zoals vereist op grond van de artikelen 14 en 20, eerste lid, is strafbaar gesteld in de Wed (artikel la, onderdeel 2, na inwerkingtreding Ow). Voor inwerkingtreding van de Ow was dit ook strafbaar op grond van de Wed, onder verwijzing naar artikel 2.2 van de Wabo. Art 154, tweede lid, van de Gemeentewet bepaalt dat de maximale boete die de gemeenteraad op

overtreding van verordeningen kan stellen een geldboete van de tweede categorie is.

Artikel 21 verwijst naar de artikelen 13 en 14, derde lid. Artikel 13 bevat de instandhoudingsverplichting van een gemeentelijk monument, zolang deze regel of verplichting nog

niet in het omgevingsplan is opgenomen. Als wordt gehandeld in strijd met de instandhoudingsverplichting, geldt deze strafbaarstelling en kan een boete worden opgelegd. Artikel

14, derde lid, geeft burgemeester en wethouders de mogelijkheid om nadere regels te stellen in het

belang van de monumentenzorg met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Als die nadere regels worden overtreden, geldt deze strafbaarstelling en kan een boete worden opgelegd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13659469/1