CConstaterende datKrimpen Ad Ijssel
Koppel je AI →
Document · PDF

Peutz - beantwoording bewonersvragen akoestisch rapport

Overig 16 maart 2021, gemeente Krimpen Ad IjsselBij agendapunt: Aangeleverd door TenneT5.561 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Gemeente Krimpen aan den IJssel T.a.v. de heer Postbus 200 2920 AE KRIMPEN A/D IJSSEL

Groningen, 15 februari 2021 Betreft: Ref.:

TenneT Krimpen ad IJssel - geluid GL/GL/AvdS/FE 19392-10-BR

Geachte heer

,

Op verzoek van TenneT willen we het volgende onder uw aandacht brengen. In opdracht van TenneT hebben we gedurende een aantal jaren diverse onderzoeken uitgevoerd naar de geluidniveaus in de omgeving ten gevolge van het transformatorstation aan de Edisonstraat 1 te Krimpen aan de IJssel. In voorgaande jaren waren deze onderzoeken met name gericht op het verkrijgen van inzicht in de geluidniveaus in de woonomgeving als gevolg van de bestaande installaties op het transformatorstation. De aanleiding hiervoor waren de door bewoners aan met name de Burg. Lepelaarssingel geuite klachten ten aanzien van het geluid. De onderzoeken zijn dan ook deels in overleg met de bewoners uitgevoerd. Hierbij kan met name genoemd worden het onderzoek in 2015 waarbij in overleg met bewoners geluidmetingen op het transformatorstation en bij de woningen zijn uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn neergelegd in rapport FC 19392-1-RA-001 d.d. 29 mei 2015 (verder te noemen rapport 2015). Het rapport is vervolgens met gemeente en bewoners besproken en verder toegelicht. Vorig jaar zijn onderzoeken uitgevoerd ten behoeve van de voorgenomen wijziging van het transformatorstation. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het concept-rapport FE 19392-4-RA-004 d.d. 2 oktober 2020. Het rapport is gedeeld met (een afvaardiging van) de bewoners van de Burg. Lepelaarssingel en met hen besproken op 7 oktober 2020.

Tijdens dit overleg (per videocall) waren naast u ook aanwezig een aantal vertegenwoordigers van DCMR en TenneT. De bewoners waren vertegenwoordigd door twee bewoners en hun adviseur van Cauberg Huygen B.V. Zoals tijdens de bespreking van 7 oktober 2020 besproken zouden de bewoners in de gelegenheid worden gesteld om nog schriftelijk een reactie te geven op het FE 19392-10-BR 1

geluidrapport. Op 20 november 2020 is deze reactie door de heer (Cauberg Huygen) namens de bewoners gegeven. In dit schrijven zal inhoudelijk worden ingegaan op de aangedragen punten. Voor de overzichtelijkheid zijn door ons de aangedragen punten genummerd (zie bijlage). Ad punt 1

Namens de bewoners wordt opgemerkt dat het niet volstrekt duidelijk is dat de te vervangen transformator 403 de grootste veroorzaker van de geluidhinder is. Hierbij wordt verwezen naar rapport 2015. Dit is vooral relevant omdat met vervanging van deze transformator een reductie van de geluidniveaus wordt verwacht. Als deze transformator niet de hinderbron is zal door vervanging geen reductie worden gerealiseerd maar naar verwachting eerder een verslechtering (toename van het geluid). Gelet hierop wordt een toelichting gevraagd waarbij een aantal inhoudelijke vragen over rapport 2015 worden gesteld. Reactie: Uit het onderzoek uit 2015 en meerdere onderzoeken die in het (recente) verleden zijn uitgevoerd blijkt dat transformator 403 de grootste bron van de geluidhinder is. Dit blijkt uit onder andere het volgende: − op korte afstand van de drie transformatoren van TR403 worden bij 100 Hz geluidniveaus gemeten van 85 à 88 dB terwijl op min of meer vergelijkbare plaatsen bij de transformatoren TR401 en TR402 lagere geluidniveaus worden gemeten (82 à 86 dB). Zie hiervoor rapport 2015.

Hieruit blijkt dat bij 100 Hz elke van de drie transformatoren van TR403 een grotere geluidemissie bezit dan TR401 of TR402; − op basis van de verschillende onderzoeken wordt op basis van de gemeten geluidniveaus en rekening houdend met de afmetingen van de transformatoren geluidbronsterkten bepaald van 94 à 95 dB(A) voor de transformatoren TR401 en TR402 terwijl voor transformator TR403 per fase een geluidbronsterkte wordt bepaald van 102 dB(A). Zie hiervoor het rapport uit 2020. De totale geluidbronsterkte van TR403 (totaal van de drie transformatoren) bedraagt hiermee circa 107 dB(A) ten opzichte van totaal 94 à 95 dB(A) voor de transformatoren TR401 en TR402; − daarbij zijn de drie transformatoren van TR403 dichter bij de woningen gelegen dan de transformatoren TR401 en TR402; − door de hogere geluidbronsterkte en de kortere afstand tot de woningen geeft TR403 aanleiding tot ruim 10 dB hogere geluidniveaus bij de woningen dan de transformatoren TR401 en TR402. Hiermee is duidelijk dat TR403 de grootste hinderbron is.

FE 19392-10-BR 2

Daarbij wordt verder nog het volgende opgemerkt: − in rapport 2015 worden metingen gerapporteerd in twee meetposities nabij de transformatoren (de meetposities 1 en 2). Door Cauberg Huygen wordt hierbij opgemerkt dat in meetpositie 2 (nabij de transformatoren TR401 en TR402) hogere geluidniveaus worden gemeten dan in meetpositie1 (nabij TR403). Dit zou erop duiden dat de invloed van TR403 minder groot is dan verondersteld. Hierbij moet worden opgemerkt dat de metingen in de posities 1 en 2 niet tot doel hadden de absolute geluidniveaus vast te stellen. Daarmee zijn de meetposities ook niet op goed gedeCnieerde afstanden tot de transformatoren uitgevoerd. De afstand van het meetpunt tot TR403 is niet gelijk aan de afstand van het meetpunt tot de transformatoren TR401 en TR402. Bovendien is bij de metingen in positie 2 ook sprake van een zekere invloed van spoel SP401. Hierdoor kan geen goede vergelijking worden gemaakt tussen de gemeten absolute geluidniveaus. Overigens hebben de metingen in de posities alleen betrekking op de 100 Hz. De gemeten geluidniveaus zijn door de mogelijkheid van interferentie zeer gevoelig voor de locatie. Bij deze metingen werd de microfoon niet bewogen terwijl dat normaal gesproken wel noodzakelijk is om een goede meting van de absolute geluidniveaus te verkrijgen (zie HMRI 1999).

Dat was voor deze metingen geen probleem daar het doel van de metingen niet was het bepalen van de absolute geluidniveaus; − de metingen in de posities 1 en 2 hadden tot doel vast te stellen of sprake is van een 'trend' of Euctuaties in het geluidniveau afhankelijk van het tijdstip. Dit is gedaan vanwege het feit dat bij de woningen sprake was van relatief grote en 'snelle' Euctuaties in het geluidniveau (zie rapport 2015). Uit de nadere analyses van de gemeten signalen (zie hoofdstuk 4 van rapport 2015) is geconcludeerd dat deze Euctuaties vooral worden veroorzaakt door TR403. Tijdens de metingen is gebleken dat sprake was van zeer minimale variaties in de faseverschillen tussen de drie afzonderlijke transformatoren van TR403. Dit in combinatie met het gegeven dat sprake is van drie identieke éénfasentransformatoren die op enige afstand van elkaar staan, kan aanleiding geven tot de geconstateerde Euctuaties ('wijzigingen in het interferentiepatroon'). Bij de woningen resulteert dit dan in de variaties in het geluidniveau. Hiermee onderscheidt TR403 (drie transformatoren, voor elke fase één transformator) zich nadrukkelijk van de transformatoren TR401 en TR402 (elk één transformator waarin de drie fasen tegelijkertijd worden getransformeerd).

Door het genoemde verschijnsel wordt onderstreept dat TR403 als de grootste bron van de hinder kan worden aangemerkt; − een sluitende verklaring voor de Euctuaties is overigens niet gegeven. Wel wordt verondersteld dat geringe faseverschillen tussen de drie transformatoren van TR403 de aanleiding zijn. Op grond van alle in het verleden uitgevoerde onderzoeken, inclusief het onderzoek uit 2015, wordt geconcludeerd dat TR403 (bestaande uit drie éénfasetransformatoren) de FE 19392-10-BR 3

grootste bron van hinder bij de woningen is. Dit geldt zowel voor het absolute geluidniveau in dB(A) (gerelateerd aan de geluidbronsterkten) als de (extra hinderlijke) Euctuaties van de geluidniveaus. Deze conclusie wordt overigens onderstreept door het gegeven dat de in de omgeving gemeten geluidniveaus goed overeenkomen met de door het rekenmodel berekende waarden (zie ook hieronder bij de punten 3 t/m 6). Ad punt 2

Door Cauberg Huygen wordt opgemerkt dat de stelling "ruimschoots voldaan aan het BBT-beginsel" misleidend is omdat de nieuwe trafo veel dichter bij de woningen komt te liggen dan de oude trafo. Volgens Cauberg Huygen is een alternatieve positie verder van de woningen mogelijk. Reactie: Zoals meerdere malen door TenneT uitgelegd, is de plaatsing van de nieuwe transformator op de beoogde locatie noodzakelijk. Uiteraard zal hierdoor sprake zijn van hogere geluidniveaus ten gevolge van de transformator dan wanneer de transformator op grotere afstand geplaatst zou worden. Nu een grotere afstand tot de woningen niet mogelijk blijkt, worden aanvullende geluidreducerende maatregelen getroJen. In aanvulling op het toepassen van een geluidarme transformator zal deze binnen een gebouw ('geluidhuis') worden geplaatst. Dit kan als verdergaand dan normaal gangbaar worden aangemerkt. Door het plaatsen van de nieuwe transformator in een gebouw zullen de geluidniveaus ten gevolge van deze transformator bij de woningen aan de Burg. Lepelaarssingel worden beperkt tot circa 23 dB(A) op een totaal van maximaal 35 dB(A). Verdergaande maatregelen aan deze transformator zullen weinig of geen eJect hebben op de totale geluidniveaus. Dit geldt ook voor het verplaatsen van de transformator naar een locatie op grotere afstand tot de woningen.

Ter illustratie: als het geluidniveau ten gevolge van de nieuwe transformator met nog 10 dB extra gereduceerd zou kunnen worden (tot 13 dB(A)) dan zou het totale geluidniveau maximaal 0,2 à 0,3 dB lager worden (34,7 à 34,8 dB(A) in plaats van 35,0 dB(A)). Dit verschil is niet waarneembaar.

Hiermee wordt onderstreept dat ruimschoots voldaan is aan het BBT-beginsel. Ad punt 3

Door Cauberg Huygen wordt gesteld dat steeds gesproken wordt over 100 Hz als enige relevante frequentie. Uit het rapport van 2020 blijkt echter dat bij verschillende bronnen (ook transformatoren) ook bij hogere octaafbanden met hogere geluidbronsterkten wordt gerekend. De vraag is of hierdoor de situatie niet wordt onderschat.

FE 19392-10-BR 4

Reactie: De berekeningen gaan voor wat de huidige geluidbronnen betreft uit van de daadwerkelijk gemeten geluidbronsterkten. Daarbij is uiteraard ook het geluidspectrum van de metingen gehanteerd. In zoverre zijn de gehanteerde geluidspectra reëel. Uit de rapportage van 2020 blijkt dat voor de nieuwe geluidbronnen uitgegaan is van een relatief laagfrequent spectrum. Ter illustratie: voor de nieuwe, ingepakte transformator TR404 wordt een geluidbronsterkte van 82 dB(A) gehanteerd bij 125 Hz op een totale bronsterkte (alle octaafbanden van 63 t/m 8000 Hz) van 82,6 dB(A). Daarmee kan worden gesteld dat voor de toekomstige situatie de geluidniveaus bij 100 Hz (onderdeel van de octaafband 125 Hz) niet wordt onderschat. Overigens bestrijden we dat steeds gesteld is dat de 100 Hz de enige relevante frequentie is. De rapportages laten wat dat betreft een genuanceerder beeld zien. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor rapport 2015. Daar is wel veel accent gelegd op de 100 Hz vanwege de belangrijke rol en om analytische redenen. De 100 Hz speelt wel een belangrijke rol. Dat wordt in de onderzoeken niet onderschat. Tenslotte wordt opgemerkt dat de met het rekenmodel berekende geluidniveaus bij 125 Hz goed overeenstemmen met de verschillende metingen in de omgeving (waaronder de metingen die door DCMR in 2020 nog zijn uitgevoerd). Ad punt 4

Door Cauberg Huygen worden vraagtekens gesteld bij de gehanteerde reEectiecoëMciënten en het aantal reEecties waarmee gerekend wordt. Reactie: In het rekenmodel worden inderdaad voor de scherfmuren over het algemeen geen reEecties in rekening gebracht. De reEecties van het geluid afkomstig van de transformatoren tegen de scherfmuren zijn verdisconteerd in de geluidbronsterkten. Hiermee worden feitelijk ook rekening gehouden met meerdere reEecties. Dit voldoet geheel aan de voorwaarden van de Handleidingen meten en rekenen industrielawaai (HMRI 1999). Daarbij is bij de berekeningen, zoals te doen gebruikelijk, uitgegaan van één reEectie. Uitzondering hierop zijn, zoals hierboven beschreven, de meerdere reEecties van de transformatoren tussen de schermen daar deze zijn verdisconteerd in de geluidbronsterkte. Zoals hierboven terzijde wordt opgemerkt is het te doen gebruikelijk om bij de berekeningen van de overdracht uit te gaan van één reEectie. In praktijk is het eJect van meerdere reEecties op de totale geluidniveaus over het algemeen verwaarloosbaar. Gelet daarop kent het rekenmodel (Geomilieu) voor berekeningen volgens HMRI 1999 ook niet de mogelijkheid om met meerdere reEecties te rekenen. In zoverre is het dus niet FE 19392-10-BR 5

mogelijk om, gebruik makend van de reguliere rekenprogramma's, met meerdere reEecties te rekenen. Door bij de bronsterkteberekening impliciet wel uit te gaan van meerdere reEecties (zoals in dit geval, zie hierboven) wordt meer dan gebruikelijk rekening gehouden met de reEecties. Deze benadering is in deze situatie reeds gevolgd vanaf het moment dat de rekenmodellen zijn opgesteld (ten behoeve van bijvoorbeeld het vaststellen van de zonegrens) en heeft nog niet eerder tot discussie geleid. De gevolgde benadering is zeer goed verdedigbaar, zeker indien de geluidbronsterkten op de juiste wijze zijn verwerkt in het rekenmodel (namelijk rekening houdend met de reEecties, zie hierboven). In dit geval zijn daarnaast de met het rekenmodel berekende geluidniveaus regelmatig vergeleken met de in de omgeving gemeten geluidniveaus. De metingen in de omgeving hebben nooit aanleiding gegeven tot aanpassingen in het rekenmodel. Hieruit kan de conclusie worden getrokken dat het rekenmodel een voldoende adequate beschrijving geeft van de geluidsituatie. Deze conclusie wordt overigens gedeeld door DCMR. Uiteraard is het mogelijk de reEectiecoëMciënten te verhogen. Daarmee zou echter de geluidsituatie worden overschat (dat wil zeggen: er zouden hogere geluidniveaus worden berekend dan de gemeten geluidniveaus).

Dit zal dan met name voor de huidige situatie gelden daar voor de toekomstige situatie voor wat betreft TR404 wordt uitgegaan van plaatsing in een 'geluidhuis'. Voor nieuwe schermen (bijvoorbeeld het scherm bij de C-bank) worden reële reEectietermen gehanteerd. Terzijde wordt nog opgemerkt dat in de bijlagen alleen de reEectiefactor bij 63 Hz wordt gegeven. Dit is gebruikelijk om de omvang van de bijlagen enigszins te beperken. De voor de overige octaafbanden gehanteerde reEectiefactoren zijn gelijk aan de waarde bij 63 Hz. Ad punt 5

Door Cauberg Huygen worden vraagtekens geplaatst bij de gehanteerde bodemdemping. Reactie: De ingevoerde bodemgebieden sluiten zo goed mogelijk aan bij de situatie ter plaatse. Ook op dit punt kan worden opgemerkt dat de met het model berekende geluidniveaus regelmatig vergeleken zijn met de in de omgeving gemeten geluidniveaus. De metingen in de omgeving hebben nooit aanleiding gegeven tot aanpassingen in het rekenmodel. Hieruit kan de conclusie worden getrokken dat het rekenmodel een voldoende adequate beschrijving geeft van de geluidsituatie. Ook deze conclusie wordt gedeeld met DCMR. Ten aanzien van de verschillen in de metingen op 1 en 4 meter hoogte (uit rapport 2015) wordt daarnaast nog opgemerkt dat niet alleen het bodemeJect een rol speelt maar dat FE 19392-10-BR 6

vooral ook reEecties tegen gevels van belang zijn. In dit geval hebben de reEecties tegen de achterliggende gevels van de woning geleid tot hogere geluidniveaus bij de metingen op een hoogte van 1 meter. Bij de metingen op 4 meter hoogte is dat fysisch niet of minder mogelijk. Bij reEecties tegen gebouwen (met name van belang op een geringe meethoogte) speelt de interferentie van het geluid een grotere rol. Ad punt 6

Cauberg Huygen stelt dat het overschatten van de overdrachtsdemping tussen de VIP's en de woningen leidt tot het onterecht vaststellen van te hoge grenswaarden. Er zal rekening gehouden moeten worden met een veiligheidsmarge omdat de rekenmethodiek geen rekening houdt met bijvoorbeeld interferentie en staande golven. Reactie Nogmaals wordt opgemerkt dat de met het model berekende geluidniveaus regelmatig vergeleken zijn met de in de omgeving gemeten geluidniveaus. Dit geldt voor de metingen in zowel de relevante VIP-punten als bij de woningen. Er is een goede overeenstemming. Er wordt voldaan aan de voorwaarden van HMRI 1999 waarbij wordt opgemerkt dat, vanwege de speciCeke situatie met mogelijke interferentie en staande golven, rekening wordt gehouden met enige veiligheidsmarge (de berekende geluidniveaus zijn over het algemeen enigszins hoger dan de gemeten geluidniveaus). Bij de metingen moet overigens vanwege het speciCeke karakter van transformatorgeluid de microfoon over enkele meters heen en weer bewogen. Hierdoor wordt rekening gehouden met eventuele staande golven en kan worden voldaan aan de nauwkeurigheidscriteria van HMRI 1999. Ad punt 7

Gevraagd wordt om meer inzicht in de verschillende vormgevingen van het 'geluidhuis' Reactie Het voert te ver om in de rapportage ten behoeve van de vergunningaanvraag een gedetailleerde beschrijving te geven van mogelijke uitvoeringsvarianten van het 'geluidhuis'. Voor het geluidonderzoek is vooral van belang dat aan de nieuwe transformator strikte geluideisen worden gesteld en dat de nieuwe transformator in een omkasting met een voldoende invoegdemping wordt geplaatst. Deze zal uiteindelijk gegarandeerd moeten worden door de leverancier/aannemer. Dit zal nog verder moeten worden uitgewerkt voor deze situatie in Krimpen aan den IJssel. Aandachtspunten hierbij zijn onder andere de doorvoeringen en ventilatieopeningen. Een afvaardiging van bewoners heeft reeds enkele voorbeelden van omkastingen kunnen bekijken op transformatorstations elders.

FE 19392-10-BR 7

Daarbij wordt opgemerkt dat met het plaatsen van de nieuwe transformator in een omkasting de bijdrage van de transformator aan de totale geluidniveaus gering is (zie ook onder 'Ad punt 2'). Een verdere reductie van de geluidniveaus ten gevolge van transformator zal een verwaarloosbaar eJect hebben op de totale geluidniveaus. Dit relativeert de rol van de exacte opbouw of vormgeving van het 'geluidhuis'. Uiteindelijk zal het in het rapport opgenomen geluidvermogen van de ingebouwde transformator gerealiseerd moeten worden en daarmee ook de in de omgeving bij de woningen optredende geluidniveaus van het gehele transformatorstation. Ad punt 8

Gevraagd wordt of de 'spoel' aan staat. Reactie Bij de berekeningen wordt ervan uitgegaan dat de spoelen in bedrijf zijn. Dit geldt voor alledrie spoelen (SP401, SP402 en de nieuwe SP404). Dit is noodzakelijk en behoort daarom tot de representatieve bedrijfsvoering. Het heeft daarom geen nut om inzichtelijk te maken wat het eJect is van het uit bedrijf nemen van de spoelen. Ad punt 9

Gevraagd wordt naar het eJect van het inpakken van de spoel dan wel het doortrekken van de scherfwand tot voorbij de spoel. Reactie Bij het onderzoek wordt ervan uitgegaan dat de nieuwe spoel in de richting van de woningen wordt afgeschermd door één van de scherfmuren van de nieuwe transformator. Hiermee wordt bewerkstelligd dat bij de woningen aan de Burg. Lepelaarssingel de geluidniveaus ten gevolge van het transformatorstation beperkt blijven tot 35 dB(A) in de maatgevende nachtperiode (exclusief toeslag, overeenkomend met ten hoogste 40 dB(A) inclusief toeslag). Uiteraard zal bij de verdere uitwerking van de scherfmuur/omkasting van de transformator rekening worden gehouden met de locatie en de afmetingen van de spoel. Ad punt 10

Gewezen wordt op de mogelijke overschatting van de afschermende werking van de scherfmuren vanwege de modellering van geluidbronnen als puntbron. Reactie Het risico van overschatting is inderdaad aanwezig. Echter: het rekenmodel vormt een goede beschrijving van de geluidsituatie (zie ook voorgaande punten). Bij het verder uitwerken van schermen zal uiteraard rekening worden gehouden met de afmetingen van de geluidbronnen. De door Cauberg Huygen aangedragen oplossing (het kleiner modelleren van schermen dan de werkelijkheid) is niet wenselijk. Beter is het goed afstemmen van de FE 19392-10-BR 8

bronafmetingen, bronhoogte in combinatie met een reële modellering van de schermen. Dit voorkomt eventuele discussies en misverstanden. Deze benadering is gevolgd. Ad punt 11

Gevraagd wordt in meer inzicht in metingen op verschillende hoogten en in meerdere punten. Reactie: Afgesproken is dat DCMR in overleg met de bewoners de te hanteren beoordelingspunten (VIP-punten) zullen worden vastgesteld. Vanwege de rol van de mogelijke reEecterende en afschermende objecten en de bodemeJecten verdient het daarbij aanbeveling de metingen op een hoogte van 5 meter uit te voeren. Dit sluit goed aan bij de normale beoordelingshoogte voor de maatgevende nachtperiode en de normaliter gehanteerde beoordelingshoogte (zie ook HMRI 1999). Ad punt 12

Gevraagd wordt naar de manier waarop het 'trafohuis' wordt gekoeld en of een stiller alternatief mogelijk is. Reactie: De nieuwe transformator zal middels natuurlijke ventilatie worden gekoeld; de transformator wordt niet uitgevoerd met koelventilatoren. Buiten het 'geluidhuis' zullen koelers worden geplaatst (zonder koelventilatoren) zonder een relevante geluidproductie. Een stiller alternatief is derhalve niet mogelijk (en ook niet noodzakelijk). Ad punt 13

Gevraagd wordt naar meer inzicht in het eJect van het in gebruik nemen van de C-bank en de rol van de mondeling genoemde twee scherfwanden. Reactie: In de vergunde situatie moet rekening worden gehouden met het bedrijf van de C-bank (veld 15). Dit geldt voor zowel de huidige als de toekomstige situatie (na vervanging TR403 door TR404). In het rapport van 2020 wordt de gevraagde informatie gegeven. Daarbij wordt opgemerkt dat de rol van de C-bank in de toekomstige situatie relatief groter wordt; door de stillere nieuwe transformator wordt de C-bank dominanter. Gelet daarop zal, op het moment dat de C-bank weer in gebruik zal worden genomen, een geluidscherm worden opgericht om het geluid van de C-bank in de richting van de woningen aan de Burg. Lepelaarssingel af te schermen. Dit geldt als aanvulling op de reeds voorziene maatregelen aan de nieuwe installaties. Hierbij is uiteraard ook rekening gehouden met het negatieve eJect van eventueel mogelijke reEecties van onder andere de nieuwe transformator en spoel. FE 19392-10-BR 9

Ad punt 14

Gevraagd wordt of er mogelijk andere relevante apparaten zijn. Reactie: In het rapport van 2020 zijn alle relevante installaties en activiteiten beschreven. Ad punt 15

Gevraagd wat naar het oordeel van Peutz verstandige meetpunten zijn en hoeveel meetpunt verstandig zijn. Reactie: Zie ook bij 'Ad punt 11': DCMR zal in overleg met bewoners een voorstel doen voor meetpunten. Naar ons oordeel is het niet raadzaam om teveel meetpunten vast te stellen. Twee of drie punten aan de zijde van de woningen aan de Burg. Lepelaarssingel is voldoende met als meethoogte 5 meter. Ad punt 16

Gevraagd wordt naar de wijze waarop de modellering wordt gecontroleerd middels metingen. Reactie: Dit zal op de gebruikelijke manier worden gedaan middels metingen in combinatie met berekeningen. Uiteraard zal één en ander in overeenstemming met de geldende richtlijn (HMRI 1999) moeten plaatsvinden. In de formulering van de geluidvoorschriften zal één en ander eenduidig moeten worden beschreven. Dit geldt bijvoorbeeld ook over de rol van de toeslag voor het tonale karakter van het geluid. Ad punt 17

Gevraagd wordt naar de rol van bomen en andere omstandigheden op de door bewoners ervaren geluidhinder. Reactie: De aanwezigheid van bosschages en bomen tussen het transformatorstation en de woningen aan de Burg. Lepelaarssingel heeft geen of nauwelijks invloed op de geluidoverdracht (geen demping). Dit geldt zeker voor de relevante frequenties. Wel kan er in de seizoenen waarin sprake is van bladeren aan bomen en struiken sprake zijn van een maskerende werking door bladgeruis. Dit kan dan een positief eJect hebben op de ondervonden hinder. Op grotere afstand tot het transformatorstation kunnen ook de weersomstandigheden (windrichting en snelheid, bewolking, temperatuurverloop e.d.) en daarmee de seizoenen een rol spelen. Dit is verdisconteerd in de rekenmethode volgens HMRI 1999. FE 19392-10-BR 10

Ad punt 18

Zijn er speciCeke geluidbeperkende maatregelen mogelijk voor het tonale karakter? Reactie: In dit geval zal voor de toekomstige situatie een nieuwe transformator worden toegepast. Deze transformator is stiller (geluidarmer) en zal bovendien in een omkasting worden geplaatst waarbij speciale aandacht besteed zal worden aan de frequentie 100 Hz (en hogere harmonischen). Hierdoor zal het tonale karakter van het geluid ook minder dominant zijn. Er zijn daarnaast geen direct toepasbare geluidbeperkende maatregelen voor speciCek het tonale karakter beschikbaar. Ad punt 19

Gevraagd wordt of TenneT en DCMR open staan voor het uitvoeren van geluidmetingen in de herfst/winter en op meerdere punten en hoogten. Reactie: Door ons wordt opgemerkt dat de geluidrapportage van 2020 (en de voorgaande jaren) voldoende informatie bevatten om de huidige geluidsituatie te beschrijven. Daarnaast worden regelmatig door DCMR geluidmetingen uitgevoerd. Door TenneT is aangegeven dat hierover in een gesprek toezeggingen zijn gedaan. Echter na overleg met de bewonersvertegenwoordiging is hier toch vanaf gezien. Enerzijds omdat door DCMR al veelvuldig wordt gemeten en anderzijds omdat metingen van de huidige situatie geen toegevoegde waarde hebben voor de onderbouwing van de toekomstige situatie. Immers, zoals al eerder uiteengezet, levert de huidige TR403 de grootste bijdrage aan de geluidsoverlast. Metingen zullen enkel bevestigen. Te n s l o t t e

Bovenstaand is ingegaan op de door Cauberg Huygen namens bewoners gestelde vragen en geplaatste opmerkingen. Hiermee wordt beoogd in dit stadium, voorafgaand aan het indienen van de aanvraag om een Omgevingsvergunning, een antwoord te geven op de vragen die bij de bewoners leven. De gestelde vragen hebben aanleiding gegeven tot een nadere interne analyse in hoeverre de akoestische beschrijving in de verschillende rapportages voldoende adequaat is. De geluidonderzoeken zullen inhoudelijk door DCMR worden beoordeeld. De eerste beoordeling heeft reeds plaatsgevonden. Ook het naar aanleiding daarvan gevoerde nadere overleg met DCMR heeft geleid tot de conclusie dat akoestische beschrijving middels de rekenmodellen voldoende adequaat is.

FE 19392-10-BR 11

Al met al hebben de gestelde vragen en geplaatste opmerkingen geen aanleiding gevormd tot wezenlijke aanpassing van de benadering. Gelet daarop zal bij de verdere planvorming en bij de vergunningaanvraag verder worden uitgegaan van de gehanteerde benadering met een rekenmodel conform HMRI 1999. Uiteindelijk zal één en ander moeten resulteren in een verbetering van de geluidsituatie bij de woningen aan de Burg. Lepelaarssingel waarbij een geluidniveau van maximaal 35 dB(A) in de nachtperiode exclusief toeslag voor tonaal geluid (overeenkomend met maximaal 40 dB(A) inclusief toeslag voor tonaal geluid) als grenswaarde zal gelden. We vertrouwende erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Met vriendelijke groet,

Bijlage (3 pagina's): Vragen / Opmerkingen namens bewonerscommissie Krimpen ad IJssel op Rapport Peutz d.d. 2 oktober 2020 (concept)

FE 19392-10-BR 12

Vragen / Opmerkingen namens bewonerscommissie Krimpen ad IJssel op Rapport Peutz d.d. 2 oktober 2020 (concept) -

1

-

2

-

3

-

4

-

5

In het rapport van Peutz van 2015 is de conclusie opgenomen dat transformator 403, waarvan vervanging thans aanstaande is, de veroorzaker is van de hinderlijke geluidsoverlast die bewoners ervaren. Op verschillende plaatsen in het rapport (bijv. figuren 12 t/m 15 en tabel 3.1) die gaan over de verrichte metingen zou anders geconcludeerd kunnen worden, in die zin dat andere apparatuur ogenschijnlijk een grotere invloed heeft op de ervaren geluidsoverlast. Dichter bij 401 en 402 (positie 2) werden namelijk hogere niveaus gemeten dan dichter bij 403 (positie 1). Kan dit worden toegelicht? Dit is van belang want als de te verwijderen trafo 403 niet de werkelijke hinderbron was kan in de nieuwe situatie haast alleen maar sprake zijn van verslechtering voor bewoners met nieuwe geluidbronnen op een kortere afstand. Dat staat haaks op de beloofde verbeteringen. De stelling dat ‘’ruimschoots wordt voldaan aan het BBT-beginsel’’ is misleidend omdat de nieuwe trafo veel dichter bij woningen te liggen dan de oude trafo en elke andere bestaande installatie. Dat het maximale gedaan moet worden om de geluiduitstraling van de installaties tot een minimum te beperken is niet meer dan logisch. En zelfs dan is het de vraag of hier wel echt voldaan is aan het BBTbeginsel, want er is een alternatieve positie verder van de woningen mogelijk.

In het rapport uit 2015 en in de presentatie wordt steeds gesproken over 100 Hz als enige relevante frequentie. Andere frequenties zouden absoluut niet relevant zijn. Uit bijlagen bij het recente rapport d.d. 2 okt 2020 blijkt echter dat voor de verschillende puntbronnen (ook trafo’s) wel met hogere niveaus in de octaafbanden boven 100 Hz ingevoerd zijn. Wordt de situatie dan niet onderschat en kan dit worden toegelicht? Uit de bijlagen bij het recente rapport blijkt ook dat de meerdere geluidschermen ingevoerd zijn met een reflectiecoëfficiënt van 0,00 en een keer met 0,4. Dit impliceert dat er sprake is van geluidsabsorberende schermen, terwijl in werkelijkheid sprake is van betonnen (hard=reflecterend) scherfwanden. De situatie is hiermee onderschat. De nieuwe scherfwanden lijken wel ingevoerd met een reflectiefactor van 0,8, dus enigszins (80%) reflecterend. Een gladde betonwand is echter vrijwel 100% reflecterend dus de situatie wordt onderschat. Naar alle waarschijnlijkheid is in Geomilieu daarnaast gerekend met maximaal 1 reflectie aangezien dat vrij gangbaar is, maar ook hiermee wordt de situatie onderschat omdat er meerdere reflecties mogelijk zijn tussen de scherfmuren.

Kunnen de berekeningen uitgevoerd worden met meerdere reflecties en hogere reflectiefactoren zodat de werkelijkheid beter benaderd wordt? In de bijlagen zijn trouwens slechts uitsluitend de reflectiefactoren bij 63 Hz weergegeven. Hiermee zijn de invoergegevens voor de relevante frequentie daarboven niet controleren. Uit de bijlagen bij het recente rapport blijkt dat met hoge bodemabsorptie gerekend is van 0,5, 0,9 en onder bepaalde trafo’s zelfs 1,0. Uit pagina 48 van de pdf blijkt dat het toegevoegde bodemgebied met factor 0,9 voor de hele omgeving buiten het terrein van Tennet is ingevoerd. Hiermee is de situatie onderschat aangezien er ook sprake is van harde bodems (sloten, bestrating). Bovendien wordt de maatgevend geachte toonhoogte 100 Hz ook slecht geabsorbeerd door de zachte bodem. Zeker lager bij de grond zal, naar verwachting, eerder sprake zijn van hogere geluidniveaus door reflecties als gevolg van weinig absorptie / bodemdemping bij 100 Hz. Dit lijkt ook te worden bevestigd door de metingen op

-

6

-

7

-

8 -

9

-

10

1 en 4 meter hoogte bij woningen (zie figuur 4 in de rapportage van Peutz uit 2015). Een overschatting van de overdrachtsdemping in het gebied tussen VIP’s en woningen leidt tot het onterecht vaststellen van te hoge grenswaarden t.p.v. VIP’s. Ter bescherming van de bewoners moet hier een goede veiligheidsmarge aangehouden worden, zeker gelet op de hinderlijke componenten (tonaal en laagfrequent) en verschijnselen waar de rekenmethodiek geen rekening mee houden (interferentie en staande golven). Metingen vallen in soort situaties dikwijls slechter uit dan berekeningen dus er is voorzichtigheid geboden bij de modellering. Kan in het rapport inzichtelijk gemaakt worden wat de effecten zijn van verschillende vormgevingen (type muren, dak, isolatiemateriaal, hoogte muren etc.) van het transformatorhuis? Het rapport geeft nu aan dat een invoegdemping van 15dB(A) wordt behaald, maar onduidelijk is wat dan de precieze vormgeving is van het geluidshuis. Bewoners zijn erg benieuwd wat het effect is als een aan ‘de situatie Wateringen’ gelijk geluidshuis wordt gerealiseerd en hebben de indruk dat dan een verdere reductie wordt behaald.

Klopt het dat in het rapport in de modellering is meegenomen dat de spoel ‘aan’ staat? Kan inzichtelijk gemaakt worden wat het effect is als deze ‘uit’ is? Kan in het rapport inzichtelijk gemaakt worden wat het gevolg is van het op een gebruikelijke wijze inpakken van de spoel, dan wel het doortrekken van de scherfwand tot voorbij de spoel. Deze geluidsbeperkende maatregelen zijn thans niet opgenomen in het rapport, terwijl het wel interessant is om te weten wat het effect ervan zou kunnen zijn. De nieuwe spoel 404 wordt in onze optiek juist ruim maatgevend, en het ziet er nu naar uit dat de spoel als een enkele puntbron net wel/niet achter de nieuwe scherfmuur wordt geplaatst. In onze optiek kan deze nieuwe spoel het beste met een schermconstructie haaks op de scherfwand afschermt worden zoals hieronder in oranje geschetst is. Dit is in lijn met het BBT beginsel.

Geluidbronnen zijn als puntbronnen gemodelleerd terwijl het veelal om grotere apparaten of om groepen apparaten gaat (bijv. C-Bank veld 15?). De puntbron wordt logischerwijs in het centrum van de werkelijke bron gemodelleerd. Op deze manier wordt de schermwerking van scherfmuren mogelijk overschat (met name voor sp404 en C-bankveld relevant, maar mogelijk ook voor de verder weg

-

11

-

12 -

13

-

14 -

15 -

16 -

17 -

18 -

19

gelegen trafo’s). Een mogelijke oplossing kan zijn om de schermen kleiner te modelleren dan ze in werkelijkheid zijn zodat de werkelijke afstand tussen geluidbron en schermranden wel kloppen. Kan in het rapport de situatie worden weergegeven wanneer wordt gemeten op verschillende hoogtes ter plaatse van de woningen en VIP’s? Ook werd tijdens het overleg met presentatie d.d. 7-10-2020 afgesproken dat het verstandig is meerder VIP’s op te nemen langs de oostelijke terreingrens van Tennet. Ook moet de geluidbelasting dichter bij het maaiveld meer aandacht krijgen. Immers zijn daar hogere geluidbelastingen te verwachten en er is sprake van bungalows en achtertuinen. hoe zal het trafohuis nu precies gekoeld worden, en welke invloed dat heeft op de geluidsituatie? Is er evt. een stiller alternatief mogelijk is? Kan inzichtelijk gemaakt worden wat het effect is van het in gebruik nemen van de C-bank en wat het effect met en zonder de twee mondeling aangegeven scherfwanden is op het moment dat de C-bank in bedrijf wordt genomen? Een scherfwand bij de C-bank reduceert dan wel de uitstraling van de C-bank richting woningen, maar vormt tegelijk een risico voor extra reflecties van de nieuwe spoel 404 richting woningen.

Zijn er nog andere relevante apparaten waarvan behoorlijke geluidsproductie bestaat of valt te verwachten? Wat zijn wat Peutz betreft in de nieuwe situatie verstandige meetpunten voor het meten van de geluidsproductie, waarbij als uitgangspunt geldt dat de gekozen meetpunten een representatief beeld geven van de geluidsproductie in de nabijheid van de woningen? Hoeveel meetpunten zijn volgens Peutz verstandig? Op welke wijze kan het beste de voorgestelde modellering worden gecontroleerd met metingen? Volgens Peutz wordt uiteindelijk een werkelijk niveau van maximaal 35dB(A) in de nachtelijke uren verwacht (exclusief straftoeslag voor tonaalgeluid). In hoeverre vervullen de bomen en andere omstandigheden in de omgeving een invloed op de door bewoners ervaren geluidshinder? Is er nog een specifieke geluidsbeperkende maatregel mogelijk voor het tonale karakter van het geluid? Tijdens het overleg en de presentatie van Peutz met alle betrokkenen d.d. 7-102020 is afgesproken dat handhavers van DCMR in samenspraak met bewoners geluidmetingen zouden uitvoeren in deze herfst/winter, op meerdere punten en hoogtes in de omgeving. Wat is hier de status van? Wellicht is het daarbij ook zinvol om een indruk op te doen van de actuele situatie op het terrein van Tennet (toegang nodig). Staan Tennet en DCMR hier ook open voor?

Namens de bewonerscommissie, (Cauberg Huygen B.V.)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9868550/1