Bijlage - Toelichting wijzigingen kadernota-begroting
Tekst van het document
Van kadernota naar begroting Toelichting ontwikkeling begrotingssaldo
De cijfers van de kadernota bevatten informatie die eind mei beschikbaar was. In de maanden daarna vindt nog verwerking van nieuwe gegevens plaats. Dit betreft deels de gevolgen van berekeningen die pas in de zomer gemaakt kunnen worden (bijstelling kapitaallasten, kostenverdeling etc.). Een ander deel wordt veroorzaakt door nieuwe ontwikkelingen. Hieronder volgt een korte toelichting op de belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de kadernota 2023 die in de begroting 2023 zijn verwerkt.
Ontwikkelingen tussen kadernota en begroting
Meerjarenraming 2023
2024
2025
2026
1
Begrotingswijziging september 2022
- 55
- 131
- 67
- 51
2
Urenverdeling
103
106
108
108
3
Financieringslasten nieuwe leningen
- 300
- 588
- 1.164
- 1.116
4
Personeelslasten
- 186
- 194
- 201
- 209
5
Lasten investeringen
- 340
- 225
- 324
- 273
6
Afkoop huur Rabobank
- 240
- 240
- 240
- 240
7
BUIG en bijstand
116
119
122
125
8
Overige onderwerpen
265
92
- 46
- 381
Totale ontwikkeling
- 637 - 1.061 - 1.812 - 2.038
Toelichtingen: 1. Begrotingswijziging september 2022 In de raadsvergadering van 22 september 2022 is een begrotingswijziging vastgesteld die betrekking had op het begrotingsjaar 2022. De effecten van deze wijziging voor 2023 en verder zijn rechtstreeks in de begrotingscijfers opgenomen.
2. Urenverdeling In de kadernota zijn de personeelslasten opgenomen volgens de benodigde formatie. De voorschriften voor de gemeentebegroting bepalen dat deze kosten over de programma’s moeten worden verdeeld. Dat is in de afgelopen periode gebeurd. Een (relatief klein) deel van de salarislasten is daarbij toegerekend aan investeringen en grondexploitaties. Dit betekent dat deze kosten niet meer op de begroting drukken. Het toegerekende deel is groter dan waar bij de kadernota rekening mee werd gehouden, wat een voordeel betekent voor de cijfers.
3. Financieringslasten nieuwe leningen De komende jaren is sprake van een (voor Krimpense begrippen) fors investeringsprogramma. De jaarlijkse investeringsbedragen liggen ruim boven € 20 miljoen. Door de verkoop van de Eneco aandelen is de afgelopen jaren geen nieuwe lening nodig geweest. De prognose is dat halverwege 2023 een lening moet worden aangetrokken van € 20 miljoen en in 2025 nogmaals. Gezien de huidige renteontwikkeling moet rekening worden gehouden met minstens 3%. Bij de kadernota werd al rekening gehouden met nieuw af te sluiten leningen, maar door de stijgende rente en de toenemende investeringen zijn de kosten hoger en zijn de leningen eerder nodig. Bij de verkoop van de Enecoaandelen is een groot bedrag ontvangen. Naast een bedrag aan liquide middelen betekende dit ook een toename van de reserves. De reserves zijn een dekkingsmiddel voor begrotingslasten, terwijl de liquide middelen worden ingezet voor betalingen. De gereserveerde dekkingsruimte uit de Enecogelden is onaangetast, maar de liquide middelen zijn bijna uitgeput. Hierdoor is financiering nodig om toekomstige investeringsuitgaven te kunnen betalen. Het betreft hier het onderscheid tussen financiering en dekking. Bij financiering gaat om de vraag hoe de gemeente aan zijn financiële middelen komt. Een investering kan bijvoorbeeld worden gefinancierd door een lening aan te trekken.
Bij dekking gaat het om de vraag hoe de gemeente aan de middelen komt om de begroting sluitend te krijgen. Een investering leidt tot afschrijvingslasten, die bijvoorbeeld kunnen worden gedekt door verhoging van de inkomsten.
4. Personeelslasten In de loop van 2022 is de personele formatie toegenomen. In 2022 zijn de lasten daarvan gedekt uit de (incidentele) ruimte die de personeelsbudgetten daarvoor bieden. Die ruimte ontstaat door openstaande vacatures, inhuurbudgetten en raming op het maximum van de functieschalen. Om de toename van de formatie ook in de begroting 2023 te kunnen dekken en daarnaast voldoende ruimte te houden voor noodzakelijk inhuur bij uitval en vacatures is een toevoeging aan de personeelslasten nodig. Dit staat los van de verwachte benodigde groei in de komende jaren.
5. Lasten investeringen Bij het opstellen van de kadernota was de jaarrekening nog niet volledig gereed. Daarom is pas in de zomermaanden doorgerekend wat de gevolgen van gewijzigde balansstanden zijn. Bovendien zijn nieuwe planningen voor onderhoud buitenruimte en onderhoud kapitaalgoederen opgesteld en verwerkt. Deze berekeningen leiden tot aanpassingen in kapitaallasten (rente en afschrijvingen), stortingen in voorzieningen voor onderhoud kapitaalgoederen en vervanging riolering en de storting in de kapitaallastenreserve voor afschrijvingen op investeringen in de buitenruimte.
6. Afkoop huur Rabobank Met de Rabobank is overeenstemming bereikt over het per 1 oktober 2022 afkopen van de resterende huurverplichtingen (tot november 2026) en het daarmee weer volledig beschikbaar van Raadhuisplein 4 voor de gemeente. In 2022 levert dat een eenmalig voordeel op in de vorm van een afkoopsom. Deze wordt in de begrotingswijziging voor de raad van 15 december opgenomen. Voor
de meerjarenbegroting 2023-2026 is sprake van een nadeel omdat de huurinkomsten wegvallen. Voor een deel wordt dit gecompenseerd door de verhuur aan het IBKW. Het netto effect op jaarbasis is € 240.000 nadelig. Dit wordt vooralsnog structureel verwerkt. De komende tijd wordt bezien op welke wijze de gemeente optimaal gebruik kan gaan maken van de beschikbaar gekomen ruimte.
7. BUIG en bijstand Jaarlijks wordt rond 1 oktober bekend welke bedragen het Rijk beschikbaar stelt voor de BUIG in het volgende jaar. Dat moment is te laat om deze cijfers nog mee te nemen in deze begroting. Daarom wordt uitgegaan van de ramingen die in het voorjaar zijn afgegeven. Dit leidt tot een lagere verwachte inkomst van het Rijk (€ 328.000). Daar staat echter tegenover dat de uitgaven voor bijstand positief kunnen worden bijgesteld (€ 444.000) op basis van de bestuursrapportage Q2 van GR IJsselgemeenten. Per saldo een voordeel van € 116.000 voor de begroting 2023.
8. Overige wijzigingen De overige wijzigingen tellen op tot een voordeel van € 265.000 in 2023. De belangrijkste betreffen de verlaging van de jaarlijkse storting in de voorziening riolering met € 100.000 en lagere kosten voor de dienstverleningsovereenkomst met Cyclus. Beide onderwerpen komen in de begroting aan de orde, gerelateerd aan de ontwikkeling van riool- en afvalstoffenheffing. In 2026 is de egalisatiereserve omgevingsvergunningen leeg en kan geen onttrekking meer plaatsvinden, waardoor een nadeel ontstaat. Bij de invoering van de Omgevingswet wordt opnieuw doorgerekend welke kosten en opbrengsten hier betrekking op hebben en of de werkwijze met de egalisatiereserve moet worden aangepast.