Bijlage bij RIB Werf aan den IJssel - Rapportages (bodem)onderzoeken
Tekst van het document
Bijlage 7
Rapportages (bodem)onderzoeken (separaat bijgevoegd (.zip))
MILIEUKUNDIG BODEMONDERZOEK Voormalige scheepswerf Joh. van Duijvendijk te Krimpen aan den IJssel Projectnummer: B06.125.V1
februari 2007
Opdrachtgever: Ballast Nedam Bouw B.V. Vestiging West Postbus 95 2900 AB CAPELLE AAN DEN IJSSEL
concept versie
datum: 23 november 2006
paraaf
definitieve versie
datum: 13 februari 2007
paraaf
Inhoudsopgave
Pagina
1 . INLEIDING ....................................................................................................................... 1 2 . DOELSTELLING .............................................................................................................. 1 3 . VOORONDERZOEK ........................................................................................................ 1 3.1 LIGGING EN OMGEVING LOCATIE ........................................................................... 1 3.2 HUIDIGE EN TOEKOMSTIGE SITUATIE ................................................................... 2 3.3 REEDS BESCHIKBARE HISTORISCHE INFORMATIE .............................................. 3 3.4 HISTORISCHE INFORMATIE UIT RECENT VERLEDEN ........................................... 4 3.5 EERDER UITGEVOERD ONDERZOEK ..................................................................... 5 3.6 BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE................................................................. 6 4 . HYPOTHESE VERONTREINIGINGSSITUATIE .............................................................. 7 5 . MILIEUTECHNISCH ONDERZOEK ................................................................................. 9 5.1 ONDERZOEKSOPZET ...............................................................................................
9 5.2 UITGEVOERD VELDWERK...................................................................................... 10 5.3 VELDWAARNEMINGEN ........................................................................................... 13 5.4 ANALYSESTRATEGIE ............................................................................................. 16 6 . TOETSINGSRESULTATEN ........................................................................................... 17 6.1 TOETSINGSKADER ................................................................................................. 17 6.1 .1 GROND EN GRONDWATER (WET BODEMBESCHERMING) ....................... 17 6.1 .2 GROND (BOUWSTOFFENBESLUIT) .............................................................. 18 6.1 .3 BOUWSTOF NIET-ZIJNDE GROND (BOUWSTOFFENBESLUIT) .................. 20 6.1.4 WATERBODEM (REFERENTIEKADER 4e NOTA WATERHUISHOUDING ..... 21 6.2 CONSERVERING MONSTERS ................................................................................ 22 6.3 (GECORRIGEERDE) TOETSINGSWAARDEN ......................................................... 23 6.4 OVERSCHRIJDINGSTABELLEN .............................................................................. 25 6.4.1 OVERSCHRIJDINGSTABELLEN GROND........................................................
25 6.4.2 OVERSCHRIJDINGSTABELLEN GRONDWATER ........................................... 33 6.4.3 OVERSCHRIJDINGSTABEL ASFALT .............................................................. 37 6.4.4 OVERSCHRIJDINGSTABEL SLAKKEN EN FUNDERINGSMATERIAAL ......... 37 6.4.5 OVERSCHRIJDINGSTABEL WATERBODEM .................................................. 38 7 . INTERPRETATIE ........................................................................................................... 39 7.1 ZINTUIGLIJK............................................................................................................. 39 7.2 CHEMISCH-ANALYTISCH........................................................................................ 40 7.2.1 CHEMISCH-ANALYTISCH GROND EN GRONDWATER................................. 40 7.2.2 CHEMISCH-ANALYTISCH ASFALT, FUNDERINGSMATERIAAL EN SLAKKEN .................................................................................................................................. 50 7.2.3 CHEMISCH-ANALYTISCH WATERBODEM INSTEEKHAVEN......................... 50 7.3 TOETSING HYPOTHESEN ...................................................................................... 51 8 . CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ...........................................................................
53 8.1 CONCLUSIES ........................................................................................................... 53 8.2 AANBEVELINGEN .................................................................................................... 56 9 . VERKLARING GEBRUIKTE BEGRIPPEN ..................................................................... 60 MH Nederland BV, B06.125.V1: Milieukundig bodemonderzoek voormalige scheepswerf Joh. van Duijvendijk te Krimpen aan den IJssel.
Bijlagen: 1.1
Overzichtskaart
2.1 2.2
Situatieschets Situatie boorlocaties
3.1 en 3.2
Monsternemingsplan en -formulier
4.0 4.1 t/m 4.26
Legenda profielbeschrijvingen Profielbeschrijvingen
5.1 t/m 5.82
Analysecertificaten en relevante oliechromatogrammen grond
6.1 t/m 6.18
Analysecertificaten en relevante oliechromatogrammen grondwater
7.1 en 7.2
Analysecertificaten asfalt
8.1 t/m 8.4
Analysecertificaten en relevante oliechromatogrammen funderingsmateriaal en slakkenverharding
9.1 t/m 9.6
Analysecertificaten en oliechromatogrammen waterbodem
10.1 t/m 10.26 Toetsingstabellen grond 11.1
Toetsingstabel grondwater
12.1
Toetsingstabel niet-grond
13.1 en 13.2
Toetsingstabellen 4e Nota Waterhuishouding
14.1 t/m 14.6
Toetsingsgegevens TOWABO 2.2.101
15.1 en 15.2
Verontreinigingscontouren in grond en grondwater
16.1
Overzicht verontreinigingssituatie
17.1 en 17.2
Procescertificaat: Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek
MH Nederland BV, B06.125.V1: Milieukundig bodemonderzoek voormalige scheepswerf Joh. van Duijvendijk te Krimpen aan den IJssel.
1
1. INLEIDING In de periode september 2006 - februari 2007 is door MH Nederland BV, in opdracht van Ballast Nedam Bouw B.V., een milieukundig bodemonderzoek (actualiserend/nader bodemonderzoek, inclusief (half)verhardingen- en waterbodemonderzoek) uitgevoerd ter plaatse van het terrein van de voormalige scheepswerf Joh. Van Duijvendijk aan de IJsseldijk 363 te Krimpen aan den IJssel. In verband met de veroudering van de bekende milieutechnische bodemonderzoeksgegevens (> 5 jaar) zullen in het kader van het regionale bodemsaneringsbeleid (Bobel 2003) voor de gehele onderzoekslocatie de milieukundige bodemgegevens worden geactualiseerd. Deze actualisatie is enerzijds noodzakelijk in het kader van de onderstaande doelstelling en is anderzijds nodig om, in een later stadium, ontvankelijke vergunningaanvragen bij het bevoegd gezag te kunnen indienen. Dit teneinde hiermee toestemming/goedkeuring voor de gewenste ontwikkelingen te kunnen verkrijgen. Onderhavig onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de voorgenomen ontwikkeling van de locatie tot woongebied. Met betrekking tot de gecertificeerde uitvoering van de werkzaamheden in het kader van milieuhygiënisch veldwerk is MH Nederland BV aangewezen door het Centraal College van Deskundigen Bodembeheer.
Met deze aanwijzing wordt aangetoond dat MH Nederland BV jaarlijks door een certificerende instantie wordt gecontroleerd en goedgekeurd in het kader van het werken volgens de “Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek (BRL SIKB 2000)”. Het toegekende procescertificaat K24350/02 (bijlage 17.1 en 17.2) en het hierbij behorende keurmerk zijn uitsluitend van toepassing op de activiteiten inzake de uitvoering van veldwerk en de overdracht van de monsters, inclusief de daarbij behorende veldwerkregistratie, aan een conform de NEN-EN-ISO 17025 door de Raad van Accreditatie geaccrediteerd laboratorium. Verder wordt gesteld dat MH Nederland BV geen (toekomstig) eigenaar is van de te onderzoeken locatie. 2. DOELSTELLING De doelstelling van het onderzoek is het, met een gerichte onderzoeksinspanning, conform de NEN 5740, NCOB en de NVN 5720, verkrijgen van inzicht in de milieukundige kwaliteit van de (water)bodem en het asfalt ter plaatse van de onderzoekslocatie. Eén en ander teneinde inzicht te verkrijgen in de geschiktheid van de locatie Joh. Van Duijvendijk in relatie tot de realisatie van woningbouw. Tevens dient de indicatieve milieuhygiënische kwaliteit van het gronddepot, de slakkenverharding en het funderingsmateriaal van de asfaltverharding te worden vastgelegd. 3.
VOORONDERZOEK 3.1 LIGGING EN OMGEVING LOCATIE De onderzoekslocatie is buitendijks gelegen aan de IJsseldijk 363 te Krimpen aan den IJssel. Direct aan de noordzijde van de locatie is de rivier Hollandsche IJssel gesitueerd. Aan de oostzijde is een bedrijventerrein met daarop een bedrijfspand van bouwmarktketen Karwei gelegen. Direct grenzend aan de zuidzijde van de locatie bevindt zich de rivierdijk IJsseldijk. MH Nederland BV, B06.125.V1: Milieukundig bodemonderzoek voormalige scheepswerf Joh. van Duijvendijk te Krimpen aan den IJssel.
2
Aan de westzijde van de onderzoekslocatie bevindt zich een braakliggend terrein. Voorheen is op deze locatie de Rehoboth kerk gesitueerd geweest. De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van ca. 12.850 m2 (ca. 1,28 ha). Op de locatie is een insteekhaven aanwezig. De haven heeft een oppervlakte ca. 2.735 m2. De locatie is kadastraal bekend als gemeente Krimpen aan den IJssel, sectie C, nummers 3878, 5002 en 6405. De x- en y-coördinaten binnen het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting van het globale middelpunt van de locatie zijn x = 99.800; y = 437.100. De locatie is niet gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied. In de bijlagen 1.1, 2.1 en 2.2 worden de ligging en de omgeving van de onderzoekslocatie weergegeven. 3.2 HUIDIGE EN TOEKOMSTIGE SITUATIE De navolgende situatiebeschrijving is mede opgesteld op basis van de waarnemingen van de op 1 juni 2006 uitgevoerde locatie-inspectie. Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn een tweetal monumentale loodsen aanwezig. Monumentale loods 1 is gelegen aan de uiterste westzijde van de locatie. Aan de monumentale loods 1 is een bijbehorend woonhuis gebouwd. Tevens is tegen de monumentale loods 1 een pand aanwezig, waarin een ketelhuis, kantoorruimte en sanitaire ruimte is opgenomen. Parallel langs en aangrenzend met de IJsseldijk is aan de oostzijde van de locatie de monumentale loods 2 aanwezig.
Circa 5 meter ten noordoosten van de monumentale loods 2 is loods 3 gesitueerd. Dit pand is in gebruik geweest als garage. Op ca. 10 m ten noordoosten van loods 3 is een magazijn gelegen. Ten zuiden van het magazijn ligt een trafohuis (buiten gebruik). De huidige situatie van de onderzoekslocatie is weergegeven in de bijlage 2.1 en 2.2. De onderzoekslocatie is grotendeels verhard. De verhardingen op de onderzoekslocatie bestaan uit asfalt, puin (slakken), beton, Stelconplaten en klinkers. Onderstaand is een beknopte weergave van de verhardingssituatie gegeven: - Aan de oostzijde van de monumentale loods 1 is asfalt gelegen (ca. 1.140 m2). - Aan de oostzijde van de monumentale loods 2 is asfalt gelegen (ca. 315 m2). - Ten noorden van de asfaltverharding aan de oostzijde van de monumentale loods 1 is een slakkenverharding aanwezig (ca. 570 m2). - Ter plaatse van de dwarse scheepshelling zijn beton- en Stelconplaten aanwezig (ca. 2.400 m2). - Aan de noordoostzijde van de locatie bevinden zich langs de insteekhaven en de Hollandsche IJssel betonnen funderingen van een oude verrijdbare sectieloods en een kraanbaan (ca. 2.490 m2). - Verspreid over de locatie zijn Stelconplaten gesitueerd (ca.1.500 m2). - In de monumentale loods 1 met ketelhuis en woonhuis is een verharding van Stelconplaten en beton gelegen (ca. 560 m2).
MH Nederland BV, B06.125.V1: Milieukundig bodemonderzoek voormalige scheepswerf Joh. van Duijvendijk te Krimpen aan den IJssel.
3
-
In de monumentale loods 2 is een verharding van Stelconplaten gelegen (ca. 595 m2). In loods 3 is een verharding van tegels en beton gelegen (ca. 85 m2). In het magazijn is een stelconverharding gelegen (ca. 170 m2). Het overig deel van de onderzoekslocatie is onverhard (ca. 3.000 m2).
De opdrachtgever heeft het voornemen de locatie te ontwikkelen ten behoeve van ondermeer woningbouw. 3.3 REEDS BESCHIKBARE HISTORISCHE INFORMATIE Uit de door de opdrachtgever beschikbaar gestelde informatie blijkt dat in de reeds eerder uitgevoerde onderzoeken reeds uitgebreid historisch onderzoek met betrekking tot de huidige onderzoekslocatie heeft plaatsgevonden. Er wordt vanuit gegaan dat dit in voldoende mate heeft plaatsgevonden. In huidige rapportage is dan ook de periode sinds het laatste onderzoek (2000) tot heden onderzocht voor wat betreft bodembedreigende handelingen, activiteiten en/of plaatsgevonden calamiteiten. Onderstaand wordt beknopt de historische informatie uit de eerder uitgevoerde bodemonderzoeken met betrekking tot de periode vóór het jaar 2000 beschreven Gebruik algemeen terreindeel Het westelijke deel van de scheepswerf dateert van voor 1833. Het terrein is omstreeks 1940 in gebruik genomen voor scheepswerfactiviteiten door de firma Joh. van Duijvendijk. In 1988 is het bedrijf gestart met het treffen van maatregelen om verontreinigingen van (water)bodem en oppervlaktewater te voorkomen. In het kader hiervan is ondermeer de dwarshelling voorzien van een betonvloer, zijn de naden tussen de Stelconplaten dichtgekit en is de spuitplaats nabij loods 1 voorzien van een olieafscheider.
De dwarshelling is gebruikt voor reparatiewerkzaamheden, schoonstralen en teren van schepen en scheepsbouwwerkzaamheden. Nabij de olieopslag zijn tevens enkele vaten met divers chemisch afval opgeslagen geweest. Ca. 15 m ten noordwesten van loods 3 vond tevens opslag van vaten met chemisch afval plaats. Het gebruik van het terrein is in de periode vanaf 1940 niet of nauwelijks gewijzigd. Recent is gestopt met de scheepswerfactiviteiten. Ter plaatse van loods 2 zijn twee bovengrondse tanks (op een betonvloer) in gebruik geweest. Tevens zijn twee voormalige bovengrondse tanks gesitueerd ter plaatse van de olieopslag nabij loods 1. Voor zover bekend zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie geen ondergrondse tanks aanwezig (geweest). Bebouwing De monumentale loods 1 is in het verleden gebruikt als werkplaats voor kleine reparaties en opslagplaats. De monumentale loods 2 is in gebruik geweest als draaierij en opslagplaats. Loods 3 is in gebruik geweest als garage en is gebruikt voor de opslag van diesel- en smeerolie. In het magazijn werden o.a. koelvloeistof, oliën en verfproducten opgeslagen. Loods 1 en 2 zijn respectievelijk van voor 1833 en 1932.
MH Nederland BV, B06.125.V1: Milieukundig bodemonderzoek voormalige scheepswerf Joh. van Duijvendijk te Krimpen aan den IJssel.
4
In 2000 waren twee op rails verrijdbare loodsen aanwezig. In betreffende loodsen vonden voornamelijk laswerkzaamheden plaats. Onbekend is wanneer deze loodsen zijn verwijderd. Ophogingen en uitbreidingen In 1905 was de insteekhaven driemaal breder dan de huidige breedte. De scheepshelling was destijds meer naar het westen gelegen. Begin 20e eeuw (ca. 1906) zijn de buitendijks gelegen ondiepe terreindelen opgehoogd. Vermoedelijk is hier materiaal van de ter plaatse aanwezige zellingen gebruikt en mogelijk is hier tevens afval van de scheepswerf voor gebruikt. In de periode van 1932 t/m 1940 is het gebied ten oosten van een voormalige dam, die gelegen was direct ten oosten van de huidige insteekhaven, gedempt met onbekend materiaal. Rond 1960 is het terrein en het naastgelegen voormalige terrein van Thyssen-De Reus opgehoogd met ca. 1 m zand of baggerspecie. In 1975 is de noordoostelijk gelegen strook langs de Hollandsche IJssel opgehoogd ten behoeve van een terreinuitbreiding. Ten behoeve van de verbreding van de dwarse scheepshelling heeft medio 1990 een ophoging ter plaatse van een deel van de Hollandsche IJssel plaatsgevonden ten behoeve van een terreinuitbreiding. Bij deze renovatie van de helling is grond vrijgekomen die aan de oostzijde van de locatie in depot is gezet.
3.4 HISTORISCHE INFORMATIE UIT RECENT VERLEDEN Onderstaand is voor de periode 2000 tot heden aangegeven welke bodembedreigende activiteiten en/of calamiteiten hebben plaatsgevonden ter plaatse van de huidige onderzoekslocatie. Uit navraag bij de gemeente Krimpen aan den IJssel ( Milieudienst Rijnmond, de gebruiker ( den IJssel ( ) en de Politie (
), archief van de DCMR , het Brandweerkorps Krimpen aan ) blijkt het volgende:
Activiteiten - Met betrekking tot het gebruik van de locatie kan worden opgemerkt dat geen extra bodembedreigende activiteiten zijn uitgevoerd ten opzichte van de activiteiten die zijn genoemd in het bodemonderzoeksrapport van Arnicon, 2000 (zie paragraaf 3.4). - Door de DCMR is aangegeven dat voor onderhavige locatie in mei 2000 een CFK-besluit en in 2005 een Registratie besluit Rampen en ongevallen (propaan) bekend zijn. Met betrekking tot deze besluiten zijn echter geen gegevens teruggevonden in het archief van de DCMR. Calamiteiten - Aan boord van enkele boten op de Hollandsche IJssel, in de insteekhaven of op de scheepshelling hebben enkele brandjes plaatsgevonden, waarbij echter voor zover bekend geen bluswater op de huidige onderzoekslocatie en/of in de Hollandsche IJssel is terechtgekomen. Derhalve wordt geen beïnvloeding van de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van de huidige onderzoekslocatie verwacht. Hierbij wordt nog opgemerkt dat niet exact bekend is of voornoemde calamiteiten voor of na 2000 hebben ) geen database plaatsgevonden. Dit aangezien het Brandweerkorps ( met branden/calamiteiten tot zijn beschikking heeft. - Naast genoemde brandjes hebben voor zover bekend geen calamiteiten ter plaatse van de onderzoekslocatie plaatsgevonden.
MH Nederland BV, B06.125.V1: Milieukundig bodemonderzoek voormalige scheepswerf Joh. van Duijvendijk te Krimpen aan den IJssel.
5
3.5 EERDER UITGEVOERD ONDERZOEK Ter plaatse van de onderzoekslocatie (bodem)onderzoeken plaatsgevonden:
hebben
in
het
verleden
de
volgende
-
Oriënterend bodemonderzoek door Grontmij (1989). Indicatief bodemonderzoek ter plaatse van dwarshelling door SGS Ecocare (1992). Nader bodemonderzoek door Oranjewoud (1992-1993). Bemonstering gronddepot door Arnicon BV (1996). Waterbodemonderzoek door Arnicon (1998). Verkennend bodemonderzoek Scheepswerf Van Duijvendijk door Arnicon BV (2000). Dossieronderzoek (notitie) naar verontreinigingssituatie ter plaatse van IJsseldijk 337 - 365 door Mcon (2004). - Waterbodemonderzoek Hollandsche IJssel door Grontmij (2006). Gegevens zijn door Rijkswaterstaat Zuid-Holland nog niet openbaar gemaakt. Hiernaast zijn op de naastgelegen locaties diverse bodemonderzoeken en saneringen uitgevoerd. Onderstaand zijn beknopt de relevante gegevens weergegeven. Voor de volledige onderzoeksgegevens wordt kortheidshalve verwezen naar de geraadpleegde documenten. Grond De grond ter plaatse van de huidige onderzoekslocatie is tot 1,0 m -mv heterogeen licht tot sterk verontreinigd met zware metalen (met name lood, zink en kwik) en PAK. Plaatselijk is in betreffende bodemlaag een matige verontreiniging met minerale olie aangetroffen, die op basis van de oliechromatogrammen en het aangetroffen gehalte aan PAK kan worden gerelateerd aan de verhoogde gehalten aan PAK.
De verontreinigingen zijn verspreid over de locatie aangetroffen en betreffen gezien de omvang een geval van ernstige bodemverontreiniging in grond. Tevens zijn in voornoemde bodemlaag lichte verontreinigingen met vluchtige aromaten, EOX en minerale olie aangetroffen. Ter plaatse van de olieopslag is in de grond (bodemtraject van ca. 1,5 tot 2,0 m -mv) een matige verontreiniging met minerale olie aangetroffen. De ondergrond (dieper dan 1,0 m -mv) is verspreid over de onderzoekslocatie over het algemeen niet of licht verontreinigd. Grondwater Met uitzondering van een sterke arseenverontreiniging ter plaatse van loods 3 en een sterke verontreiniging met minerale olie en naftaleen ter plaatse van de olieopslag is het grondwater niet tot licht verontreinigd met de onderzochte parameters. De arseenverontreiniging kan wellicht worden toegeschreven aan verhoogde achtergrondgehalten. De omvang van de sterke grondwaterverontreiniging met minerale olie en naftaleen is destijds op basis van zintuiglijke waarnemingen geschat op ca. 50 à 75 m3 bodemvolume. Op basis hiervan is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging in grondwater. Gronddepot Het depot met de grond die is vrijgekomen bij de verbreding van de scheepshelling is door Arnicon in 1996 onderzocht op de milieuhygiënische bodemkwaliteit.
Uit betreffend onderzoek blijkt dat de gehalten aan nikkel, koper, zink, lood, arseen, PAK en minerale olie boven de interventiewaarde zijn gelegen. Tevens is een matige chroomverontreiniging aangetroffen. De overige parameters zijn in gehalten boven de streefwaarde aanwezig. MH Nederland BV, B06.125.V1: Milieukundig bodemonderzoek voormalige scheepswerf Joh. van Duijvendijk te Krimpen aan den IJssel.
6
Waterbodem De waterbodem in de insteekhaven is in 1998 door Arnicon onderzocht en is destijds beoordeeld als klasse 4 materiaal. Naast gelegen terreinen Van de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het direct ten westen gelegen terrein van IJsseldijk 365 zijn geen gegevens bekend. Aangezien betreffend gebied tegelijkertijd is opgehoogd met de huidige onderzoekslocatie, wordt verwacht dat de bodemkwaliteit ter plaatse min of meer overeenkomt met de bodemkwaliteit ter plaatse van de huidige onderzoekslocatie. Op het terrein direct ten oosten van de locatie (huidige Karwei, voorheen Thyssen de Reus) zijn diverse bodemonderzoeken uitgevoerd. Van de aangetroffen verontreinigingen is er een aantal gesaneerd. Ten aanzien van een verontreiniging in het grondwater met vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen is een geohydrologische beheersmaatregel in werking gesteld. Voor meer gegevens met betrekking tot deze saneringen wordt verwezen naar genoemde notitie (Notitie Verontreinigingssituatie bodem IJsseldijk 337 - 365 te Krimpen aan de IJssel op basis van dossieronderzoek. Mcon; nummer: 0403.001.002_versie 2; 11 augustus 2004).
Algemeen Opgemerkt wordt dat ter plaatse van het gehele binnendijkse gebied van IJsseldijk 337 t/m 365 (waaronder huidige onderzoekslocatie) matig tot sterke verontreinigingen zijn aangetroffen en dat deze aangetroffen grondverontreinigingen door het bevoegd gezag als één geval van ernstige bodemverontreiniging is beschouwd. Hiervoor is een beschikking afgegeven (Wbb code DC05400031, voorheen ZH 260/0031). Daarnaast zijn binnen genoemd traject een aantal beschikkingen afgegeven voor deelsaneringen, die in eigen beheer zijn uitgevoerd (o.a. genoemde saneringen ter plaatse van het voormalige terrein Thyssen de Reus). 3.6 BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE Op basis van de grondwaterkaart van TNO kan het volgende overzicht van de regionale bodemopbouw en geohydrologie worden opgesteld: Tabel 3.5.1: regionale bodemopbouw en geohydrologie. Laag
Top-basis
Grondsoort
[m t.o.v. NAP]
Stijghoogte grondwater
Stromingsrichting
[m t.o.v. NAP]
Deklaag
-1 tot -16
klei en veen
1e watervoerend pakket
-16 tot -30
matig fijn zand tot uiterst grof
-2,5
onbekend
(grindhoudend) zand 1e scheidende laag
-30 tot ?
klei en leemhoudende afzettingen
Het freatisch grondwater betreft zoetwater. In horizontale richting stroomt het freatisch grondwater waarschijnlijk richting de insteekhaven. De damwanden langs de Hollandsche IJssel verhinderen wellicht dat het grondwater stroomt in de richting naar de rivier. MH Nederland BV, B06.125.V1: Milieukundig bodemonderzoek voormalige scheepswerf Joh. van Duijvendijk te Krimpen aan den IJssel.
7
Ter plaatse van de onderzoekslocatie is sprake van een geringe mate van infiltratie. Voor
zover
bekend
bevinden
zich
in
de
directe
omgeving
van
de
locatie
geen
grondwateronttrekkingen plaats, die van invloed zijn op de grondwatersituatie ter plaatse van de locatie.
4. HYPOTHESE VERONTREINIGINGSSITUATIE Grond en grondwater Uit de beschikbare informatie zijn naast het gehele terrein, een aantal verdachte deellocaties naar voren gekomen. Navolgende worden de afzonderlijk te beschouwen terreindelen en de te verwachte stoffen besproken: - Gehele terrein: circa 1,28 ha.; de te verwachte stoffen in grond en/of grondwater zijn zware metalen, PAK en minerale olie; de verwachte verontreinigde laag is van maaiveld tot ca. 1,0 m -mv. - Deellocatie I: Monumentale loods 1; ca. 330 m2; de te verwachte stoffen in grond en/of grondwater zijn zware metalen, PAK en minerale olie; de verwachte verontreinigingsdiepte is 0,5 m -mv. - Deellocatie II: Locatie olieopslag; ca. 270 m2; de te verwachte stof in grond en/of grondwater is minerale olie en vluchtige aromaten en deels zware metalen; de verwachte verontreinigingsdiepte is 2,0 m -mv. - Deellocatie III: Terreinuitbreiding/ophoging 1990; ca. 380 m2; de te verwachte stoffen in grond zijn zware metalen, PAK en minerale olie; de verwachte verontreinigingsdiepte is 3,0 m -mv. - Deellocatie IV: Dwarse scheepshelling; ca. 2.200 m2; de te verwachte stoffen in grond en/of grondwater zijn zware metalen, PAK en minerale olie; de verwachte verontreinigingsdiepte is 0,5 m -mv. - Deellocatie V: Monumentale loods 2; ca.
595 m2; de te verwachte stoffen in grond en/of grondwater zijn zware metalen, PAK en minerale olie; de verwachte verontreinigingsdiepte is 0,5 m -mv. - Deellocatie VI: Voormalige afgewerkte olietank; beschouwd als puntbron (oppervlak < 0,001 ha); de te verwachte stof in grond en/of grondwater is minerale olie; de verwachte verontreinigingsdiepte is 1,0 m -mv. - Deellocatie VII: Voormalige HBO-olietank; beschouwd als puntbron (oppervlak < 0,001 ha); de te verwachte stof in grond en/of grondwater is minerale olie; de verwachte verontreinigingsdiepte is 1,0 m -mv. - Deellocatie VIII: Loods 3; ca. 80 m2; de verwachte stoffen in grond en/of grondwater zijn zware metalen, PAK, minerale olie en vluchtige aromaten; de te verwachte verontreinigingsdiepte is 0,5 m -mv. - Deellocatie IX: Magazijn; ca. 170 m2; de verwachte stoffen in grond en/of grondwater zijn zware metalen, PAK, minerale olie, glycolen en vluchtige verbindingen (aromaten en oplosmiddelen); de te verwachte verontreinigingsdiepte is 0,5 m -mv. - Deellocatie X: Trafohuis; ca. 30 m2; de verwachte stoffen in grond en/of grondwater zijn minerale olie en PCB’s; de te verwachte verontreinigingsdiepte is 0,5 m -mv.
MH Nederland BV, B06.125.V1: Milieukundig bodemonderzoek voormalige scheepswerf Joh. van Duijvendijk te Krimpen aan den IJssel.
8
- Deellocatie XI: Vatenopslag; ca. 25 m2; de te verwachte stoffen in grond en/of grondwater zijn zware metalen, PAK, minerale olie en vluchtige aromaten; de verwachte verontreinigingsdiepte is 1,0 m -mv. - Deellocatie XII: Gronddepot; verwachte omvang van ca. 350 m3; de te verwachte stoffen zijn zware metalen en PAK. - Deellocatie XIII: Terreinuitbreidingen/ophogingen 1932 t/m 1940 en 1960; ca. 3.290 m2; de te verwachte stoffen in grond zijn zware metalen, PAK en minerale olie; de verwachte verontreinigingsdiepte is 3,0 m -mv. - Deellocatie XIV: Terreinuitbreiding/ophoging 1975; ca. 690 m2; de te verwachte stoffen in grond zijn zware metalen, PAK en minerale olie; de verwachte verontreinigingsdiepte is 3,0 m -mv. De deellocaties zijn weergegeven in bijlage 2.1. De voornoemde locaties worden alle als verdacht beschouwd. Voor het gehele terrein wordt de hypothese verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde stof op schaal van monsterneming (VED-HE)” gesteld. Volgens de NEN 5740 wordt deze hypothese aanvaard indien de verwachte stoffen in de grond en/of het freatisch grondwater worden aangetroffen in een wisselende concentratie boven de streefwaarden. Hierbij dient rekening te worden gehouden met een ruime spreiding in analyseresultaten alsmede de ruimtelijke verdeling van de verontreinigende stoffen binnen de onderzoekslocatie.
Voor de locaties I t/m XIV, exclusief de locaties III, XII t/m XIV, wordt de hypothese “verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern (VEP) (uitgezonderd ondergrondse opslagtanks)" gesteld. Volgens de NEN 5740 worden deze hypotheses niet verworpen wanneer onderhavig onderzoek aantoont dat ter plaatse van deze locaties inderdaad verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond en/of het freatisch grondwater. Voor de locatie XII (gronddepot) wordt verwacht dat sprake is van verontreinigde grond. Ten aanzien van de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van de deellocaties III, XIII en XIV dient de hypothese “verdachte locatie met een homogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming (VED-HO)" als uitgangspunt te worden genomen. Volgens de NEN 5740 wordt deze hypothese aanvaard indien de verwachte stoffen in de grond worden aangetroffen in vergelijkbare concentratie boven de streefwaarden. Hierbij dient rekening te worden gehouden met enige spreiding in de analyseresultaten, alsmede de ruimtelijke verdeling van de verontreinigende stoffen binnen de onderzoekslocatie. Asfalt, slakkenverharding en funderingsmateriaal Ten aanzien van de asfaltverhardingen wordt verwacht dat sprake is van niet-teerhoudend en derhalve ‘warm’ herbruikbaar asfalt.
Voor de funderingslagen en de slakkenverharding wordt verwacht dat het materiaal indicatief zal worden beoordeeld als categorie 1 materiaal. Waterbodem insteekhaven Verwacht wordt dat de waterbodem van de insteekhaven ter plaatse van de onderzoekslocatie ‘verontreinigd’ is. MH Nederland BV, B06.125.V1: Milieukundig bodemonderzoek voormalige scheepswerf Joh. van Duijvendijk te Krimpen aan den IJssel.
9
5. MILIEUTECHNISCH ONDERZOEK 5.1 ONDERZOEKSOPZET Grond en grondwater Uitgaande van de hypothese “verdachte locatie met een diffuse bodembelasting met een heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming (VED-HE)”, wordt het gehele terrein, conform de NEN 5740, onderzocht door middel van een aantal boringen en peilbuizen dat afhankelijk is gesteld van de verwachte verontreinigde oppervlakte. De monsters worden geanalyseerd op de verwachte stoffen. In afwijking op de NEN 5740 zullen geen mengmonsters in het veld worden samengesteld maar in het laboratorium. Binnen het actualiserend bodemonderzoek naar het gehele terrein zal tevens de eerder aangetroffen verontreiniging in de toplaag (tot ca. 1,0 m -mv) ter plaatse van de onderzoekslocatie verticaal in kaart worden gebracht. Uitgaande van de hypothese "verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern (VEP) (uitgezonderd ondergrondse opslagtanks)" worden de deellocaties I en IV t/m XI, conform de NEN 5740, gericht onderzocht door middel van een aantal boringen en peilbuizen dat afhankelijk is gesteld van de verwachte oppervlakte van de verontreinigingskern. De monsters worden geanalyseerd op de verwachte stoffen.
Ter plaatse van deellocatie II (locatie olieopslag) zal de eerder aangetroffen matig tot sterke verontreiniging met minerale olie en/of naftaleen in de grond en/of het grondwater nader worden onderzocht. Het nader bodemonderzoek zal worden gebaseerd op het “Protocol voor het nader bodemonderzoek’. Uitgaande van de hypothese "verdachte locatie met een diffuse bodembelasting met een homogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming (VED-HO)" worden de deellocaties III, XIII en XIV, conform de NEN 5740, onderzocht door middel van een aantal boringen dat afhankelijk is gesteld van de oppervlakte van de onderzoekslocatie. De monsters worden geanalyseerd op de verwachte stoffen. In onderhavig onderzoek zal ten behoeve van het onderzoek naar locatie XII (gronddepot) indicatief worden getoetst aan het Bouwstoffenbesluit. Dit aangezien de analyses niet conform de AP04-richtlijnen zullen worden uitgevoerd. De monsterneming zal echter wel conform de AP04-richtlijnen plaatsvinden. Monsterneming locatie XII (gronddepot): - Monsterneming uitvoeren op basis van VKB-protocol 1001 (versie 1), Monsterneming grond voor partijkeuringen Bouwstoffenbesluit. - Monsterneming op basis van het gebruikersprotocol. - De partij heeft een verwachte omvang van minder dan 2.000 ton. - De partij betreft een aaneengesloten (in-situ) gronddepot gelegen op één locatie.
- Het nemen van minimaal 100 grepen uit boringen die in een systematisch boorraster over de partij zijn verdeeld. - De greepgrootte bedraagt minimaal 0,180 kg. - Het samenstellen van 2 mengmonsters van ieder 50 grepen. MH Nederland BV, B06.125.V1: Milieukundig bodemonderzoek voormalige scheepswerf Joh. van Duijvendijk te Krimpen aan den IJssel.
10
-
De te hanteren zekerheidsfactor bedraagt 1. Het gekoeld afvoeren van de in emmers verpakte mengmonsters naar het laboratorium.
Analyses locatie XII (gronddepot): - Het, ten behoeve van het bepalen van de samenstelling analyseren van 2 mengmonsters op 8 (zware) metalen, PAK, EOX, minerale olie en droge stof conform de NEN-normen. - Van 1 mengmonster wordt het percentage aan lutum en organische stof bepaald. Eén en ander ten behoeve van de bepaling van de toetsingswaarden. Tevens zal van dit mengmonster ten behoeve van de eventuele afvoer van het materiaal naar een verwerker, een bepaling van de korrelverdeling worden uitgevoerd. Asfalt, slakkenverharding en funderingsmateriaal De asfaltverharding op het terrein zal conform het gestelde in de toelichting bij het formulier “Acceptatie Asfaltgranulaat t.a.v. Milieuhygiënische Eigenschappen” van het NCOB onderzocht worden. Van de funderingslaag en de slakkenverharding zullen de indicatieve hergebruiksmogelijkheden worden bepaald. Ter plaatse van de asfaltverhardingen worden reeds boringen in het kader van het onderzoek naar de grond en het grondwater verricht. Hierbij zullen enkele asfaltkernen worden bemonsterd voor analytisch onderzoek. De verkregen asfaltkernen zullen worden behandeld met een zogenaamde PAK-marker om te beoordelen of sprake is van teerhoudend asfaltlagen. Vervolgens zal het asfalt chemisch-analytisch worden onderzocht op de parameter PAK.
De funderingslaag van de asfaltverharding en de slakkenverharding die verspreid over het gehele terrein aanwezig is, worden eveneens in het kader van voornoemd onderzoek naar grond en grondwater bemonsterd. Dit materiaal zal worden geanalyseerd op het NEN-grondpakket (8 zware metalen, minerale olie, PAK en EOX). De analyseresultaten van de organische parameters worden indicatief getoetst aan het normenkader van het Bouwstoffenbesluit voor bouwstoffen niet zijnde grond. Waterbodem De waterbodem ter plaatse van de insteekhaven zal worden onderzocht conform de NVN 5720 voor verkennend waterbodemonderzoek. Algemeen De veldwerkactiviteiten worden uitgevoerd conform de BRL-SIKB 2000 “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek”. De monsterneming van het gronddepot is uitgevoerd conform de BRL SIKB 1000 “Monsterneming voor Partijkeuringen Bouwstoffenbesluit”. 5.2 UITGEVOERD VELDWERK Het veldwerk ten behoeve van het bodemonderzoek heeft plaatsgevonden in oktober 2006. Grond en grondwater In tabel 5.2.1 is een overzicht weergegeven van het verrichte veldwerk ter plaatse van de onderzoekslocatie.
MH Nederland BV, B06.125.V1: Milieukundig bodemonderzoek voormalige scheepswerf Joh. van Duijvendijk te Krimpen aan den IJssel.
11
Tabel 5.2.1: Overzicht verrichte boringen en genomen steekbussen. Deellocatie Boringen Boringnummer
Peilbuizen
Gehele terrein
2 x filter 0,5-1,5 m -gws
Peilbuisnummer 11 en 24
1 x filter 0,5-1,5 m -gws
102A
12 tot ca. 0,5 m -mv waarvan 1 t.p.v. deellocatie IV 10 tot ca. 1,0 m -mv waarvan 3 t.p.v. deellocatie IV
I. Monumentale loods 1 II. Locatie olieopslag
III. terreinuitbreiding/ ophoging 1990 IV. Dwarse scheepshelling
7, 13, 15, 16, 17, 18, 19, 21, 22, 23, 25 en 29 13 1, 2, 4, 8, 9, 10, 14, 20, 26 en 28 2, 9 en 10
5 tot ca. 2,0 m -mv
3, 6, 12, 27 en 30
waarvan 2 t.p.v. deellocatie IV
6, 12
4 tot ca. 0,5 m -mv
101, 102, 103 en 104
1 tot ca. 1,0 m -mv
101A
2 tot ca. 0,5 m - mv (gestuit) 2 tot ca. 2,0 m -mv
204 en 205
1 x filter 0,5-1,5 m -gws
213
209 en 212
6 x filter snijdend
203, 206, 207, 208, 211, 214
2 tot ca. 2,5 à 3,0 m -mv
210 en 215
1 x diep filter t.b.v. verticale afperking
202
2 steekbusmonsters 2 tot ca. 1,5 m -mv
207.5 en 210.4 301 en 303
6 tot ca. 0,5 m -mv
13, 402, 403, 405, 406 en 408 13
geen 1 x filter 0,5-1,5 m -gws
404
1 x filter 0,5-1,5 m -gws
503
VI. Voormalige afgewerkte olietank
1 x filter snijdend (noordelijker verricht door ondoordringbare laag in grond)
601
VII. Voormalige HBO-tank
1 x filter snijdend
701
waarvan 1 van het gehele terrein 3 tot ca. 1,0 m -mv van het gehele terrein 4 tot ca. 2,0 m -mv waarvan 2 van het gehele terrein V. Monumentale loods 2
4 tot ca. 1,0 m -mv
2, 9 en 10 6, 12, 401 en 407 6 en 12 501, 502, 504 en 505
VIII. Loods 3
2 tot ca. 1,0 m -mv
801 en 803
1 x filter 0,5-1,5 m -gws
802
IX. Magazijn
3 tot ca. 1,0 m -mv 1 steekbusmonster
901, 902 en 904 903.2
1 x filter 0,5-1,5 m -gws
903
X. Trafohuis
2 tot ca. 1,0 m -mv
1001 en 1003
1 x filter snijdend
1002
XI. Vatenopslag
2 tot ca. 1,0 m -mv
1102 en 1103
1 x filter snijdend
1101
XII. Gronddepot
2 x 50 grepen conform het Bouwstoffenbesluit 10 tot ca. 2,0 à 3,0 m -mv
MM1 en MM2
geen
24, 27, 30, 1301 t/m 1304 en 1401 t/m 1403
geen
waarvan 3 van het gehele terrein waarvan 3 t.p.v. deellocatie XIV
24, 27 en 30
XIII. Terreinuitbreidingen / ophogingen 1932 t/m 1940 en 1960
1401 t/m 1403
MH Nederland BV, B06.125.V1: Milieukundig bodemonderzoek voormalige scheepswerf Joh. van Duijvendijk te Krimpen aan den IJssel.
12
Tabel 5.2.1 (vervolg): Overzicht verrichte boringen en genomen steekbussen. Deellocatie Boringen Boringnummer XIV. Terreinuitbreiding/ ophoging 1975
3 tot ca. 2,5 à 3,0 m -mv (van deellocatie XIV)
1401 t/m 1403
waarvan 3 t.p.v. deellocatie XIII
1401 t/m 1403
Peilbuizen
Peilbuisnummer
geen
Ten aanzien van het monsternemingsplan en het monsternemingsformulier voor het onderzoek naar het gronddepot (deellocatie XII) wordt verwezen naar de bijlagen 3.1 (monsternemingsplan) en 3.2 (monsternemingsformulier). Opgemerkt wordt dat de omvang van het depot tijdens de uitvoering van het veldwerk is geschat op ca. 550 m3 (880 ton). Asfalt, slakkenverharding en funderingsmateriaal De asfaltkernen verkregen ten behoeve van een deel van voornoemde boringen zijn bemonsterd voor analytisch onderzoek, waarna de verkregen asfaltkernen zijn behandeld met een zogenaamde PAK-marker om te beoordelen of sprake is van teerhoudende asfaltlagen. De funderingslaag onder de asfaltverharding en de slakkenverharding zijn eveneens in het kader van het onderzoek naar grond en grondwater verkregen en bemonsterd. Waterbodem Ter plaatse van de insteekhaven zijn, ruimtelijk verdeeld, 14 zuigerboringen tot ca. 0,3 à 1,0 m -wb verricht (1501 t/m 1507, 1509 t/m 1512, 1514 en 1516). Drie zuigerboringen konden niet tot de gewenste diepte worden doorgezet in verband met de aanwezigheid van de scheepshelling ter plaatse van de geplande boorlocaties (1508, 1513 en 1515). Algemeen De boorlocaties zijn ingemeten ten opzichte van markante terreinpunten.
Van de boringen ter plaatse van de insteekhaven zijn tevens de x- en y-coördinaten van het stelsel binnen de Rijksdriehoeksmeting ingemeten met behulp van een dGPS. Voor de ligging van de boorlocaties wordt verwezen naar de bijlage 2.2. Tijdens de boorwerkzaamheden is de grond zintuiglijk beoordeeld op kleur, geur en textuur. De bodem is laagsgewijs bemonsterd waarbij monsters zijn samengesteld per te onderscheiden bodemlaag of maximaal 0,5 meter bodemtraject. Tevens zijn tijdens de werkzaamheden het terreinoppervlak alsmede het opgeboorde bodemmateriaal geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Circa 1 week na plaatsing zijn de peilbuizen, na afpompen, bemonsterd. Voorafgaand aan de bemonstering zijn in het veld de pH en geleidbaarheid (EC) van het grondwater bepaald en is de stijghoogte opgenomen. De werkzaamheden in het kader van het veldwerk die vallen onder de BRL-SIKB 2000, zijn uitgevoerd onder certificaat. Hiermee is voldaan aan de proceseisen uit deze BRL.
MH Nederland BV, B06.125.V1: Milieukundig bodemonderzoek voormalige scheepswerf Joh. van Duijvendijk te Krimpen aan den IJssel.
13
5.3 VELDWAARNEMINGEN De in het veld opgestelde profielbeschrijvingen zijn grafisch weergegeven in de bijlagen 4.1 t/m 4.26. In bijlage 4.0 is de legenda behorende bij de profielbeschrijvingen opgenomen. Grond en grondwater De bodemopbouw op de locatie kan, tot de maximale onderzoeksdiepte, als volgt worden omschreven: Vanaf maaiveld of onderzijde (half)varharding wordt in het algemeen tot maximaal ca. 2,8 m -mv kleiig en/of siltig zand aangetroffen. Betreffende bodemlaag wordt plaatselijk onderbroken door kleilagen. Vanaf de onderzijde van voornoemde zandlaag tot de maximale onderzoeksdiepte (ca. 4,3 m -mv) is (zandige) klei aanwezig. De ophooglaag die is aangebracht in 1940 en de hierboven gelegen bodemlaag uit 1960 (deellocatie XIII) bestaat veelal uit respectievelijk licht tot matig zandige klei en slibhoudend kleiig zand. Op basis van de boorprofielen van boring 1401 en 1402 kan worden gesteld dat de ophooglaag die is aangebracht in 1975 (en op de slibhoudende bodemlaag uit 1960 is gelegen) is samengesteld uit siltig zand (deellocatie XIV). Siltig zand is tevens aangebracht ten behoeve van de terreinuitbreiding in 1990 (deellocatie III). Verspreid over de locatie worden in de boven- en ondergrond puin- en/of kolenbijmengingen aangetroffen.
Aan de westzijde van de locatie is in de ondergrond van boring 214 een teerhoudende laag aanwezig en zijn in de ondergrond van boring 208 slibbijmengingen aanwezig. Oliegeuren zijn aangetroffen in de ondergrond ter plaatse van de olieopslag (deellocatie II), nabij het gronddepot (boring 30) en in de bovengrond ter plaatse van loods 3 (deellocatie XIII). Over de gehele locatie konden boringen niet tot de gewenste diepte worden doorgezet, aangezien betreffende boringen zijn gestuit op een ondoordringbare laag. Zeer waarschijnlijk zijn de boringen gestuit op puin in de ondergrond. Enkele boringen konden, nadat deze verzet waren, wel tot de gewenste onderzoeksdiepte worden doorgezet. Tevens dienden enkele boringen te worden verzet door de aanwezigheid van kabels en leidingen in de grond. De veldmetingen met betrekking tot het grondwater zijn weergegeven in de navolgende tabel. Aangegeven zijn de filterdiepte (FD), stijghoogte (SH), geleidbaarheid (EC) en zuurgraad (pH). Tabel 5.3.2: Gegevens van de peilbuizen. FD [m –mv] Peilbuisnummer (boven – onder)
SH t.o.v. mv [m]
EC * [mS/m]
pH. [-]
Bijzonderheden
2,6 tot 3,6 2,2 tot 3,2
-1,64 -1,14
95,5 57,6
6,8 6,9
---
1,5 tot 2,5
-1,41
21,0
6,8
--
Gehele terrein 11 24 I: Monumentale loods 1 102A
* De geleidbaarheid is gecorrigeerd naar 25 ºC.
MH Nederland BV, B06.125.V1: Milieukundig bodemonderzoek voormalige scheepswerf Joh. van Duijvendijk te Krimpen aan den IJssel.
14
Tabel 5.3.2 (vervolg): Gegevens van de peilbuizen. Peilbuisnummer FD [m –mv] SH t.o.v. mv (boven – onder) [m]
EC * [mS/m]
pH. [-]
Bijzonderheden
II: Locatie olieopslag 201
0,7 tot 2,7
-1,73
110
7,4
202 203 206 207 208 211 213 214
3,7 tot 4,7 1,2 tot 2,2 1,5 tot 3,0 1,5 tot 2,5 2,0 tot 4,0 1,2 tot 3,2 2,2 tot 3,2 1,1 tot 3,1
-1,70 -1,85 -1,55 -1,49 -2,32 -2,54 -1,73 -2,00
59,1 42,9 32,7 58,9 60,5 51,7 66,1 51,4
7,3 7,3 6,9 7,1 7,0 7,2 7,2 7,5
filter snijdend met grondwater; drijflaag van ca. 20 cm zwarte olie; peilbuis Arnicon, 2000 ten behoeve van verticale afperking filter snijdend met grondwater filter snijdend met grondwater filter snijdend met grondwater filter snijdend met grondwater filter snijdend met grondwater -filter snijdend met grondwater
2,1 tot 3,1
-1,47
49,7
7,2
--
2,7 tot 3,7
-1,63
43,8
7,3
--
1,2 tot 2,2
-1,64
43,8
7,2
filter snijdend met grondwater
2,7 tot 4,2
-2,33
176
6,9
tijdens monstername bleek peilbuis niet snijdend
1,3 tot 2,3
-0,56
66,8
7,8
--
1,0 tot 2,0
-0,67
33,7
7,6
--
0,0 tot 1,0
-0,45
21,8
7,9
filter snijdend met grondwater
0,5 tot 2,5
-1,42
62,0
7,1
filter snijdend met grondwater
IV: Dwarse scheepshelling 404 V: Monumentale loods 2 503
VI: Voormalige afgewerkte olietank 601 VII: Voormalige HBO-tank 701 VIII: Loods III 802 IX: Magazijn 903 X: Trafohuis 1002 XI: Vatenopslag 1101
* De geleidbaarheid is gecorrigeerd naar 25 ºC.
Op basis van de peilbuisgegevens kan het volgende worden afgeleid: - De pH vertoont enige variatie, maar vertoont geen afwijkende waarden ten opzichte van het landelijke beeld. - De EC van het grondwater vertoont enige variatie, maar vertoont geen afwijkende waarden ten opzichte van het landelijke beeld. Asfalt, funderingsmateriaal en slakkenverharding Ten behoeve van het verkrijgen van inzicht in de samenstelling van de asfaltverharding ter plaatse van de onderzoekslocatie, zijn de asfaltkernen zintuiglijk beoordeeld. Tabel 5.3.3 geeft een overzicht van de geboorde asfaltkernen. Hierin zijn opgenomen de resultaten van de behandeling van de asfaltkernen met de PAK-marker.
MH Nederland BV, B06.125.V1: Milieukundig bodemonderzoek voormalige scheepswerf Joh. van Duijvendijk te Krimpen aan den IJssel.
15
Tabel 5.3.3: Overzicht zintuiglijke beoordeling asfaltkernen. *
OAB = open asfaltbeton DAB = dicht asfaltbeton STAB = gestabiliseerd asfalt GAB = grindasfaltbeton = geen PAK-signalering. + = zwakke PAK-signalering. ++ = matige PAK-signalering. +++ = sterke PAK-signalering. Asfaltkern
Dikte (cm)
Omschrijving *
PAK-marker
Westzijde onderzoekslocatie 7.1a 7.1b
0 - 10 10 - 13
DAB GAB
+ -
11.1
0 - 13
DAB
+
14.1
0 - 13 13 - 14
DAB GAB
+ -
202.1
0-5 5 - 15
DAB STAB
+ +
203.1
0-7 7 - 13
DAB STAB
+ +
204.1
0 - 12
DAB
+
Gemiddelde dikte asfalt: 13,3 Oostzijde onderzoekslocatie 22
0-3
OAB
+
23
0 - 10
DAB
+
1002
0-3
OAB
+
1003
0-3
OAB
+
Gemiddelde dikte asfalt:
4,8
Asfaltkern
Dikte (cm)
Omschrijving *
PAK-marker
Het onderliggende funderingsmateriaal bestaat aan de westzijde uit repakpuin en aan de oostzijde uit slakken. De slakkenverharding die verspreid over de locatie als halfverharding aanwezig is, heeft een gemiddelde dikte van ca. 23 cm. Ten behoeve van het bodemonderzoek zijn 36 kernboringen door een stelcon- of betonverharding verricht. De doorboorde stelcon- en betonverharding heeft een dikte van ca. 12 tot 46 cm. De exacte dikte van de stelcon- en betonverhardingen is aangegeven in bijlagen 4.1 t/m 4.26. Waterbodem Ter plaatse van de insteekhaven wordt een zandige sliblaag aangetroffen. Het slib wordt aan de noordoostzijde van de insteekhaven aangetroffen tot de maximale onderzoeksdiepte (ca. 1,0 m -wb). Plaatselijk bevindt zich in de toplaag slibhoudend zand of slibhoudende klei. Aan de zijde van de scheepshelling is plaatselijk geen waterbodemmateriaal aangetroffen. Naast de aanwezigheid van slib zijn in de insteekhaven aan de zijde van de Hollandsche IJssel in het kleiige waterbodemmateriaal puinbijmengingen aangetroffen.
MH Nederland BV, B06.125.V1: Milieukundig bodemonderzoek voormalige scheepswerf Joh. van Duijvendijk te Krimpen aan den IJssel.
16
5.4 ANALYSESTRATEGIE Op basis van de onderzoeksopzet en de zintuiglijke waarnemingen zijn grond- en grondwatermonsters geselecteerd voor analyse. De analyses zijn grotendeels uitgevoerd in het NEN-EN-ISO 17025 (voorheen Sterlab) geaccrediteerde laboratorium van Omegam te Amsterdam. De analyses op glycolen zijn uitgevoerd in het NEN-EN-ISO 17025 geaccrediteerde laboratorium van Agrolab Group (Al-West) te Deventer. In tabel 5.4.1 is een overzicht weergegeven van de uitgevoerde analyses. Tabel 5.4.1: Overzicht analysestrategie. Deellocatie Grond*
Grondwater**
Gehele terrein
6 x NEN-grond, incl. lutum en organische stof 1 x NEN-grond
2 x NEN-grondwater
I. Monumentale loods 1
1 x NEN-grond, incl. lutum en organische stof
1 x NEN-grondwater
II. Locatie olieopslag
1 x NEN-grond, incl. lutum en organische stof 1 x NEN-grond 12 x minerale olie 3 x minerale olie en vl. aromaten 4 x organische stof
1 x NEN-grondwater 8 x minerale olie en vl. aromaten
III. Terreinuitbreiding/ ophoging 1990
1 x NEN-grond, incl. lutum en organische stof 1 x NEN-grond
IV. Dwarse scheepshelling
2 x NEN-grond, incl. lutum en organische stof 1 x NEN-grond
1 x NEN-grondwater
V. Monumentale loods 2
1 x NEN-grond, incl. lutum en organische stof
1 x NEN-grondwater
VI. Voormalige afgewerkte olietank
1 x minerale olie 1 x organische stof
1 x minerale olie
VII. Voormalige HBO-tank
1 x minerale olie 1 x organische stof
1 x minerale olie
VIII. Loods 3
1 x NEN-grond, incl. lutum en organische stof
1 x NEN-grondwater
IX. Magazijn
1 x NEN-grond, incl. lutum en organische stof 1 x glycol 1 x fenol/cresolen 1 x vl. aromaten en vl. chlooralifaten
1 x NEN-grondwater 1 x glycol 1 x fenol-index
X. Trafohuis
1 x minerale olie 1 x PCB 1 x organische stof
1 x minerale olie 1 x PCB
XI. Vatenopslag
1 x NEN-grond, incl. lutum en organische stof
1 x NEN-grondwater
XII. Gronddepot
2 x NEN-grond, incl. lutum en organische stof 1 x zeefkromme en fractie > 2 mm
XIII. Terreinuitbreidingen/ ophogingen 1932 t/m 1940 en 1960
2 x NEN-grond, incl. lutum en organische stof 2 x NEN-grond
XIV. Terreinuitbreiding/ ophoging 1975
1 x NEN-grond, incl. lutum en organische stof 1 x NEN-grond
Opmerking: * Het NEN-grondpakket bestaat uit 8 (zware) metalen, PAK, EOX en minerale olie. ** Het NEN-grondwaterpakket bestaat uit 8 (zware) metalen, vluchtige aromatische koolwaterstoffen (BTEXN), vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (VOCL) en minerale olie.
MH Nederland BV, B06.125.V1: Milieukundig bodemonderzoek voormalige scheepswerf Joh. van Duijvendijk te Krimpen aan den IJssel.
17
In afwijking van de NEN 5740 is het lutum- en organische stofpercentage bepaald per te onderscheiden geanalyseerde grondsoort en niet per te analyseren (meng)monster en zijn geen mengmonsters in het veld samengesteld maar in het laboratorium. Voor de wijze waarop de mengmonsters zijn samengesteld, wordt verwezen naar de overschrijdingstabellen in paragraaf 6.4. In deze tabellen is tevens een korte beschrijving van de aard van de (meng)monsters opgenomen. 6. TOETSINGSRESULTATEN 6.1 TOETSINGSKADER 6.1.1 GROND EN GRONDWATER (WET BODEMBESCHERMING) Algemeen Met ingang van mei 1994 zijn in het kader van de Wet bodembescherming interventiewaarden van kracht. Binnen genoemde wetgeving is sprake van de zogenaamde streefwaarde (S-waarde) en interventiewaarde (I-waarde). Hiernaast is uit deze waarden een “tussenwaarde” afgeleid, die wordt gedefinieerd als (S+I)/2. Met ingang van 27 februari 2000 zijn de herziene streef- en interventiewaarden voor de 4e tranche stoffen van kracht geworden zoals deze gepubliceerd zijn in de Nederlandse Staatscourant. De genoemde toetsingswaarden zijn wettelijk vastgesteld voor een zogenaamde standaardbodem en worden per te onderscheiden grondsoort gecorrigeerd op basis van het percentage aan lutum (deeltjes kleiner dan 2 μm) en organische stof. De streefwaarden geven het concentratieniveau aan waaronder sprake is van een duurzame bodemkwaliteit.
Indien de streefwaarde wordt overschreden, anders dan vanwege natuurlijke oorzaken, is er sprake van een bodemverontreiniging. De tussenwaarden geven het concentratieniveau aan waarboven onder bepaalde omstandigheden risico’s voor mens en milieu aanwezig kunnen zijn. Bij overschrijding van de tussenwaarde is nader onderzoek naar de mate en omvang van de verontreiniging formeel noodzakelijk. De interventiewaarden geven het concentratieniveau aan waarboven, afhankelijk van de omvang van de verontreiniging, sprake kan zijn van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Binnen het huidige kader van de Wet bodembescherming is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging indien de gemiddelde concentratie in 25 m3 grond of in 100 m3 grondwater (bodemvolume) de interventiewaarde overschrijdt. In bijzondere situaties kan ook bij lagere concentraties sprake zijn van een geval van ernstige bodemverontreiniging, bijvoorbeeld indien bij lagere concentraties reeds verhoogde verspreidings- of blootstellingsrisico’s aanwezig zijn.
MH Nederland BV, B06.125.V1: Milieukundig bodemonderzoek voormalige scheepswerf Joh. van Duijvendijk te Krimpen aan den IJssel.
18
In de onderhavige rapportage worden overschrijdingen van de genoemde toetsingswaarden als volgt benoemd: “Niet verontreinigd” concentratie onder of gelijk aan de streefwaarde. “Licht verontreinigd” concentratie boven de streefwaarde maar onder of gelijk aan de tussenwaarde. “Matig verontreinigd” concentratie boven de tussenwaarde maar onder of gelijk aan de interventiewaarde. “Sterk verontreinigd” concentratie boven de interventiewaarde. Geval van verontreiniging Verschillende verontreinigde grondgebieden worden tezamen tot één geval van verontreiniging gerekend indien de grondgebieden waarop de verontreinigingen zich voordoen een technische, organisatorische en ruimtelijke samenhang vertonen. Hierbij dient in meer of mindere mate aan elk van de drie genoemde samenhangen voldaan te worden om als één geval te worden beschouwd. - Een organisatorische samenhang is aanwezig, wanneer de verontreinigingen een gevolg zijn van één en dezelfde organisatorische eenheid/veroorzaker. - Een technische samenhang is aanwezig, wanneer de verontreiniging het gevolg is van een bepaald proces, installatie of mechanisme. - Een ruimtelijke samenhang is aanwezig, wanneer de verontreinigingen aan elkaar grenzen of in elkaars directe nabijheid gelegen grondgebieden voorkomen of in het verspreidingsgebied van de verontreiniging liggen.
6.1.2 GROND (BOUWSTOFFENBESLUIT) Met betrekking tot het toepassen van zowel primaire als secundaire grondstoffen dient per november 2005 te worden getoetst aan het herziene normenkader voor hergebruik zoals dat is opgenomen in het Bouwstoffenbesluit. In het normenstelsel van het Bouwstoffenbesluit is voor “grond” voor zowel organische als anorganische parameters sprake van samenstellingseisen, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de ’samenstellingswaarden voor schone grond’ (bijlage 1 van het Bouwstoffenbesluit) en de ‘samenstellingswaarden voor niet zijnde schone grond’ (bijlage 2 van het Bouwstoffenbesluit). Hiernaast is voor de anorganische parameters sprake van een samenstellingeis (Bsb-tussenwaarde), waarbij bij een gehalte boven deze waarde uitloogonderzoek noodzakelijk is. In de onderhavige rapportage worden voornoemde samenstellingswaarden als volgt herbenoemd: “samenstellingswaarde” = samenstellingswaarde voor schone grond. “grenswaarde” = samenstellingswaarde voor niet zijnde schone grond. De grenswaarden uit het Bouwstoffenbesluit zijn afgeleid van de interventiewaarden, in die zin dat ze in de regel gelijk zijn aan de interventiewaarden. Voor minerale olie, vluchtige aromaten en enkele minder gangbare stoffen liggen de grenswaarden aanzienlijk lager.
Indien een partij met een omvang van minder dan 2.000 ton is onderzocht met 2 mengmonsters van ieder minimaal 50 grepen, dan kunnen zich na het samenstellingsonderzoek 4 situaties voordoen.
MH Nederland BV, B06.125.V1: Milieukundig bodemonderzoek voormalige scheepswerf Joh. van Duijvendijk te Krimpen aan den IJssel.
19
- Er worden geen samenstellingwaarden overschreden. In deze situatie is in onderhavig onderzoek indicatief sprake van materiaal dat als schone grond kan en mag worden hergebruikt. - Er wordt voor maximaal 3 parameters de samenstellingswaarde overschreden waarbij de overschrijding(en) niet meer dan tweemaal de samenstellingswaarde bedraagt. In deze situatie is in onderhavig onderzoek tevens indicatief sprake van schone grond. - De samenstellingswaarde wordt voor één of meerdere parameters overschreden (meer dan tweemaal) en van de anorganische parameters worden geen Bsb-tussenwaarden overschreden. In deze situatie is geen uitloogonderzoek noodzakelijk. Er is in onderhavig onderzoek indicatief sprake van categorie 1 grond met een onbeperkte toepassingshoogte. - Er is geen sprake van schone grond, er wordt voor één of meer anorganische parameters (metalen) de Bsb-tussenwaarde overschreden en er worden geen grenswaarden overschreden. In deze situatie dient op basis van uitloogonderzoek de immissie te worden bepaald van de anorganische parameters. Indien de immissienormen voor de anorganische parameters niet worden overschreden is hergebruik in principe toegestaan, mits enkele toepassingsvoorschriften in acht worden genomen.
Onderscheid wordt gemaakt in een categorie 1 bouwstof, die ongeïsoleerd kan worden toegepast en een categorie 2 bouwstof, die alleen geïsoleerd kan worden toegepast. Op basis van onderhavig indicatief onderzoek zal geen uitloogonderzoek worden uitgevoerd. - Er wordt voor één of meer parameters de grenswaarde overschreden. In deze situatie is hergebruik van het materiaal in principe in onderhavig onderzoek indicatief niet mogelijk. Alleen na bewerking/reiniging en nieuw onderzoek conform het Bouwstoffenbesluit kan blijken dat het materiaal wel herbruikbaar is als secundaire grondstof. In onderhavig onderzoek zal indicatief worden getoetst aan het Bouwstoffenbesluit. Indien men wenst de hergebruiksmogelijkheden van de grond conform het Bouwstoffenbesluit te bepalen, dient monsterneming en analyses conform de AP04-richtlijnen plaats te vinden. Homogeniteit Ten behoeve van de bepaling of analytisch sprake is van een partij die homogeen van kwaliteit is dient voor de partij de verhouding tussen de hoogst gemeten waarde en de laagst gemeten waarde van de onderzochte parameters te worden bepaald. Indien sprake is van een partij grond met een omvang < 2.000 ton die is onderzocht met 2 mengmonsters van ieder 50 grepen en de verhouding is kleiner of gelijk aan 2,5 dan is de partij voor deze parameter homogeen.
Voor alle andere onderzoeksstrategieën is sprake van homogeniteit indien de verhouding kleiner of gelijk is aan 2,1. Indien sprake is van een laagst gemeten waarde die gelegen is onder de detectielimiet wordt de laagst gemeten waarde gelijkgesteld aan de detectielimiet. Detectielimiet Bij de bepaling van de gemiddelde meetwaarde van een parameter binnen een partij worden de meetwaarden van de individuele monsters gesommeerd en gedeeld door het aantal monsters (rekenkundig gemiddelde). Indien voor een bepaalde parameter de detectielimiet niet wordt overschreden wordt voor deze parameter gerekend met een fictieve meetwaarde van 70 % van de detectielimiet. Deze waarde vertegenwoordigt de meest waarschijnlijke benadering van het werkelijke gehalte (Webster en Oliver 1990). Indien sprake is van een detectielimiet die gelegen is boven de samenstellingswaarde wordt de samenstellingswaarde gelijkgesteld aan de detectielimiet. MH Nederland BV, B06.125.V1: Milieukundig bodemonderzoek voormalige scheepswerf Joh. van Duijvendijk te Krimpen aan den IJssel.
20
Zekerheidsfactor Om te voorkomen dat een partij, als gevolg van spreiding in de onderzoeksresultaten, onterecht in een bepaalde categorie wordt ingedeeld is in het Bouwstoffenbesluit een zekerheidsfactor (ZF) geïntroduceerd. Voor de toetsing van de gemiddelde meetwaarden van de onderzochte parameters dienen deze vermenigvuldigd te worden met de zekerheidsfactor. De uiteindelijke indeling van de partij in een categorie vindt plaats op basis van de toetsing van de gecorrigeerde, gemiddelde meetwaarden. Voor het bepalen van de zekerheidfactor (ZF) bij niet vormgegeven bouwstoffen dient gebruik te worden gemaakt van het vermelde in §13.2 van bijlage F van de uitvoeringsregeling Bouwstoffenbesluit. Uit deze paragraaf volgt dat voor partijen grond van maximaal 2.000 ton die bemonsterd (2 x 50 grepen) en geanalyseerd (2 mengmonsters) zijn volgens het protocol voor schone grond de zekerheidsfactor gelijk is aan 1,0. In alle andere situaties kan de te hanteren zekerheidsfactor worden berekend op basis van de formule zoals vermeld in § 13.2 van bijlage F van de uitvoeringsregeling Bouwstoffenbesluit. 6.1.3 BOUWSTOF NIET-ZIJNDE GROND (BOUWSTOFFENBESLUIT) Asfalt Voor asfalt geldt over het algemeen dat het niet direct als bouwstof zal worden hergebruikt.
In de praktijk wordt opgebroken/gefreesd asfalt afgevoerd naar een asfaltcentrale waar het thermisch wordt gereinigd of direct als toeslagmateriaal wordt gebruikt. De grens voor direct hergebruik als toeslagmateriaal van asfalt (grenswaarde) ligt op 75 mg PAK per kg droge stof. Indien het gehalte PAK boven de grenswaarde ligt is het asfalt niet herbruikbaar. Dit houdt in dat het asfalt gereinigd dient te worden middels een thermische reinigingstechniek waarbij het teer (PAK) uit het asfalt wordt verwijderd. Het vrijkomende zand en steenslag (eigendom reiniger) kunnen als bouwstof worden hergebruikt. Indien het PAK gehalte onder de grenswaarde ligt is het asfalt herbruikbaar. Dit houdt in dat het her te gebruiken asfalt vermengd wordt met nieuw asfalt en derhalve een onderdeel van nieuw asfalt gaat vormen. Slakkenverharding en funderingsmateriaal Met betrekking tot het toepassen van zowel primaire als secundaire grondstoffen dient te worden getoetst aan het normenkader voor hergebruik zoals dat is opgenomen in het Bouwstoffenbesluit (Bsb). In het normenstelsel is voor de toetsing van bouwstoffen (niet grond) voor de organische parameters sprake van grenswaarden (bijlage 2 van het Bsb). Indien de grenswaarden voor de organische parameters niet worden overschreden dient op basis van uitloogonderzoek de immissie te worden bepaald van de anorganische parameters.