Bijlage - Afscheidslezing+Kim+Putters
Tekst van het document
Lezing bij afscheid van het Sociaal en Cultureel Planbureau
Kim Putters
Sociaal en Cultureel Planbureau Den Haag, mei 2022
Afscheidslezing SCP, 30 mei 2022 We realiseren het ons waarschijnlijk niet elke dag, maar we zitten midden in de overgang naar een ander type samenleving. Zoals ooit van de boerensamenleving naar de industriële revolutie. Al onze economische, sociale en politieke systemen kraken en schuren. Dit raakt iedereen, en dat heeft verschillende oorzaken. Zo dwingt de klimaatcrisis ons tot aanpassingen in onze manier van leven, maar ook om ervoor te zorgen dat schone energie, goed werk, gezond voedsel en duurzaam wonen voor iedereen bereikbaar zijn. Ook de arbeidsmarkt verandert. Door technologie en digitalisering is het de vraag hoe iedereen volwaardig en zinvol mee kan doen. Wat is goed werk en voor wie, en is dat te combineren met scholing en mantelzorg? Hoe zorgen we ervoor dat ook mensen in kwetsbare posities mee kunnen doen? En hoe kunnen we erop vertrouwen dat er een steuntje in de rug is als dat nodig is, ook als het nu goed gaat? Daar bovenop komt ook nog dat de diversiteit van achtergronden, opvattingen en gewoonten in ons land en dagelijks leven steeds groter wordt. Dat gaat niet vanzelf goed en met begrip voor elkaar. Kinderen van verschillende achtergronden komen elkaar op school al steeds minder vaak tegen. En in digitale bubbels hebben steeds meer mensen vooral contact met gelijkgestemden. Zowel fysiek als online leven we vaker in gescheiden werelden.
Dat hoeft niet slecht te zijn, maar de zorgen over polarisatie en gebrek aan wederzijds respect nemen toe. Steeds vaker is er twijfel over de vraag wie, en welke informatie, te vertrouwen is. Als dan ook de politiek verder fragmenteert en slagkracht verliest, zet dat het vertrouwen in het functioneren van onze democratische rechtsstaat onder druk. En dan hebben we ook nog te maken met het risico op een nieuwe pandemie en oorlog in Europa. De huidige overgang van type samenleving brengt dus opnieuw forse opgaves met zich mee. Standaard politieke en beleidsmatige antwoorden voldoen niet, en pakken niet vanzelf rechtvaardig uit. Zo is de overheid steeds meer zelfredzaamheid van mensen gaan vragen en is het afwachten of de markt goed voor ze zorgt. Bij het SCP maken wij ons er al jaren zorgen om dat dit niet realistisch is voor mensen met arbeidsbeperkingen, die dus niet geholpen zijn met de Participatiewet, of voor jongeren in de jeugdzorg. Maar ook de grote groep mensen met wie het doorgaans goed gaat, heeft er last van als kinderopvang en mantelzorg niet aansluiten bij de werksituatie, of als regels in de zorg onbegrijpelijk zijn. Het streven naar economische groei levert daarnaast ook niet altijd duurzame antwoorden op. Bovendien profiteerde niet iedereen van de welvaartsgroei.
Praktisch geschoolden kunnen nog steeds minder makkelijk aan vast werk komen dan academici, met veel onzekerheid als gevolg. Of dat nu over het inkomen gaat, of de kans op een eigen woning en een betere toekomst voor je kinderen. In woorden is er al jaren politieke wil om hier iets aan te doen, maar daar hebben zij nog weinig van gemerkt. Als zo de sociale ongelijkheid verdiept, dan is dat slecht voor de sociale samenhang, maar ook voor het vertrouwen in een overheid die problemen effectief aanpakt. Het is daarom nodig om ons sociaal contract te vernieuwen. Daarmee bedoel ik dat we opnieuw moeten vaststellen wat burgers, overheden, bedrijven en instellingen de komende jaren van elkaar mogen verwachten. Welke rechten, plichten en vrijheden daarbij horen. Het moet duidelijk zijn wat het sociaal contract ‘oplevert’ in termen van mee kunnen doen in de samenleving. Met welke groepen zijn we solidair, en welke bescherming biedt de overheid als het niet (meer) gaat? Helderheid over wat er van mensen wordt gevraagd, en wat ze daarvoor redelijkerwijs terug kunnen 1
verwachten. Ik probeer u in het vervolg van mijn verhaal mee te nemen in hoe we tot zo’n nieuw sociaal contract komen, en welke betrouwbare kennisbasis daarvoor nodig is. Maar voordat we vooruitkijken, maak ik de balans op. Ik ga in op hoe het echt met ons gaat. U bent van mij gewend dat ik dat met feiten en duiding doe. Het SCP ziet al lang dat ‘Met mij gaat het goed en met ons gaat het slecht’ niet meer opgaat. Nederland scoort gemiddeld hoog in de lijstjes van sterke economieën en gelukkige inwoners, maar de verschillen achter deze gemiddelden zijn groot. Met de meeste mensen gaat het goed, maar tegelijk ebt ook bij hen de hoop op een betere toekomst voor onze kinderen weg. En, met sommigen gaat het helemaal niet goed. Het is niet raar dat meer mensen hun leven een onvoldoende geven, terwijl de samenleving als geheel toch veerkracht toont. Het gaat met ‘ons’ dus ook niet voortdurend slecht. Zo’n 21% van de mensen heeft wel te maken met een stapeling van problemen rond inkomen, werk, eenzaamheid, gezondheid en discriminatie. Dit zijn vaak mensen die minder- of praktisch geschoold zijn. Hun levensverwachting ligt dik zeven jaar lager dan voor de rest van Nederland en in dezelfde groepen is er vaak sprake van werkloosheid of tijdelijk werk.
Bijvoorbeeld alleenstaande moeders met verschillende kleine baantjes, of mensen met arbeidsbeperkingen die niet van het inkomen dat ze ermee verdienen rond kunnen komen. Er is een groep ‘werkende armen’... Hoe vaker de term passeert, hoe normaler hij lijkt te worden. Maar leven in armoede terwijl je werkt, dan gaat er toch iets goed fout. Voor bijna 35% van de mensen geldt het tegenovergestelde. Deze groep heeft meer scholing en goede sociale netwerken. Zij zijn beter in staat de overheidsbureaucratie te doorgronden, en zorg of onderwijs zelf te regelen. In de crisis redden zij zichzelf vaker, maar ook zij liepen het risico op baanverlies of faillissement. Ook voor hen kan de overheid nodig zijn. Zo’n 40% zit er tussenin en is tevreden, maar ook vaker onzeker over hun veelal tijdelijke werk, of de haalbaarheid van de combinatie hiervan met scholing en mantelzorg. Er zijn zorgen over pensioen en de beschikbaarheid en betaalbaarheid van zorg. Als er iets wegvalt, zoals een arbeidscontract of er is mantelzorg nodig, kan dat een domino-effect op alle onderdelen van het leven hebben. Deze scheidslijnen zijn in de afgelopen jaren niet kleiner geworden, integendeel, ze zijn hardnekkig en structureel van aard. Met negatieve gevolgen voor de sociale samenhang, en voor het vertrouwen in elkaar en in politieke antwoorden die steeds geen oplossing bieden.
Ik neem u mee in waar dit misgaat. Achtereenvolgende kabinetten wilden de scheidslijnen beslechten, maar slaagden daar niet in. Goed bedoeld, maar gefragmenteerd en soms onrealistisch overheidsbeleid loopt vast in de uitvoering. Veel beleid doet een beroep op de eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid van mensen. Met marktwerking rond publieke voorzieningen, waar burgers de kiezende klant zijn. Dat werkt prima voor mensen die zich zelf redden of een lichte hulpvraag hebben, maar niet voor de eenzame oudere met een combinatie van ziektes en zonder sociaal netwerk, of de jongere in de jeugdzorg die opgroeit in armoede. Onze wetsevaluaties in het sociaal domein, van de Participatiewet tot de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Jeugdwet, lieten dit zien. Te krappe budgetten en verkeerde aannames over wat mensen zelf moeten kunnen regelen zitten in de weg.
2
Stelselhervormingen worden nu teruggedraaid. Komt dat omdat we echt doorgronden wat er mis ging, of is het onmacht en maatschappelijke druk? Als mensbeelden over wat burgers moeten, willen of kunnen doen niet kloppen, loopt beleid in de uitvoering vast. Een patiënt kan met schulden te maken hebben waardoor meer zorg niet alles oplost. Bovendien hebben mensen naast werk en meerdere banen, ook mantelzorg en vrijwilligerswerk te doen, en zijn ze in de buurt bezig of werken ze voor goede doelen. We vervullen vele rollen tegelijkertijd. Als beleid daarmee geen rekening houdt of te ingewikkelde regels oplegt, dan wordt een verlofregeling of aanvullende beurs niet benut. Als mensen als fraudeur worden beschouwd als ze zich niet helemaal conform de eisen gedragen, en de overheid begrijpt hun situatie niet, dan worden de problemen eerder groter dan kleiner. De kinderopvangtoeslagaffaire spreekt helaas boekdelen. Als het beeld vervolgens ontstaat: ‘Had dan geen misbruik van de situatie gemaakt’, of ‘had je maar beter je best moeten doen of door moeten leren’, creëert dat het beeld van een prestatiesamenleving waarin succes en falen aan eigen inzet of schuld worden opgehangen. Houd me ten goede, jezelf ontwikkelen, eigen inzet, talent ontdekken en ontplooien, is onverminderd belangrijk voor iedereen.
Maar we weten ook dat er zoveel meer is dat de kansen in het leven bepaalt, zoals afkomst en thuissituatie. Als voor een grote groep mensen de eerlijke kans op vast werk, het kunnen kopen of huren van een woning, het kunnen betalen van bijscholing of ondersteuning bij werk en mantelzorg buiten beeld blijft, dan creëer je een samenleving van winnaars en verliezers. Het zet een grote groep van meestal minder- of praktisch geschoolde mensen weg. Een bekende reflex na het mislopen van beleid is dat er weer een monitor ingericht wordt om te volgen waar dit misgaat. Vaak politiek opgeëist via een amendement of motie. Op basis van empirische waarneming kan ik melden dat dit het recept is voor meer van hetzelfde. Als we niet doorgronden wat er misgaat in het beeld dat we van mensen hanteren, dan helpt geen monitor ons aan beter beleid. Het lost het probleem niet op. Meer meten is niet altijd meer weten. Politici willen vaak sneller en meer getallen. Maar de wetenschap is meer dan een databank die je ieder moment leeg kunt trekken. Het leidde er in de coronacrisis toe dat elk facet van het leven doorgerekend werd als besmettingsrisico. Met een monitor om te volgen of mensen echt thuis bleven.
Je mist dan andere typen kennis over wat zwaar weegt voor mensen, scholen en bedrijven, zoals eenzaamheid onder ouderen en mentaal welbevinden van studenten of van ondernemers die hun levenswerk in rook zien opgaan. Dat is niet altijd in dagkoersen uit te drukken. Veel sociaalwetenschappelijke kennis – over hoe het echt met mensen gaat – is ook langer bruikbaar dan een week. Hoe fijn is dat! Meer dialoog tussen wetenschappelijke disciplines en met het beleid, maar ook met ervaringskennis aan tafel, helpt om tot andere inzichten en oplossingen te komen. Een andere reflex is het betrekken van mensen. Een goede zaak, tenminste als we weten waarom. Naar burgerinitiatieven, zoals in de zorg of energievoorziening, vinden echter vooral mensen met meer opleiding en inkomen de weg. Praktisch geschoolden herkennen zich bovendien minder in vastgesteld beleid en voelen zich minder gerepresenteerd. En dat is niet alleen een gevoel, het is zo. Dan is oproepen tot burgerparticipatie bij de uitvoering niet ‘de’ oplossing. Zo is het niet vreemd dat veel praktisch geschoolden voor referenda zijn. We hebben een representatieprobleem, dat je ook niet zomaar oplost met dialoogtafels om te checken ‘wat mensen willen’. Natuurlijk zijn meningen van belang, maar die zijn net zo divers als mensen zelf. Mensen zijn het onderling vaak niet eens. Er is 3
meer inzicht nodig in de situatie waarin zij zich bevinden, om tot andere oplossingen en meer representatie te komen. De doorgevoerde scheiding tussen beleid en uitvoering belemmert dat zicht op hoe het echt met mensen gaat. Mijn analyse is dat de oorzaken van de afstand tussen burgers en beleid diep in onze systemen, regels, percepties en houdingen zitten. Het is systemisch en hardnekkig. Herman Tjeenk Willink schrijft er al jaren haarscherp over. De Nationale ombudsman geeft jaar na jaar, rapport na rapport, de boodschap af dat er te weinig vanuit de situatie van mensen wordt gedacht, dat de overheid te weinig empathisch is. Er is meer inlevingsvermogen en bereidheid tot bijsturing nodig. De Algemene Rekenkamer wijst regelmatig op ondoelmatig beleid. De Raad voor de Rechtspraak en de Raad van State zijn steeds kritischer op het onvermogen verbeteringen te realiseren en hoe dat de legitimiteit van overheidshandelen in onze democratische rechtsstaat aantast. Maar ik zie ook mogelijkheden en kansen. We moeten anders naar de dingen willen leren kijken. Onze blik willen wisselen. Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Robbert Dijkgraaf schreef in 2014 het boek Blikwisselingen over hoe de wetenschap tot innovaties komt. Op een andere manier naar hetzelfde leren kijken, waardoor je ook echt iets anders ziet.
Zoals bij de bekende tekening van de oude en de jonge vrouw, waarbij je ofwel de jonge vrouw ofwel de oude vrouw ziet, maar nooit allebei tegelijk. Door het wisselen van blik ziet de wereld er ineens anders uit, en kun je andere oplossingen en mogelijkheden zien. Een paar zinnen in een regeerakkoord over het dichten van ‘de kloof’ is daarvoor niet voldoende. Het vergt een actieve, nieuwsgierige en doortastende houding. Ik zie drie noodzakelijke blikwisselingen. De eerste is anders te kijken naar mensen: van ‘de’ burger in een grafiek of opiniepeiling, naar een verhaal over de verschillen tussen mensen. De dominantie van doorrekeningen op financieel of epidemiologisch gebied kan leiden tot een schijnwerkelijkheid, waarbij alles wat te tellen valt voorrang krijgt. Om de zogenaamde ‘knoppen’ te laten zien waaraan het beleid moet ‘draaien’ om bepaald gedrag te realiseren, zoals wat meer eigen bijdrage om onnodige zorg te voorkomen, of een scholensluiting om besmettingen te voorkomen. Niemands leven draait echter alleen om zorg, werk of onderwijs. Mensen zijn naast patiënt of student ook werknemer, vrijwilliger of vriend. Jongeren moeten zich kunnen ontplooien, maar groeien soms op in armoede of met zorgtaken voor zieke familieleden.
Ervaringskennis en praktijkverhalen helpen om passende keuzes in de zorg- of onderwijspraktijk te maken, omdat ze een andere blik op mensen en hun mogelijkheden werpen. Daar past ook meer narratieve verantwoording bij, naast zicht op de cijfers. De tweede blikwisseling is anders te kijken naar maatschappelijke opgaves. Van een smalle blik op welvaart en groei, naar een integrale blik op welbevinden. Het regeerakkoord toont ambitie op brede welvaart, dus hoe economische ontwikkeling, ecologie en klimaat onze welvaart en ons welzijn beïnvloeden. Toch ontbreekt het besef van effecten voor de sociale samenhang te veel. Zo is de woningopgave een van de sociale kwesties van onze tijd. Voor wie zijn woningen betaalbaar, kun je in de buurt van je werk wonen, naar wat voor school kunnen de kinderen, en is er segregatie van bevolkingsgroepen? Kunnen ouderen wandelend naar een supermarkt, zodat ze blijven bewegen? We hebben sociale doelen over beleidskokers heen nodig, die ervoor zorgen dat niemand door een basis van bestaanszekerheid zakt. Die doelen zijn er niet alleen voor de minister van armoedebestrijding, maar ook voor die van klimaat en wonen.
4
De derde blikwisseling is anders te kijken naar verantwoordelijkheden en samenwerking met burgers, bedrijven en instellingen. Na decennia sturen op meer competitie en marktverhoudingen, en twee jaar top-down directief coronabeleid, moet het anders. Nederland kent een eeuwenoude traditie van machtsdeling. Overleg in de polder. Dat gaat ook niet altijd goed, maar het voorkomt dat een partij de almacht heeft en dat de kracht van de samenleving onbenut blijft. Ook hier leert de coronacrisis ons iets. Het delen van eigenaarschap van problemen en oplossingen is geen geste van de politiek, maar onmisbaar voor draagvlak en gemeenschapszin, zoals de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving stelde. Als de overheid langdurig regels oplegt die niet gedragen worden, dan tast dat de legitimiteit van overheidshandelen aan, en het drukt burgerinitiatief en ondernemerschap weg. Samen werken begint bij elkaar serieus nemen en vertrouwen. Structuren voor samenwerking afspreken. De blikwisselingen brengen me bij: een nieuw sociaal contract. Een nieuw sociaal contract werkt voor iedereen, en pakt rechtvaardiger uit. Er zijn echter forse dilemma’s zonder pasklare oplossingen. Soms is er maatwerk nodig, terwijl voor de grote groep algemeen beleid vaak prima werkt. Eigen verantwoordelijkheid kan een oplossing bieden, maar solidariteit en bescherming moeten geregeld zijn.
Een moreel appel om voor elkaar te zorgen kan helpen, maar soms moeten verplichtingen worden opgelegd. Burgerparticipatie kan helpen, maar voor veel mensen is het versterken van de representatie belangrijker. Het is niet het een of het ander. Mijn hoofdboodschap is dat er vanuit mensen moet worden gedacht en gewerkt. Daarvoor moet je mensen willen horen, spreken en zien. Ik formuleer vijf bouwstenen om dat te versterken in ons sociaal contract. De eerste bouwsteen: hanteer de menselijke maat voor een menselijke staat. Naast inzicht in opinies en opvattingen van mensen, gaat dat over hun feitelijke leefsituatie en de hulpbronnen waarover ze beschikken, zoals hun sociale netwerken en financiële middelen, welke rollen ze in de praktijk combineren. Hoe gedragen burgers zich, waarom doen ze dat en wat hebben ze nodig om eventueel te veranderen? De mensbeelden van de overheid moeten we daarop toetsen, om onrealistische aannames te voorkomen. Zodat energiebeleid ook de effecten op armoede meeneemt, en dat arbeidsmarktbeleid rekening houdt met mantelzorg of scholing. En dat ingesleten vooroordelen over vrouwen of migranten worden voorkomen. Een handvat voor meer mensgericht handelen op alle bestuurlijke niveaus.
In het essay dat het SCP vandaag publiceert bieden we u een handvat om mensbeelden te toetsen en zo nodig bij te stellen, en ter versterking van de noodzakelijke kennisbasis die daarvoor nodig is. De tweede bouwsteen: breder naar welvaart kijken. Daarbij gaat het niet alleen over koopkracht, goed werk, gezonde lucht en minder armoede, maar ook over het bevorderen van sociale samenhang, onderling vertrouwen en democratie. Brede welvaart gaat over onze kwaliteit van leven, en over de kwaliteit van onze samenleving. De Studiegroep Begrotingsruimte adviseerde het kabinet om de rijksbegroting langs die meetlat te leggen. Kabinet, ga dat doen! Samenwerking met het bedrijfsleven is daarbij cruciaal. Een recent georganiseerde bijeenkomst van het SCP met VNO-NCW leverde tal van mogelijkheden op, ook op sociaal gebied. Rond vitaliteit en gezondheid voor werknemers, toegankelijke om- en bijscholing, stages voor jongeren die lastig hun weg vinden, en manieren om mensen duurzaam uit de bijstand te krijgen. Natuurlijk moet het effect op brede welvaart wetenschappelijk onderbouwd worden. De kennisbasis van de planbureaus is hierbij nodig. Zo moet worden onderzocht wat investeringen in technologie of 5
onderwijs op lange termijn opleveren voor welvaart en klimaat, maar ook voor mensenrechten en sociale cohesie. Cijfers mogen daarbij niet ons zicht op onderstromen in de samenleving belemmeren, zoals hoe ongelijkheid wordt veroorzaakt en hoe dit sluimerend voor wantrouwen zorgt. Kwalitatieve inzichten daarover zijn waardevol en niet meer of minder normatief dan berekeningen van koopkracht of milieu-emissies. Waardeer het bovendien als verschillende wetenschappelijke perspectieven elkaar tegenspreken. Je bent dan waarschijnlijk bij cruciale politieke keuzes aanbeland. Ga in dialoog, verken de blikwisselingen. De derde bouwsteen: expliciteer en garandeer een sociale basis. De ondergrens van bestaanszekerheid waar niemand doorheen mag zakken. We hebben mensenrechten en sociale grondrechten. Maak ze expliciet, anders is het beroep op meer zelfredzaamheid en eigen verantwoordelijkheid ongeloofwaardig. Alle deelnemers aan het sociaal contract, van burgers tot bedrijven, instellingen en overheden, moeten hun verantwoordelijkheid nemen. Mensen moeten volwaardig deel kunnen nemen aan de samenleving, en kunnen rekenen op bescherming en steun. Het ondermijnt ons sociaal contract als die sociale basis onduidelijk blijft. De vierde bouwsteen: meer representatie en participatie van burgers. Op alle niveaus waar beslissingen vallen. Technologie biedt mogelijkheden.
Burgerberaden, referenda en andere vormen van vertegenwoordiging kunnen de representatieve democratie aanvullen, zeg ik de Staatscommissie-Remkes na. Niet als verlengstuk van beleid, maar omdat mensen eigen keuzes willen maken en het met de overheid oneens kunnen zijn. Overigens hebben velen het gevoel in een voor-of-tegensamenleving terecht te komen, waarin je voor of tegen moet zijn. Of dat nu klimaatbeleid, de EU, coronabeleid of de regering is. De genuanceerde groep ertussenin – die ook gerepresenteerd wil worden – hoor je niet altijd, maar dit stille midden bestaat uit meer dan 40% van de mensen. Dit midden verbindt en is niet polariserend. Maak het zichtbaar en gebruik die kennis en ervaringen. Beleid wordt daar aantoonbaar beter van. De vijfde bouwsteen: onderwijs. Burgerschap in een informatiesamenleving vraagt naast de cognitieve ontwikkeling van mensen, ook om socialisatie en persoonsvorming. Vanuit dit belang moeten we naar noodzakelijke veranderingen in ons onderwijs durven kijken. Dat betekent investeren in goede leerkrachten, in vaardigheden als mediawijsheid en leren omgaan met diversiteit. En, als we jongens- en meisjesscholen konden afschaffen, dan kan dat ook met zwarte en witte scholen; segregatie is ook een politieke keuze.
Daarnaast is er echte onderwijstijd nodig, waarin de pedagogische relatie centraal staat en de docent echt aandacht aan de jongere kan schenken. Onderwijs is niet zomaar een begrotingspost, het gaat over mee kunnen doen en hoe we met elkaar willen samenleven. Nu hebben we bouwstenen, maar er moet iets mee gebeuren. Iemand moet ze oppakken. Wie moet wat gaan doen? Niemand is alleen eigenaar van het sociaal contract, het is van iedereen. Dat heeft gevolgen voor de rolverdeling. Daarom sta ik nog stil bij de rol van burgers, overheden, politiek en wetenschap. Burgers meer ruimte geven, bijvoorbeeld bij burgerinitiatieven, betekent ook dat ze (net als de overheid) fouten moeten mogen maken en niet meteen gesanctioneerd worden als het niet aan het wensbeeld van de overheid voldoet. Burgers moeten zich echter ook gerepresenteerd weten, zoals door ervaringsdeskundigen en professionals uit de praktijk. En het vraagt solidariteit, en dus offers 6
van mensen. Meer sociale samenhang vraagt schikken en plooien, want jouw vrijheid raakt aan die van een ander. Lusten en lasten moeten verdeeld worden, in de wetenschap dat het iedereen een keer tegen kan zitten. Dit vergt vertrouwen in elkaar en in de politieke instituties. De overheid moet de menselijke maat centraal stellen, waarop het parlement, de wetgevingsadviseurs en media structureler moeten toetsen. Beleidsmakers mogen van mij hun rol meer pakken, in de beste Weberiaanse traditie, door alle inzichten op een rij te zetten en deze naast belangen, kritieken en opinies te wegen, dilemma’s te ontrafelen en bij de politiek op tafel te leggen. Ik pleit voor meer ruimte voor strategisch denkende ambtenaren die de menselijke maat tot aan de ministerraad op tafel leggen, ook als politiek assistenten dat onverstandig vinden. Ambtenaren die de smalle blik van het spreadsheet-denken over mensen doorbreken. Die rapportages van de Nationale ombudsman en anderen serieus nemen. Die afrekenen met het ingeslopen dedain over de uitvoering, en samenwerking zoeken. Terecht bepleiten de Raad voor het Openbaar Bestuur en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties versterking van de rol van lokale en regionale overheden en hun samenwerkingspartners. Mijn boodschap: wees betrouwbaar. Dan bepalen mensen zelf of ze je willen vertrouwen.
Nog een keer kan ik daarover in functie tegen de politiek zeggen: het politiek vertrouwen daalde vaker richting 35%, maar om vertrouwd te worden moet de overheid betrouwbaar zijn, zeker bij de verdere nasleep van de coronacrisis, de afhandeling van de toeslagenaffaire en de schade door gaswinning in Groningen, maar ook bij de oplossing van problemen in de jeugdzorg of rond onderwijsachterstanden. Dat betekent: je niet verschuilen achter wetenschappers of ambtenaren, maar de politieke dilemma’s schetsen rond de grenzen van het eigen kunnen van mensen en wat je van overheden en professionals mag verwachten. Bijvoorbeeld over solidariteit en wat je aan eigen verantwoordelijkheid van mensen vraagt. Dat gaat niet alleen over de zorg voor mensen in kwetsbare posities, maar ook dat niet meteen alle inkomenszekerheid wegvalt als het even tegenzit. Een politiek compromis vanuit die waardenafweging – dus niet de kale uitruil van maatregelen – is geen kiezersbedrog, maar de kern van ons politieke systeem. Politici kunnen een bijdrage leveren aan lerend vermogen door hier open over te zijn, en niet mee te gaan in voor-tegendenken, schuldigen aanwijzen of voortdurend inzoomen op fouten. De maatschappelijke opgaven vragen om een andere houding, en waardenafwegingen. Precies waar politici voor gekozen zijn. De wetenschap.
De kennisinfrastructuur van de rijksoverheid is een net zo vitale functie van de democratische rechtsstaat als de doelmatige besteding van middelen of bescherming van burgers die onrechtvaardig behandeld worden. Kennis kan niet vrijblijvend zijn, of van toeval afhankelijk. Te weinig visie op welke kennis wanneer nodig is, leidt tot ongelukken in de informatiesamenleving. Het is binnen en buiten crisistijd van belang onderbouwde handelingsopties te ontwikkelen, waarin wetenschappelijke tot ervaringskennis een plek hebben, en waarna de politiek kan beslissen wat de doorslag geeft. De sociale en gedragswetenschappen hebben hier een belangrijke rol te spelen, om gedrag te doorgronden en mensbeelden door te prikken, zodat beleid uitvoerbaar is en scheidslijnen niet ontwrichtend uitpakken. De wetenschap moet – vanuit onafhankelijkheid – naast het beleid gaan staan en werken aan impact. Dat gaat niet over het aantal Kamervragen over onderzoeksrapporten, maar of kennis verschil maakt in beleid voor mensen. Daarop moet je toetsbaar willen zijn, zeker als planbureau. 7
Ik kom tot mijn conclusie. Het gebrek aan burgerperspectief in overheidsbeleid is systemisch. Dat is een ongemakkelijke waarheid in het licht van de grote uitdagingen in onze veranderende samenleving. Instituties moeten rechtvaardiger werken voor iedereen, bijdragen aan vertrouwen, en een samenleving van winnaars en verliezers zien te voorkomen. Er is een sterker, rechtvaardiger en meer verbindend verhaal nodig over het goede leven in ons land, over duurzaamheid en inclusie, welke offers dat van iedereen vraagt, en hoe we ervoor zorgen dat niemand door de sociale basis zakt. Dus: wie welk deel bijdraagt en welke verschillen we rechtvaardig vinden. Een sociaal contract met zicht op een gedeelde toekomst. Een democratische rechtsstaat moet een inclusieve en sociale rechtsstaat zijn, anders is het geen democratische rechtsstaat. De overheid draagt de bijzondere verantwoordelijkheid voor het erkennen van fundamentele rechten en het borgen van principes van solidariteit en rechtvaardigheid, zoals Ernst Hirsch Ballin altijd weer benadrukt. Zorgen voor perspectief, zodat een deel niet als verliezers achterblijft, want dat ondergraaft de democratische rechtsstaat. Ik heb mijn duit aan bouwstenen in het zakje gedaan en ik hoop dat eenieder die zich aangesproken voelt de opdracht wil oppakken.
8