bijlage - Aanvraagformulier VU 2021 Krimpen aan den IJssel (aangepast na commissie 16 juni)
Tekst van het document
Aanvraag Vangnetuitkering Participatiewet over 20211 Versie: uitgebreid verzoek2
Wat is een vangnetuitkering? Gemeenten ontvangen op grond van de Participatiewet budget voor bijstandsuitkeringen en loonkostensubsidies. Dit budget wordt ook wel het BUIG-budget genoemd. Gemeenten die een tekort hebben kunnen in aanmerking komen voor een vangnetuitkering. De voorwaarden op hoofdlijnen: -
het tekort is groter dan een bepaalde toegangsdrempel; het college verklaart maatregelen te hebben getroffen om te komen tot tekortreductie; het college geeft een toelichting op deze verklaring; de gemeenteraad stemt in met de verklaring van het college.
Wat wordt verwacht van het college en de gemeenteraad? In de aanvraag geeft het college inzicht in de maatregelen die zij heeft getroffen om het tekort te reduceren. Deze aanvraag beoogt, naast de gemeenteraad, ook andere gemeenten inzicht te geven in de maatregelen die het college heeft getroffen om het tekort te reduceren. Immers, de vangnetuitkering is gebaseerd op solidariteit tussen gemeenten: de vangnetuitkeringen worden bekostigd uit het macrobudget van twee jaar na het tekortjaar. Een belangrijke veronderstelling bij het vangnet is dat gemeenteraad en college regelmatig in gesprek zijn over ontwikkelingen in het bijstandsvolume (bijv. middels kwartaalrapportages). Op dit niveau wordt inhoudelijk gesproken over maatregelen (beleid en uitvoering) om eventuele tekorten te reduceren. Hieronder verklaart het college maatregelen te hebben getroffen om het tekort te reduceren. De gemeenteraad wordt gevraagd om in te stemmen met de verklaring van het college. Met deze instemming bevestigt de gemeenteraad dat het college inzicht heeft gegeven in de maatregelen die zijn getroffen om het tekort te reduceren. Het gaat hierbij dus om de informatiepositie van de gemeenteraad.
De gemeenteraad moet in staat worden gesteld om te kunnen beoordelen of er een duidelijke inhoudelijke analyse is gegeven, die betrekking heeft op de gemeente, waaruit blijkt welke maatregelen moeten worden getroffen en wat hiervan het effect is op de reductie van het tekort. Wat mag de gemeenteraad van het college verwachten? •
1 2
Onderdeel A: Het college geeft de gemeenteraad via een analyse inzicht in de oorzaken van het tekort op de gebundelde uitkering (ook wel BUIG genoemd). Deze analyse kan zowel kwantitatieve als kwalitatieve elementen bevatten.
Versie aanvraagformulier d.d. 1 december 2020 Toelichting voor ambtelijke ondersteuning onderaan dit formulier.
1
•
• •
Onderdeel B: Het college geeft de gemeenteraad inzicht in de (interne en externe) maatregelen, met een kwantitatieve en kwalitatieve toelichting waarom die naar verwachting leiden tot een reductie van het tekort. Onderdeel C: Het college geeft de gemeenteraad inzicht in welke mate (interne en externe) maatregelen beogen bij te dragen aan het (verder) reduceren van het tekort. Het college geeft de gemeenteraad inzicht in de planning en control-cyclus ten aanzien van het vangnet.
Bovenstaande informatie staat ook op de website van de VNG3.
Hoe verloopt de aanvraagprocedure? Het college dient het aanvraagformulier in bij de onafhankelijke Toetsingscommissie vangnet Participatiewet. De commissie moet de aanvraag uiterlijk op 15 augustus 2022 hebben ontvangen. De Toetsingscommissie beoordeelt de aanvraag procedureel. Dit betekent dat wordt beoordeeld of het college en de gemeenteraad een aantal processtappen hebben doorlopen: het tekort is groter dan de drempelwaarde; het college heeft in de verklaring toegelicht dat maatregelen zijn getroffen om het tekort te reduceren en de gemeenteraad heeft ingestemd met de verklaring. De commissie geeft dus geen inhoudelijk oordeel over de aanvraag. Vervolgens adviseert deze commissie de Minister. Deze adviezen worden in beginsel overgenomen. Gemeenten die interesse hebben in de maatregelen van andere gemeenten, kunnen terecht op de website van het vangnet. Hier zijn alle aanvragen gepubliceerd en gerubriceerd naar type maatregel, omvang van de gemeente en omvang van het tekort. Aan het eind van het aanvraagformulier is een uitgebreide toelichting per vraag opgenomen voor de ambtelijke ondersteuning van het college. Voor een verdere toelichting op dit formulier wordt verwezen naar de informatie op de website: https://www.toetsingscommissievp.nl/vangnetuitkering-2021
3
https://vng.nl/artikelen/vangnetuitkering-participatiewet-2021-informatie-voor-raadsleden
2
1. Verklaring college bij een uitgebreid verzoek Dit gedeelte bestaat uit de volgende vier onderdelen: A. Analyse van de oorzaken van het tekort B. Getroffen interne en externe maatregelen om het tekort verder te reduceren C. Beoogde effect van de genoemde maatregelen D. Ondertekening door het college
A. Analyse van de oorzaken van het tekort Hieronder toont het college de analyse, waar uit volgt wat de oorzaken van het tekort van de gemeente (A1) zijn. Vervolgens wordt de analyse opgenomen van het effect van getroffen maatregelen in voorgaande jaren (A2). Tot slot wordt kort beschreven welke bronnen zijn gebruikt bij de analyse (A3).
Inleiding De gemeente Krimpen aan den IJssel maakt, samen met de gemeenten Capelle aan den IJssel en Zuidplas, onderdeel uit van de gemeenschappelijke regeling IJsselgemeenten. De GR IJsselgemeenten voert voor de drie gemeenten de Participatiewet uit. De gemeenten hebben beleidsregels en verordeningen geharmoniseerd. In de uitvoering wordt de inzet voor klanten naar rato verdeeld. Ondanks de gelijke aanpak in de drie gemeenten blijven de resultaten voor de gemeente Krimpen aan den IJssel achter; de daling is procentueel lager en de gebundelde uitkering is structureel onvoldoende om de uitgaven te dekken. Het definitief budget voor 2021 bedraagt voor de gemeente Krimpen aan den IJssel €7.318.947. De totale lasten minus ontvangsten over 2021 bedragen €7.917.914 zodat het tekort uitkomt op € 598.967. De gemeente Krimpen aan den IJssel kampt, ondanks een relatief lage bijstandsdichtheid (grafiek 1) en een lager dan gemiddeld percentage WW uitkeringen, al sinds 2015 met een tekort op het BUIG budget. Alleen over 2020 is geen vangnetuitkering aangevraagd omdat het tekort onder de drempel van 7,5 % bleef.
Grafiek 1 Bijstandsdichtheid Krimpen aan den IJssel vergeleken met de landelijke bijstandsdichtheid. Bron: CBS
3
De instroom vanuit de WW en de instroom van statushouders is in 2021 hoger dan in voorgaande jaren, de instroom door verhuizingen is structureel hoger dan de uitstroom door verhuizingen In tabel 2 hieronder zijn de voornaamste variabelen ten aanzien van de in- en uitstroom voor de gemeente Krimpen aan den IJssel vergeleken met de landelijke cijfers.
Ontwikkeling bijstandsvolume Instroom Uitstroom Naar werk Naar opleiding Als gevolg van handhaving
Krimpen aan den IJssel
Landelijk
<50.000
2021
2020
2019
2021
2020
2019
2021
2020
2019
1,4% 31,4% 30,8% 38% 2,7% 8,7%
4,1% 30,8% 27,3% 32,3% 7,9% 8,7%
- 4,5% 23,9% 27,0% 41,5% 2,2% 15,6%
-2,4% 24,6% 28,5% 41,1% 4,4% 7,6%
3,4% 30,5% 26,7% 35,6% 6% 7,8%
-4,3% 24% 28% 39% 5% 10%
-2,6% 29,0% 32,0% ----
2,0% 32,0% 29,0% ----
6,4% 29,0% 34,0% ----
Tabel 1 Bijstandsontwikkeling vergelijking cijfers Krimpen aan den IJssel met landelijke cijfers. Bron: Divosa benchmark 2021
Met uitzondering van 2019 is er structureel sprake van een hogere in- en uitstroom dan landelijk. Dit geldt ook voor de jaren tot 2019. In de periode 2019 tot 2021 was er alleen in 2019 sprake van een sterkere daling van het bijstandsvolume dan landelijk het geval was. In de overige jaren is er sprake van een sterkere toename van het bijstandsvolume of een stijging waar er landelijk een daling is te zien. De ontwikkeling van het bijstandsvolume in Krimpen aan den IJssel scoort slechter dan de gemiddelde ontwikkeling van gemeenten kleiner dan 50.000 inwoners. Voor wat betreft de in- en uitstroom is wel te zien dat gemeenten < 50.000 gemiddeld hogere in- en uitstroompercentage kennen. Uit analyse blijken de voornaamste redenen voor de instroom: - In de periode 2015-2021 was het aandeel van de instroom door geplaatste statushouders gemiddeld 12% en vergelijkbaar met andere gemeenten. In 2021 was het aandeel relatief hoger (17%) als gevolg van het inhalen van een achterstand in de taakstelling in 2020. - Verder valt in 2021 een hogere instroom vanuit de WW (30%) op. In voorgaande jaren was dat gemiddeld 22%. - een relatief hoge instroom door verhuizingen; gemiddeld 22% van de instroom in 2015-2021 en 30% in 2021. Mogelijk als gevolge van een hoog percentage Sociale Huurwoningen in de gemeente Krimpen aan den IJssel (36,5 % ten opzichte van een landelijk gemiddelde van 30%).
Het saldo van de verhuizingen in de periode 2015- 2021 bedraagt 40 uitkeringen. De uitstroom naar werk is duurzaam, handhaving levert meer uitstroom op dan landelijk De percentages uitstroom naar werk zijn vergelijkbaar met de landelijke trend. Uit onderstaande grafiek blijkt dat de herinstroom relatief laag is en daarmee duurzaam.
4
Grafiek 2 percentage herinstroom binnen 12maanden
Een groot gedeelte van het bestand heeft een lange afstand tot de arbeidsmarkt
Grafiek 4 Bestandsaandeel zorg en activering en werkplein
Grafiek 2 Bestandsaandeel zorg en activering. Bron: GR IJsselgemeenten
Tabel 2 Uitkeringsduur. Bron: GR IJsselgemeenten
-
Het aandeel van het bestand met een grote afstand tot de arbeidsmarkt is 42%. Bovendien heeft 51% langer dan 3 jaar een uitkering. Het bestand met een lange afstand tot de arbeidsmarkt is wel iets gedaald in 2021.
-
Van het bestand heeft 44% geen startkwalificatie en voor 53% van het bestand geldt dat de taalbeheersing onvoldoende is. 22% is ouder dan 55 jaar en 72% daarvan heeft langer dan 3 jaar een bijstandsuitkering.
-
27,6% van de klanten hebben een arbeidsontheffing voornamelijk vanwege “dringende redenen”, 14 % van deze klanten is duurzaam arbeidsongeschikt. Er zijn geen ontheffingen voor alleenstaande ouders met een jong kind. Het percentage arbeidsontheffingen is hoger dan het landelijke percentage ( 9,5%). Gedeeltelijk is zegt het hoge aantal ontheffingen van de arbeidsverplichting iets over de het potentieel van het klantenbestand . Het hoge aantal ontheffingen wordt in belangrijke mate veroorzaakt door de werkwijze van IJsselgemeenten. IJsselgemeenten heeft als doel nauwkeurig te om te gaan met ontheffingen zodat er steeds een actueel beeld is van de klanten. Dat betekent dat als klanten niet zonder ontheffing , vanwege individuele redenen, voor langere tijd ‘met rust gelaten’ worden, altijd een ontheffing van de arbeidsplicht geregistreerd wordt in feite een ongeregistreerde ontheffing. In veel gemeenten wordt een klant een tijd ‘met rust gelaten’ zonder dat direct een ontheffing wordt geregistreerd. De aanpak wijkt af van wat in veel 5
gemeenten gebruikelijk is. Daardoor kan er geen conclusie verbonden worden aan deze de vergelijking van het aantal ontheffingen met andere gemeenten. Ook in de andere twee gemeenten binnen IJsselgemeenten is er sprake van een relatief hoger aantal ontheffingen. Relatief veel klanten maken gebruik van een re-integratievoorzieningen Krimpen aan den IJssel zet relatief veel re-integratievoorzieningen in vergeleken met het landelijk gemiddelde ( grafiek 5). Van het bestand 82% is actief door deelname aan re-integratie, vrijwilligerswerk of mantelzorg.
Grafiek 5 aantal re-integratievoorzieningen per 1.000 inwoners 2020 -l 2021. Bron: CBS
Een relatief groot deel van de re-integratie wordt ingezet op een voorziening naar werk of participatie (grafiek 6). Al eerder is geconstateerd dat de uitstroom naar werk procentueel gelijk is aan het landelijke percentage van de uitstroom naar werk én dat de uitstroom duurzaam is.
Grafiek 6 aantal re-integratie- en werkvoorzieningen naar hoofdcategorie voorziening. Bron: Divosa Benchmark 2021
Hoe korter de klant een bijstandsuitkering heeft hoe groter de kans op uitstroom: 48% van de uitstroom werk/scholing heeft korter dan een jaar een bijstandsuitkering en 30% van de uitstroom werk/scholing heeft 1-3 jaar een bijstandsuitkering
6
Inzet op de groep klanten met een korte afstand tot de arbeidsmarkt draagt direct bij aan de afname van het klantenbestand en reductie van de kosten. Bovendien voorkomt dit een langer gebruik van bijstand waardoor de kans op uitstroom af zou nemen. Om het tekort op de lange termijn te reduceren moet ook in gezet worden op klanten met een lange afstand tot de arbeidsmarkt. Het resultaat van de inzet op de groep met de langste afstand tot de arbeidsmarkt is niet in uitstroom te meten maar wel in het maken van een stap op de participatieladder. Sinds 2020 wordt dit aan de deelnemende gemeenten in de GR IJsselgemeenten gerapporteerd in de vierjaarlijkse bestuursrapportages. Stappen op de participatieladder (exclusief uitstroom (trede 6)) 2021 Gemeente
2020
2021
Capelle aan den IJssel
208
262
Krimpen aan den IJssel
58
70
Zuidplas
68
66
IJsselgemeenten totaal Tabel 3 Stappen op de participatieladder. Bron: GR IJsselgemeenten
334
398
De beschikbaarheid van werk in de gemeente is onder het landelijk gemiddelde De beschikbaarheid van werk in Krimpen is ruim onder het landelijk gemiddelde. De regionale arbeidsmarkt zou echter, zeker in de aantrekkende economie, ook aan bijstandsgerechtigden uit Krimpen aan den IJssel gelijke kansen moeten bieden. Daarbij valt wel aan te tekenen dat bijstandsgerechtigden veelal niet zonder meer inzetbaar zijn en een groot gedeelte van het bestand een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Voldoen aan de taakstelling beschut werk en een ruim aantal garantiebanen zorgt voor hoge kosten De uitgaven voor loonkostensubsidie van de gemeente Krimpen aan den IJssel zijn relatief hoog. In onderstaande grafiek is het volume beschut werk als percentage van de taakstelling vergeleken met het de landelijke realisatie en de realisatie van gemeenten in dezelfde grootteklasse.
Grafiek 3 Volume beschut als percentage van het door het rijk vastgestelde taakstelling. Bron: Divosa benchmark 2021
7
Dat geldt ook voor eerdere jaren. Al jaren wordt voldaan aan de taakstelling beschut werk én is het aantal garantiebanen hoger dan waar het BUIG-budget in voorziet.
Loonkostensubsidie
Krimpen aan den IJssel
Landelijk
<50.000
2021
2020
2019
2021
2020
2019
2021
2020
2019
10,7%
9,2%
7,4%
6,2%
5,4%
4,4%
11,4%
9,5%
4,7%
Tabel 2 Uitgaven loonkostensubsidie 2019-2021 als percentage van het volume BUIG
Slechts een derde van de doelgroep heeft een uitkering. De loonkostensubsidie zorgt daarmee dus niet voor een besparing op de uitkering. Met ingang van 2022 is de hoogte van de loonkostensubsidie gebaseerd op de realisatie. Dat zou kunnen bijdragen aan reductie van het tekort op het BUIG-budget. De begeleidingskosten worden niet naar rato vergoed. Deze worden betaald uit het participatiebudget en niet uit het BUIG-budget. De prijs van de uitkering is relatief hoog De gemiddelde prijs van de uitkering is relatief hoog (€ 15.312) ten opzichte van andere gemeenten. De gemiddelde prijs gedaald ten opzichte van 2020 ( € 15.551). De stijging is conform de stijging in andere gemeenten. In december is een lichte daling van de prijs per uitkering ingezet.
Grafiek 7 Ontwikkeling prijs van de uitkering. Bron: Divosa benchmark 2021
De prijs van de gemiddelde uitkering wordt onder andere bepaald door de factoren in onderstaande tabel.
Samenlevingsvorm
Toelichting Hoe meer uitkeringen aan alleenstaanden hoe lager de gemiddelde prijs
Situatie Krimpen aan den IJssel 2021 Het percentage echtparen is 14% en daarmee lager dan landelijk (17%) De samenlevingsvorm is daardoor geen goede verklaring voor de prijs van de uitkering
8
Kostendelers
Meerdere personen met een uitkering in 1 huis ontvangen een lagere uitkering
Dit percentage is gedaald van 13% begin 2021 naar 11 % aan het einde van 2021. Landelijk is dit ook wat gedaald; van 12,5% naar 12% . In Krimpen gaat het bovendien om verhoudingsgewijs minder huishoudens met meer dan 2 kostendelers. Inkomsten uit parttime werk, Inkomsten worden in mindering De jaarlijkse inkomsten per uitkering alimentatie, WW, ZW en WIA gebracht op de uitkering zijn vergelijkbaar met gemeenten met meer dan `100.000 inwoners: € 1.180 per jaar per uitkering maar fors lager dan landelijk: € 1.420 In het tweede half jaar 2021 zijn deze inkomsten aan het stijgen. Percentage part-time werkende De inkomsten van het loon worden in Het percentage part-time werkende klanten mindering gebracht op de uitkering. klanten steeg in 2021 naar 8, 4 % in 2021 waardoor het percentage vergelijkbaar is met het landelijke niveau. De gemiddelde inkomsten van parttime werkende klanten zijn iets hoger dan landelijk. Inkomsten debiteuren Ontvangsten uit vorderingen Het gemiddeld bedrag van vorderingen ontstaan door het overtreden van de inlichtingenplicht is fors lager dan landelijk. Het aantal terugvordering van een onterecht verstrekte uitkering is eveneens fors lager dan het gemiddelde. De incassoquote is vergelijkbaar met de gemiddelde incassoquote.
Door de goede resultaten van de inzet op handhaving zijn er minder overtredingen en is het bedrag dat gemoeid is met deze overtredingen lager dan bij gemeenten in de benchmark. Tabel 4 factoren van invloed op de prijs van de uitkering. Cijfers uit de Divosa Benchmark 2021
Corona zorgde voor verminderde intensiteit van de inzet Ook in 2021 speelde corona nog een grote rol, met name in de eerste helft van 2021 bleef het moeilijk om kandidaten te plaatsen op werkervaringsplekken of om trainingen te geven. Conclusie ten aanzien van de oorzaken van het tekort Samenvattend zijn de oorzaken van het tekort: - In 2021 een relatief hoge instroom van statushouders door het wegwerken van de achterstand in de huisvesting in 2020; - Een positief saldo ten aanzien van verhuizingen van huishoudens met een bijstandsuitkering, mogelijk als gevolg van het relatief hoge percentage sociale huurwoningen;
9
-
-
Een relatief hoog aandeel van de instroom in 2021 is veroorzaakt door beëindiging voorliggende voorziening, waarschijnlijk betreft het instroom vanuit de WW; En relatief hoge prijs per uitkering; Hogere kosten voor loonkostensubsidie door te voldoen aan de taakstelling beschut werk en het realiseren van een meer dan gemiddeld aantal garantiebanen; Het bestand kent een steeds groter aandeel van klanten met een lange afstand tot de arbeidsmarkt, trajecten die voor deze groep ingezet worden zijn duurder en het duurt langer voordat deze leiden tot uitstroom. Voor een gedeelte van deze groep is participatie door bijvoorbeeld vrijwilligerswerk het hoogst haalbare; Doordat de coronacrisis in de eerste helft van 2021 het maar beperkt mogelijk maakte om klanten een cursus of werkervaringsplek aan te bieden is er voor klanten vertraging ontstaan in het proces van toeleiding naar werk of participatie.
A2. Analyse van het effect van getroffen maatregelen in voorgaande jaren De afgelopen jaren zijn er verschillende maatregelen getroffen om te komen tot een tekortreductie. 1 Hoogwaardig handhaven Het handhavingsmethodiek Hoogwaardig Handhaven (2017) is gericht op het voorkomen van onterechte instroom door goede screening en beoordeling bij de aanvraag, voorlichting, goede dienstverlening en strikte handhaving.
Grafiek 8 percentage toegekende aanvragen 2021. Bron: Divosa benchmark 2021
Uit de vergelijking met andere gemeenten blijkt dat een significant lager percentage van de aanvragen wordt toegekend als gevolg van goede voorlichting en een nauwkeurige beoordeling van de aanvraag. Het percentage toegekende uitkeringen ligt al vanaf 2018 rond de 50%. Het gaat hier om het voorkomen van een onterechte aanvraag; wie recht heeft op een uitkering krijgt die ook. In combinatie met goede voorlichting voorkomt deze aanpak onterecht toegekende uitkeringen en daarmee ook terugvorderingen van onterecht toegekende uitkeringen. Dit leidt daardoor dus ook tot lagere inkomsten van debiteuren. 10
Ook strikte handhaving maakt onderdeel uit van Hoogwaardig Handhaven. Dat leidde het eerste jaar van invoering van de methodiek tot een toename van 64% van het aantal beëindigde uitkeringen en een toename van 74% van het aantal terugvorderingen ten opzichte van het jaar daarvoor. In de jaren er na is het aantal beëindigde uitkeringen en het aantal terugvorderingen redelijk constant gebleven. Goede dienstverlening is randvoorwaardelijk voor rechtvaardige handhaving. Onderdeel daarvan is de invoering in 2017 van de “Omgekeerde Toets”; het toepassen van individueel maatwerk waar nodig door te kijken wat de klant nodig heeft en pas daarna te bedenken hoe dat binnen de wettelijke kaders is in te passen. Dat verbetert de dienstverlening maar zorgt ook dat re-integratie niet gefrustreerd wordt door problemen op andere leefgebieden, zoals bijvoorbeeld schulden of gezondheid, die maken dat klanten zich niet kunnen concentreren op hun inzet voor re-integratie. Om de kwaliteit van de dienstverlening te bewaken wordt 2 jaarlijks een onafhankelijk klanttevredenheidsonderzoek ( KTO) uitgevoerd. De uitkomst wordt gebruikt om de dienstverlening indien nodig aan te passen. De cijfers uit de KTO’s - 2017: 7,1 2019: 7, 4 2021: 7,3 - zijn tot nu toe goed. De uitkomst wordt bevestigd door een zeer beperkt aantal ontvangen klachten en bezwaren.
Goede voorlichting is eveneens onderdeel van de aanpak. Goede voorlichting draagt bij aan een beter begrip van rechten en plichten, bevordert gebruik van voorzieningen voor minima en voorkomt ook problemen op andere leefgebieden. Daarom wordt er sinds 2018 een informatiemap verstrekt aan de nieuwe klanten. In de map zit niet alleen informatie over de rechten en plichten maar ook over lokale minimaregelingen en lokale onafhankelijke cliëntondersteuning op verschillende leefgebieden. Het effect daarvan is lastig te meten. We zien, tot 2020, een toename in het gebruik van het Voorzieningenfonds voor culturele en sportieve activiteiten voor zowel volwassenen als kinderen. Het gebruik nam af in 2020 en 2021 omdat er minder mogelijkheden waren om deel te nemen aan culturele of sportieve activiteiten of verenigingen. 2
Sluitende aanpak jongeren: samenwerking Speciaal onderwijs en praktijkscholen, zoekperiode, en “dedicated” casemanagers Scholen in het praktijk onderwijs en het Speciaal Onderwijs worden actief benaderd om een half jaar voor uitstroom te melden welke leerlingen uitstromen met een vervolg richting arbeid. Op die manier kan vroegtijdig onderzocht worden welke mogelijkheden passend zijn voor de leerling. Jongeren onder de 27 jaar moeten nadat geconcludeerd is dat er recht is op een uitkering eerst 4 weken zelf op zoek naar werk. In het rapport “Bijstand op afstand” uit 2019 concludeerde de rekenkamer dat na invoering van de zoekperiode voor jongeren het percentage jongeren dat (alsnog) een beroep deed op bijstand in Krimpen aan den IJssel fors daalde. Het percentage toegekende uitkeringen aan jongeren daalde na invoering van 68% naar 13%. Overigens is de zoekperiode voor jongeren afgeschaft tijdens de coronacrisis en geldt de maatregel niet voor kwetsbare jongeren, jongeren met een arbeidsbeperking en jongeren uit de groep gehuisveste statushouders in het kader van de taakstelling huisvesting vergunninghouders.
11
Jongeren worden zo snel en intensief mogelijk begeleid naar werk of opleiding waarbij gebruik gemaakt wordt van “dedicated casemanagers”. De aanpak is gebaseerd op maatwerk waarbij onder andere een matchingstool gericht op het in kaart brengen van competenties, studiekeuze en beroepsvoorkeuren wordt gebruikt. De sluitende aanpak zorgt er voor dat het aandeel jongeren in de bijstand rond de 7% is. Hogere percentages in de afgelopen periode werden veroorzaakt door een hoge instroom van jonge statushouders waarbij het niet mogelijk is hen direct toe te leiden naar werk of opleiding. 3 Voorkomen instroom vanuit de WW: WW@work Met het UWV wordt sinds 2019 samengewerkt in het voorkomen van instroom vanuit de WW naar de bijstand. Klanten met een WW-uitkering, en een hoge kans op instroom in de bijstand, worden een half jaar voor het beëindigen van de WW door de uitvoeringsorganisatie GR IJsselgemeenten ondersteund bij het vinden van werk. Op die wijze wordt instroom in de bijstand voorkomen. In 2019 vonden zo 10 klanten uit Krimpen aan den IJssel een baan en in 2020 waren dat er 12. In 2021, met name in het vierder kwartaal, was de uitstroom via WW@work lager omdat door de aantrekkende economie klanten uitstroomden voordat zij in contact kwamen met WW@work. Er stroomden 6 klanten door naar een baan.
Ook deze relatief lage aantallen als gevolg van de aanpak WW@work maken een verschil voor het volume en dragen daardoor bij aan de tekortreductie. Het voorkomen van een instroom van 6 klanten betekent een behoorlijke reductie in de uitgaven. Uitgaande van de gemiddelde prijs van de uitkering bedraagt een reductie maximaal 6 x €15.312 = €91.872 op jaarbasis. Voor het gemak is er bij deze indicatie niet gerekend met de werkelijke kosten; de kosten van een uitkering in enig jaar zijn uiteraard afhankelijk van de gezinssamenstelling en het aantal maanden dat de uitkering ontvangen wordt. 4 Pilot FIP aanpak, frequente intensieve persoonlijke gesprekken met een vaste casemanager. In 2017 is gestart met de Pilot FIP-project, waarbij frequent, intensief en persoonlijk contact met cliënten met een lange afstand tot de arbeidsmarkt onderhouden wordt. In deze aanpak vinden er minimaal 4 maal per jaar persoonlijke gesprekken plaats met een vaste casemanager. De gesprekken beperken zich niet tot de uitkering maar gaan over alle leefgebieden. In 2017 is gestart met deelname aan de pilot FIP in samenwerking met de Erasmus Universiteit Rotterdam.
In het onderzoek naar de effecten in 2019 concludeert de Erasmusuniversiteit dat de uitstroom naar werk niet afwijkt van de controle groep, maar dat het wel een significant verschil in sociale activatie teweeg brengt ten opzichte van de reguliere dienstverlening in de controle groep. Binnen IJsselgemeenten leidde het, in tegenstelling tot andere gemeenten niet tot meer beëindigingen doordat er geen recht bleek te bestaan op een uitkering. Casemanagers signaleerden wel dat zij onbedoelde overtredingen van de inlichtingenplicht voorkwamen. Binnen IJsselgemeenten was er in de pilot groep, ten opzichte van de controlegroep, een verdubbeling van het aantal klanten dat actief was als vrijwilliger of mantelzorger. Ook de deelname aan trajecten was ruim twee maal hoger dan in de controlegroep, met name de deelname aan de “ Van Klacht naar Kracht” trainingen was hoger. 12
Het effect op de tekortreductie is op korte termijn gering; de beoogde doelgroep heeft een erg lange afstand tot de arbeidsmarkt en een traject naar uitstroom is in dat geval langdurig, áls uitstroom al mogelijk is. Dit soort interventies is gericht op afname van het aandeel klanten met een lange afstand tot de arbeidsmarkt en essentieel om op de langere termijn tekort reductie te bewerkstellingen. 5 Extra inzet op vrijwilligerswerk In 2020 is de capaciteit binnen de uitvoering uitgebreid door de aanstelling van een vrijwilligers coördinator. Daarmee wordt beoogd om meer klanten op een passende plek vrijwilligerswerk te laten doen waardoor zij een stap dichterbij komen naar werkervaringsplaatsen of re-integratietrajecten. Vrijwilligerswerk wordt met name in gezet voor klanten met een wat langere afstand tot de arbeidsmarkt. Voor sommigen onder hen zal dit het hoogst haalbare zijn en is het een vorm van tegenprestatie. Voor anderen is het een tussenstap naar een langer traject richting uitstroom. Het effect van deze inzet is dat er meer vrijwilligerswerkplaatsen beschikbaar komen die beter passen bij de ontwikkeling en mogelijkheden van de klanten. Het draagt daardoor op de korte termijn niet bij aan een tekortreductie door uitstroom.
De aanpak draagt in belangrijke mate bij aan uitstroom op de langere termijn en de daling van het aantal klanten met een lange afstand tot de arbeidsmarkt. 6 Extra inzet op taal Extra inzet op taalbeheersing is nodig omdat een groot aandeel van het bestand (44%) de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Voor een gedeelte betreft dit klanten die deelnemen aan een inburgeringstraject en voor een gedeelte gaat het om klanten die het inburgeringexamen hebben behaald maar de taal nog onvoldoende beheersen of teruggezakt zijn in het taalniveau. Een klein gedeelte betreft klanten waarvoor geldt dat zij moeite hebben met taalbeheersing ondanks dat Nederlands hun moedertaal is. Vanaf 2018 is een verbinding gemaakt met de uitvoering van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs( WEB) door input van de GR IJsselgemeenten bij de inkoop en toeleiding van de WEB-trajecten NT2. Daarnaast worden klanten actief geïnformeerd over het lokale taalaanbod, zijn casemanagers getraind op het herkennen van laaggeletterdheid en wordt de taalmeter ingezet bij de aanvraag van een uitkering. Er is in de organisatie bovendien een procesmanager Taal aangesteld om de toeleiding naar taaltrajecten te ondersteunen. Desondanks daalt het aandeel van klanten waarvan de taalbeheersing niet of nauwelijks.
Gedeeltelijk is dat te verklaren omdat, door de huisvesting van statushouders, er klanten met onvoldoende taalbeheersing blijven instromen. Daarnaast is dit de groep die het minst gemakkelijk uitstroomt en die dus langere tijd gebruik blijven maken van een uitkering. 7 Extra inzet op uitstroom naar part-time werk Er is extra ingezet op gedeeltelijke uitstroom naar parttime werk, als opstap naar volledige uitstroom, door inkomstenvrijlating op het maximaal toegestane vrij te laten bedrag en tijdsduur vast te stellen, een simpele en verkorte aanvraagperiode te hanteren voor klanten bij beëindiging van (parttime) werk en te voorzien in extra voorlichting over deze aanpak. Het beleid is geharmoniseerd voor de regio Rijnmond. Deze aanpak leidde in tot relatief hoger percentages parttime werk: van 6,7 % in 2018 naar 8,7 % in 13
2019. In 2020 zakte het percentage naar 3,6 % als gevolg van de coronacrisis maar in 2021 was er sprake van een snelle stijging van 4,2 % naar 8,4 % in het eerste kwartaal. De inkomsten uit parttime werk worden in mindering gebracht op de uitkeringen en meer parttime werk zorgt er daarom voor dat de gemiddelde prijs van de uitkering daalt. De prijsontwikkeling van de uitkering is echter van meer factoren afhankelijk zoals de ontwikkeling van het minimumloon en de hoogte van terugvorderingen. 8 Intensieve samenwerking in de regio Rijnmond in het Regionaal werkbedrijf Op grond van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (SUWI), werken gemeenten, het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), sociale partners en het onderwijs samen in het Regionaal Werkbedrijf Rijnmond voor de invulling van garantiebanen en dienstverlening aan werkgevers. Doel van de samenwerking is om meer mensen aan het werk te helpen en te houden. De samenwerking is eind 2014 geformaliseerd door ondertekening van een intentieverklaring. Eind 2021 is deze vervangen door een samenwerkingsovereenkomst als gevolg van de wijzigingen in de Wet SUWI. De uitvoering is belegd bij het Werkgeversservicepunt. De deelnemende gemeenten leveren capaciteit voor de uitvoering.
De aanpak is ingedeeld in thema’s: - Harmonisatie Het project harmonisatie beoogd de werkgeversdienstverlening uniformer te maken. In 2020 zijn vrijwel alle instrumenten als loonkostensubsidie, jobcoaching en voorlichting over belastingvoordelen, subsidiemogelijkheden en de no-riskpolis geharmoniseerd. - Transparantie Het zichtbaar maken van werkzoekenden. Gedurende de coronacrisis is de inzet op HalloWerk verhoogd. Via dit systeem kunnen klant en vacature snel aan elkaar worden gekoppeld. De arbeidsmarktregio Rijnmond is een van de pilotregio’s in het kader van het landelijk VUM-programma. VUM staat voor Verbeteren Uitwisseling Matchingsgegevens en is een programma van VNG, UWV en het ministerie van SZW. Doelstelling is om mogelijk te maken dat gemeenten, UWV, WSP’s, SW-bedrijven, reintegratiebureaus en private partijen elkaars profiel- en vacaturegegevens (matchingsgegevens) kunnen benutten. - Matching Het opstellen van geüniformeerde profielen voor werkzoekenden gericht op capaciteiten. Binnen het project match zijn de profielen in 2021 regionaal vastgesteld. Er zijn leerwerkakkoorden gesloten in 2020 en 2021 voor de samenwerking tussen onderwijs, UWV, werkgevers en uitvoeringsorganisaties van de participatiewet. - Herkenbaarheid Werkgeversservicepunt Gericht op de herkenbaarheid van de dienstverlening.
Op regionaal niveau worden afspraken gemaakt die lokaal worden uitgevoerd onder de naam van het Werkgeversservicepunt.
14
- Social Return Nadat de regels voor Social Return zijn geharmoniseerd is er in 2021 een registratiesysteem ingevoerd waar alle gemeenten mee moeten gaan werken om de inzet van Social Return te bewaken en de mogelijkheden voor de uitvoering inzichtelijk te maken. De samenwerking in de regio maakt een intensievere aanpak van werkgeversbenadering, werktoeleiding en ontwikkeling van instrumenten mogelijk die door afzonderlijke gemeenten niet in dit tempo en op dit niveau gerealiseerd kon worden. De effecten daarvan op de tekortreductie zijn lastig te meten. Niet alleen omdat de samenwerking zich uitstrekt over verschillende terreinen maar ook omdat de rapportage van de regio gericht is op regionale effecten en, voor bijvoorbeeld de Leerwerkakkoorden, nog in ontwikkeling is. 9 Extra inzet arbeidsmakelaars statushouders en arbeidsbeperkten vanaf 2020 Omdat het aandeel statushouders en arbeidsbeperkten in het bestand toeneemt is er vanaf 2020 extra capaciteit ingezet voor de arbeidstoeleiding voor statushouders en arbeidsbeperkten in de vorm van een arbeidsmakelaar voor beide doelgroepen. Het effect is een goede vervulling van beschut werk en een groot aantal garantiebanen. Het aantal statushouders in de bijstand is gedaald van 92 in 2019, naar 88 in 2020 en 76 in 2021.
Voor wat betreft statushouders zijn extra trajecten ingekocht bij de Werkclub (training, stage en coaching bij uitstroom naar werk) en bij Veldwerk, een uitzendbureau dat – onder andere- kandidaten van gemeenten met een afstand tot de arbeidsmarkt begeleid naar een baan in de Glastuinbouw, AGF, Food of Logistiek door middel van een proefplaatsing met een arbeidsovereenkomst als doel. 10 Aangepaste dienstverlening als gevolg van Corona Om te zorgen dat de dienstverlening in 2020 doorgang kon blijven vinden tijdens de coronacrisis is deze zo veel mogelijk gedigitaliseerd. Klantcontacten vonden plaats via beeldbellen, trainingen werden waar mogelijk digitaal aangeboden. In plaats van gesprekken met de klant te houden in de spreekkamer is “wandelen met de klant” ingezet waarbij een gesprek met de klant tijdens een wandeling plaats vond. Voor de huisbezoeken is de “zelfinspectieapp” ontwikkeld, er is mee geëxperimenteerd in 2020. A3. Gehanteerde bronnen die bij de analyse (A1) zijn gebruikt. Benchmark Divosa 2021 Kwartaalrapportages 2019- 2021 afdeling Sociale zaken IJsselgemeenten Waarstaatjegemeente De Spanningsindicator arbeidsmarkt van het UWV De effecten van klantcontacten in de Participatiewet, Evaluatie van het project Frequent, Intensief en Persoonlijk (FIP) klantcontact bij de intergemeentelijke dienst IJsselgemeenten W. A. (Sanne) van der Valk, MSc. Prof. Dr. H. J. M.
(Menno) Fenger, Erasmus University Rotterdam. Juli, 2019 Tool gemeentelijke maatregelen tekortreductie Rapportages regionaal Werkbedrijf Rijnmond 2021
15
B. Getroffen interne en externe maatregelen om het tekort verder te reduceren In dit onderdeel van de verklaring van het college wordt beschreven welke interne (B1) en externe maatregelen (B2) zijn getroffen om een bijdrage te leveren aan de verdere tekortreductie. Bij B2 wordt aan de hand van drie vragen beschreven hoe de consultatie van de externe partij of externe bron heeft geleid tot de getroffen externe maatregelen. Bij zowel B1 als B2 wordt onderscheid gemaakt of de maatregel al dan niet wordt voortgezet of nieuw is.
OPMERKING COLLEGE: Voor de voortgezette maatregelen die bij onderdeel B worden beschreven geldt dat deze ook zijn beschreven onder A2. Onder A2 wordt namelijk gevraagd naar het effect van de maatregelen die ingezet zijn in de jaren vóór 2021. Onder B1 wordt gevraagd naar de maatregelen die vóór 2021 zijn ingezet en voortgezet in 2021. Een verwijzing volstaat niet omdat bij de toetsing van de aanvraag specifiek gelet wordt of het college zowel onder A als ook onder B de genomen maatregelen én de effecten daarvan heeft opgenomen. B1. Beschrijving getroffen interne maatregelen Voor 2021 getroffen maatregelen, die dit jaar zijn voortgezet: 1 Hoogwaardig Handhaven Het handhavingsbeleidsplan Hoogwaardig Handhaven (2017) is gericht op het voorkomen van onterechte instroom door goede screening en beoordeling bij de aanvraag, voorlichting, goede dienstverlening en strikte handhaving. De effecten hiervan zijn zodanig dat deze aanpak een structurele plaats heeft gekregen in de uitvoering.
Grafiek: Percentage toegekende aanvragen 2021. Bron: Divosa benchmark 2021
16
Uit de vergelijking met andere gemeenten blijkt dat een significant lager percentage van de aanvragen wordt toegekend. Het percentage toegekende uitkeringen ligt vanaf 2018 rond de 50%. Het gaat hier om het voorkomen van een onterechte aanvraag; wie recht heeft op een uitkering krijgt die ook. In combinatie met goede voorlichting voorkomt deze aanpak onterecht toegekende uitkeringen en daarmee ook terugvorderingen van onterecht toegekende uitkeringen. Ook strikte handhaving maakt onderdeel uit van deze methode. Dat leidden het eerste jaar tot een toename van 64% van het aantal beëindigde uitkeringen en een toename van 74% van het aantal terugvorderingen ten opzichte van het jaar daarvoor. Dat verschil is de jaren er na redelijk constant gebleven. Goede dienstverlening is randvoorwaardelijk voor rechtvaardige handhaving. Onderdeel daarvan is de invoering in 2017 van de “Omgekeerde Toets”, het toepassen van individueel maatwerk waar nodig door te kijken wat er nodig is en pas daarna hoe dat binnen de wettelijke kaders is in te passen. Dat verbetert de dienstverlening maar zorgt ook dat re-integratie niet gefrustreerd wordt door problemen op andere leefgebieden, zoals bijvoorbeeld schulden of gezondheid, die maken dat klanten zich niet kunnen concentreren op hun inzet voor re-integratie. Ook goede voorlichting is onderdeel van de aanpak.
Dit draagt bij aan een beter begrip van rechten en plichten maar voorkomt ook problemen op andere leefgebieden. Daarom wordt er sinds 2018 een informatiemap verstrekt aan de nieuwe klanten met daarin niet alleen informatie over de rechten en plichten maar ook over lokale minimaregelingen en lokale onafhankelijke cliëntondersteuning op verschillende leefgebieden. Het effect daarvan is lastig te meten. We zien wel dat er een toename is in het gebruik van het voorzieningenfonds voor culturele en sportieve activiteiten voor zowel volwassenen als kinderen. Overigens nam de deelname, als gevolg van de coronacrisis, af in 2020 en 2021. Om de kwaliteit van de dienstverlening te bewaken wordt 2 jaarlijks een onafhankelijk klanttevredenheidsonderzoek ( KTO) uitgevoerd. De uitkomst wordt gebruikt om de dienstverlening indien nodig aan te passen. De cijfers uit de KTO’s ( 7,1 in 2017, 7, 4 in 2019, 7, 3 in 2020) zijn tot nu toe goed. De uitkomst van de KTO’s wordt bevestigd door een zeer beperkt aantal klachten - 23 klachten op 50.000 klantcontacten in 2021- en bezwaren. In 2021 zijn er 395 bezwaren ingediend op 14.000 beschikkingen, 3,5 % van de bezwaren is gegrond. De aanpak zal niet leiden tot een verdere tekortreductie maar draagt in belangrijke mate bij aan het voorkomen van een toename van klanten en kosten.
Voor 2022 wordt wel ingezet op een verhoging van het aantal handhavings- en heronderzoeken met 50%. 2 Sluitende aanpak jongeren: samenwerking Speciaal onderwijs en praktijkscholen, zoekperiode, en “dedicated” casemanagers Deze maatregel is eigenlijk een samenhangend pakket van maatregelen dat vanaf 2019 zijn effectiviteit heeft bewezen. De maatregel is een geheel van verschillende maatregelen waarbij geput is uit voorbeelden en ideeën van zowel anderen als de eigen uitvoeringsorganisatie. De aanpak is misschien 17
niet uitsluitende te classificeren als een “interne maatregel” maar wel sinds een aantal jaar een geïnternaliseerde aanpak: - Speciaal Onderwijs en Praktijkscholen worden actief benaderd om een half jaar van te voren te melden welke leerlingen zullen uitstromen met een vervolg richting arbeid. Op die manier kan vroegtijdig onderzocht worden welke mogelijkheden er zijn. - Jongeren onder de 27 jaar moeten nadat geconcludeerd is dat er recht is op een uitkering eerst 4 weken zelf op zoek naar werk. In haar rapport “Bijstand op afstand” uit 2019 concludeerde de rekenkamer dat na invoering van de zoekperiode voor jongeren het percentage jongeren dat (alsnog) een beroep deed op bijstand fors daalde. Het percentage toegekende uitkeringen aan jongeren daalde van 68% naar 13%. Overigens is de zoekperiode afgeschaft in de coronacrisis en geldt de maatregel niet voor kwetsbare jongeren, jongeren met een arbeidsbeperking en statushouders. - Jongeren worden zo snel en intensief mogelijk begeleid naar werk of opleiding waarbij gebruik gemaakt wordt van “dedicated casemanagers”. De aanpak is gebaseerd op maatwerk waarbij onder andere een matchingstool gericht op het in kaart brengen van competenties, studiekeuze en beroepsvoorkeuren wordt gebruikt. De sluitende aanpak zorgt er voor dat het aandeel jongeren in de bijstand rond de 7% is.
Hogere percentages in de afgelopen periode werden veroorzaakt door een hoge instroom van jonge statushouders waarbij het niet mogelijk is hen direct toe te leiden naar werk of opleiding. 3 Extra inzet op vrijwilligerswerk De extra capaciteit voor de vrijwilligerscoördinator is in 2021 verdubbeld met als doel nog meer klanten toe te lieden naar vrijwilligerswerk en daarmee een stap te laten zetten in de richting van uitstroom of in ieder geval als een passende tegenprestatie. Het draagt daardoor op de korte termijn niet bij aan een tekortreductie door uitstroom maar is essentieel voor de aanpak om het aantal klanten met een lange afstand tot de arbeidsmarkt te reduceren en hen zo op termijn wél te laten uitstromen. Door de coronacrisis heeft dit in 2021 niet tot het gewenste resultaat geleid. In 2022 is de extra inzet gecontinueerd conform de capaciteit in 2020 namelijk 1 fte voor een vrijwilligerscoördinator. 4 Extra inzet arbeidsmakelaars statushouders en arbeidsbeperkten Omdat het aandeel statushouders en arbeidsbeperkten in het bestand toeneemt is er vanaf 2020 extra capaciteit ingezet voor de arbeidstoeleiding voor statushouders en arbeidsbeperkten in de vorm van een arbeidsmakelaar voor beide doelgroepen. Het effect is een goede vervulling van beschut werk en een groot aantal garantiebanen.
Het aantal statushouders in de bijstand is gedaald van 92 in 2019, naar 88 in 2020 en 76 in 2021. Voor wat betreft statushouders zijn extra trajecten ingekocht bij de Werkclub (training, stage en coaching bij uitstroom naar werk) en bij Veldwerk, een uitzendbureau dat – onder andere- kandidaten 18
van gemeenten met een afstand tot de arbeidsmarkt begeleid naar een baan in de Glastuinbouw, AGF, Food of Logistiek door middel van een proefplaatsing met een arbeidsovereenkomst als doel. 5 Aanpassing van de dienstverlening tijdens de Coronacrisis vanaf 2020 De wekwijze van de dienstverlening moest, evenals in veel andere organisaties, aangepast worden als gevolg van de coronamaatregelen. Trainingen en klantgesprekken konden vanwege de maatregelen uiteraard slechts in beperkte vorm doorgaan, daar waar mogelijk werden deze digitaal gehouden. De situatie leidde echter ook tot creatieve nieuwe werkvormen. Bij de intake zijn is bijvoorbeeld gestart met het door de klant zelf laten invullen van diens diagnose. Dit beviel goed bij zowel de klanten als de casemanagers. Een andere nieuwe werkvorm is het ‘Wandelen met de klant’. Hierbij maken een casemanager en een klant samen een wandeling in de buitenlucht. Tijdens de wandeling komen de re-integratie en de persoonlijke situatie van de klant ter sprake. De ervaring van casemanagers is positief; klanten zijn opener dan bij een gesprek in de spreekkamer en het fysiek in beweging komen is ook bevorderlijk voor het welzijn van de klant. Uiteraard is deze methode wel tijdsintensiever voor de casemanagers, dus deze wordt zeer gericht ingezet. Daarnaast werden de landelijke regelingen TOZO en TONK uitgevoerd.
Daarbij is bovendien extra aandacht besteed aan het signaleren oppakken en voorkomen van schulden bij ZZPers. Maatregelen die na evaluatie niet meer worden voortgezet dit jaar: 1 Aangepaste dienstverlening tijdens de Coronacrisis Doordat het in de tweede helft van 2021 weer mogelijk was om fysieke trainingen te geven en gesprekken te voeren zijn fysieke gesprekken en trainingen weer opgepakt. Dat geldt niet voor alle maatregelen omdat deze een toevoeging blijken in het instrumentarium. Soms kunnen digitale trainingen voor bepaalde groepen en onder voorwaarden juist te verkiezen zijn boven fysieke trainingen. En zo blijkt bijvoorbeeld het invullen van het diagnoseformulier door de klant een goede voorbereiding op het diagnose gesprek dat over het algemeen gewaardeerd wordt door de klanten en tijd bespaart in het gesprek. De methode “Wandelen met de klant” is een instrument dat meer opleverde dan gesprekken in de spreekkamer en zal gericht ingezet worden. Maatregelen die nieuw zijn getroffen dit jaar: 1 Extra klanttevredenheidsonderzoek (KTO) Omdat de dienstverlening als gevolg van de coronacrisis steeds digitaler is geworden is er door de GR IJsselgemeenten in vanaf eind 2020 tot en met begin 2021 een extra KTO uitgevoerd om te beoordelen of de dienstverlening nog steeds voldeed aan de verwachtingen van de klanten. De uitkomst van het KTO was een waarderingscijfer van 7,3.
Opvallend was dat veel klanten de extra digitale mogelijkheden zeer waardeerden. Het volgende KTO wordt conform afspraken, over 2 jaar opnieuw uitgevoerd.
19
2 Invoering Zelfinspectie app Met deze app voert een klant aan de hand van een sturende vragenlijst ‘zelf’ zijn huisbezoek uit. Hierbij wordt de klant bijvoorbeeld gevraagd naar het aantal kamers en de stand van de water- en elektriciteitsmeters. Ook dient de klant bijvoorbeeld foto’s te maken van een specifieke ruimte. De app is ontwikkeld om handhavers te ondersteunen bij het afleggen van huisbezoeken, maar op verzoek van IJsselgemeenten is de app uitgebreid met de mogelijkheid voor klanten om deze zelf in te vullen. Door deze app konden zij, volledig coronaproof, controles uitvoeren bij vermoedens van fraude. Nadat uit een experiment in 2020 is gebleken dat de app werkte is deze in 2021 breder ingezet. Het effect daarvan was dat de controles in het kader van handhaving ook tijdens de lock-down door konden gaan en nét niet het gestelde jaardoel van 500 handhavings- en heronderzoeken gehaald werd. 3 Actieprogramma armoede en schulden Begin 2021 is het actieprogramma Armoede en Schulden opgesteld. Armoede en schulden veroorzaken stress en cognitieve achteruitgang. Daarmee heeft dat niet alleen een negatief effect op het welzijn van mensen, het leidt tot slechtere prestaties en kan leiden tot uitval bij werk, opleiding en ontwikkeling. Een goede aanpak zal daarom ook de kansen op succes bij re-integratie verhogen.
Het actieprogramma richt zich op toegankelijkheid van voorzieningen, het voorkomen van schulden, vroegsignalering, een goede aanpak van schuldhulpverlening en nazorg. De GR IJsselgemeenten is betrokken in de aanpak van armoede en schulden door de uitvoering van de participatiewet, de uitvoering van minimaregelingen, de uitvoering van het traject minnelijke schuldhulpverlening en doordat zij informeren en adviseren aan hun klanten op dit gebied. De aanpak zal bijdragen aan het voorkomen van schulden en een verbeterde vroegtijdige inzet van schuldhulpverlening. Dat zal voor klanten met schulden en een uitkering er voor zorgen dat zij zich sneller kunnen concentreren op re-integratie. Omdat er vaak sprake is van problemen op meerdere leefgebieden, al dan niet ontstaan door diezelfde schulden, is een snel resultaat op het gebied van (gedeeltelijke) uitstroom naar werk van uitkeringsgerechtigden niet te verwachten. 4 Inzet op taal en statushouders De taakstelling huisvesting statushouders neemt toe. Het aandeel klanten in het bijstandsbestand met een beperkte taalbeheersing is groot en er blijven klanten instromen. De inzet op taalverwerving blijft van belang. Naast de inzet van de taalmeter, de verbinding met lokaal en regionaal taalaanbod is in 2021 ook intensief meegewerkt aan de voorbereiding op de nieuwe wet inburgering.
Binnen de nieuwe Wet inburgering is IJsselgemeenten verantwoordelijk voor het doorbetalen van de vaste lasten als onderdeel van het onderdeel financieel ontzorgen. Tijdens het inburgeringstraject worden de casemanagers op verschillende momenten betrokken in aanloop naar de re-integratie die ingezet wordt naast het taaltraject. Een nauwe betrokkenheid in de voorbereiding zal de uitvoering soepeler laten verlopen. Er is blijvende aandacht voor het inkopen van de juiste trajecten voor statushouders. De inzet van de arbeidsmakelaar statushouders is gecontinueerd in 2021 en zal ook gecontinueerd worden in 2022.
20
5 Intensievere begeleiding aan de poort vanaf 2022 In 2022 wordt nog intensiever ingezet op voorkomen van instroom door het naar werk begeleiden van (aanstaande) klanten. Op het moment van aanvragen zijn zij vaak namelijk het meest kansrijk bij het vinden van nieuw werk. Hun arbeidsverleden en werknemersvaardigheden zijn dan immers nog actueel. De huidige vraag op de arbeidsmarkt biedt de mogelijkheid om al tijdens het aanvraagproces passende vacatures voor te leggen. Als er op dat moment al gelijk een match tot stand komt, dan voorkomt dat instroom in de uitkering. Onderdeel van de aanpak is de verkenning van het creëren van een aantal betaalde banen bij Promen zodat daarmee een aantal aanvragers direct naar betaald werk kunnen worden toegeleid.
B2.
Beschrijving getroffen externe maatregelen
Elke getroffen maatregel wordt beschreven met de naam van de maatregel, een omschrijving van de maatregel en gevolgd door de antwoorden op elk van de volgende drie vragen t.a.v. die maatregel: a) Wat is (zijn) de externe bron(nen) (partij of ‘schriftelijke’ informatie) voor deze maatregel geweest? b) Welk inzicht bij de gemeente is gekregen door die externe partij of externe ‘schriftelijke’ informatie? c) Welke externe maatregel is getroffen naar aanleiding van de conclusie(s) uit deze consultatie? Maatregelen die in voorgaande jaren zijn getroffenen en dit jaar zijn voortgezet 1. FIP-Aanpak De FIP aanpak is een aanpak waarbij frequent, intensief en persoonlijk contact met cliënten, met een lange afstand tot de arbeidsmarkt, onderhouden wordt. In deze aanpak vinden er minimaal 4 maal per jaar persoonlijke gesprekken plaats met een vaste casemanager. De gesprekken beperken zich niet tot de uitkering maar gaan over alle leefgebieden. a) Wat is (zijn) de externe bron(nen) (partij of ‘schriftelijke’ informatie) voor deze maatregel geweest? De FIP-methode is ontwikkeld in de samenwerking tussen Hoogleraar Menno Fenger (Erasmus Universiteit Rotterdam) en SV Land Specialisten Sociale Zekerheid. Menno Fenger testte de FIP-methode vanaf 2013 in de gemeenten Brabantse Wal (Bergen op Zoom) en Oegstgeest.
b) Welk inzicht bij de gemeente is gekregen door die externe partij of externe ‘schriftelijke’ informatie? Uit het onderzoek naar aanleiding van de uitvoering van de FIP methode bleek dat bij een minimum van 4 gesprekken per jaar met een vaste casemanager en waarbij er minimaal op 6 leefgebieden gesproken werd, de participatie onder de deelnemers verdubbelde. Bovendien werd fraude achterhaald en onbedoelde fraude voorkomen. De aanpak heeft daarmee een toegevoegde waarde bij het bevorderen van activering en participatie en vormt een eerste stap naar re-integratie. Mogelijk leidt het zelfs tot het verminderen van (onbedoelde) fraude. 21
c) Welke externe maatregel is getroffen naar aanleiding van de conclusie(s) uit deze consultatie? Na voorbereidend onderzoek is in 2018 gestart met een pilot binnen IJsselgemeenten. De pilot van de FIP-methode (Frequent Intensief en Persoonlijk contact) is in 2019 geëvalueerd. De resultaten waren conform de resultaten uit de eerdere onderzoeken in andere gemeenten. Medio 2020 is er extra capaciteit gerealiseerd voor deze aanpak. Gezien de resultaten en het grote aandeel van klanten met een lange afstand tot de arbeidsmarkt is de aanpak voortgezet en uitgebreid in 2021 en 2022. De capaciteit voor de FIP aanpak is daarbij verdubbeld naar 2 fte voor de GR IJsselgemeenten. 3 Voorkomen instroom vanuit de WW: WW@work Met het UWV wordt sinds 2019 samengewerkt in het voorkomen van instroom vanuit de WW naar de bijstand. Klanten met een WW uitkering met een hoge kans op instroom in de bijstand worden een half jaar voor het beëindigen van de WW door de uitvoeringsorganisatie IJsselgemeenten ondersteund bij het vinden van werk. Op die wijze wordt instroom in de bijstand voorkomen. In 2019 vonden zo 10 klanten een baan. In 2020 en 2021 nam het aantal klanten dat via WW@work naar een baan doorstroomde af, in 2020 waren dat er 12 en in 2021 waren dat er 8. De afname is te verklaren door de beperkte mogelijkheden om een baan te vinden tijdens de coronacrisis.
a) Wat is (zijn) de externe bron(nen) (partij of ‘schriftelijke’ informatie) voor deze maatregel geweest? De gemeente Rotterdam is eind 2016 gestart met de aanpak WW@work en werd daarbij geïnspireerd door de gemeente Den Bosch die deze werkwijze al eerder invoerde. b) Welk inzicht bij de gemeente is gekregen door die externe partij of externe ‘schriftelijke’ informatie? De klanten reageerden positief op de aanpak en 49% van de caseload in Rotterdam stroomde uit naar betaald werk van 24 uur per week of meer. Daarmee wordt, afhankelijk van de inzet een behoorlijke instroom in de bijstand voorkomen. c) Welke externe maatregel is getroffen naar aanleiding van de conclusie(s) uit deze consultatie? De aanpak WW@work is in 2019 ingevoerd en gecontinueerd in 2020 en 2021. Hoewel de resultaten in 2021 afgenomen zijn als gevolg van de coronacrisis is de aanpak ook in 2022 gecontinueerd waarbij de verwachting is dat de omstandigheden het weer mogelijk maken een goed resultaat te behalen. 4 Extra inzet op uitstroom naar part-time-werk door simpel switchen Veel mensen die vanuit een uitkering willen gaan werken durven die stap niet te zetten. Zij hebben de zekerheid van een stabiel inkomen, vaste begeleiding of een veilige weg nodig. Simpel Switchen wil de drempels om aan het werk te gaan wegnemen en het mensen makkelijker maken om een stapje terug te doen als het even niet lukt.
a) Wat is (zijn) de externe bron(nen) (partij of ‘schriftelijke’ informatie) voor deze maatregel geweest? Sinds 2019 zijn het ministerie van Sociale Zaken, Divosa en vele gemeenten in de uitvoering aan de slag met Simpel Switchen. Ook IJsselgemeenten heeft deelgenomen aan informatiebijeenkomsten. In de regio Rotterdam is in de samenwerking in het Werkbedrijf Regio Rijnmond deze methode verkend en geharmoniseerd voor de regio. 22
b) Welk inzicht bij de gemeente is gekregen door die externe partij of externe ‘schriftelijke’ informatie? Uitstroom naar parttime werk reduceert de prijs van de uitkering en daarmee de BUIG uitgaven. Bovendien vergroot het de kans op definitieve uitstroom voor de klant. Het was bekend dat parttime werk, of uitstroom naar tijdelijk werk, voor de klant veel onzekerheden en administratieve last meebrengt. Door die lasten zo veel mogelijk weg te nemen en door werken financieel aantrekkelijker maken zijn klanten eerder gemotiveerd. c) Welke externe maatregel is getroffen naar aanleiding van de conclusie(s) uit deze consultatie? Er is extra ingezet op gedeeltelijke uitstroom naar parttime werk als opstap naar gehele uitstroom. Onder andere door inkomstenvrijlating op het maximaal toegestane vrij te laten bedrag en tijdsduur vast te stellen, een simpele, verkorte, aanvraagperiode te hanteren voor klanten bij beëindiging van (parttime) werk en te voorzien in extra voorlichting over deze aanpak. Het beleid is geharmoniseerd voor de regio Rijnmond. Deze aanpak leidde tot hogere percentages parttime werk: van 6,7 % in 2018 naar 8,7 % in 2019. In 2020 zakte het percentage naar 3,6 % als gevolg van de coronacrisis maar in 2021 was er sprake van een snelle stijging van 4,2 % naar 8,4 % in het eerste kwartaal.
De gemiddelde prijs van de uitkering steeg sterk in 2020 maar daalde in 2021 wat er op lijkt dat de aanpak bijdraagt aan de tekortreductie. 5 Intensieve samenwerking in de regio Rijnmond in het Regionaal werkbedrijf Op grond van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (SUWI), werken gemeenten, het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), sociale partners en het onderwijs samen in het Regionaal Werkbedrijf Rijnmond voor de invulling van garantiebanen en dienstverlening aan werkgevers. Doel van de samenwerking is om meer mensen aan het werk te helpen en te houden. De samenwerking is eind 2014 geformaliseerd door ondertekening van een intentieverklaring. Eind 2021 is deze vervangen door een samenwerkingsovereenkomst als gevolg van de wijzigingen in de Wet SUWI. De uitvoering is belegd bij het Werkgeversservicepunt. De deelnemende gemeenten leveren capaciteit voor de uitvoering. a)
Wat is (zijn) de externe bron(nen) (partij of ‘schriftelijke’ informatie) voor deze maatregel geweest?
De samenwerking is wettelijk bepaald in de wet SUWI, de vorm die de samenwerking heeft was echter tot de aanpassing in de wet per 2022 per regio verschillend. De samenwerking in de regio Rijnmond heeft de laatste 5 jaren een sterke ontwikkeling doorgemaakt. Vanwege de intensieve samenwerking met het onderwijs, werkgeversorganisaties, het UWV en gemeenten is het daarom toch te zien als een externe maatregel. b) Welk inzicht bij de gemeente is gekregen door die externe partij of externe ‘schriftelijke’ informatie? De samenwerking is steeds intensiever geworden en organisatorisch steeds beter Gestructureerd dat levert een constante input vanuit verschillende actoren en hun netwerk op mogelijke interventie binnen de vastgestelde ontwikkel thema’s. De samenwerking is onmisbaar voor de
23
ontsluiting van de regionale arbeidsmarkt en een goede werkgeversdienstverlening. De samenwerking zorgt er bovendien voor dat er korte lijnen zijn voor deelname aan, of het leren van, pilots. c) Welke externe maatregel is getroffen naar aanleiding van de conclusie(s) uit deze consultatie? De regionale aanpak is ingedeeld in ontwikkeling op verschillende thema’s, per thema zijn acties ondernomen: - Harmonisatie Het project harmonisatie beoogd de werkgeversdienstverlening uniformer te maken. In 2020 zijn vrijwel alle instrumenten als loonkostensubsidie, jobcoaching en voorlichting over belastingvoordelen, subsidiemogelijkheden en de no-riskpolis geharmoniseerd. - Transparantie Het zichtbaar maken van werkzoekenden. Gedurende de coronacrisis is de inzet op HalloWerk verhoogd. Via dit systeem kunnen klant en vacature snel aan elkaar worden gekoppeld. De arbeidsmarktregio Rijnmond is een van de pilotregio’s in het kader van het landelijk VUM-programma. VUM staat voor Verbeteren Uitwisseling Matchingsgegevens en is een programma van VNG, UWV en het ministerie van SZW. Doelstelling is om mogelijk te maken dat gemeenten, UWV, WSP’s, SW-bedrijven, reintegratiebureaus en private partijen elkaars profiel- en vacaturegegevens (matchingsgegevens) kunnen benutten. - Matching Het opstellen van geüniformeerde profielen voor werkzoekenden gericht op capaciteiten.
Binnen het project match zijn de profielen in 2021 regionaal vastgesteld. Er zijn leerwerkakkoorden gesloten in 2020 en 2021 voor de samenwerking tussen onderwijs, UWV, werkgevers en uitvoeringsorganisaties van de participatiewet. - Social Return Nadat de regels voor Social Return zijn geharmoniseerd is er in 2021 een registratiesysteem ingevoerd waar alle gemeenten mee gaan werken om de inzet van Social Return te bewaken en de mogelijkheden voor de uitvoering inzichtelijk te maken. Maatregelen die na evaluatie niet meer worden voortgezet dit jaar Er zijn geen externe maatregelen die niet meer worden voortgezet. Maatregelen die nieuw zijn getroffen dit jaar 1 Praktijkleren met praktijkverklaring Als regio, in de samenwerking met Regionaal Werkbedrijf Rijnmond, nemen we deel aan een pilot met ondersteuning vanuit SBCM, het Kenniscentrum en Arbeidsmarkt- & Opleidingsfonds voor de sociale werkgelegenheid, bestuurd door werkgevers- en werknemersorganisaties. De akkoorden zijn bedoeld om de mismatch op de arbeidsmarkt aan te pakken, onder andere door scholing te bieden aan 24