Bijlage 4. Toelichting gewijzigde artikelen
Tekst van het document
Toelichting artikelen Algemene Plaatselijke Verordening Krimpen aan den IJssel 2024 Toelichting artikelen Omgevingswet Algemeen De Algemene plaatselijke verordening Krimpen aan den IJssel 2024 bevat regels over de fysieke leefomgeving en is aangepast met het oog op de inwerkingtreding van de Omgevingswet (hierna: Ow). De wettelijke grondslagen en formele verwijzingen zijn geactualiseerd, zodat vanaf inwerkingtreding van de Ow per 1 januari 2024 doorgewerkt kan worden met deze verordening onder de Ow. Het betreft een juridisch-technische omzetting. Artikelsgewijs Artikelen 1:1, 1:6, 2:10, 2:11, 2:12, 2:14; 2:21, 2:23, 2:28, 2:39, 2:46, 2:60, 2:63, 2:64, 2:71, 3:9, 4:1, 4:5, 4:6, 4:13, 4:15, 4:17, 4:18, 5:5, 5:6, 5:18, 5:20, 5:24, 5;25, 5:28, 5:30, 5:32, 5:33, 5:34 In deze onderdelen worden grondslagen en formele verwijzingen geactualiseerd als gevolg van de Ow. Zij behoeven geen afzonderlijke toelichting. Een aantal lichten wij vanwege het bijzondere karakter wel toe. Artikel 1:1 In dit onderdeel wordt een definitie van beperkingengebiedactiviteit opgenomen in artikel 1:1, waarbij wordt verwezen naar de bijlage, onder A, bij de Ow. Dit begrip komt voor in diverse artikelen van de APV.
Volgens genoemde bijlage is een beperkingengebied een bij of krachtens de wet aangewezen gebied waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. Een beperkingengebiedactiviteit is een activiteit binnen een beperkingengebied In diverse artikelen van de APV staat dat een verbod niet van toepassing is op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of de provinciale wegenverordening of het provinciaal wegenreglement. Dat wordt dan vervangen door de tekst dat het verbod niet van toepassing is op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Ow, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening. Artikelen 1:2, 1:4, 1:5, 1:6 In deze onderdelen wordt opgenomen dat de artikelen (artikelen 1:2 en 1:4) of het eerste lid (artikelen 1:5 en 1:6) niet van toepassing is op een omgevingsvergunning.
Voor vergunningen of ontheffingen die een omgevingsvergunning zijn, geeft de Ow een uitputtende regeling voor de in deze artikelen geregelde onderwerpen: over de beslistermijnen in de paragrafen 16.5.2 en 16.5 3 van de Ow, over het nakomen van de voorschriften in artikel 5.5 van de Ow (eventueel in samenhang met artikel 22.8 van de Ow en artikel 2.1a van het Omgevingsbesluit), voor wie de omgevingsvergunning geldt in artikel 5.37 van de Ow en over intrekking of wijziging van een omgevingsvergunning in paragraaf 5.1.5 van de Ow. Artikel 2:71 In dit onderdeel wordt de definitie van consumentenvuurwerk aangepast in artikel 2:71. In artikel 5.43 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet wordt het Vuurwerkbesluit gewijzigd. De definitie van consumentenvuurwerk vervalt. Overal waar consumentenvuurwerk staat wordt dit in het Vuurwerkbesluit vervangen door ‘vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik’. Voor de toepassing van de APV wordt het begrip consumentenvuurwerk gehandhaafd. De verwijzing naar het Vuurwerkbesluit wordt vervangen door bovengenoemde definitie. Artikel 4:5 Deze onderdelen strekken ertoe de bepalingen over het voorkomen of beperken van geluidhinder en hinder door verlichting binnen of vanuit inrichtingen te handhaven.
Op grond van artikel 8.2.2 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet kunnen de artikelen 4:1 tot en met 4:5a van de APV uiterlijk tot het
einde van de overgangsperiode blijven gelden. Voor handhaving van de status quo moet de wetgeving zoals die vóór de inwerkingtreding van de Ow geldt, dus van toepassing blijven. Het gaat om de Wet milieubeheer, het Activiteitenbesluit milieubeheer, de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder zoals deze luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Ow. Omdat in verschillende artikelen wordt verwezen naar het Activiteitenbesluit milieubeheer is daarvan een definitie opgenomen in artikel 4:1. Voor de andere genoemde wet- en regelgeving is de toevoeging in het betreffende artikel opgenomen (in onderdeel V voor artikel 4;1 van de APV en in onderdeel W voor artikel 4:5 van de APV). Artikel 4:15 In dit onderdeel wordt artikel 4:15, tweede lid, aangepast. Het verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging. Artikel 4:17 In dit onderdeel wordt de definitie van kampeermiddel in artikel 4:17 aangepast. Door de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen, die gelijktijdig met de Ow in werking treedt, worden bouwwerken in gevolgklasse 1 vergunningvrij (bouwtechnisch deel). Grondgebonden recreatiewoningen vallen onder gevolgklasse 1 en zouden met alleen een aanpassing van de verwijzing in artikel 4:17 onder het begrip kampeermiddel komen te vallen.
Dat is ongewenst. Het moet gaan om een nietgrondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Artikel II van het wijzigingsbesluit Het eerste lid voorziet erin dat de in dit besluit opgenomen technische wijzigingen eerst van toepassing zijn op het tijdstip dat de Ow in werking treedt. Het tweede lid wijkt hiervan af voor artikel I, onderdelen V en W. Zie de toelichting op die onderdelen. Artikel 8.2.2 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet biedt overgangsrecht voor de op het moment van inwerkingtreding van de Ow van kracht zijnde APV-bepalingen over geluidhinder en hinder door verlichting (de artikelen 4:1 tot en met 4:5a APV). Omdat de artikelen 4:1 en 4:5 wel technisch wijzigen, is voor de zekerheid bepaald dat deze wijzigingen in werking treden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding. Toelichting artikelen Alcoholwet: artikelen 2:24, 2:27, 2:34, 2:48 en 3:7 De Drank- en Horecawet is gewijzigd. De gewijzigde wet is per 1 juli 2021 in werking getreden. De wet wordt voortaan aangeduid als Alcoholwet door wijziging van de citeertitel in artikel 49 van de wet. Artikelen 2:60, 4:13 en 5:12 In de artikelen 2:60, eerste lid, 4:13, eerste lid, en 5:12, eerste lid, vervangen we ‘opheffing van overlast’ door ‘beëindiging van overlast’.
Artikel 2.3 De begrippen uit de Wet Openbare Manifestaties worden in dit artikel aangevuld en daarmee verduidelijkt. In de kennisgeving staan ook de voorschriften van de burgemeester vermeld. Artikel 2:27 Dit artikel is aangevuld met begripsbepalingen. Het begripsartikel openbare inrichting is uitgebreid met afhaalpunten, fast- en foodbezorging, take away en maaltijdbezorging. Hierdoor wordt ook voor deze horecagelegenheden een exploitatievergunning verplicht. In het artikel worden de begrippen barvrijwilliger en leidinggevende toegevoegd. Het begrip Outlaw Motor Gang wordt nader beschreven, omdat een deel van de groepen inmiddels verboden is. Artikel 2:28 In dit artikel wordt ter verduidelijking de verplichting van een vergunning tot het exploiteren van terrassen expliciet benoemd. Ook is de weigeringsgrond 2f toegevoegd. Hierin wordt vermeld dat de aanvrager van een exploitatievergunning een verklaring omtrent het gedrag moet overleggen ter verlening van de vergunning. In lid 9 van dit artikel wordt de bevoegdheid om gebieden aan te wijzen behandeld om overlast te voorkomen in de directe omgeving.
Artikel 2:30b In dit artikel is nu ook opgenomen, dat de verlening van een vergunning vervalt wanneer deze wordt vervangen door de vergunning die van kracht geworden is. Artikel 2:34d Het is voor slijters verboden in hun slijterij een proeverij te organiseren. Het is alleen toegestaan de klant te laten proeven indien hij daarom verzoekt en dat proeven moet bovendien gratis zijn (artikel 13, tweede lid, van de Alcoholwet). Artikel 25e van de Alcoholwet maakt het mogelijk om bij verordening vrijstelling te verlenen van dit verbod, zodat betaalde proeverijen in slijtlokaliteiten zijn toegestaan. Deze vrijstelling geldt voor alle slijters in de gemeente. Het nieuwe artikel 2:34d voorziet in die vrijstelling. De voorwaarden waaraan een proeverij moet voldoen staan in artikel 6.1 van het Alcoholbesluit. Zo mogen maximaal één proeverij per dag en maximaal drie proeverijen per week worden gegeven. Artikel 2:35 In dit artikel is de begripsbepaling voor een publiek openstaand gebouw aanvullend beschreven als niet zijnde een openbare inrichting. Artikel 2:48a Dit artikel is vervallen vanwege het landelijk lachgasverbod per 1 januari 2023. Lachgas (distikstofmonoxide) staat op de lijst II van de Opiumwet en wordt daardoor gekwalificeerd als een softdrug. Artikel 2:74a bevat een verbod op het gebruik van softdrugs op openbare plaatsen en in voor het publiek toegankelijke gebouwen.
Artikel 2:50a Dit artikel vervalt. De rechtbank Rotterdam heeft op 14 maart 2023 bepaald, dat het messenverbod in de APV van Gemeente Rotterdam onverbindend is, omdat in de Wet wapens en munitie hetzelfde al uitputtend is geregeld (ECLI:RBROT:2023:2038). Artikel 2:50b Dit artikel vervalt. Bij arrest van 24 december 2021 heeft de Hoge Raad het in de APV opgenomen ‘colorverbod’ onverbindend verklaard, omdat dit in strijd is met het in artikel 7, derde lid, van de Grondwet neergelegde recht op vrijheid van meningsuiting (ECLI:NL:HR:2021:1946). Artikel 2:65 Op grond van artikel 2:65 van de Model-APV is het verboden te bedelen op openbare plaatsen in een door het college aangewezen gebied. Wij voegen daar het motief ‘voorkoming of beëindiging van overlast’ aan toe. Aanleiding is een uitspraak van het Europese Hof van de Rechten van de Mens, waarin hij oordeelt dat de menselijke waardigheid wordt aangetast als iemand niet beschikt over voldoende bestaansmiddelen en dat deze beschermd wordt door artikel 8 EVRM (het recht op de eerbiediging van het privéleven). Dit recht kan op grond van artikel 8, tweede lid, EVRM beperkt worden, mits deze beperking een legitiem doel dient, een wettelijke basis heeft en noodzakelijk is voor de democratische samenleving. De laatste voorwaarde vereist een afweging van de belangen van het individu en die van de maatschappij.
Veiligheidshalve nemen wij daarom het motief ‘voorkomen of beëindiging van overlast’ op in artikel 2:65. De bepaling is ook redactioneel aangepast. Artikel 2:66 In dit artikel is de begripsbepaling verkoopregister toegevoegd ter verduidelijking van de afdeling. Artikel 2:67 Met een doorlopend register wordt het Digitaal Opkopers Register bedoeld, dat door de burgemeester is gewaarmerkt. Artikel 2:79 Aanvullend is in het eerste lid van dit artikel opgenomen dat ook een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, geen ernstige of herhaaldelijke hinder voor omwonenden veroorzaakt. Dit staat geformuleerd in artikel 151d, Gemeentewet. 1. De raad kan bij verordening bepalen dat degene die een woning of een bij die woning behorend erf
gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, er zorg voor draagt dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2. De in artikel 125, eerste lid, bedoelde bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het in het eerste lid bedoelde voorschrift wordt uitgeoefend door de burgemeester. De burgemeester oefent de bevoegdheid uit met inachtneming van hetgeen daaromtrent door de raad in de verordening is bepaald en slechts indien de ernstige en herhaaldelijke hinder redelijkerwijs niet op een andere geschikte wijze kan worden tegengegaan. 3. Onverminderd de laatste volzin van het tweede lid kan de last, bedoeld in de eerste volzin van dat lid, een verbod inhouden om aanwezig te zijn in of bij de woning of op of bij het erf. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen.
De artikelen 2, tweede lid, en vierde lid, aanhef en onder a en b, 5, 6, 8, eerste lid, aanhef en onder a en b, 9 en 13 van de Wet tijdelijk huisverbod zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de burgemeester bij ernstige vrees voor verdere overtreding de looptijd van het verbod kan verlengen tot ten hoogste vier weken. Ultimum remedium Uit de wet volgt dat dit instrument is bedoeld als een ultimum remedium. Het tweede lid van het wetsartikel regelt dat het instrument van de bestuursdwang (voor de goede orde, dat impliceert dat de burgemeester ook een last onder dwangsom kan opleggen) alleen wordt ingezet als er geen andere geschikte manier voorhanden is om de overlast aan te pakken. Bij een besluit om op grond van deze bepaling een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te leggen zal de burgemeester dus moeten motiveren dat er geen andere geschikte instrumenten waren om de woonoverlast tegen te gaan. Alleen al daarom zal er aan zo’n besluit een stevig dossier ten grondslag moeten liggen. Het meest overtuigend zou zijn als uit het dossier blijkt dat andere instrumenten als buurtbemiddeling al zijn geprobeerd zonder het gewenste resultaat. Het ultimum remedium karakter geldt in nog sterkere mate als er sprake is van een huisverbod als bedoeld in het derde lid van artikel 151d.
Een zo zware maatregel, die een inbreuk betekent op het grondwettelijk beschermde woonrecht, is alleen mogelijk wanneer de ernst van de situatie dat eist en er werkelijk geen andere optie meer open staat. Eerste lid Dit lid is geformuleerd als een zorgplichtbepaling. Een bewoner hoort zich zo te gedragen dat zijn of haar buren daar geen ernstige hinder van ondervinden. Bij ernstige en herhaaldelijke hinder kan ook de verhuurder worden aangesproken. Tweede lid Als last onder bestuursdwang of dwangsom kan de burgemeester gedragsaanwijzingen opleggen aan de overtreder. Het tweede lid schrijft ook voor dat de burgemeester in beleidsregels vastlegt hoe hij of zij invulling geeft aan deze bevoegdheid. Derde lid In het derde lid regelt de raad in welke gevallen de burgemeester toepassing kan geven aan deze bevoegdheid. Vierde lid Het vierde lid regelt dat de last een verbod kan inhouden om aanwezig te zijn in of bij de woning of op of bij het erf als bedoeld in artikel 151d, derde lid, van de Gemeentewet. Artikel 3:2 Dit artikel is aangevuld met begripsbepalingen ter verduidelijking van het hoofdstuk. De dagelijkse leiding in een seksinrichting kan in plaats van bij de exploitant zelf, bij een ’beheerder’ berusten.
Het is van belang ook voor deze persoon, die primair verantwoordelijk is voor de dagelijkse gang van zaken in de seksinrichting, expliciet enkele bepalingen op te nemen in de APV. In dit hoofdstuk van de APV heeft het begrip ‘klant’ een beperktere betekenis dan in het spraakgebruik: het is hier een afnemer van seksuele diensten. Dus aanwezigen in een seksinrichting die (vooralsnog) slechts iets drinken, of een vertoning komen bekijken, vallen niet onder dit begrip, maar zijn ‘bezoeker’. Hetzelfde geldt uiteraard voor eventuele andere aanwezigen, zoals de exploitant, de beheerder, het personeel dat in de bedrijfsruimte van het seksbedrijf werkzaam is, toezichthouders en personen die aanwezig zijn vanwege bijvoorbeeld het leveren van goederen of het uitvoeren van reparaties of onderhoud. Het begrip ‘prostituee’ impliceert alleen over vrouwelijke sekswerkers te gaan. Daarom is dit begrip vervangen door de neutrale term ‘sekswerker’. Onder ‘werkruimte’ wordt verstaan een zelfstandig onderdeel van een seksinrichting waarin de seksuele handelingen met een ander tegen betaling worden verricht. Eén seksinrichting kan één (of
natuurlijk geen) werkruimte hebben, of meerdere. Met ‘zelfstandig’ wordt hier niet bedoeld dat een werkruimte altijd geheel zelfvoorzienend hoeft te zijn; het ziet op de van elkaar te onderscheiden delen van een seksinrichting waarin over het algemeen telkens één sekswerker diensten aanbiedt. Een raam (met bijbehorende ‘peeskamer’ zal veelal een afzonderlijke werkruimte zijn; een deel van een seksinrichting dat apart verhuurd wordt zal veelal een afzonderlijke werkruimte zijn. Artikel 3:5 In dit artikel is de beperking van het aantal vergunningen opgenomen. Voor raamprostitutie wordt geen vergunning verleend. Raamprostitutie is – evenals straatprostitutie – gezien de specifieke omstandigheden waaronder sekswerkers werkzaam zijn in deze sector bij uitstek een vorm van prostitutie die nadere regulering behoeft. Ten aanzien van de raamprostitutie geldt daarom dat het de sekswerker verboden is handelingen te verrichten die gewoonlijk worden geassocieerd met raamprostitutie. Artikel 3:7 In dit artikel is ontzetting uit ouderlijke macht of voogdij als de weigeringsgrond toegevoegd voor de exploitant of de beheerder. Deze eis hadden wij al eerder voor een exploitatievergunning openbare inrichting. Het is van belang dat de exploitant of beheerder de zorgplicht voor medewerkers zo goed mogelijk kan uitvoeren.
Ook beschrijft dit artikel nu de mogelijkheid een vergunning seksbedrijf te weigeren op grond van voldoende concrete aanwijzingen voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, en dus niet alleen op onherroepelijke veroordeling. Toegevoegd als weigeringsgrond is ook dat er voldoende concrete aanwijzingen mogen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het sekswerkers betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt. Als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 of de Wet arbeid vreemdelingen. Daarmee sluiten we aan op de lokale weten regelgeving van onze regiogemeenten. Artikel 3:8 Aanvullend is opgenomen dat de vergunninghouder elke verandering, die van toepassing is op de vergunning van zijn seksbedrijf, zo spoedig mogelijk doorgeeft aan het bevoegd bestuursorgaan. Hiermee voorkomen we dat seksbedrijven kunnen blijven exploiteren op grond van veranderingen, die niet in overeenstemming met de verleende vergunning zijn. Artikel 3.9 Aanvullend is opgenomen dat een vergunning kan worden geschorst of ingetrokken wanneer de openbare orde gevaar loopt of het woon- en leefomgeving nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting.
Artikel 3:17 In dit artikel is toegevoegd dat een hygiënecontrole mag worden uitgevoerd. Belangrijk doel van goede hygiëne in seksbedrijven is het voorkomen van (seksueel overdraagbare) ziektes. Dat is zowel voor de sekswerkers als de klanten van belang. Een goede hygiëne zorgt echter ook voor een veilige en prettige werkomgeving. Artikel 3:20 Lid 4 (De burgemeester beperkt het in het derde lid bedoelde bevel, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene noodzakelijk oordeelt) is verwijderd. Dit lid was overbodig en kan toegepast worden volgens lid 3. Artikel 4.13 In lid 1 is de tekst aangepast door uitbreiding van de aangewezen plaatsen waar voorwerpen en stoffen zich bevinden. Er is nu ook een verbod voor opslag, aanwezigheid en plaatsing op de weg. Hiermee kan worden opgetreden tegen voertuigen zonder kentekenplaat op de openbare weg.
Artikel 5:6
In dit artikel staat het verbod om een voertuig langer dan 3 achtereenvolgende dagen op de openbare weg te plaatsen. In het artikel worden de voertuigen die onder dit artikel gelden apart benoemd. Hiermee beschermen we het uiterlijk van de gemeente en beheersen we de beschikbare parkeerruimte. Artikel 5:11 Dit artikel in de Model-APV over het verbod om te parkeren anders dan op de rijbaan (‘bermparkeren’) vervalt. Zowel het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) als het ministerie van Verkeer en Waterstaat vinden dat de bepaling in strijd is met hogere regelgeving, namelijk artikel 10 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). In verband hiermee is feitelijke handhaving/strafbaarstelling onmogelijk en is de bepaling een dode letter en kan deze dus vervallen. Artikel 5:15 In het eerste artikel is aanvullend opgenomen dat het ventverbod geldt binnen de gemeente. De feitcode voor het opleggen van een sanctie vraagt namelijk een aangewezen gebied. Staat dat niet expliciet vermeld in het artikel, dan kan er geen sanctie worden opgelegd. Artikelen 5:26 en 5:27 De tekst van deze artikelen is vanwege dubbelingen nu in zijn geheel verwerkt in artikel 5:25. De artikelen opvolgend zijn opnieuw doorgenummerd (artikel 5:26 tot en met 5:29, voorheen 5:28 tot en met 5:31).