CConstaterende datKrimpen Ad Ijssel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Jaarverslag en Jaarrekening DCMR 2024

Gemeenteraad 26 juni 2025, gemeente Krimpen Ad IjsselBij agendapunt: Raadsvoorstel Begroting DCMR 202618.371 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Jaarstukken 2024

Auteur (s) Documentnummer Versie:

: DCMR o.l.v. concerncontroller : 22364726 : 1.0

Inhoud 1.

Voorwoord

3

Deel A: Jaarverslag

5

2.

Hoofdlijn jaar 2024

5

3.

Programma milieubeheer

11

3.1. Meerjarenprogramma

11

3.2. Cijfers in beeld

21

4.

Programma bedrijfsvoering

24

5.

Weerstandsvermogen en risicobeheersing

26

6.

Financiering

27

Deel B: Jaarrekening

28

7.

Balans en toelichting

28

8.

Algemene waarderingsgrondslagen

36

9.

Overzicht van baten en lasten en Verlies & Winst

38

9.1 Overzicht baten en lasten

38

9.2 Verlies- en winstrekening en toelichting

39

10.

40

Rechtmatigheidsverantwoording

Deel C: Overige gegevens

42

11.

Wet normering topinkomens

42

12.

Bestuursleden algemeen bestuur

43

Bijlagen

44

2

1. Voorwoord 2024 kenmerkt zich als het jaar waarin de Omgevingswet van start ging. DCMR heeft zich daarop terdege voorbereid, zodat het vergunningverleningsproces doorgang kon vinden. En dat in een tijd waarin de samenleving juist verwacht dat de overheid meer doet om vervuiling van de leefomgeving tegen te gaan en veilig werken extra bevordert. Voor bedrijven die hun verantwoordelijkheid nemen en investeren in verbetering, is er waardering. Een voorbeeld is de vestiging van ICL-IP in Terneuzen die sinds medio 2024 niet meer onder verscherpt toezicht staat. Soms is dwang de enige weg. Een overwinning op dit vlak, gezamenlijk behaald door de provincie Zuid-Holland en DCMR, is de uitspraak van de Raad van State. De RvS heeft maatregelen die waren opgelegd bij het Rotterdamse bedrijf N+P wegens overlast in de omgeving, wettig verklaard. Landelijk neemt de onrust in de samenleving over de gezondheidsrisico’s van PFAS steeds meer toe. Samen met de provincie zet DCMR alle wettelijke middelen in om aan de emissie daarvan bij Chemours in Dordrecht voor 99% een einde te maken. Energietransitie is een groot thema in de haven. DCMR leverde in 2024 een bijdrage door onder meer adviesgesprekken en webinars over het bevorderen van circulariteit voor bedrijven en werkt aan overeenkomsten voor verduurzaming van de grote industrie (‘maatwerkaanpak’).

DCMR werkt daarvoor samen met andere instanties in de haven en met de andere Zuid-Hollandse omgevingsdiensten (OD’s) en de waterschappen. Die laatste zijn bijvoorbeeld van de partij bij een campagne tegen milieuvervuiling bij teeltwissel in de groente- en fruitteelt. Nieuw op agrarisch vlak is de kennis die in 2024 is ontwikkeld voor de handhaving bij legale wiettelers in de Rijnmond die betrokken zijn bij het experiment gesloten coffeeshopketen van het Rijk. Het Interbestuurlijk programma versterking VTH-stelsel (IBP) is afgerond in 2024 en heeft waardevolle producten opgeleverd waarmee DCMR aan de slag gaat. Verder hebben de vijf Zuid-Hollandse OD’s afspraken gemaakt over intensievere samenwerking en is een breed samenwerkingsprogramma opgesteld. De bedrijfsvoering van DCMR is in het afgelopen jaar verder gestroomlijnd en geprofessionaliseerd. Gerichte wervingscampagnes en toenemende zichtbaarheid van DCMR op sociale media brengen verlichting bij het vervullen van vacatures. In 2024 is een positief resultaat behaald van € 3.500k. Dat DCMR zich in 2024 weer dermate actief kon inzetten voor een gezonde, veilige en duurzame leefomgeving’ in de Rijnmond is mogelijk gemaakt door de bijna zevenhonderd medewerkers. Vergunningverleners, toezichthouders, maar ook juristen, automatiseerders en ondersteunende medewerkers. Onze hartelijke dank voor jullie inzet.

Meindert Stolk

Rosita Thé

Voorzitter Bestuur DCMR

Secretaris

3 van 55

Het algemeen bestuur van DCMR Milieudienst Rijnmond,

Gelezen het voorstel van het dagelijks bestuur,

Gelet op artikel 29 van de Gemeenschappelijke regeling DCMR Milieudienst Rijnmond;

BESLUIT:

vast te stellen Jaarverslag en Jaarrekening 2024

DCMR Milieudienst Rijnmond, Schiedam, 3 juli 2025

De voorzitter,

De secretaris,

Dhr. M. Stolk

Mevr. R. M. Thé

4 van 55

Deel A: Jaarverslag 2. Hoofdlijn jaar 2024 In deze hoofdlijn wordt de vraag, vastgelegd in de begroting 2024, ‘Wat gaan wij ervoor doen’ beantwoord. Invoering Omgevingswet De inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is, na de voorbereidingen die DCMR in het voorgaande jaar had getroffen, soepel verlopen. De systemen waren goed op deze verandering aangepast. Voor de ondersteuning van de organisatie had DCMR in het eerste half jaar na de invoering een aantal specialisten uit de verschillende primaire en ondersteunende processen klaarstaan. De medewerkers van toezicht en handhaving kregen als eerste in de praktijk te maken met de nieuwe wet. Het omdenken vanuit de Wabo-regelgeving van milieuactiviteiten binnen een milieu-inrichting naar nieuwe termen en definities zoals milieubelastende activiteiten (MBA’s) vraagt gewenning in denken en beoordelen. Ook ervoer de toezichthouder dat voor sommige activiteiten in de Omgevingswet geen directe regels meer zijn opgenomen maar dat de regels via zorgplicht moeten worden afgedwongen. Dit vraagt nadere motivatie van de toezichthouder richting het bedrijf. Hier dient ervaring mee te worden opgedaan. Verder werd vanuit de toezichtspraktijk in enkele gevallen omissies in de wet opgemerkt die via de specialisten bij het Informatiepunt Leefomgeving van het ministerie zijn gemeld om daarover een uitspraak te krijgen.

Voor de vergunningsaanvragen zijn er in 2024 weinig aanvragen onder de Omgevingswet binnengekomen. Dit komt omdat het bedrijfsleven in december 2023 nog veel aanvragen gedaan heeft onder het toen geldende regime. De aanvragen die in 2024 zijn binnengekomen, zijn zonder noemenswaardige problemen in behandeling genomen onder de nieuwe regelgeving. Vergunningverlening In 2024 is gebleken dat de vergunningverlening steeds meer thema’s omvat. Nieuwe aandachtspunten zijn bijvoorbeeld (potentieel) zeer zorgwekkende stoffen (ZZS), financiële zekerheid en de energietransitie. Ook moet DCMR steeds vaker aan bedrijven, omwonenden en de rechter uitleggen waarom keuzen zijn gemaakt. Die uitbreiding in reikwijdte en de juridisering hebben geleid tot een toegenomen druk op de tijdigheid van vergunningverlening. Om uitdagingen het hoofd te bieden, heeft DCMR in 2024 fors ingezet op procesoptimalisatie, innovatie en participatie. Zo is bijgedragen aan het programma Altijd Actuele Vergunning (AADV) en is een pilot gestart voor de toepassing van artificial intelligence (AI) binnen het proces van vergunningverlening. Deze investeringen zijn gericht op het verhogen van efficiëntie en kwaliteit, zodat DCMR ook in de toekomst kan blijven voldoen aan de groeiende eisen en verwachtingen. Toezicht en handhaving DCMR hanteert twee uitgangspunten voor haar toezicht en handhaving.

Ten eerste: DCMR werkt probleem- en risicogericht. Welke risico’s DCMR aanpakt, baseert DCMR op een gedegen informatiepositie en risicoanalyses. Ten tweede: bij ingrijpen past DCMR een breed palet aan instrumenten toe. Kort gezegd: alles tussen voorlichting en last onder dwangsom, strafrechtelijke vervolging en intrekken van (deel)vergunningen.

5 van 55

DCMR heeft de vrijheid om die instrumenten te kiezen die het beste bijdragen aan de oplossing van het probleem. De keuze van instrumenten en de intensiteit van de inzet zijn gericht op maatschappelijk effect. In 2024 is het programma toezicht programmering begonnen om bij te dragen aan de doorontwikkeling en verdere implementatie van de twee uitgangspunten voor toezicht en handhaving in de organisatie. De toezichtprogrammering wordt richtinggevend voor al het preventieve toezicht én de plannen hierop binnen toezicht en handhaving. Het programma richt zich zowel inhoudelijk als procesmatig op het maken van transparante en onderbouwde keuzes. Advies en monitoring Ook in 2024 viel op dat de vraagstukken die DCMR vanuit haar adviesrol oppakt steeds complexer worden. DCMR staat voor en werkt aan een gezonde, veilige en duurzame leefomgeving. (Milieu)ruimte voor het ontwikkelen van ambities en opgaven van de gemeenten en provincies waarvoor DCMR werkt, is soms schaars. Bij bepaalde onderwerpen zijn belangen van burgers, gemeenten en provincie en bedrijven niet allemaal in lijn met elkaar. Neem als voorbeeld de realisatie van windturbines op verschillende locaties in Zuid-Holland. Of grootschalige op- en overslag van ammoniak in het gebied in het kader van de energietransitie naar nieuwe energiedragers.

Dit zorgt ervoor dat DCMR continu afwegingen maakt in de advisering om zowel de gemeenten, provincies, burgers en bedrijven, als het milieubelang en de omgevingskwaliteit te dienen. De advisering van DCMR valt in grofweg drie type adviezen uiteen. DCMR adviseert de gemeenten en provincies in de ruimtelijke ontwikkelingen en plannen. In 2024 is bijvoorbeeld gewerkt aan de advisering rond de plannen voor de Oostflank in Rotterdam en Stationstuinen Barendrecht. Verder is er vanuit de expertise op verschillende milieuthema’s zoals bodem, lucht, geluid, energie, omgevingsveiligheid, afval, afvalwater en lichthinder advies gegeven richting de opdrachtgevers voor bijvoorbeeld actieplannen lucht of geluid of de gemeentelijke omgevingsplannen. Tot slot speelt DCMR vanuit haar adviesrol op specifieke onderwerpen een rol naar de provincies en gemeenten, zoals bijvoorbeeld in het geval van PFAS-verontreiniging in de bodem. Wat monitoring betreft, stelt DCMR onder andere jaarlijks een rapportage op over de afspraken die gemaakt zijn met maatschappelijke organisaties omtrent de aanleg van de Tweede Maasvlakte. Dit gebeurt in opdracht van de partijen in het project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR).

Het gaat om afspraken over het beperken van de milieugevolgen van (aanleg en gebruik van) Maasvlakte 2, de compenserende natuurmaatregelen en verschillende projecten om de leefbaarheid in de regio te verhogen, zoals de realisatie van extra groengebieden rond Rotterdam. In 2024 heeft DCMR de 15e editie van deze zogenoemde Integrale Rapportage opgesteld. Vanaf 2025 gaat de rapportage verder met focus op de nog openstaande afspraken. Programmamanagement Sommige van de opgaven waaraan DCMR werkt zijn te complex of bestuurlijk gevoelig om effectief aan te pakken vanuit de taakgerichte lijnorganisatie. Daarom is het programmamanagement ingevoerd. In 2024 is een verkenning gedaan voor een nieuw programma, er zijn twee programma’s gestart, er is uitvoering gegeven aan verschillende lopende programma’s en er is ook een programma afgerond. In 2024 is een verkenning uitgevoerd naar het thema aanpak gezonde leefomgeving. Hierbij zijn drie onderwerpen uitgewerkt: zeer zorgwekkende stoffen, gezondheid en waterkwaliteit. Voor waterkwaliteit is een programmaplan opgeleverd, voor ZZS en gezondheid is in 2024 gestart met het voorbereiden van een programmaplan.

6 van 55

In 2024 is het programma Toezichtsprogrammering begonnen waarover onder het kopje toezicht en handhaving meer informatie staat. Tevens is een begin gemaakt met het programma Werken met data. In de voorgaande jaren zijn eerste stappen gezet op het gebied van het verbeteren van de datageletterdheid, datakwaliteit, data-governance en multidisciplinaire samenwerking. Voor het zetten van vervolgstappen zijn meer regie en verbinding nodig. Ook vraagt een aantal onderwerpen om een extra impuls. 2024 heeft in het teken gestaan van voorbereidende werkzaamheden voor 2025. Verder is in 2024 bijzondere aandacht gegeven aan de rol van ruimtelijke informatie (geo-informatie) in het werk van DCMR. Er is daartoe een visie op geodata en -informatie opgesteld. De lopende programma’s betreffen ‘Circulaire Economie en Energietransitie’ en ‘Haven, Wonen en Geluid’. Voor het programma Circulaire Economie en Energietransitie (CE en ET) is door DCMR hard gewerkt aan de uitvoering van het jaarplan 2024. Er is met de provincie Zuid-Holland en de ZuidHollandse omgevingsdiensten samengewerkt aan bouwstenen. Met de provincie Zeeland en de RUD Zeeland is ingezet op kennisontwikkeling en zijn verkenningen gedaan naar grondstofefficiëntie. Op landelijk gebied heeft DCMR nauw opgetrokken met Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (ODNZKG) en Omgevingsdienst NL.

Ook is begonnen met het opzetten van een provinciaal loket voor vragen over circulaire economie, vergelijkbaar met het Rotterdams loket. Dat gaat in 2025 van start. Bij het programma Haven, Wonen en Geluid (HWG) is intensief meegewerkt aan het programma ‘havengeluid en omgeving’ (HGO) van de gemeente Rotterdam en provincie Zuid-Holland. Onderlinge afstemming leidt tot een integrale benadering, ook in trajecten zoals M4H. Vanuit het programma is verder onder andere inzet geleverd op het meetprogramma nestgeluid en is inhoudelijke verbinding met NOVEX Haven breed en specifiek spoor 3 (synergie Haven, stad) gemaakt. Het programma Milieucriminaliteit (MC) is halverwege 2024 afgerond. Het programma had als overkoepelende doelstellingen om milieucriminaliteit beter te voorkomen, op te sporen, te vervolgen en te sanctioneren. Milieucriminaliteit houdt zich niet aan grenzen. Daarom is samenwerking gezocht met gemeenten (bijvoorbeeld in de aanpak van ondermijnende activiteiten), regionaal voor wat betreft het opzetten van strafrechtelijke afstemming en landelijk wanneer het gaat om doelstellingen vanuit het Interbestuurlijk programma (IBP) te vertalen naar de DCMR-organisatie.

Voorbeelden hiervan zijn het actualiseren van de LHSO, het instellen van de strategische milieukamer (SMK) en het verbeteren van de informatie-uitwisseling tussen de bestuursrechtelijke- en strafrechtelijke partners. In 2024 heeft DCMR samen met gemeenten, politie en andere handhavingspartners integrale controles uitgevoerd in het kader van de aanpak van ondermijning. Voor een goede aanpak van ondermijning is, behalve samenwerking, een goede informatiepositie essentieel. Ook in 2024 is de informatiepositie versterkt en hebben de integrale controles hun effect bewezen. Weer is een aantal (milieu)criminele bedrijven aangepakt. Ondanks dat het programma is gestopt in 2024 zal ook in 2025 milieucriminaliteit een thema zijn wat vanuit de lijn aandacht krijgt. Informatiehuishouding De rol van informatie in de primaire processen en bedrijfsvoering van DCMR groeit. Het programma Werken met data streeft naar een verbetering van het datagedreven werken. Randvoorwaarde hierbij is een goede informatiehuishouding. Hieraan wordt dan ook op gestructureerde manier ingezet op basis van een informatiestrategie (die wordt in 2025 herzien). In de keten werkt DCMR nauw samen in de trajecten van het Interbestuurlijk programma VTH-stelsel en de samenwerkende omgevingsdiensten van Zuid-Holland. Er zijn grote stappen gemaakt met een goede informatiehuishouding.

Zo is er een dataplatformteam opgezet en heeft DCMR zich ingespannen om het applicatielandschap te optimaliseren. Ook is de verkenning van kunstmatige intelligentie (AI) afgerond, waardoor DCMR meer kennis en inzicht heeft

7 van 55

verkregen in relevante wet- en regelgeving, ontwikkelingen en mogelijkheden. Daarnaast zijn er ook taken geautomatiseerd met behulp van een ‘robot’. Doorontwikkeling Zuid-Hollandse omgevingsdiensten In 2021 is in opdracht van het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland een onderzoek uitgevoerd naar de doorontwikkeling van de VTH-uitvoering door de vijf Zuid-Hollandse omgevingsdiensten. Het rapport concludeert dat een toekomstbestendige uitvoering van VTH-taken vraagt om een nauwere samenwerking tussen de vijf diensten. De gezamenlijke bestuurders van de omgevingsdiensten hebben op basis hiervan een opdracht geformuleerd voor intensivering van die samenwerking. In 2024 hebben de vijf OD’s samengewerkt op het gebied van arbeidsmarktcommunicatie (campagne ‘de betere wereldbaan’), een gezamenlijke traineepool opgezet en vraagstukken rond digitalisering (waaronder AADV) opgepakt. Deze inhoudelijke samenwerking is ingevuld binnen de bestaande begrotingskaders, aangevuld met middelen vanuit het Interbestuurlijk programma versterking VTHstelsel. in de tweede helft van 2024 is - op verzoek van de bestuurlijke klankbordgroep - gewerkt aan een veel breder samenwerkingsprogramma. Dit programma wordt in januari 2025 voorgelegd aan de bestuurlijke klankbordgroep.

Interbestuurlijk programma versterking VTH-stelsel (IBP) De Commissie Van Aartsen concludeerde in 2021 dat het VTH-stelsel niet goed functioneert. Op basis van de aanbevelingen van de commissie hebben IPO, VNG, het Rijk en de omgevingsdiensten het Interbestuurlijk programma versterking VTH-stelsel (IBP) opgezet om te komen tot een stevigere VTHuitvoering. In het IBP is de afgelopen jaren gewerkt aan onder andere betere informatievoorziening, kwaliteit, kennisdeling, onafhankelijkheid, en robuustheid en financiering van omgevingsdiensten. DCMR heeft actief geparticipeerd in dit programma. De kosten daarvoor zijn gedekt door een subsidie van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Op 30 september 2024 is het IBP afgerond. De programmatische aanpak vanuit het IBP is daarmee klaar, maar de uitvoering van de acties loopt door. Voor meerdere verbeteracties geldt dat een meerjarige aanpak nodig is, zoals het versterken van de VTH-informatievoorziening. Het proces van VTH-versterking loopt dus door. De IBP-partners (IPO, VNG, Rijk, OD’s) zullen met een ondersteuningsteam de uitvoering hiervan blijven ondersteunen. De IBP-implementatie omvat verder aspecten zoals bijvoorbeeld de handreiking regionale beleidscyclus en verbeterpunten uit de visitatie van DCMR door Omgevingsdienst NL. Het visitatierapport noemt de sterke punten van de milieudienst en geeft aanbevelingen.

Zo kan de samenwerking met partners, zoals de andere Zuid-Hollandse omgevingsdiensten, zich meer richten op innovatie en expertise. Sterke punten van DCMR zijn bijvoorbeeld een positief bestuurlijk klimaat, een hoog technisch kennisniveau en een gedegen aanpak bij Seveso-bedrijven. De aanbevelingen uit het rapport zijn opgenomen in een overzicht met jaar- en langetermijndoelen voor de organisatie van DCMR. Het algemeen bestuur heeft in december ingestemd met dit verbeterplan. Het visitatierapport en het verbeterplan zijn openbaar gemaakt. Een belangrijke mijlpaal in de VTH-versterking is de datum van 1 april 2026. Hierop moeten alle omgevingsdiensten voldoen aan de landelijk afgesproken criteria voor robuustheid. DCMR voldeed al 8 van 55

aan de meeste criteria, maar er zijn nog enkele acties nodig ten aanzien van mandatering en het instellen van een structurele innovatie-agenda. De besluiten hierover zijn in voorbereiding en het ministerie van IenW heeft bij een tussentijdse toetsing eind 2024 vastgesteld dat DCMR naar verwachting op tijd de robuustheidseisen haalt. Omgevingsveiligheid herberekenen aandachtsgebieden DCMR heeft landelijk leiding gegeven aan het project Herberekenen aandachtsgebieden. Door de komst van de Omgevingswet hebben de Seveso-omgevingsdiensten de aandachtsgebieden van bedrijven berekend. Eind december is het project afgerond. De berekende aandachtsgebieden zijn inmiddels allemaal zichtbaar op de Atlas van de Leefomgeving. Het proces van het registreren van veiligheidsinformatie is soepel verlopen door een bij DCMR ontwikkelde applicatie. Deze applicatie zorgt voor een eenvoudige en snelle overdracht van de gegevens van DCMR naar het landelijke Register Externe Veiligheid (REV). Voor de regio Rijnmond is nu altijd de meest actuele informatie beschikbaar. Voor de provincie Zeeland heeft DCMR alle actuele veiligheidsinformatie van de Seveso-bedrijven gedeeld op de Atlas van de Leefomgeving.

Handelingsperspectief maatwerk De maatwerkaanpak (voluit: maatwerkaanpak verduurzaming industrie) heeft tot doel een versnelde vermindering van de CO2-uitstoot bij de top 20 grootste industriële CO2-uitstoters in Nederland. Daarmee levert de aanpak een stevige bijdrage aan het halen van de klimaatdoelen: 55% reductie in de CO2-uitstoot in 2030. In de provincie Zeeland nemen Dow Chemicals Terneuzen, Yara Sluiskil BV en Zeeland Refinery deel aan de maatwerkaanpak. In Zuid-Holland zijn dat: Lyondell Chemie Nederland BV, Shell Raffinaderij, Air Liquide, Nobian Chemical B.V. en Alco Energy BV. Binnen de DCMR-organisatie zijn casusteams opgericht, die de vergunningen voor de bedrijven met de maatwerkaanpak oppakken. Wat het gecompliceerd maakt, is dat normering voor de uitstoot van stikstof niet goed ‘past’ op energietransitie. Dat maakt de vergunningverlening soms ingewikkeld. DCMR overlegt en dringt aan bij de betrokken ministeries om tot passende, meer op de energietransitie gerichte normering te komen. Ondanks de complexiteit zijn toch verschillende ‘maatwerkvergunningen’ verleend aan bijvoorbeeld Yara Sluiskil BV en Nobian Chemical BV. Met deze vergunningen kunnen veranderingen worden doorgevoerd, waardoor de CO2-uitstoot vermindert. Werving en selectie & diversiteit en inclusie Op het gebied van werving en selectie is een mooie professionaliseringsslag gemaakt.

Onder andere is gewerkt aan zichtbaarheid en campus recruitment. Dit heeft zijn vruchten afgeworpen met de instroom van 97 nieuwe medewerkers. Daarnaast is er een onderzoek naar diversiteit, inclusie en gelijkwaardigheid (DIG scan) gedaan om inzicht te krijgen in de mate waarin DCMR als organisatie en werkomgeving inclusief en divers is. De bevindingen worden verder uitgewerkt in een DIG-visie en beleid. Duurzaamheid Duurzaamheid staat het afgelopen jaar hoog op de agenda, zowel extern als intern. Intern let DCMR op zijn ecologische voetafdruk. Bij het inkopen van producten en diensten wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met duurzaamheidsaspecten. Maar ook het aanbod in het bedrijfsrestaurant wordt steeds duurzamer en DCMR is bijvoorbeeld overgestapt naar een duurzame bloemist. Extern adviseert en controleert DCMR op duurzaamheid. Het energie-toezicht is verder doorontwikkeld op het gebied van kennisopbouw. Ook is een toezichtaanpak ontwikkeld voor zeergrootverbruikers. Daarnaast is de samenwerking binnen Zuid-Holland en Omgevingsdienst NL versterkt om te zorgen voor een landelijk gelijk level playing field.

9 van 55

Financiële ontwikkelingen Ontwikkelingen in het provincie- en gemeentefonds en toenemende opgaven voor provincies en gemeenten zorgen voor een toenemende druk op de overheidsfinanciën. In het bestuur van DCMR is daarom nadrukkelijk gesproken over het belang van een efficiënte bedrijfsvoering en een scherpe sturing op de kosten. Het algemeen bestuur heeft in 2024 besloten om de tarieven in 2025 3% minder te laten stijgen dan de gemeentelijke budgetontwikkeling, waardoor een 3% efficiencyslag is gemaakt. Ook in de tariefstelling voor 2024 was reeds door een scherpe sturing op kosten een efficiencywinst van 3,2% gerealiseerd. Aanvullend besloot het algemeen bestuur tot een inspanningsverplichting van 2% kostenverlaging in de overhead. DCMR heeft in 2024 een positief resultaat van €3,5 miljoen behaald. Dit is een afwijking van 4,2%. Een weergave en uitleg van de kosten en opbrengsten is opgenomen in hoofdstuk 7 Verlies- en winstrekening en van de baten en lasten in hoofdstuk 10 Overzicht van baten en lasten in de jaarrekening.

10 van 55

3. Programma milieubeheer De beantwoording van de vraag vastgelegd in de begroting 2024 ‘Wat gaan wij ervoor doen’ is beschreven in hoofdstuk 2 en de vraag ‘Wat mag het kosten’ is opgenomen in hoofdstuk 9 Overzicht van baten en lasten en verlies en winst. Dit hoofdstuk beschrijft in paragraaf 3.1 de voortgang van het Meerjarenprogramma (MJP) 2023-2026. Het MJP is het bestuurlijk vastgestelde kader voor de uitvoering van DCMR. Het MJP bevat twaalf focuspunten en paragraaf 3.1 beschrijft per focuspunt de resultaten en uitdagingen. Paragraaf 3.2 laat de productiecijfers zien van de afgelopen drie jaar. 3.1.

Meerjarenprogramma

In het Meerjarenprogramma (MJP) geeft DCMR aan hoe de milieudienst bijdraagt aan belangrijke lokale en regionale opgaven. Onderstaand overzicht toont per beleidsopgave de focuspunten waaraan DCMR werkt, enkele highlights uit de uitvoering/de output (zoals vergunningen, inspecties en analyses) en de outcome op deze onderwerpen. De outcome wordt beschreven als het percentage naleving1 van milieuregels (aantal preventieve inspecties op de focuspunten afgezet tegen het aantal hercontroles na een overtreding) en de impact op het milieu zoals beschreven in de Staat van de Rijnmond (staatvanrijnmond.nl). Onderstaande voorbeelden geven waarschijnlijke relaties tussen outcome en impact weer. •

Veiligheid: Naleving van de focuspunten draagt bij aan het voorkomen van en de beheersing van incidenten.

•

Stikstof: Naleving draagt bij aan een lagere uitstoot.

•

Energiebesparing: Betere naleving van energieregels zorgt voor lagere CO2-uitstoot.

•

Geluid- en geurhinder: Naleving van preventieve maatregelen draagt bij aan het verminderen van overlast.

DCMR zet een breed scala aan VTH-instrumenten in om naleving te bevorderen en de leefomgeving te beschermen. In de toelichting bij de beleidsopgaven is per focuspunt een aantal van de activiteiten op hoofdlijnen beschreven om een beeld te geven hoe er aan dit punt wordt gewerkt. Dit overzicht fungeert tevens als een samenvatting van de activiteiten van DCMR in 2024 op de beleidsdoelstellingen. Meer details zijn te lezen in het separaat monitoringsrapport MJP. Elke vier jaar stelt DCMR een MJP op en bespreekt dit met de bestuurders. Het huidige programma, dat geldt voor 2023-2026, omvat vier aandachtsgebieden en twaalf focuspunten. Het MJP is een instrument dat bijdraagt aan een goede koppeling tussen beleidsvorming en -uitvoering, wat essentieel is voor de efficiëntie en slagkracht van DCMR in de beleidscyclus.

1 Naleving wordt berekend op basis van gegevens van geïnspecteerde bedrijven. Omdat inspecties

risicogestuurd worden gepland, is het percentage niet altijd representatief. En een lager nalevingspercentage kan ook betekenen dat DCMR beter in staat is om bij risicovolle bedrijven inspecties uit te voeren. 11 van 55

3.1.1.

Veiligheid

Het nalevingspercentage op het gebied van de drie focuspunten veiligheid krabbelde weer wat op in 2024, maar blijft onverminderd lager dan op de beleidsvelden gezondheid en leefbaarheid. Ook de DCMR: ‘Nalevingsniveau bij de industrie stagneert, deel bedrijven moet aan de slag’ - Industrielinqs impact op de indicator incidenten laat zien dat het aantal incidenten en bedrijfsmeldingen licht stijgt. Procesveiligheid in de Industrie Naast maatregelen en voorzieningen zijn ook het gedrag en de veiligheidscultuur van bedrijven van groot belang voor de veiligheid in de regio. Seveso-audits en cultuurmetingen geven inzicht in de organisatie en veiligheidscultuur bij deze bedrijven. Die staan nu meer open voor deze cultuurbeoordelingen en werken goed mee. Zeker in vergelijking met een aantal jaar geleden. In 2024 zijn chemiebedrijven beoordeeld op hun veiligheidscultuur. Het ontwikkelpotentieel ligt vooral in de communicatie tussen management, operators en contractors en in het betrekken van medewerkers bij nieuwe ontwikkelingen. Een belangrijk Seveso-project in 2024 was het onderzoeken van blusschuim dat wordt afgebroken door polaire stoffen (stoffen die goed oplosbaar zijn in water). Bedrijven gebruiken schuim dat niet geschikt is voor branden met deze stoffen. Dit project wordt uitgevoerd in samenwerking met de Veiligheidsregio Rijnmond (VRR) en is een regionaal initiatief.

DCMR heeft extra inspecties uitgevoerd bij bedrijven met uitgebreide leidingnetwerken om te onderzoeken waarom sommige bedrijven meer leidinglekken melden dan anderen. Dit helpt inzicht te krijgen in de oorzaken van lekkages. DCMR gebruikt een OGI-camera (Optical gas imaging, een techniek die berust op thermografie) voor controle van diffuse emissies bij installaties, leidingen en tanks. In 2024 zijn er 29 bedrijven gecontroleerd, waarbij vijftien overtredingen zijn geconstateerd. Het aantal overtredingen is toegenomen, maar het aantal inspecties is ook gestegen. 12 van 55

Voorkomen van incidenten Dit focuspunt richt zich op het identificeren en mitigeren van risico's om incidenten te voorkomen en de veiligheid binnen bedrijven te waarborgen. Een lopend onderzoek probeert de relatie te leggen tussen de financiële situatie van bedrijven en het ontstaan van incidenten. Hoewel er nog geen duidelijke verbanden zijn aangetoond, blijft dit onderwerp van belang voor verder onderzoek; zeker gezien de economische ontwikkelingen en de zorgen rondom het investeringsklimaat in de haven. Het doel is om te begrijpen of financiële druk bij bedrijven kan leiden tot een verhoogd risico op incidenten, zodat preventieve maatregelen kunnen worden genomen. In 2024 zijn QRA-juistheidinspecties uitgevoerd, waarbij is getoetst of bedrijven voldoen aan de uitgangspunten van de actuele risicostudies. Die controles worden eens per vijf jaar gedaan en zijn onderdeel van Seveso-inspecties. DCMR heeft een overtreding geconstateerd. Bij acht Sevesobedrijven zijn afwijkingen vastgesteld die tot één of meerdere acties (niet zijnde een overtreding) voor het bedrijf heeft geleid. DCMR heeft negen incidentenanalyses uitgevoerd en vastgelegd in Storybuilder, een geavanceerde tool voor het analyseren van basisoorzaken van incidenten. Deze analyses zijn gebaseerd op bestaande onderzoeken van inspecteurs en bedrijven.

Storybuilder helpt bij het systematisch identificeren van de oorzaken van incidenten, waardoor gerichte verbetermaatregelen kunnen worden genomen om herhaling te voorkomen. Het resultaat van die aanpak zijn casussen waarin wordt beschreven wat een bedrijf zou moeten doen om een bepaald type incident te voorkomen of te bestrijden. En in Storybuilder wordt beschreven wat op dit gebied een gewenste VTH-aanpak zou zijn. Die analyses worden gebruikt door toezichtteams om aandachtspunten en prioriteiten te bepalen in het toezicht. Opslaan en omgaan met gevaarlijke stoffen De opslag van en het omgaan met gevaarlijke stoffen brengt aanzienlijke risico’s met zich mee. Om die risico’s zoveel mogelijk te beperken, moeten bedrijven maatregelen nemen die zijn vastgelegd in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS). Deze PGS-en bevatten doelen die de risico’s beheersen en de negatieve effecten voor mens en milieu beperken. Veel PGS-en zijn recent geactualiseerd. Het is van groot belang dat bedrijven de meest actuele versies toepassen bij de opslag van en omgang met gevaarlijke stoffen. Dit verkleint het restrisico voor de omgeving aanzienlijk. De actualisatie van vergunningen voor PGS 29 (voor verticale opslagtanks) loopt al sinds 2010 en verloopt moeizaam. Er zijn veel gerechtelijke procedures. Het tankputbrandscenario (fase 2) uit PGS 29 is van toepassing op 43 bedrijven.

Zestien van hen hebben beroep aangetekend tegen de ambtshalve wijziging om de noodzakelijke aanpassingen door te voeren. Bij twee van die bedrijven zijn de implementatieplannen inmiddels goedgekeurd en verwerkt in een herzieningsbeschikking. In overleg met de rechtbank en de advocaten is een schema opgesteld om in 2025 voor de overige bedrijven de implementatieplannen goedgekeurd te krijgen en te verwerken in een herzieningsbeschikking. Voorbeeldproject: OCI heeft toestemming gekregen om een ammoniakopslagtank te bouwen in de Rotterdamse haven. Deze tank zal voldoen aan de vernieuwde PGS12-richtlijn, waarin de best beschikbare technieken (BBT) voor ammoniak op- en overslag zijn omschreven. Deze richtlijn wordt op initiatief van DCMR geactualiseerd omdat de vorige versie verouderd was en minder geschikt voor grootschalige ammoniakopslagen.

13 van 55

In 2024 heeft een werkgroep met experts van de overheid en uit het bedrijfsleven een conceptversie van de nieuwe PGS 12 opgesteld. Vooruitlopend hierop heeft DCMR de eisen uit deze conceptPGS12 al gebruikt om de vergunningaanvraag van OCI te toetsen. OCI kan ammoniakopslag bouwen in de Rotterdamse haven | DCMR In 2024 zijn de meeste PGS15-controles uitgevoerd in de branches op- en overslag, motorvoertuigen, bouw- en houtbedrijven en metaalelektrobedrijven. Binnen de branche op- en overslag zijn in totaal 168 controles uitgevoerd. In 75 gevallen zijn één of meerdere overtredingen vastgesteld. Ook in de bouw- en houtsector werd een relatief hoog aantal overtredingen geconstateerd: bij 38 controles werden dertien overtredingen vastgesteld. Daarnaast zijn ook bij de metaalelektrobedrijven overtredingen geconstateerd: van de 32 uitgevoerde controles bleek bij twaalf ondernemingen sprake van overtredingen. 3.1.2.

Gezondheid

Het nalevingspercentage op het gebied van de drie focuspunten gezondheid laat een dalende trend zien, maar blijft op een acceptabel niveau. Belangrijke oorzaak van deze trend ligt in het hoger aantal overtredingen op het gebied van ZZS. De indicator voor stikstof laat een dalende trend zien van de uitstoot van NOx. Uitstoot van zeer zorgwekkende stoffen verminderen Er is een toenemende bewustwording van ZZS, mede door de integratie van dit onderwerp in toezichtactiviteiten. DCMR heeft meer inzicht gekregen in de grootste ZZS-bronnen voor luchtuitstoot, voornamelijk diffuse emissies uit opslagtanks. Handhaving op ZZS blijft een uitdaging door complexe regelgeving en wijzigingen door de Omgevingswet. Besluiten van DCMR worden regelmatig aangevochten door bedrijven. De ZZS-actualisaties in vergunningen voor afvalbedrijven zijn afgerond, ondanks vele zienswijzen en beroepszaken. Bedrijven hebben moeite om inzicht te krijgen in ZZS in hun afval en producten en hebben daar vaak hulp bij nodig van adviseurs. Chemiebedrijven hebben procedures opgesteld voor ZZS-afvalbeheer en moeten bijhouden hoe zij afvalstoffen afvoeren. Zij moeten informatie doorgeven aan ontvangers. De complexe wetgeving vraagt om extra inspanning van DCMR om bedrijven goed te informeren over ZZS-verplichtingen. Daarom is er een stappenplan opgesteld om bedrijven te helpen met ZZS-verplichtingen.

Bedrijven moeten elke vijf jaar een VRP (vermijdings- en reductieprogramma) opstellen om inzicht te geven in ZZS in hun productieprocessen. DCMR beoordeelt deze VRP’s. In 2023 hebben de meeste chemiebedrijven een VRP opgesteld, in 2024 volgden raffinaderijen. In 2025 zullen de VRP’s van tank- op en overslag en afvalbedrijven binnenkomen. DCMR streeft naar een landelijk vijfjarig moment voor de opvraag van VRP’s om de naleving te vergemakkelijken. Voor het toezicht op ZZS bij gemeentelijke bedrijven is een project gestart dat zich richt op kennisopbouw en toepassing van deze kennis in toezicht. In samenwerking met Omgevingsdienst NL is een kaartje ontwikkeld om ZZS op productlabels te identificeren. Dat kaartje is aan toezichthouders uitgedeeld. DCMR werkt mee aan landelijke kaders voor het gewenste opleidingsniveau met betrekking tot ZZS. Samen met het RIVM, de arbeidsinspectie en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) neemt DCMR deel aan onderzoek naar schadelijke stoffen die achterblijven in het afval van glastuinbouw. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van restanten van bestrijdingsmiddelen in plastic flakes die bestemd zijn voor hergebruik. Ook is in de glastuinbouwsector in samenwerking met waterschappen gewerkt aan de teeltwisselcheck om duurzame teeltwissels te bevorderen en vervuild water te verminderen.

De teeltwisselcheck is succesvol afgerond! https://bit.ly/3Zb0oAv

14 van 55

Stikstof en fijnstof verminderen De aanscherping van vergunningen aan de onderkant van de BREF-range verloopt voorspoedig. Met de aanscherping wordt de scherpst mogelijke norm voor emissies in de vergunning opgenomen. Sinds de invoering van provinciaal beleid dat deze aanpak ondersteunt, is er een stok achter de deur om dit bij bedrijven te realiseren. De recente wijziging van de Richtlijn Industriële Emissies (RIE), die vanaf juli 2026 binnen Europa verplicht wordt, draagt hieraan ook bij. DCMR heeft bijgedragen aan deze vernieuwde richtlijn. Voor RIE-IPPC-bedrijven is gestart met het scherp vergunnen voor aanvragen voor fijnstof- of stikstofemissies voor nieuwe activiteiten. In 2025 wordt dit uitgebreid naar bedrijven waarvoor de IPPC of RIE niet van toepassing zijn. Een actualisatieprogramma voor bestaande activiteiten start in 2025 bij vijf RIE-IPPC bedrijven, waaronder drie raffinaderijen. Voor deze raffinaderijen is een apart project opgezet om nieuwe BBTconclusies te implementeren. Op basis van deze conclusies moeten binnen vier jaar aanpassingen aan installaties en vergunningen worden doorgevoerd. Voor de uitvoering van het scherper vergunnen is een communicatieplan opgesteld. Onderdeel hiervan was de organisatie van een webinar om bedrijven beter te informeren. De opkomst was hoog, met ongeveer honderd deelnemende bedrijven uit Zuid-Holland en Zeeland.

Ondanks de geboekte vooruitgang zijn er nog uitdagingen, zoals discussies over de in te zetten technieken. Momenteel ligt de bewijslast bij DCMR om de meest effectieve technieken aan te tonen, wat idealiter meer bij de bedrijven zou moeten liggen. En bovendien hebben bedrijven de mogelijkheid om besluiten aan te vechten. Scherper vergunnen is dus nog geen gelopen race en vraagt blijvende aandacht. Het kost meer tijd dan vergunningen gemiddeld kosten, omdat besluiten vaak aangevochten worden. Dit vereist bovendien veel juridische ondersteuning. De grootste uitstoot van fijnstof wordt veroorzaakt door bedrijven die zich bezighouden met de op- en overslag van droge bulk. DCMR zet zich daarom bijzonder in om de fijnstofuitstoot bij deze bedrijven te verlagen, bijvoorbeeld bij EMO en EECV. Nieuwe vergunningen voor kolen- en ertsoverslagbedrijven en intensiever toezicht hebben de afgelopen jaren geleid tot een sterke afname van overlast. Waar er in 2020 nog meer dan duizend overlastmeldingen binnenkwamen op de meldkamer van DCMR, is dit aantal in 2024 gedaald tot achttien meldingen. Nieuwe vergunningen kolen- en ertsoverslagbedrijven moeten leiden tot blijvende afname stofoverlast Hoek van Holland | DCMR In 2024 is de aanpak voor ureumboekhouding binnen de glastuinbouw vernieuwd.

Veel glastuinbouwbedrijven gebruiken een warmtekrachtkoppeling (WKK) die zowel warmte als elektriciteit opwekt door het verbranden van aardgas. Ureum wordt gebruikt in rookgasreinigers om stikstofoxiden uit rookgassen te verwijderen. Een goede ureumboekhouding toont aan dat wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden. DCMR controleert of de ureumboekhouding aanwezig is en toetst deze om te bepalen of aan de emissieeisen wordt voldaan. Met de nieuwe ureumboekhoudingsprotocollen wordt meer kennis opgedaan over emissies bij de glastuinbouw. De benodigde software voor het optimaliseren van rookgasreinigers is gereed en de grootste leveranciers hebben verbeteringen doorgevoerd. In 2025 worden afspraken met de glastuinbouw over de implementatie van de vernieuwde ureumboekhouding concreet gemaakt. Bodemverontreiniging voorkomen Bij verschillende (bedrijfs)activiteiten bestaat er risico dat schadelijke stoffen vrijkomen en in de bodem terechtkomen. Het voorkomen van bodemverontreiniging is daarom een cruciaal onderdeel van de milieubescherming.

15 van 55

DCMR levert een belangrijke bijdrage aan de regelgeving voor de toepassing van secundaire bouwstoffen en zet in op meer mogelijkheden voor toezicht en handhaving. Onder andere door het signaal te steunen dat in 2024 vanuit Omgevingsdienst NL is afgegeven aan het ministerie van IenW over de knelpunten in meld- en registratieplicht. De kaders voor de toepassing van secundaire bouwstoffen zijn onderdeel van een complex publiekprivaat stelsel en dienen ter bescherming van mens en milieu. De laatste grondige herziening vond plaats in 2008. De komende jaren werkt het ministerie van IenW, met input vanuit de omgevingsdiensten, aan de herijking van regelgeving. Zo moet er scherper getoetst kunnen worden op het gebruik van zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) in de bouwstoffen. Eén van de secundaire bouwstoffen met schadelijke effecten voor de leefomgeving zijn staalslakken. Voor de toepassing van deze bouwstoffen wordt een informatieplicht ingevoerd, die op 1 januari 2026 van kracht wordt. Hoewel dit een positieve ontwikkeling is, had DCMR juist ingezet op een meldplicht voor de toepassing van staalslakken. De meldplicht houdt in dat een activiteit niet mag worden gestart zonder het doen van een melding aan het bevoegde gezag. De informatieplicht is minder streng.

Toepassing van staalslakken in Nederland; hoe zit dat? | DCMR DCMR heeft ook bijgedragen aan de totstandkoming van een handreiking voor bodemonderzoek naar gewasbeschermingsmiddelen; een initiatief van Omgevingsdienst West-Holland (ODWH). DCMR werkt mee aan initiatieven om PFAS-verontreinigde locaties in kaart te brengen en PFAS zo goed als mogelijk uit het milieu te verwijderen. Zo is er geadviseerd over kaders voor de sanering van PFAS-verontreinigingen. Eén van de oorzaken van de verontreiniging is het gebruik van PFAShoudend blusschuim. Hieraan heeft DCMR bijzondere aandacht besteed, in eerste instantie door locaties in het werkgebied in beeld te brengen waar PFAS-houdend blusschuim gebruikt wordt. 3.1.3.

Leefbaarheid

Het nalevingspercentage op het gebied van de drie focuspunten leefbaarheid is verbeterd in 2024. Bij de impactindicator geluidklachten is een dalende lijn te zien. Het aantal klachten over geur nam toe in 2024. In 2024 is meer ingezet op het behandelen van klachten, wat ten koste is gegaan van het aantal preventief uitgevoerde inspecties op het focuspunt geur. Geluidhinder voorkomen Geluidhinder heeft een negatief effect op de gezondheid en op de leefbaarheid van de woonomgeving. Door de bouw van nieuwe woningen in de buurt van geluidsbronnen neemt het risico op geluidhinder verder toe. Het is belangrijk de balans tussen leefbaarheid en ruimtegebruik goed in de gaten te houden. De branches horeca, sport en recreatie en evenementen hebben een gemeenschappelijke uitdaging. Aan de ene kant zorgen deze branches voor vermaak en ontspanning bij inwoners. Tegelijkertijd komt het merendeel van de geluidsgerelateerde klachten (geluid, trilling- en contactgeluiden) hier vandaan. In 2024 zijn gedurende elk weekend in de horeca geluidsmeetonderzoeken uitgevoerd, wat leidde tot een effectieve aanpak van klachten en directe afhandeling. Een pilotproject in de Oude Haven, gericht op het verminderen van geluidsniveau van horecabezoekers, is opgestart.

Dit project, gebaseerd op een succesvolle aanpak in Leuven in België, omvat het monitoren van geluid en het informeren van bezoekers bij hoge geluidsniveaus. Het MJP-focuspunt geluidhinder richt zich ook op nestgeluid afkomstig van afgemeerde schepen wanneer er geen werkzaamheden of laad- en losactiviteiten plaatsvinden. Deze informatie is van belang voor het vaststellen van de Geluid Productie Plafonds

Slimme oplossingen tegen geluidoverlast in Oude Haven Rotterdam | DCMR 16 van 55

(GPP's), die over enkele jaren de huidige geluidzones in de haven zullen vervangen. De GPP's reguleren de totale hoeveelheid geluid die bedrijven gezamenlijk mogen produceren. Het meetprogramma voor de bepaling van de geluidemissies van afgemeerde schepen loopt vanaf 2023. De uitvoerende partij werkt aan een algoritme om uit de verzamelde meetdata de geluidemissies af te leiden. In de overgangstermijn van de Omgevingswet tot 2032 wordt toegewerkt naar het opnemen van regels over onder andere geluid van afgemeerde schepen in het omgevingsplan. DCMR heeft een adviserende rol. DCMR luistert naar nestgeluid in Rotterdamse haven | DCMR

Geurhinder voorkomen Niet-doelmatig werkende ontgeuringsinstallaties, luchtwassers of andere nageschakelde technieken ter voorkoming van geuremissie, veroorzaken vaak geurhinder. De woningbouwopgave van de gemeenten heeft tot gevolg dat bedrijvigheid en woningen dichter bij elkaar komen, waarmee het risico op geurhinder toeneemt. Maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de toename van thuiswerken, hebben invloed op de perceptie van geurhinder; vooral in woongebieden nabij horecagelegenheden. Het aantal geurklachten (niet als gevolg van incidenten) nam in 2024 toe ten opzichte van 2023. Zo heeft DCMR veel klachten ontvangen over een legale cannabiskwekerij. Het is een uitdaging gebleken om hier te handhaven op het voorzorgsbeginsel. Via maatwerkvoorschriften zijn daarom doel- en middelvoorschriften opgelegd aan het bedrijf. Handhaving bij geuroverlast heeft in 2024 bijvoorbeeld geleid tot een hogere luchtafvoer bij Farm Frites Er zijn in 2024 meer successen geboekt om geurhinder te voorkomen. Zo is er bij de afvalwaterzuivering de Groote Lucht in Vlaardingen succesvol geïntervenieerd in het kader van de MER-studie, wat heeft bijgedragen aan het onder de aandacht brengen van geurproblematiek. Dit heeft geleid tot een schetsontwerp van een grotere AWZI die meer afvalwater behandeld, dit beter zuivert terwijl de geurcontouren aanmerkelijk kleiner worden.

De acceptatie van de gecombineerde geurcontour door de Raad van State als methode om de achtergrondbelasting van geur in beeld te krijgen, ondanks bezwaren over de grofmazigheid, is een succes en benadrukt de complexiteit van woningbouw dichtbij geurbronnen. Daarnaast zijn er uitdagingen die de onverminderde aandacht voor geurproblematiek rechtvaardigen. De nieuwe Kaderrichtlijn Water vereist dat afvalwaterzuiveringen beter zuiveren om aan de richtlijn te voldoen, wat leidt tot grotere geurende oppervlakten met sterk ruikend afvalwater. Ondanks de geboekte vooruitgang blijven er complexe vraagstukken bestaan over het acceptabele aanvaardbaar geurhinderniveau, vooral in relatie tot woningbouw. De Omgevingswet vormt ook een uitdaging, want het bepalen van wat wel en niet is toegestaan binnen omgevingsplannen vereist specifieke aandacht en inspanning. De intrekking van de norm voor hedonische waarde (bepaling van de (on)aangenaamheid van geur) maakt het moeilijk om te bepalen hoe hinderlijk een geur is. Het is belangrijk om goed te karakteriseren welke geuren hinderlijk zijn en bij welke concentraties. Ondermijning en milieucriminaliteit Een van de successen qua milieucriminaliteit was het aanpakken van een afvalstoffenbedrijf dat zich illegaal had gevestigd in Hoek van Holland.

Op basis van een tip en samenwerking met het waterschap en andere partners, kon de illegale activiteit worden gestopt en werd gezorgd dat er weer een eerlijk speelveld was voor alle ondernemers. Er is aanzienlijke vooruitgang geboekt in het ontwikkelen van basis administratief toezicht en diepgaand administratief toezicht, onder andere door samen met de Zuid-Hollandse omgevingsdiensten en de provincie Zuid-Holland een administratief toezichtpool in te richten.

17 van 55

Bovendien is er vanaf 2024 ook een specifiek team ingericht voor ketentoezicht en -recherche. De verbeteringen stellen de organisatie in staat om beter toezicht te houden op bedrijven en milieucriminaliteit effectiever aan te pakken. De samenwerking met ketenpartners en het gebruik van dashboards hebben bijgedragen aan een meer uniforme en effectieve aanpak. Naar aanleiding van twee incidenten (een explosie en aftappen van kerosine) zijn datamining tools (het gericht zoeken naar verbanden tussen verschillende gegevensverzamelingen met als doel profielen op te stellen) ontwikkeld. Die informatie wordt nu ook gedeeld met politie en gemeenten. Dit heeft geleid tot een betere samenwerking en effectievere interventies. Naar aanleiding van deze incidenten zijn er gesprekken gevoerd met de FIOD, politie en ILT, wat ervoor heeft gezorgd dat de instructies over hoe om te gaan met soortgelijke situaties en incidenten bij de juiste partijen terechtkomen. Er zijn risico-indicatoren toegevoegd aan het LMA-dashboard (Landelijk Meldpunt Afvalstoffen). Die indicatoren helpen bij het identificeren van onregelmatigheden in afvalstromen, zoals het gebruik van verkeerde Euralcodes voor gevaarlijk afval. Op basis van de indicatoren zijn bedrijven aangeschreven om hen te wijzen op mogelijke fouten in hun administratie en hen te vragen die te corrigeren. 3.1.4.

Duurzaamheid

Het nalevingspercentage op gebied van duurzaamheid toont een opgaande lijn. Dit nalevingspercentage is uitsluitend afgeleid van de inspecties op het onderdeel energiebesparing. De impact op de indicator CO2-uitstoot van bedrijven laat een daling zien. Energiebesparing De gegevensuitwisseling tussen Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en DCMR met betrekking tot energiegegevens is aanzienlijk verbeterd. RVO ontvangt energieverbruikgegevens van bedrijven als onderdeel van de informatieplicht. Hierdoor kan DCMR nu een goede match maken tussen het bedrijvenbestand en dat van RVO, waardoor de gegevens beter kunnen worden benut. Met ingang van volgend jaar kunnen ook energiegegevens van de netbeheerders worden gevorderd. Dit zal kwalitatieve data opleveren en de handhaving van de informatieplicht verbeteren. Hierdoor kan DCMR gerichter en dus effectiever te werk gaan. De nieuwe cyclus van de informatieplicht ging begin 2023 in, met december 2024 als deadline voor bedrijven om te melden. Actieve handhaving op de informatieplicht zal in 2025 beginnen, waarbij bedrijven die niet aan de tweede ronde voldoen, worden aangeschreven. Er zijn momenteel 3670 meldingen ingediend. Dit aantal moet worden vergeleken met de vorige ronde om een goed beeld te krijgen van de voortgang. Het is belangrijk om te benoemen dat een bedrijf meerdere meldingen kan indienen vanwege aanpassingen.

Tot nu toe hebben 286 bedrijven een energieonderzoek ingediend, waarvan er 167 zijn beoordeeld. Dit betekent dat 58% van de onderzoeken is afgerond en 42% nog in behandeling is. Bedrijven moeten niet alleen hun energieonderzoek indienen, maar ook de maatregelen uit het onderzoek uitvoeren. Als blijkt dat een bedrijf niet aan de maatregelen voldoet, wordt er handhavend opgetreden. Er is een nieuwe landelijke lijn neergelegd voor het omgaan met powermanagement bij datacenters. DCMR heeft met input bijgedragen aan deze lijn, vooral in het Noordzeekanaalgebied. Dit zorgt voor meer slagkracht en samenwerking op nationaal niveau. Energieadviseurs hebben zich sterk ingezet voor de toepassing van best beschikbare technieken (BBT's) vanuit de BREF energy efficiency in vergunningen. Er zijn aanzienlijke mogelijkheden voor energie-uitwisseling tussen bedrijven. In 2024 heeft DCMR het ministerie van Economische Zaken

Een jaar energiebesparingsplicht bij industrie: wat zijn belangrijke leerpunten? | DCMR

18 van 55

(EZK) geadviseerd over de uitwerking van de kosten-baten analyses (KBA-plicht) binnen de Europese Energy Efficiency Directive (EED). Naast de bestaande convenanten voor onderwijs en zorg, is er gewerkt aan een convenant met het Sportbedrijf Rotterdam, gericht op efficiënter energiegebruik binnen de verschillende locaties. Ook met diverse waterschappen wordt gewerkt aan convenanten. Er worden routekaarten voor energiebesparing ontwikkeld. Met het Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK) is een routekaart ondertekend, waarin HHSK zich committeert aan wettelijke en bovenwettelijke energiebesparende maatregelen tot en met 2026. Toezichthouders energie en collega's van Omgevingsdienst Midden-

HHSK werkt samen met DCMR en ODMH aan energiebesparing | DCMR Holland (ODMH) monitoren de voortgang. Vanuit de zorg en onderwijs wordt gewerkt aan de uitvoering van de routekaart, wat voor onderwijsinstellingen uitdagend is omdat zij vaak geen eigenaar zijn van de panden. DCMR blijft inzetten op kennisuitwisseling over energiebesparing binnen zorg, onderwijs en industrie. Convenanten zijn gesloten voor bovenwettelijke milieumaatregelen, zoals de 'Green Deal Brons' voor zorginstellingen. Energietransitie De energietransitie is noodzakelijk omdat de inzet van fossiele brandstoffen tot uitstoot van CO2 leidt en de klimaatopwarming versterkt. In de afgelopen jaren zijn er aanzienlijke stappen gezet op het gebied van energietransitie, waarbij verschillende successen zijn behaald die bijdragen aan een duurzamere toekomst. Er zijn vergunningprocedures uitgevoerd voor nieuwe energiedragers zoals ammoniak en waterstof op basis van elektrolyse. Deze vergunningen, verleend in zowel Zeeland als Zuid-Holland, zijn van belang voor de ontwikkeling van een duurzame samenleving. Er is bijvoorbeeld een vergunning verleend voor een 60.000 ton ammoniaktank bij OCI. Dit project heeft geleid tot protesten van bewoners, maar er is veel inspanning geleverd om de burgers te informeren en te betrekken bij het proces. Dit heeft bijgedragen aan meer begrip.

Daarnaast is de kabinetsvisie op waterstofdragers gepubliceerd, waaraan DCMR actief heeft bijgedragen. Dit omvat intensieve samenwerking met verschillende overheidsinstanties en regio's. De maatwerkaanpak voor duurzame industrie heeft geleid tot de start van diverse projecten, zoals bij Alco Energy, waar stoom en energie worden teruggewonnen. En de verlening van vergunningen voor e-boilers die stoom produceren met elektriciteit in plaats van gas. Stevige stappen richting duurzame industrie: Maatwerkaanpak krijgt steeds meer vorm | DCMR

DCMR heeft ook bijgedragen aan het Energiecafé, waar burgers, gemeenten en scholieren worden voorbereid op de energietransitie. Deze expositie omvat kennisoverdracht over warmteleidingen en restwarmte en helpt bestuurders een goed overzicht te krijgen van de energiewereld zodat zij de beste keuzes kunnen maken. Zo is er aandacht besteed aan het concept van exergie, wat verwijst naar energiekwaliteit. Dit speelt een belangrijke rol in de warmtetransitie en helpt bij het bepalen welke warmte waar gebruikt moet worden.

19 van 55

Bedrijven rapporteren aan DCMR over restwarmte, maar de kwaliteit van deze rapportages laat soms te wensen over. Bedrijven zijn vaak behoudend in het uitvoeren van projecten vanwege de kosten en de tijd die nodig is om de investeringen terug te verdienen. Circulaire economie In 2024 is een pilot gestart voor het opnemen van voorschriften op circulariteit in vergunningen, met een focus op grondstoffenefficiëntie. Dit project wordt uitgevoerd in samenwerking met de provincie en havenbedrijf Port of Rotterdam. Er is een kennisatelier ingericht om samen met andere omgevingsdiensten te kunnen beoordelen hoe binnengekomen rapporten moeten worden geëvalueerd. Dit helpt bij het ontwikkelen van de benodigde expertise om de nieuwe voorschriften effectief te toetsen. Er wordt gewerkt aan het opnemen van circulaire aspecten in omgevingsplannen. Dit omvat het ontwikkelen van tekstvoorstellen voor additieve regels in omgevingsplannen, met de focus op mkbbedrijven die niet vergunningplichtig zijn. Er wordt samengewerkt met gemeenten zoals Rotterdam en Capelle aan den IJssel om actief deel te nemen aan de planvorming en voorschriften voor grondstoffenefficiëntie op te stellen. Het circulair loket heeft 35 vragen ontvangen. Een van de vragen gaat over het verwerken van menselijke ontlasting om fosfaat (een kritische grondstof) terug te winnen.

Dit project heeft geleid tot samenwerking tussen waterschappen, het ministerie, de NVWA, Zuid-Hollandse omgevingsdiensten en de Universiteit Wageningen. Het Versnellingshuis HIC is een samenwerkingsverband van het Havenbedrijf Rotterdam, de bedrijven in het Havenindustrieel Complex (HIC), de gemeente Rotterdam, InnovationQuarter, Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, de ministeries van Klimaat en groene groei en Infrastructuur en Waterstaat en DCMR. Het doel is versneld vragen behandelen met betrekking tot energie- en grondstoffentransitie. Het Versnellingshuis HIC ontvangt ook circulaire vragen. Het ziet een grote uitdaging: de beperkte ruimte in de regio. Een bedrijf dat windmolenbladen hergebruikt om meubels en geluidsschermen te maken, heeft bijvoorbeeld moeite om ruimte te vinden voor opslag en productie. Er zijn consultaties over de nieuwe wet op circulaire economie en het Klimaatakkoord. Deze consultaties, waaraan DCMR bijdraagt, zijn belangrijk om ervoor te zorgen dat de nieuwe wetgeving praktisch en zinvol is. De nieuwe wetgeving wordt verder uitgewerkt en zou in theorie in 2027 van kracht kunnen worden. Het uitvoeringsbeleid wordt opgezet door het ministerie van IenW. Er is een team dat zich bezighoudt met afval en circulaire economie, waarbij DCMR als programmaleider fungeert. Dit team behandelt vragen over de einde-afvalstatus en andere gerelateerde kwesties.

Een voorbeeld hiervan is de vraag van Shell over het gebruik van pyrolysegassen als vervanging voor raffinagegas. Dit zou milieuwinst opleveren, maar er zijn juridische en technische uitdagingen. Er zijn ook vragen over het gebruik van restgassen van buurbedrijven in plaats van aardgas, wat leidt tot discussies over de einde-afvalstatus. Het team werkt aan het opstellen van beleid en het vinden van samenwerkingsmogelijkheden. De hoofdlijnen van deze inspanningen worden meegenomen in de rapportages en besproken met de betrokken partijen. Struikelblokken circulariteit zijn er om op te lossen | DCMR

20 van 55

3.2.

Cijfers in beeld

Productiecijfers Voor het op eenduidige wijze vastleggen van de productiecijfers is vanaf 2023 een systeem ingericht die gegevens haalt uit onderliggende systemen. Hiermee is een efficiëntieslag gemaakt en gezorgd dat de cijfers betrouwbaarder zijn. Hierdoor wijken de cijfers van eerdere jaarverslagen (2022 en eerder) mogelijk af ten opzichte van de hier gepresenteerde cijfers. De cijfers bevatten alleen afgesloten casussen. Voor meer productiecijfers, zie de bijlage. Productie reguleren Tabel: Aantallen producten reguleren Product

2024

2023

2022

Omgevingsvergunning (reguliere procedure / nieuw)

14

Wabo uitgebreide procedure (inclusief ambtshalve wijzigingen)

179

205

192

Wabo reguliere procedure (milieuneutrale wijzigingen, BRIKS en OBM)

349

446

375

Totaal vergunningen

542

651

567

Meldingen Omgevingswet exclusief bodem (nieuw)

1.021

Meldingen activiteitenbesluit

212

689

616

Maatwerkvoorschriften

122

230

96

Actualisatietoetsen

116

75

93

Overige reguleren producten

1.177

855

1.010

Er zijn in 2024 twee nieuwe producten bijgekomen vanwege de invoering van de Omgevingswet: Omgevingsvergunning (reguliere procedure) en Meldingen Omgevingswet. Het grootste verschil in de aantallen in 2024 ten opzichte van 2023 is te zien bij de Meldingen activiteitenbesluit. Dat komt omdat dit product niet meer bestaat sinds invoering van de Omgevingswet. De meldingen die hier genoemd worden zijn nog ingediend in 2023 en afgehandeld in 2024. Het nieuw product Meldingen Omgevingswet laat een hoog aantal zien. Dat komt omdat met de komst van de Omgevingswet meer activiteiten onder de meldingsplicht zijn komen te vallen. Daarnaast kunnen meldingen per activiteit (en) worden gedaan en niet meer per inrichting. Het product Omgevingsvergunning (reguliere procedure) bestaat uit producten die voorheen onder een uitgebreide procedure vielen (oprichting en verandering), maar met de Omgevingswet met een reguliere procedure worden behandeld. In totaal is een kleine afname te zien van het aantal reguliere en uitgebreide procedures. Dit komt met name doordat er minder vraaggestuurd werk is aangevraagd. Verder is een toename te zien van het aantal actualisatietoetsen. In 2024 heeft een speciaal team zich beziggehouden met het afronden van actualisatietoetsen. Dit effect is zichtbaar.

21 van 55

Productie toezicht Tabel: Aantallen inspecties exclusief Seveso-inspecties. Product*

2024

2023

2022

Opleveringscontroles

81

94

267

Preventieve controles*

3.150

3.192

3.125

Nacontroles

2.117

2.412

2.247

Administratieve controles

1.838

1.485

1.922

Klachten/voorvalonderzoeken

1.704

1.694

1.643

Inventariserende controles

480

159

307

Overige toezichtsproducten

8.404

6.986

6.973

*exclusief controles gestopt op initiatief DCMR De aantallen over 2024 komen redelijk overeen met eerdere jaren. Bij de preventieve controles zijn de controles die gepland waren, maar niet zijn uitgevoerd niet meer meegeteld. Hierdoor zijn de aantallen preventieve controles in 2022 en 2023 iets naar beneden bijgesteld. Productie handhaving Tabel: Overtredingen, (na)controles en sancties inclusief Seveso. Product

2024

2023

2022

Bestuursrechtelijke sancties

342

407

599

Strafrechtelijke sancties*

92

94

86

*Voor de strafrechtelijke sancties betreft het alleen de daadwerkelijk afgeronde zaken

De bestuursrechtelijke sancties zijn vraaggestuurd. Het aantal bestuursrechtelijke sancties betreft alle afgeronde handhavings- en invorderings- en verzoek om handhavingszaken, ongeacht het resultaat van deze zaken. Dat betekent dat (lang) niet alle zaken uiteindelijk hebben geleid tot het vaststellen van een handhavingsbeschikking, het vaststellen van een besluit op een handhavingsverzoek of de daadwerkelijke invordering van een verbeurde dwangsom. In een groot aantal gevallen is afgezien van het vaststellen van een beschikking. Dit gebeurt om legitieme redenen, zoals bijvoorbeeld het blijvend ongedaan hebben gemaakt van een overtreding of het intrekken van een handhavingsverzoek. In 2022 lag het aantal bestuursrechtelijke sancties hoger doordat toen een groot aantal invorderingszaken, die nog openstonden maar waarvan duidelijk was dat deze geen vervolg meer zouden krijgen, zijn afgerond. Het aantal strafrechtelijke onderzoeken dat in 2024 heeft geleid tot een eindproduct is ten opzichte van 2023 nagenoeg gelijk. Het betreffen vraaggestuurde onderzoeken vanuit toezicht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15585594/1