bijlage 3 - conceptbrief gemeenteraad inzake interbestuurlijk toezicht
Tekst van het document
Ministerie van VWS T.a.v. drs. E.B.K. van Koesveld Postbus 20350 2500 EJ Den Haag
Geacht heer Koesveld, In uw brief van 22 juli 2021 geeft u aan dat u van mening bent dat de verordening maatschappelijke ondersteuning zoals vastgesteld op 3 juni 2021 in strijd is met de wet. U verzoekt het college om een voorstel richting de gemeenteraad te sturen om de verordening aan te passen. Inhoudelijke beoordeling In de brief d.d. 22 juli 2021 wordt een drietal inhoudelijke argumenten genoemd waarop gebaseerd wordt dat het meewegen van het inkomen niet zou kunnen. Als eerste wordt verwezen naar een passage uit de memorie van toelichting: "Uitgangspunt van dit wetsvoorstel is dat maatschappelijke ondersteuning beschikbaar is voor degenen die daarop zijn aangewezen, ongeacht de hoogte van het inkomen of vermogen. De regering kiest niet voor het hanteren van een inkomens- dan wel vermogensgrens of toets die bepaalt of iemand in aanmerking komt voor ondersteuning uit hoofde van dit wetsvoorstel. Inkomensbeleid blijft de verantwoordelijkheid van het Rijk en de regering is niet voornemens de systematiek van de eigen bijdrageregeling te wijzigen." Het klopt dat in de eerste deel van de passage wordt aangegeven dat de regering er voor kiest om geen inkomensgrens te hanteren om te bepalen of iemand in aanmerking komt voor ondersteuning.
In de huidige Krimpense verordening is er ook geen sprake van een harde inkomensgrens waarop wordt getoetst of iemand wel of niet in aanmerking komt. In de Krimpense verordening wordt het inkomen meegenomen bij de individuele beoordeling van de eigen kracht. Het is hierbij één van de beoordelingselementen maar is niet in alle gevallen doorslaggevend om geen voorziening toe te kennen. Dus ook indien het inkomen van de aanvrager boven de in de verordening genoemde grenzen voor resp. AOWgerechtigden en niet-AOW-gerechtigden ligt, zal altijd een volledig en zorgvuldig onderzoek plaatsvinden. Mocht er in dat geval echter geen andere grondslag zijn om huishoudelijke hulp vanuit de Wmo toe te kennen, dan wordt de aanvrager actief doorbemiddeld naar een aanbieder van particuliere thuishulp. Ook wordt in deze passage de inkomensgrens tegelijkertijd gekoppeld aan de systematiek van de eigen bijdrageregeling. In het tweede deel van de passage wordt immers expliciet mededeling gedaan dat het Rijk niet voornemens is de eigen bijdrage regeling (waarbij het inkomen wordt meegewogen) te wijzigen. Met de invoering van het abonnementstarief in Wilt u bij al uw correspondentie het zaaknummer vermelden.
de Wmo per 1 januari 2019 is dit laatste echter nu net wat het Rijk wel heeft gedaan, en dat is onzes inziens de reden dat er nu wel ruimte ontstaat om dit inkomen mee te wegen in de maatwerkbeoordeling. Het tweede argument is een verwijzing naar de memorie van toelichting bij de Wet abonnementstarief Wmo 2015. Hier wordt het volgende citaat aangehaald: "De gemeente kan iemand niet de toegang tot de Wmo ontzeggen, enkel op basis van zijn inkomen en vermogen, hetgeen nu ook al het geval is.”. Bij bestudering van de memorie van toelichting hebben we echter moeten concluderen dat deze zin niet in deze tekst voorkomt. Het derde argument dat wordt genoemd is een verwijzing naar jurisprudentie. Zowel in de ambtelijke als in het bestuurlijke gesprek dat tussen onze gemeente en uw ministerie is gevoerd, is van Krimpense zijde steeds aangegeven dat deze jurisprudentie echter gedateerd is. De zaken waarnaar verwezen worden hebben immers géén betrekking op de situatie waarbij het abonnementstarief is ingevoerd, maar slaan op de periode waarin een inkomensafhankelijke eigen bijdrage werd gehanteerd. Jurisprudentie over een vergelijkbare situatie als in Krimpen aan den IJssel ontbreekt derhalve. In genoemde gesprekken is dit door uw ministerie niet weersproken. Daarom vinden wij het jammer dat dit punt opnieuw als argument wordt aangevoerd.
Voorts stelt VWS in haar brief dat Rijk en VNG in een gezamenlijk proces werken aan mogelijke beleidsopties voor zowel de korte als de lange termijn. Dit proces zou volgens het ministerie een reden kunnen zijn om de wijziging van de verordening van 3 juni 2021 op te schorten. Dit verzoek wordt door de VNG niet gedeeld. De VNG, die ook bij het gesprek d.d. 15 juli jl. op ons verzoek als toehoorder aanwezig was, heeft ons nadien nadrukkelijk verzocht aan ons standpunt vast te blijven houden, en heeft – nogmaals – steun toegezegd. Het aantal gemeenten dat de strijd tegen de ongewenste effecten van het abonnementstarief heeft aangebonden loopt inmiddels fors op. Zowel ambtelijk als bestuurlijk wordt er onderling afgestemd. De VNG faciliteert waar nodig. Overigens willen wij in verband met dit laatste benadrukken dat het proces van totstandkoming van de verordening volkomen open en transparant langs democratische weg heeft plaatsgevonden. Hier is bewust voor gekozen.
In plaats daarvan had bijvoorbeeld ook een optie geweest, zoals die ook elders wordt toegepast, om wachtlijsten en wachttijden voor huishoudelijke hulp te introduceren (voor onze gemeente had dit overigens ook een noodgedwongen optie kunnen zijn geweest, omdat een grote aanbieder van huishoudelijke hulp binnen Krimpen aan den IJssel eerder heeft laten weten te overwegen hiermee te stoppen, omdat zij constateert dat haar medewerkers worden ingezet voor taken op het vlak waarvoor zij niet zijn opgeleid). Wij vragen ons op onze beurt af hoe de minister in die gevallen zijn systeemverantwoordelijkheid denkt te zullen in zetten. Ten slotte constateren wij dat de minister in zijn antwoord op de Kamervragen van het lid Tellegen haar opmerking over een “recht op huishoudelijke hulp” niet heeft gecorrigeerd. In het bestuurlijk gesprek van 15 juli jongstleden heeft onze portefeuillehouder het belang van een dergelijke correctie benadrukt. Door dit onweersproken te laten, doet u onzes inziens afbreuk aan het uitgangspunt van de Wmo en houdt u het inmiddels groeiende gevoelen in stand dat (ook) de uitvoering van huishoudelijke hulp sluipenderwijs tot een medebewindstaak is geworden zonder dat gemeenten hiervoor adequaat zijn of worden gecompenseerd. 2/3
Conclusie Wij concluderen dat er geen overeenstemming is over de mogelijkheden die de wet biedt om het inkomen onderdeel te laten zijn van een maatwerkafweging voor ondersteuning bij de hulp bij het huishouden. Een zorgvuldige juridische toets is wenselijk om dit geschil tussen gemeenten en Rijk te slechten. Indien u geen andere weg ziet dan te komen met een vernietiging van onze verordening dan willen wij u verzoeken die weg te bewandelen. Wij zullen daarna een beroepsprocedure starten bij de Raad van State om een inhoudelijk oordeel te laten vellen over het onderhavige geschil. Wij gaan er vanuit u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Hoogachtend, namens de gemeenteraad van Krimpen aan den IJssel, de voorzitter,
de griffier,
M.W. Vroom
mr. O. Vliegenthart
3/3