Bijlage 2 - Toelichting Financiële Verordening 2022
Tekst van het document
Toelichting Financiële Verordening 2022 Per artikel, en indien nodig per lid, wordt een korte toelichting gegeven op de Financiële Verordening 2017. Hiermee wordt beoogd te verduidelijken wat het betreffende artikel inhoudt.
HOOFDSTUK 1: ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 – Begripsbepaling Geen toelichting.
HOOFDSTUK 2: BEGROTING EN VERANTWOORDING Artikel 2 – Programma-indeling Lid 1 Bij de aanvang van een nieuwe raadsperiode kan de raad overwegen de programma-indeling aan te passen. In principe is dit het enige moment gedurende een raadsperiode dat een dergelijke herindeling van programma's aan de orde is, waardoor de opvolgende jaren goed met elkaar te vergelijken blijven. Lid 2 Tegelijkertijd met een nieuwe programma-indeling wordt een indeling in beleidsthema’s vastgesteld, die bij de inrichting van begrotings- en rekeningstukken wordt gehanteerd. Lid 3 In dit lid wordt beschreven op welke wijze indicatoren worden ingezet. Daarbij is het uitgangspunt gehanteerd dat sturing en verantwoording op te behalen (beleids)doelen in eerste instantie onderdeel uitmaakt van de beleidscyclus. Lid 4 Zoals in de toelichting op lid 1 is aangeven, zijn ingrijpende wijzigingen in de programmaindeling niet bevorderlijk voor het (meerjarige) inzicht in de begrotingen. Toch kan het voorkomen dat tussentijds een wijziging nodig is. Dit geldt eveneens voor indicatoren.
Artikel 3 – Inrichting begroting en jaarstukken Lid 1 en 2 Deze leden geven aan welke informatie verwacht mag worden bij de begroting en de jaarstukken. De indeling per programma in beleidsthema's is de afgelopen jaren al gebruikelijk en bepaald mede het gezicht van de stukken. Lid 3 De paragrafen A t/m G in de begroting en jaarstukken zijn verplicht gesteld. De gemeente is vrij om andere paragrafen die een dwarsdoorsnede van de begroting geven toe te voegen. De paragraaf Subsidies geeft een verzameld inzicht van alle subsidies en dient tevens ter vaststelling van de subsidieplafonds. Lid 4 en 5 Met deze bepalingen wordt het inzicht in investeringskredieten geregeld. In de jaarstukken wordt tevens opgenomen welke investeringen zijn afgerond en wat het financiële eindbeeld is. Bij omvangrijke individuele investeringen kan separaat een afrondende rapportage via een raadsinformatiebrief aangeboden worden. Lid 6 Overzicht geeft inzicht in de effecten van reservemutaties op het jaarresultaat en in de ontwikkeling van de reserves en de reservepositie. Lid 7 Geen nadere toelichting.
Artikel 4 – Kaderstelling Lid 1 De kadernota is geen verplicht document in het Besluit begroting en verantwoording (Bbv). Daarom is dit artikel opgenomen, waarin vastgelegd wordt wanneer de kadernota wordt aangeboden en wat er minimaal in staat. Lid 2 en 3 Jarenlang was het de gewoonte om het saldo van de begroting na vaststelling toe te voegen aan de post onvoorzien. Vanaf dat moment werd dit bedrag benoemd als onvoorzien, maar in feite behandeld als het verwachte resultaat van de lopende begroting. Alle benodigde mutaties vanwege de aanpassing van ramingen werden met dit saldo verrekend, ongeacht de aard of reden van de wijziging. De theorie geeft een zuivere scheiding van resultaat en onvoorzien aan, maar in de praktijk is dit moeilijk te hanteren en heeft weinig meerwaarde. De focus wordt niet gelegd op het onderscheid, maar op het inzicht in structurele en incidentele (begrotings)ruimte. Door in begrotingswijzigingen mee- en tegenvallers op basis daarvan voor te leggen krijgen college en raad meer inzicht in de effecten van financiële besluiten en een betere financiële prognose.
Artikel 5 – Begrotingsruimte Lid 1 Geen nadere toelichting Lid 2 In dit lid wordt ingegaan wat onder incidentele baten en lasten wordt verstaan. Enkele voorbeelden hierbij zijn: - Tijdelijke Rijksregelingen - Subsidies van derden - De afrekening van de jaarrekeningen van de Gemeenschappelijke Regelingen - Nacalculaties - Inzet van reserves - Boekwinsten / -verliezen bij verkoop onroerend goed Niet incidenteel: - Onder uitputting van budgetten - Periodieke baten en lasten die minder dan 1x per jaar voorkomen; zoals verkiezingen, burgerpeiling, metingen bij vastgoed. Lid 3 De commissie BBV adviseert een drempelbedrag op te nemen. Lid 4 Geen nadere toelichting.
Artikel 6 – Autorisatie begroting en investeringskredieten Dit artikel bepaalt hoe de raad het college autoriseert voor het doen van uitgaven. In de notitie begrotingsafwijkingen wordt dit verder uitgewerkt. Lid 1 en 2: Omdat de raad het college op programmaniveau autoriseert (lid 1) is het college bevoegd om binnen dat programma de middelen daar in te zetten waar het nodig is om de gestelde doelen uit de begroting te kunnen halen. Dit voorkomt dat de raad bij iedere verschuiving een begrotingswijziging moet vaststellen. Lid 3 De nota afwijkingenbeleid gaat verder in op de verschillende geautoriseerde bedragen en de wijze waarop indien nodig wijzigingen tot stand komen. Daarbij wordt onder meer aandacht
gegeven aan onvoorzien, budgetten op programma's, beleidswijzigingen, investeringen, uitgaven ten laste van voorzieningen en reservemutaties. Lid 4 Door de begroting goed te keuren autoriseert de raad het college om alle in de begroting opgenomen uitgaven te doen. Onderwerpen waarvoor een specifiek raadsbesluit nodig is, zoals de wijziging van een verordening of vaststellen van een beleidsnota worden altijd separaat aan de raad voorgelegd. Lid 5 Wanneer tussentijds investeringen nodig zijn, waarvoor de raad geen bedragen heeft geautoriseerd en geen dekking aanwezig is, dient het college voordat verplichtingen worden aangegaan de raad om een krediet te vragen. Daarbij wordt voor grote investeringen ook inzicht gegeven in de effecten op de schuldpositie. Lid 6 Uitgaven ten laste van voorzieningen, zoals opgenomen in de paragraaf Onderhoud Kapitaalgoederen, zijn in principe altijd onontkoombaar en beleidsarm. De beleidsmatige besluiten zijn al genomen bij het instellen van de voorziening en/of het vaststellen van meeerjarenprogramma’s. De verdere werkwijze voor de aanwending van voorzieningen en overschrijding van het jaarbudget is vastgelegd in het afwijkingenbeleid.
Artikel 7 – Begrotingswijzigingen In dit artikel is vastgelegd hoe de systematiek van begrotingswijzigingen in elke raadsronde op hoofdlijnen werkt.
Artikel 8 – Informatieplicht Met dit artikel wordt duidelijkheid gegeven over wanneer de raad vooraf geïnformeerd wordt bij voorgenomen rechtshandelingen met financiële gevolgen van het college. Zie begrippen artikel 1.
Artikel 9 – Overheveling jaargebonden budgetten Aan het einde van het jaar blijkt regelmatig dat geplande activiteiten nog niet (geheel) zijn uitgevoerd en dat het bijbehorende budget ongebruikt blijft. Tegelijkertijd blijft de behoefte om de activiteiten uit te voeren en is in het volgende kalenderjaar geen budget beschikbaar. Dit artikel bevat de criteria en de werkwijze voor het overhevelen van ongebruikte jaargebonden budgetten naar het nieuwe begrotingsjaar. Lid 1 Dit lid bevat de criteria voor de overheveling. Nadrukkelijk wordt een relatie gelegd met de activiteiten die horen bij het budget dat wordt overgeheveld. Door het opstellen van deze criteria wordt onder meer voorkomen dat budgetruimte zonder bijbehorende activiteiten wordt meegenomen als spaarpotje. Lid 2 Om te voorkomen dat een stuwmeer van door de jaren heen overgehevelde bedragen ontstaat, wordt beoordeeld of de uitvoering in het komende boekjaar van alle activiteiten inclusief de overgehevelde activiteiten reëel is. Als dit leidt tot het doorschuiven van activiteiten in de tijd, dan wordt de begroting daarop (meerjarig) aangepast. Lid 3 In de jaarrekening wordt verantwoording afgelegd over de realisatie van de geplande activiteiten en het behalen van de geplande doelstellingen. Daarin past een toelichting op prestaties die niet zijn geleverd, maar budgettair zijn doorgeschoven.
Lid 4 Door de dekking via de algemene reserve te laten lopen heeft de overheveling geen effect op het saldo van de begrotingsjaren.
Artikel 10 – EMU-saldo Bij overschrijding van het gemeentelijk aandeel in het nationale toegestane EMU-tekort op begrotingsbasis zal het Rijk de gemeenten daarover in het voorjaar bericht sturen. Als daarop
actie van gemeenten gewenst is moet de begroting van gemeenten met een te hoog individueel EMU-saldo worden bijgesteld. In dit artikel is vastgelegd dat het college in dat geval een voorstel aan de raad doet.
HOOFDSTUK 3: FINANCIEEL BELEID Artikel 11 – Waardering en afschrijving vaste activa Lid 1 en 2 Een nota vaste activa biedt meer mogelijkheden tot het vastleggen van uitgangspunten en beleid dan een artikel in deze verordening. Te denken valt aan renteberekening en toerekening, onderhoud kapitaalgoederen, afschrijvingsmethoden en andere afspraken die soms al bestaan, maar niet duidelijk (centraal) vastliggen (zoals wanneer te starten met afschrijving). Lid 3 De nota bevat ook een tabel met afschrijvingstermijnen. Het kunnen echter redenen zijn om hiervan af te wijken. Bij het investeringsvoorstel wordt dit in dergelijke gevallen aan de raad voorgelegd.
Artikel 12 – Voorziening voor oninbare vorderingen Lid 1 De vorderingen worden gewaardeerd tegen nominale waarde. Voor verwachte oninbaarheid is een voorziening in mindering gebracht. De voorziening wordt in eerste instantie dynamisch bepaald op basis van de geschatte inningskansen en de ouderdom van de vordering. Daarbij wordt de volgende staffel gehanteerd: > 3 maanden en < 6 maanden 25% > 6 maanden en < 9 maanden 50% > 9 maanden en < 12 maanden 75% > 12 maanden 100% Lid 2 Voor openstaande vorderingen op openbare lichamen wordt in beginsel geen voorziening gevormd omdat deze vorderingen praktisch altijd worden geïnd. Wel kan het voorkomen dat niet de debiteur de onzekere factor is, maar de vordering zelf. Dit wordt meer in algemene zin beschouwd als een risico en wordt indien het een substantieel bedrag betreft in de paragraaf weerstandsvermogen opgenomen.
Artikel 13 – Reserves en voorzieningen De nota reserves en voorzieningen geeft nadere bepalingen voor de wijze waarop met reserves en voorzieningen wordt omgaan. In dit artikel wordt daarom alleen vastgelegd dat er eenmaal per vier jaar een nota verschijnt. Daarnaast blijft uiteraard in de planning en controlcyclus de aandacht voor het weerstandsvermogen en de beschikbare reservemiddelen. De jaarlijkse actualisatie wordt gekoppeld aan de kadernota. In het vierde lid is vastgelegd dat geen rentetoerekening over het eigen vermogen plaatsvindt.
Artikel 14 - Riolering Geen nadere toelichting.
Artikel 15 – Kostprijsberekening Geen nadere toelichting.
Artikel 16 - Prijzen economische activiteiten Dit artikel hangt sterk samen met de wet Markt en Overheid en dus met de wijze waarop gemeenten in concurrentie met andere aanbieders treden. De gemeente dient minimaal een integrale kostprijs voor geleverde goederen en/of diensten in rekening te brengen. Het is
echter mogelijk daarvan af te wijken als de raad bepaald dat de activiteiten worden ontplooid in het kader van het publiek belang.
Artikel 17 – Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen Voor de laatste raadsvergadering van het kalenderjaar wordt altijd het tarievenbesluit aangeboden.
Artikel 18 - Financieringsfunctie Lid 1 en 2 De uitoefening van de financieringsfunctie wordt geregeld via het treasurystatuut (lid 2). In lid 1 wordt echter bepaald welke doelen het college daarbij voor ogen moet houden. Lid 3 Daarin is het begrip publieke taak door de raad gedefinieerd. Op grond van vastgestelde beleidsregels voor het verstrekken van geldleningen en gemeentegaranties toetst het college aanvragen en besluit zij over het al dan niet verstrekken van leningen en garanties.
HOOFDSTUK 4: PARAGRAFEN In de artikelen 18 tot en met 25 wordt nader bepaald wat in de paragrafen bij de begroting en de jaarstukken minimaal wordt opgenomen. Dit betreft aanvullingen op hetgeen daarover al is bepaald in het Bbv.
Artikel 19 – Lokale heffingen Lid 1 De kostendekkendheid van rechten en heffingen wordt opgenomen per onderdeel of hoofdstuk van de betreffende verordeningen. Tevens wordt een toelichting gegeven op substantiële afwijkingen van de beleidsdoelen voor de kostendekking zoals vastgelegd in de nota lokale heffingen (lid 2). Lid 2 De nota die in lid 2 wordt bedoeld staat ook wel bekend als de Belastingnota. Deze nota behandeld echter ook heffingen die geen belasting zijn. Lid 3 In 2015 is voor het eerst een kwijtscheldingsverordening vastgesteld. Het kwijtscheldingsbeleid wordt voortaan los van het beleid met betrekking tot lokale heffingen in deze verordening geregeld.
Artikel 20 – Weerstandsvermogen en risicobeheersing In de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing wordt het verband gelegd tussen de weerstandscapaciteit en de risico's. De nota weerstandsvermogen en risicomanagement geeft de kaders voor de bepaling van het benodigde weerstandsvermogen en de waardering van de risico's. Tevens wordt in de nota behandeld welke maatregelen worden genomen om de risico's in control te brengen. In lid 3 wordt bepaald dat, los van de paragraaf in de begroting en jaarrekening, het college jaarlijks een afzonderlijke rapportage over risico’s aan de raad aanbiedt. Op deze wijze is er gelegenheid om nader in te gaan op de risico’s en wat daarmee samenhangt.
Artikel 21 – Onderhoud kapitaalgoederen Lid 1 In een aparte notitie Onderhoud Kapitaalgoederen is aanvullend op het Bbv door de landelijke commissie Bbv vastgelegd welke regels m.b.t. het onderhoud van kapitaalgoederen in acht moeten worden genomen. In de paragraaf Onderhoud Kapitaalgoederen wordt daarom weergegeven welke onderhoudsplannen er zijn en hoe de toereikendheid van de voorzieningen is. Lid 2 t/m 4
Voor diverse soorten kapitaalgoederen worden beleidsnota's opgesteld, waarin wordt vastgelegd hoe met de kapitaalgoederen wordt omgegaan. Voor alle kapitaalgoederen is er een actuele nota die de basis vormt voor de onderhoudsramingen.
Artikel 22 – Financiering De paragraaf bevat naast de onderdelen die verplicht zijn, relevante gegevens met betrekking tot de financieringssituatie en de financieringsbehoefte. Tevens wordt hiermee de basis voor de berekening van de rentekosten gelegd.
Artikel 23 – Bedrijfsvoering De bedrijfsvoering van de gemeente is een verantwoordelijkheid van het college. Gezien de toekomstige ontwikkelingen op het gebied van samenwerking en verzelfstandiging van maatschappelijke voorzieningen staat dit onderwerp volop in de belangstelling. Via dit artikel wordt vastgelegd welke onderdelen in ieder geval in de paragraaf aan de orde komen. Daarmee wordt nagenoeg de gehele bedrijfsvoering afgedekt en dus expliciet in de begroting en jaarstukken behandeld.
Artikel 24 – Verbonden partijen Lid 1 In de paragraaf wordt per gemeenschappelijke regeling informatie opgenomen en een beeld van de actuele ontwikkelingen gegeven. Lid 2 In de paragraaf Verbonden Partijen wordt tevens informatie opgenomen met betrekking tot deelnemingen van de gemeente. Dit betreft de waarde van de aandelenposities en het dividend.
Artikel 25 - Grondbeleid Lid 2 Met dit lid is vastgelegd hoe de autorisatie van budgetten en kredieten tot stand komt. Lid 3 en 4 Het MPG is inmiddels een vertrouwd en beproefd instrument. Hier is slechts vastgelegd wat minimaal in het MPG aan de orde moet komen. Lid 5 De kern van het grondbeleid wordt verwoord in de paragraaf. Steeds vaker wordt van buitenaf gevraagd naar het grondbeleid van de gemeente. Het is daarom goed een (korte) nota op te stellen, die bijvoorbeeld aandacht besteed aan: - de strategische visie van het toekomstige grondbeleid van de gemeente; - te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten; - de verwerving en uitgifte van gronden; - de uitgangspunten voor prijsstelling van de verkoop van gronden; - de beleidsuitgangspunten omtrent reserves voor grondzaken in relatie tot de risico’s van de grondzaken; - de uitgifte van gronden in erfpacht en de bijstelling van erfpachtvergoedingen.
Artikel 26 - Subsidies Sinds enkele jaren is de paragraaf subsidies opgenomen in de begroting en de jaarstukken. In dit artikel wordt vastgelegd waar deze paragraaf voor dient en wat deze bevat.
HOOFDSTUK 5: FINANCIËLE ORGANISATIE EN FINANCIEEL BEHEER Artikel 27 – Administratie In dit artikel wordt aangeduid waaraan de financiële administratie minimaal moet voldoen.
Artikel 28 – Financiële organisatie Het college heeft de bevoegdheid om regels t.a.v. de ambtelijke organisatie vast te stellen. Via dit artikel krijgt het college daartoe de opdracht. Het vastleggen gebeurd onder meer in het treasurystatuut, mandaatregelingen en andere interne regels. Met de uitgangspunten voor de financiële organisatie worden de randvoorwaarden gecreëerd waarop interne controle en accountantscontrole kan worden uitgevoerd.
Artikel 29 – Interne controle De afdeling Financiën en Control bereidt de jaarlijkse toetsing door de accountant bij de rekening voor. Daartoe wordt gedurende het hele jaar interne controle uitgevoerd, om te waarborgen dat de rekening een getrouw beeld geeft en om de rechtmatigheid van de (financiële) beheershandelingen na te gaan. Het college heeft als taak om maatregelen te nemen wanneer dit niet het geval is.
HOOFDSTUK 6: SLOTBEPALINGEN Artikel 30– Intrekken oude verordening en overgangsrecht In lid 1 wordt vastgelegd dat alle planning en controldocumenten tot en met het verantwoordingsjaar 2016 onder de oude verordening vallen.
Artikel 31 – Inwerkingtreding en citeertitel De nieuwe verordening treedt pas in werking voor stukken en werkzaamheden vanaf de datum zoals die in artikel 29 is bepaald. Voor alles wat daaraan vooraf gaat blijft de oude verordening gelden.