CConstaterende datKrimpen aan den IJssel
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 2 - Bestemmingsplan Werf aan den IJssel

Gemeenteraad 20 april 2023, gemeente Krimpen aan den IJsselBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan en grondexploitatie Werf aan den IJssel28.833 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Het maximum waterpeil bij Krimpen aan den IJssel is 2,6 m +NAP met een eventuele verhoging van 5 tot 10 cm. De Algerakering sluit bij 2,25 m +NAP, waarna het waterniveau achter de kering tot 2,67 m +NAP kan oplopen. Dit is met inachtneming dat de gemalen langs de rivier blijven spuien. In 2050 kan dit eventueel oplopen met 0,1 m en in 2100 eventueel met 0,15 m erbij. Dit betekent dat in 2100 er sprake is van een maximale stand van 2,92 m +NAP. Ook dient rekening te worden gehouden met eventuele golfslag ten gevolge van wind. Het aansluitpeil van de gebouwen is 2,9 m +NAP, het minimale peilniveau van de woningen is 3,0 m +NAP. Het woongebouw wordt op 3,95 m +NAP gerealiseerd, mede vanwege de onderliggende parkeervoorziening. Het terrein rondom het woongebouw wordt 2,80 m +NAP en blijft daarmee bij de hoogst voorspelde waterstanden droog. De ontsluitingsweg de IJsseldijk, welke hoogst waarschijnlijk tevens als calamiteitenroute zal worden gebruikt, is op circa 4 meter +NAP gelegen. Hierdoor blijft de calamiteitenroute bij een overstroming toegankelijk waardoor het plangebied bereikbaar blijft voor hulpdiensten. Watersysteemkwaliteit en ecologie

22/36

Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang gedurende de aanlegfase om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken. Veiligheid en waterkeringen De in deze ruimtelijke onderbouwing mogelijk gemaakte ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving. De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve effecten voor de waterhuishoudkundige situatie.

Gebiedsbescherming Het plangebied is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Boezems Kinderdijk ligt op circa 4,9 kilometer. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Biesbosch ligt op circa 16,2 kilometer. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland/Natuurnetwerk Zuid-Holland. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN grenst ten noorden aan het plangebied. Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op voorhand uitgesloten. Met het rekenmodel Aerius (versie 2022) zijn berekeningen uitgevoerd om de mogelijke gevolgen van de ontwikkeling voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen, daarbij zijn de realisatiefase en gebruiksfase (na oplevering van de nieuwe functies) beschouwd. Uit deze berekeningen voor de realisatie- en gebruiksfase blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Het stikstofonderzoek is opgenomen in bijlage 5 . Op basis van de berekeningen zijn significante negatieve effecten op Natura 2000-gebied in zowel de realisatiefase als de gebruiksfase uitgesloten. De beoogde herontwikkeling is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming.

Soortenbescherming Er is een is een ecologische quickscan verricht, zie bijlage 6. Uit deze quickscan is gebleken dat het gebied in potentie geschikt is voor onder andere gierzwaluwen en vleermuizen. Om deze reden is aanvullend onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 7 van dit bestemmingsplan. Hieruit blijkt het volgende:  In het plangebied is een vaste verblijfplaats gewone dwergvleermuis aangetroffen met twee exemplaren. Deze bevindt zich in de zuidelijke punt van de westelijke loods in de voorgevel van het woonhuis. De herontwikkeling van de locatie kan leiden tot het overtreden van de verbodsbepaling uit de Wet natuurbescherming art 3.5, lid 4 (wegnemen vaste rusten/of verblijfplaatsen). Hiervoor dient een ontheffing te worden aangevraagd.  Verder is een verblijfplaats gierzwaluw gevonden met een broedpaar. Ook deze bevindt zich in de voorgevel van het woonhuis. De herontwikkeling van de locatie kan leiden tot het overtreden van de verbodsbepaling uit de Wet natuurbescherming art 3.1, lid 2 (opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten). Hiervoor dient een ontheffing te worden aangevraagd.  Daarnaast is een voortplantingsplaats of rustplaats van de bever aangetroffen. Het gaat om de insteekhaven en de oeverzone.

De herontwikkeling van de locatie kan leiden tot het overtreden van de verbodsbepaling uit de Wet natuurbescherming art 3.5, lid 4 (beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen). Aanbevelingen  De voorgevel van het woonhuis langs de westelijke loods huist verblijfplaatsen van zowel de gewone dwergvleermuis als de gierzwaluw. Voordat werkzaamheden verricht worden die deze gevel ongeschikt maken door deze te vernietigen of te verstoren is een ontheffing van de Wet natuurbescherming benodigd. Deze kan aangevraagd worden bij de Provincie. Hiervoor dient een activiteitenplan te worden opgesteld met een overzicht van de verschillende mitigerende- en compenserende maatregelen die getroffen zullen worden.

23/36

De insteekhaven en de oeverzone zijn een rustplaats/voortplantingsplaats voor de bever. Werkzaamheden die de inrichting van deze zone veranderen kunnen niet worden uitgevoerd zonder ontheffing. Een ontheffing kan worden verkregen door bij de Provincie aan te tonen dat er gepaste maatregelen worden genomen. Om gepaste maatregelen te treffen omtrent de functies van de bever is nog nader onderzoek benodigd. Dit omdat momenteel nog niet uitgesloten kan worden dat er ook een beverburcht in het plangebied gelegen is. Omtrent een ontheffingsaanvraag geldt in de regel dat de procedure vereenvoudigt en doorgaans verkort kan worden door meer mitigerende en compenserende maatregelen te treffen dan wettelijk verplicht.

Vanwege de aanwezigheid van vleermuizen en gierzwaluwen wordt er op dit moment een activiteitenplan opgesteld. Het aanvullende onderzoek naar de bever wordt in het voorjaar van 2022 afgerond. Op basis van het beveronderzoek wordt vastgesteld of daar ook maatregelen voor nodig zijn en een ontheffing aangevraagd moet worden. Voor de dwergvleermuis en de gierzwaluw en mogelijk voor de bever wordt in het voorjaar van 2022 ontheffing aangevraagd.

Door de ontwikkeling is er sprake van een toename van verkeer van 522,5 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde). In de NIBMtool (versie 23-04-2022) is 2022 als jaar van planrealisatie aangehouden. Uit de berekening blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 0,29 µg/m³ en van fijnstof van 0,08 µg/m³ (figuur 3.2). Beide toenames blijven onder 1,2 µg/m³. Het project draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijnstof in de lucht. Een toetsing aan de grenswaarden kan achterwege blijven.

Figuur 3.2 Berekening NIBM-tool (bron: Rijksoverheid) In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de IJsseldijk direct ten zuiden van het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2020; 21,8 µg/m³ voor NO2, 19 µg/m³ voor PM10 en 11,6 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6,8 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Externe veiligheid Risicovolle inrichtingen

24/36

Overeenkomstig de risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, zijn er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen te vinden met een externe werking. Ook vindt er in de omgeving van het plangebied geen transport van gevaarlijke stoffen plaats via het spoor, de weg, het water of door buisleidingen. Met de beoogde ontwikkeling worden geen risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt. Negatieve effecten kunnen vanuit het aspect externe veiligheid uitgesloten worden. Risico’s op rampen door klimaatverandering Met de beoogde ontwikkeling zal er waterberging in de vorm van infiltratiekratten geplaatst worden. Ten gevolge van de beoogde ontwikkelingen nemen risico’s op rampen door klimaatadaptatie hiermee niet toe. Risico’s voor de menselijke gezondheid Uit toetsing van de verschillende milieuthema’s op het gebied van leefomgevingskwaliteit blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een belangrijke toename van risico’s voor de menselijke gezondheid. Er wordt voldaan aan de normen voor geluid, bodem, externe veiligheid en luchtkwaliteit. Een significant effect op de risico’s voor de menselijke gezondheid is daarmee uitgesloten.

Archeologie Conform het huidige bestemmingsplan 'Kortland' kent het plangebied een dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 2a' voor nagenoeg het gehele plangebied. Aan de noordzijde van de insteekhaven geldt de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 6'. Voor gronden met de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 2a' geldt voor bodemingrepen die dieper reiken dan 30 cm beneden maaiveld en die tevens een oppervlakte groter dan 100 m² hebben een plicht tot het uitvoeren van een archeologisch vooronderzoek. Voor gronden met de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 6' geldt de plicht voor een archeologisch vooronderzoek enkel voor bodemingrepen die dieper reiken dan 50 cm in de rivierbodem en die tevens een oppervlakte groter dan 10.000 m² hebben. Voor gronden met de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 2a' geldt daarmee op basis van de verwachtingen- en beleidskaart een hoge verwachtingswaarde. Voor de overige gronden in het plangebied geldt een middelhoge verwachtingswaarde. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is door Econsultancy een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd in bijlage 3. Op basis van dit onderzoek wordt geadviseerd om de bestaande dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 2a' te handhaven voor het zuidelijke en westelijke deel van het plangebied.

Het vervolgonderzoek voor het zuidelijke en westelijke deel van het plangebied kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een archeologische begeleiding van de saneringen en werkzaamheden (IVO-P-variant archeologische begeleiding). Hierbij begeleidt de archeoloog de civieltechnische graafwerkzaamheden waarbij archeologische waarden bij het aantreffen direct geborgen worden en daarmee ex-situ worden behouden. Daarnaast adviseert Econsultancy om de amateurarcheologen van Stichting Archeologie te betrekken bij de archeologische begeleiding. Voor het resterende gedeelte van het plangebied kan de dubbelbestemming van het plangebied gehaald worden en dit deel kan worden vrijgegeven voor verdere ontwikkelingen. Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Krimpen aan den IJssel wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, de provincie Zuid-Holland of de gemeente Krimpen aan den IJssel. Negatieve effecten kunnen uitgesloten worden voor het aspect archeologie. Cultuurhistorie

25/36

Het plangebied heeft een hoge cultuurhistorische waarde en karakteriseert de geschiedenis van Krimpen aan den IJssel. In het overzicht van de beeldbepalende objecten/gebieden wordt de volgende omschrijving gegeven van de monumenten in het plangebied:  RM-45a, IJsseldijk 332: Woonhuis  RM-45b, IJsseldijk 332: Houten loods, onderdeel van het scheepswerfcomplex Van Duijvendijk aan de IJsseldijk en gebouwd aan het einde van de 19e eeuw. De loods ligt in de zuidoostelijke hoek van de scheepswerf aan de dijk, met de noklijn parallel aan de weg.  RM-45c, IJsseldijk 332: Houten loods uit het einde van de 19e eeuw onderdeel van het scheepswerfcomplex Van Duijvendijk aan de IJsseldijk. De loods ligt in de zuidwestelijke hoek van de werf aan de dijk, met de noklijn haaks op de dijk. Aan het begin van de 20e eeuw. De monumentale panden in het plangebied zijn in het huidige bestemmingsplan voorzien van de aanduiding 'karakteristiek'. Voor panden met deze aanduiding mag de bestaande maatvoering van gebouwen en/of bouwwerken niet worden gewijzigd, tenzij het bevoegd gezag een omgevingsvergunning tot wijziging, afbraak of verwijdering heeft verleend. De twee loodsen binnen het plangebied zijn van hoge monumentale waarde. Voor beide loodsen geldt dat de gevels en de constructie die tot de oorspronkelijk opzet behoren van hoge monumentale waarde zijn.

Dit is inclusief de deuren, vensters, kap en dakbedekking. Verder is voor de loods met het woonhuis de indeling van de eerste verdieping met deuren en doorgang naar de aanbouw van hoge monumentale waarde. Ook voor het woonhuis geldt dat de hoofdopzet bestaande uit gevels, kozijnen, deuren, kap, dakbedekking van hoge monumentale waarde zijn, aangevuld met de keuken en de schouw in de eetkamer. Als laatste geldt dit ook voor de aanbouw, aangevuld met de stalen indeling met inbouw kasten. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt is het wenselijk om deze onderdelen te behouden. In het geval dat tijdens de werkzaamheden nog verdere monumentale onderdelen tevoorschijn komen, dient aanvullend bouwhistorisch onderzoek te worden uitgevoerd. Verder heeft het scheepswerfcomplex:  cultuurhistorische waarde als zeldzaam geworden voorbeeld van een vroeger veel voorkomende industrie langs de grote rivieren;  architectuurhistorische waarde als zeldzaam geworden typologisch voorbeeld van een scheepswerf met voor de late 19e en vroege 20e eeuw karakteristieke bebouwing;  stedenbouwkundige waarde vanwege de functionele en ruimtelijke relatie van de verschillende onderdelen en hun historisch-functionele en beeldbepalende situering aan de rivier. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) heeft de scheepswerf aangewezen als Cultureel Erfgoed.

Voor wijzigingen is de toestemming van de RCE noodzakelijk. Alle ontwikkelingen met betrekking tot de loodsen dienen zodoende met de RCE te worden overlegd, waarbij de RCE een adviserende rol heeft bij het opstellen van de uitvraag en beoordeling van mogelijke ontwikkelingen binnen het plangebied. Tevens is door Hylkema Erfgoed een Bouwhistorische verkenning opgesteld ten aanzien van de loodsen. Hierbij wordt ingegaan op de unieke kenmerken en de mogelijkheden tot het verplaatsen van de smederijloods in relatie tot het historische perspectief. De Bouwhistorische verkenning van Hylkema Erfgoed is als bijlage 2 opgenomen in het bestemmingsplan. Negatieve effecten kunnen vanuit het aspect cultuurhistorie uitgesloten worden.

Gelet op de tijdelijkheid van de aanlegwerkzaamheden kunnen blijvende negatieve milieueffecten uitgesloten worden. Tevens zal vanwege de kleinschaligheid ook geen sprake zijn van significante negatieve milieueffecten, zoals geluid- en stofoverlast, ten tijde van de werkzaamheden.

26/36

• •

•

De verontreinigde grond zal gesaneerd moeten worden zodat het geschikt is voor de functie wonen. Uit de akoestische beoordeling volgt dat er aandacht geschonken moet worden aan het maximale geluidniveau ten gevolge van laad- en losactiviteiten aan de zuidelijke zijde van Karwei. Dit betekent dat de zijde van de oostelijke monumentale loods aangepast moeten worden zodat er toch een akoestische aanvaardbare situatie ontstaat. Hierbij valt te denken aan het creëren van een dove gevel (niet te openen ramen en voldoende geluidisolatie) of het uitsluiten van een geluidgevoelige verblijfsruimte aan deze gevel. Vanwege de aanwezigheid van vleermuizen en gierzwaluwen wordt er op dit moment een activiteitenplan opgesteld. Het aanvullende onderzoek naar de bever wordt in het voorjaar van 2022 afgerond. Op basis van het beveronderzoek wordt vastgesteld of daar ook maatregelen voor nodig zijn en een ontheffing aangevraagd moet worden. Voor de dwergvleermuis en de gierzwaluw en mogelijk voor de bever wordt in het voorjaar van 2022 ontheffing aangevraagd.

27/36

Uit de informatie in deze notitie blijkt dat het plangebied niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Verder leiden de aard en omvang van het project niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure is niet noodzakelijk.

28/36

29/36

30/36

31/36

32/36

33/36

34/36

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12547082/1