Bijlage 1 - Ontwerpbeschikking vervanging transformator
Tekst van het document
ONTWERPBESCHIKKING TenneT TSO B.V. Postbus 718 6800 AS ARNHEM Ons kenmerk
Uw kenmerk
9999230578_99991219683
-
Datum
BESLUIT van burgemeester en wethouders van Krimpen aan den IJssel. Onderwerp Op 4 juni 2021 hebben wij van TenneT TSO B.V. een aanvraag ontvangen om een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvraag gaat over de locatie Edisonstraat 1, Krimpen aan den IJssel, kadastraal bekend gemeente Krimpen aan den IJssel, sectie A, nummer 6612. De aanvraag is geregistreerd onder OLO-nummer 6133363 en bij de gemeente onder kenmerk OV.2021064/ D516532. De aanvraag heeft betrekking op de volgende activiteiten: bouwen; handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening; werk of werkzaamheden uitvoeren; milieu, verandering. De aanvraag betreft het vervangen van een bestaand, en het hiertoe realiseren van een nieuw transformatorveld met een nieuwe 500 MVA-drie-fase-vermogenstransformator in een geluidhuis, met een nieuwe compensatiespoel van 100 MVA. De inrichting betreft een 380/ 150 kV-transformatorstation waar elektrische energie wordt getransporteerd en getransformeerd.
Besluit Wij besluiten, gelet op de aanvraag en de hierop gebaseerde overwegingen die zijn opgenomen in deze vergunning en gelet op het gestelde in de Wabo, de omgevingsvergunning te verlenen voor de volgende activiteiten: bouwen (artikel 2.1, lid 1, onder a, van de Wabo); gebruik in strijd met het geldende bestemmingsplan (artikel 2.1, lid 1, onder c, van de Wabo); werk of werkzaamheden uitvoeren (artikel 2.1, lid 1, onder b, van de Wabo); veranderingsvergunning (artikel 2.1, lid 1, onder e, van de Wabo).
Op grond van artikel 2.11, lid 2, van het Activiteitenbesluit zijn maatwerkvoorschriften opgenomen om de vaststelling van de nulsituatie en de eindsituatie van de bodemkwaliteit te borgen. Aan deze vergunning zijn voorschriften verbonden. De aanvraag en alle daarbij ingediende stukken, inclusief de aanvullende gegevens (de meest recent ingediende stukken), maken onderdeel uit van deze vergunning, tenzij de aan de vergunning verbonden voorschriften en/of gewaarmerkte bescheiden anders bepalen. De meest recent ingediende stukken en gegevens zijn opgenomen onder de bijlage “documenten bij aanvraag”.
Burgemeester en wethouders van Krimpen aan den IJssel, De secretaris, De burgemeester,
Kenmerk 9999230578_99991219683
Blad 2 van 37
Inwerkingtreding en rechtsmiddelen Op grond van artikel 6.1, lid 2, onder b, van de Wabo treedt deze beschikking in werking na afloop van de 6 weken termijn voor het instellen van beroep, zoals is geregeld in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht. Indien gedurende de beroepstermijn bij de bevoegde rechter een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, treedt de beschikking niet in werking voordat op dat verzoek is beslist. Zienswijze De aanvraag en de ontwerpbeschikking met bijbehorende stukken worden op grond van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage gelegd. Een ieder kan binnen zes weken na de start van de terinzagelegging eventuele zienswijzen tegen de ontwerpbeschikking indienen. Deze moeten worden gericht aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Krimpen aan den IJssel, p/a DCMR Milieudienst Rijnmond. Dit kan per e-mail via info@dcmr.nl of per post via Postbus 843, 3100 AV Schiedam. Vermeld altijd het zaaknummer en dat het om een zienswijze op een omgevingsvergunning gaat. Beroep De termijn voor het indienen van een beroepschrift vangt aan met ingang van de dag na de dag dat het besluit ter inzage is gelegd en duurt zes weken.
Indien belanghebbenden, of indieners van een zienswijze, beroep willen aantekenen, dient hun beroepschrift in tweevoud te worden ingediend bij de Sector Bestuursrecht van de Rechtbank Rotterdam, Postbus 50951, 3007 BM Rotterdam. Het beroepschrift heeft geen schorsende werking. Voorlopige voorziening Indien u of derde belanghebbenden er tevens veel belang bij hebben dat dit besluit niet in werking treedt, dan kan een voorlopige voorziening worden gevraagd bij de voorzieningenrechter van de Sector Bestuursrecht van de Rechtbank Rotterdam, Postbus 50951, 3007 BM Rotterdam. Het verzoek om voorlopige voorziening schorst de werking van dit besluit. U kunt ook digitaal een verzoek om een voorlopige voorziening en/of beroepschrift indienen bij bovengenoemde rechtbank via http://loket.rechtspraak.nl/bestuursrecht. Daarvoor moet u wel beschikken over een elektronische handtekening (DigiD). Kijk op de genoemde site voor de voorwaarden. Wij verzoeken u een kopie van het beroepschrift en/of verzoek om een voorlopige voorziening te sturen aan de DCMR Milieudienst Rijnmond, Postbus 843, 3100 AV Schiedam.
Verzonden op:
Kenmerk 9999230578_99991219683
Blad 3 van 37
INHOUDSOPGAVE
1.0
Voorschriften activiteit bouwen
5
2.0 Voorschriften activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening 7 3.0 Voorschriften activiteit werk of werkzaamheden uitvoeren 8 4.0
Voorschriften activiteit milieu
9
PROCEDURE
14
ALGEMENE OVERWEGINGEN
16
OVERWEGINGEN ACTIVITEIT BOUWEN
18
OVERWEGINGEN EN TOETSINGEN HANDELEN IN STRIJD MET REGELS RUIMTELIJKE ORDENING 19 OVERWEGINGEN ACTIVITEIT WERK OF WERKZAAMHEDEN UITVOEREN
23
OVERWEGINGEN EN TOETSINGEN ACTIVITEIT MILIEU 24 OVERWEGINGEN OVERIGE ACTIVITEITEN 31 BIJLAGE DOCUMENTEN BIJ AANVRAAG
32
LEGES
34
BIJLAGE BEGRIPPENLIJST EN LIJST VAN AFKORTINGEN ACTIVITEIT MILIEU
35
Kenmerk 9999230578_99991219683
Blad 4 van 37
1.0
VOORSCHRIFTEN ACTIVITEIT BOUWEN
1.1.1 Het bouwen moet geschieden overeenkomstig de bepalingen van het Bouwbesluit (2012) en de Bouwverordening. 1.1.2 Er dient te worden voldaan aan de voorschriften 4.5.1 t/m 4.5.3 die staan vermeld onder paragraaf 4.5 “bodemonderzoek”. 1.1.3 Ter nadere goedkeuring door de welstandscommissie dienen, met betrekking tot de geluidsschermen / geluidshuis, de volgende gegevens te worden overlegd: informatie over het toe te passen materiaal; maatvoering en aanzicht; details. Met de bouw mag niet worden begonnen voordat de nog in te dienen stukken door de gemeente akkoord zijn bevonden. 1.1.4 Als tijdens de werkzaamheden blijkt dat (toch) archeologische resten aanwezig zijn, dan moet het bevoegd gezag (via archeologie@odmh.nl) meteen op de hoogte gesteld worden en moet het bevoegd gezag een beslissing nemen over hoe om te gaan met de resten. Dit conform paragraaf 5.4, artikel 5.10 van de Erfgoedwet. 1.1.5 Ten minste drie weken voor de geplande uitvoering of fabricage van de hieronder genoemde werkzaamheden of materialen, behorende bij de activiteit bouwen, dient u de volgende tekeningen en/of berekeningen, of bewijzen ter nadere goedkeuring bij het bevoegd gezag in te dienen: a. de controle van de bestaande constructies in relatie tot de wijzigingen; b. de gewichts- en stabiliteitsberekening; c.
de constructie berekeningen en -tekeningen van de nieuw te maken beton- en staalconstructies; d. een grondonderzoeksrapport en grondmechanisch advies t.b.v. de fundering; e. de toe te passen palen en palenplan. 1.1.6 Als de hoeveelheid vrijkomend los gestort sloopafval meer dan 10 m3 bedraagt en of asbest aanwezig is, dan is voor het uitvoeren van de sloopwerkzaamheden een sloopmelding benodigd. 1.1.7 De diverse voorzieningen inzake de brandveiligheid dienen te worden uitgevoerd overeenkomstig de volgende adviezen van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond, Brandweer, te Krimpen aan den IJssel: a. kenmerk IV/EB/HM/CR/21UIT26463, datum 6 juli 2021, welke als bijlage is bijgevoegd en als Kenmerk 9999230578_99991219683
Blad 5 van 37
b.
gewaarmerkte onderdeel uitmaakt van deze vergunning; kenmerk 21uit26653 / P14-001497, datum 8 juli 2021, welke als bijlage is bijgevoegd en als gewaarmerkte onderdeel uitmaakt van deze vergunning.
1.1.8 Uiterlijk twee werkdagen voor de aanvang van de werkzaamheden dient u schriftelijk te melden, voor zover geen eerdere opgave heeft plaatsgevonden, de namen en adressen van degenen die het werk zullen uitvoeren en indien het ondernemingen betreft mede de nummers waaronder deze in het handelsregister zijn ingeschreven. 1.1.9 Voor hieronder genoemde werkzaamheden dient u contact op te nemen met de toezichthouder van de gemeente Krimpen aan den IJssel (telefonisch bereikbaar 140180), om deze in kennis te stellen van: a. de aanvang van de werkzaamheden, ten minste twee dagen tevoren; b. de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het slaan van proefpalen daaronder begrepen, ten minste 2 dagen van tevoren; c. de aanvang van het storten van beton, ten minste een dag van tevoren; d. de voltooiing van het gehele bouwwerk, onmiddellijk nadat het werk gereed is gekomen.
Kenmerk 9999230578_99991219683
Blad 6 van 37
2.0
VOORSCHRIFTEN ACTIVITEIT HANDELEN IN STRIJD MET REGELS RUIMTELIJKE ORDENING
2.1.1 Ter uitvoering van dit project dient blijvend te worden voldaan aan de bijgevoegde en gewaarmerkte ruimtelijke onderbouwing “Transformatorvervanging KIJ380”, die is ingediend/ ontvangen in het omgevingsloket online op 9 maart 2022. 2.1.2 Gebruik van de aangevraagde transformator is alleen toegestaan indien ter plaatse ook, overeenkomstig de aanvraag, een “geluidhuis” wordt gerealiseerd en in stand gehouden. 2.1.3 Door de aanvrager dient met de gemeente voor het tijdstip van vergunningverlening een planschadeverhaalovereenkomst te worden gesloten.
Kenmerk 9999230578_99991219683
Blad 7 van 37
3.0
VOORSCHRIFTEN ACTIVITEIT WERK OF WERKZAAMHEDEN UITVOEREN
3.1
Algemeen
3.1.1 Uiterlijk twee werkdagen voor de aanvang van de werkzaamheden dient u schriftelijk te melden, voor zover geen eerdere opgave heeft plaatsgevonden, de namen en adressen van degenen die het werk zullen uitvoeren en indien het ondernemingen betreft de nummers waaronder deze in het handelsregister zijn opgeschreven. 3.1.2 Voor de hieronder genoemde werkzaamheden dient u contact op te nemen met de toezichthouder van de gemeente Krimpen aan den IJssel (telefonisch bereikbaar 140180), om deze in kennis te stellen van: a. de aanvang van de werkzaamheden, ten minste twee dagen tevoren; b. de voltooiing van de werkzaamheden.
Kenmerk 9999230578_99991219683
Blad 8 van 37
4.0
VOORSCHRIFTEN ACTIVITEIT MILIEU
4.1
Algemeen
4.1.1 De inrichting mag alleen in werking zijn overeenkomstig de beschrijving in de aanvraag (inclusief de aanvullende informatie en bijlagen) en de hierna volgende voorschriften. Daar waar de beschrijving in de aanvraag en de voorschriften met elkaar in strijd zijn, zijn de voorschriften bepalend. 4.2 Terrein van de inrichting en toegankelijkheid 4.2.1 Op het terrein van de inrichting moet een zodanige afscheiding aanwezig zijn dat de toegang tot de inrichting voor onbevoegden redelijkerwijs niet mogelijk is. 4.2.2 Gebouwen, installaties en opslagvoorzieningen moeten altijd goed bereikbaar zijn voor alle voertuigen die in geval van calamiteiten toegang tot de inrichting/installatie moeten hebben. Binnen of nabij de installaties mogen geen andere goederen of stoffen worden opgeslagen dan die welke voor het proces nodig zijn of daardoor zijn verkregen, met uitzondering van brandbestrijdingsmiddelen. 4.3 Instructies 4.3.1 De vergunninghouder moet de binnen de inrichting (tijdelijk) werkzame personen instrueren over de voor hen van toepassing zijnde voorschriften van deze vergunning en de van toepassing zijnde veiligheidsmaatregelen. Tijdens het in bedrijf zijn van installaties, die in geval van storingen of onregelmatigheden kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor het milieu, moet steeds voldoende, kundig personeel aanwezig zijn om in voorkomende gevallen te kunnen ingrijpen.
4.3.2 De vergunninghouder moet één of meer ter zake kundige personen aanwijzen die in het bijzonder belast zijn met de zorg voor de naleving van de in deze vergunning opgenomen voorschriften. 4.4 Melding contactpersoon en wijziging vergunninghouder 4.4.1 De vergunninghouder moet, direct nadat het voorschrift in werking is getreden, schriftelijk de naam en het telefoonnummer opgeven aan het bevoegd gezag van degene (en van diens plaatsvervanger) met wie in spoedeisende gevallen, ook buiten normale werktijden, contact kan worden opgenomen. Als deze gegevens wijzigen, moet dit vooraf, onder vermelding van de wijzigingsdatum, schriftelijk worden gemeld aan het bevoegd gezag.
Kenmerk 9999230578_99991219683
Blad 9 van 37
4.5
Bodemonderzoek
4.5.1 Nulsituatieonderzoek Ter vaststelling van de kwaliteit van de bodem als referentiesituatie moet na eventueel grondverzet en voorafgaand aan de start van de werkzaamheden, in verband met het oprichten van een nieuwe transformator met bijbehorende compensatiespoel, een rapport met de resultaten van een onderzoek naar de bodemkwaliteit zijn ingediend bij het bevoegd gezag (nulsituatie). Het onderzoek moet betrekking hebben op de nieuwe potentieel bodembedreigende activiteiten (oprichten van een nieuwe transformator met bijbehorende compensatiespoel) binnen de inrichting. Het onderzoek moet gebaseerd zijn op de NEN 5740 ‘Onderzoekstrategie vaststelling nulsituatie bij een toekomstige bodembelasting’ en afgestemd zijn op de toegepaste stoffen. Ter zake van de uitvoering van het bodemonderzoek kunnen – binnen drie maanden nadat voornoemde rapportage is overgelegd - nadere eisen worden gesteld door het bevoegd gezag; inhoudende dat meerdere monsternemingen of analyses moeten worden verricht, indien dit op grond van de overgelegde hypothese(n) en onderzoeksstrategie noodzakelijk blijkt. Het nulsituatie bodemonderzoek dient eerst te zijn goedgekeurd door het bevoegd gezag voordat met de (bouw)werkzaamheden mag worden gestart.
Toelichting DCMR merkt volledigheidshalve op dat, bij onderzoek naar stoffen die lichter zijn dan water, het filter van de peilbuis snijdend met de grondwaterspiegel geplaatst moet worden (zie ook https://www.dcmr.nl/uitvoeren-bodemonderzoek). Aangeraden wordt om eerst een onderzoeksopzet ter beoordeling in te dienen bij het bevoegd gezag voordat het hiervoor vermelde nulsituatieonderzoek wordt uitgevoerd. 4.5.2 Eindonderzoek Binnen zes maanden na beëindiging van de bodembedreigende activiteiten (transformator TR403 met bijbehorende compensatiespoel) moet, ter vaststelling van de kwaliteit van de bodem, een eindsituatie bodemonderzoek worden ingediend bij het bevoegd gezag. De resultaten moeten uiterlijk één maand nadat dit onderzoek is uitgevoerd aan het bevoegd gezag zijn overgelegd. Dit onderzoek moet voldoen aan het onderzoeksvoorstel, zoals vermeld in bijlage 1 van de brief van TenneT van 2 juni 2022 (met nummer 002.764.40) en de aanvullende voorwaarde dat een extra diepe boring (tot 2 meter minus maaiveld) wordt verricht. 4.5.3 Wet bodembescherming Alle noodzakelijke procedures in het kader van de Wet bodembescherming voor wat betreft de aanwezige/gesaneerde gevallen van ernstige bodemverontreiniging (waaronder Wbb-geval ZH/260/100) dienen te worden gevolgd.
Voorafgaand aan de uit te voeren bodemsanering moet nader bodemonderzoek worden uitgevoerd conform de onderzoeksvoorstellen, zoals vermeld in bijlage 1 van de brief van TenneT van 2 juni 2022 (met nummer 002.764.40).
Kenmerk 9999230578_99991219683
Blad 10 van 37
4.6
Geluid
4.6.1 Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, en door het transport en verkeer binnen de grenzen van de inrichting, waarvoor de vergunning is aangevraagd, mag ter plaatse van de immissiepunten die zijn aangegeven in onderstaande tabel niet meer bedragen dan: Tabel 1: Voor de gevel van de woningen aan de Burgemeester Lepelaarssingel.
BeoordelingsBeoordelingslocatie hoogte [meter]
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus in dB(A) inclusief toeslag voor tonaal geluid Dagperiode Avondperiode Nachtperiode [07.00 – 19.00 uur]
[19.00 – 23.00 uur]
[23.00 – 07.00 uur]
6 t/m 12 (even)
5
38
37
36
44 t/m 50 (even)
5
40
39
39
Tabel 2: Op vergunningsimmissiepunten (VIPs) – Zie figuur A voor de locaties van de VIPs.
BeoordelingsBeoordelingslocatie hoogte [meter]
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus in dB(A) inclusief toeslag voor tonaal geluid Dagperiode Avondperiode Nachtperiode [07.00 – 19.00 uur]
[19.00 – 23.00 uur]
[23.00 – 07.00 uur]
VIP 1
5
38
36
35
VIP 2
5
40
38
38
VIP 3
5
40
39
38
VIP 4
5
42
41
40
VIP 5
5
41
40
39
VIP 6
5
40
38
38
4.6.2 Het maximale geluidniveau (LAmax), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, en door het transport en verkeer binnen de grenzen van de inrichting, waarvoor de vergunning is aangevraagd, mag op de gevel van gevoelige gebouwen niet meer bedragen dan: Tabel 3: Voor de gevel van de woningen aan de Burgemeester Lepelaarssingel.
Maximaal geluidsniveau LAmax in dB(A)
Beoordelingshoogte [meter]
Dagperiode
Avondperiode
Nachtperiode
[07.00 – 19.00 uur]
[19.00 – 23.00 uur]
[23.00 – 07.00 uur]
6 t/m 12 (even)
5
62
62
62
36 t/m 42 (even)
5
61
61
61
Beoordelingslocatie
Kenmerk 9999230578_99991219683
Blad 11 van 37
44 t/m 50 (even)
5
60
60
60
4.6.3 Binnen drie maanden nadat de aangevraagde verandering in werking is gebracht moet aan het bevoegd gezag een rapport ter goedkeuring worden gezonden. In dit rapport moet door middel van metingen ter plaatse worden aangetoond dat wordt voldaan aan de in dit hoofdstuk gestelde grenswaarden. Indien niet wordt voldaan aan de grenswaarden in dit hoofdstuk, dan moet in het rapport zijn opgenomen welke aanvullende maatregelen zijn getroffen of binnen drie maanden zullen worden getroffen. Het moment waarop de aangevraagde verandering in werking wordt gebracht moet vooraf worden gemeld aan het bevoegd gezag. 4.6.4 Het meten en berekenen van de geluidniveaus, en het beoordelen van de meetresultaten moet plaatsvinden in overeenstemming met de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai (1999) met in achtneming van de akoestische modelleerregels van de DCMR Milieudienst Rijnmond. 4.7
Brandveiligheid
4.7.1 De bestaande installaties en de nieuwe installatie (nieuwe transformator) dient ten minste te voldoen aan de van toepassing zijnde bestaande algemene voorschriften en (brand)veiligheidsvoorschriften van de omgevingsvergunningen van 1 december 2003 (kenmerk 350016/2077030) en van 4 december 2007 (kenmerk 350016/20680133).
Kenmerk 9999230578_99991219683
Blad 12 van 37
Figuur A: Locatie van de vergunningsimmissiepunten (VIPs).
6
5
4
3
2
1
Kenmerk 9999230578_99991219683
Blad 13 van 37
PROCEDURE Ontvangst aanvraag Op 4 juni 2021 hebben wij van TenneT TSO B.V. een aanvraag ontvangen om een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvraag gaat over de locatie Edisonstraat 1, Krimpen aan den IJssel, kadastraal bekend gemeente Krimpen aan den IJssel, sectie A, nummer 6612. De aanvraag is geregistreerd onder OLO-nummer 6133363 en bij de gemeente onder kenmerk OV.2021064/ D516532. Volledigheid en ontvankelijkheid Volgens artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo dient de aanvrager er voor zorg te dragen dat de aanvraag betrekking heeft op alle activiteiten die onlosmakelijk met elkaar samenhangen. Eerste verzoek aanvullende gegevens Uit de beoordeling van de aanvraag bleek dat de aanvraag niet voldeed aan de indieningsvereisten die zijn gesteld in de Regeling omgevingsrecht (Mor). Op 28 september 2021 is een verzoek om aanvullende gegevens verstuurd voor de aangevraagde onderdelen/ activiteiten ‘milieu, bouwen en handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’. De gevraagde aanvullende gegevens zijn op 18 november 2021 ontvangen. De aanvullende gegevens zijn beoordeeld en hieruit bleek dat een tweede verzoek om aanvullende gegevens nodig was.
Tweede verzoek aanvullende gegevens Op 26 januari 2022 is een tweede verzoek om aanvullende gegevens verstuurd voor de aangevraagde onderdelen/ activiteiten ‘milieu, bouwen en handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’. De gevraagde aanvullende gegevens zijn op 9 maart 2022 en 14 maart 2022 ontvangen. De aanvullende gegevens zijn beoordeeld en hieruit bleek dat een derde verzoek om aanvullende gegevens nodig was. Derde verzoek aanvullende gegevens Op 21 april 2022 is een derde verzoek om aanvullende gegevens verstuurd voor het aangevraagde onderdeel/ activiteit milieu (bodem en geluid). De verzochte aanvullingen zijn op 2 juni 2022 ontvangen. De aanvullende gegevens zijn beoordeeld. Uit de beoordeling bleek dat de aanvraag op deze aspecten (bodem en geluid) niet verder hoefde te worden aangevuld. Vierde verzoek aanvullende gegevens Op 21 december 2022 is het verzoek gedaan om een nieuw stikstofdepositieonderzoek uit te voeren vanwege de uitspraak van de Raad van State van 2 november 2022 inzake het Porthos-project waarbij is gesteld dat de bouwvrijstelling niet meer gebruikt mocht worden. Deze vrijstelling regelde dat de stikstofdepositie, als gevolg van feitelijke bouwactiviteiten, niet beoordeeld hoefde te worden. Het nieuwe stikstofdepositieonderzoek is op 25 april 2023 ontvangen.
Uit de beoordeling, die is opgenomen onder “overwegingen overige activiteiten” bleek dat de aanvraag op dit aspect niet verder hoefde te worden aangevuld. De termijn voor het nemen van het besluit is in verband met de vier verzoeken om aanvullende gegevens opgeschort tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld. Kenmerk 9999230578_99991219683
Blad 14 van 37
Aanvraag ontvankelijk Wij zijn van oordeel dat de aanvraag samen met de aanvullingen volledig is en voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is zowel volledig als ontvankelijk en daarom in behandeling genomen. Procedure De besluitvormingsprocedure is uitgevoerd overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 3.3 van de Wabo, de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Wij hebben gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de beslistermijn te verlengen met zes weken, zoals bedoeld in artikel 3.12, achtste lid, van de Wabo. De omgevingsvergunning voor de activiteit afwijking van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, onder c, in samenhang met artikel 2.12, lid 1, onder a, sub 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, dient op grond van artikel 3.10, lid 1, onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, te worden voorbereid overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Van het voornemen tot de verlening van de omgevingsvergunning is een kennisgeving als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 3.12, lid 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gedaan in de plaatselijke huis aan huis krant, het Gemeenteblad en op de gemeentelijke website.
Zienswijze en ter inzage legging De aanvraag en de ontwerpbeschikking met bijbehorende stukken worden op grond van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage gelegd. Een ieder kan binnen zes weken na de start van de terinzagelegging eventuele zienswijzen tegen de ontwerpbeschikking indienen. Deze moeten worden gericht aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Krimpen aan den IJssel, p/a DCMR Milieudienst Rijnmond. Dit kan per e-mail via info@dcmr.nl of per post via Postbus 843, 3100 AV Schiedam. Vermeld altijd het zaaknummer en dat het om een zienswijze op een omgevingsvergunning gaat. NOG IN TE VULLEN NA TER INZAGE LEGGING ONTWERP OMGEVINGSVERGUNNING Adviezen en zienswijzen naar aanleiding van de aanvraag en de ontwerpbeschikking PM De ontwerp omgevingsvergunning, de ruimtelijke onderbouwing en de overige bijbehorende stukken hebben met ingang van XXXX (nader in te vullen) gedurende zes weken ter visie gelegen. De documenten zijn geplaatst op www.ruimtelijkeplannen.nl onder NL.IMRO.0542.XXXXXXXXXXXX Tegen de voorgenomen omgevingsvergunning zijn wel of geen zienswijzen ingediend (nader in te vullen/ zienswijzen notitie).
Kenmerk 9999230578_99991219683
Blad 15 van 37
ALGEMENE OVERWEGINGEN Projectbeschrijving Het project waarvoor vergunning wordt gevraagd is als volgt te omschrijven: het vervangen van een bestaand, en het hiertoe realiseren van een nieuw transformatorveld met een nieuwe 500 MVA-drie-fasevermogenstransformator in een geluidhuis, met een nieuwe compensatiespoel van 100 MVA. Huidige vergunningsituatie Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen en/of ontheffingen verleend dan wel meldingen geaccepteerd: Soort vergunning Datum Kenmerk Revisievergunning* 1 december 2003 350016 Deelrevisievergunning* 4 december 2007 350016/ 20680133 *De hierboven genoemde vergunningen zijn volgens de Invoeringswet Wabo gelijkgesteld aan een omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd. Bevoegd gezag De inrichting valt onder meer onder categorie 20.1, onder b, van bijlage I, onderdeel C, van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Wij zijn bevoegd gezag om te beslissen op de aanvraag om een omgevingsvergunning. Dit volgt uit artikel 2.4, eerste lid van de Wabo. Milieueffectrapportage Het Besluit milieueffectrapportage is niet van toepassing, omdat de activiteit niet behoort tot een categorie die is omschreven in onderdeel C of D, van de bijlage, bij het besluit. Activiteitenbesluit milieubeheer In het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn voor bepaalde activiteiten die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden, algemene regels opgenomen.
Op vergunningplichtige (type C) inrichtingen kunnen bepaalde artikelen uit het Activiteitenbesluit van toepassing zijn. Dit betekent dat bepaalde voorschriften uit het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling een rechtstreekse werking hebben en niet in de vergunning mogen worden opgenomen. In de omgevingsvergunning kan van het Activiteitenbesluit worden afgeweken voor zover dat in het Activiteitenbesluit is aangegeven. De voorschriften die in deze vergunning zijn opgenomen, zijn voorschriften voor aspecten en activiteiten die niet zijn geregeld in het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling. De inrichting waarvoor vergunning is aangevraagd, wordt aangemerkt als een inrichting (type C). In de aanvraag is de onderstaande activiteit opgenomen, zoals genoemd in hoofdstuk 3 en/of hoofdstuk 5 van het Activiteitenbesluit en daarin uitputtend geregeld zijn.
Kenmerk 9999230578_99991219683
Blad 16 van 37
Op basis van artikel 1.9b en 1.10 van het Activiteitenbesluit geldt een meldingsplicht bij vergunningplichtige (type C) inrichtingen voor het oprichten en/of veranderen van activiteiten waarop hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit van toepassing is. De aanvraag wordt ten aanzien van de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen aangemerkt als melding. Voor de aangevraagde activiteiten houdt dit in dat - voor zover deze betrekking hebben op de genoemde (deel)activiteiten - moet worden voldaan aan de volgende artikelen uit het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling: Afdeling 3.1 Afvalwaterbeheer. § 3.1.3 Lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening. Voor het overige is in het Activiteitenbesluit per hoofdstuk, dan wel per afdeling, aangegeven of deze op een type C inrichting van toepassing is. Dit betekent dat ook hoofdstuk 1, afdeling 2.1 tot en met 2.4, 2.10 en 2.11 van hoofdstuk 2 en de overgangsbepalingen uit hoofdstuk 6 van het Activiteitenbesluit van toepassing kunnen zijn. Gezien de rechtstreekse werking van het Activiteitenbesluit kunnen naast de vergunning uitsluitend aanvullende maatwerkvoorschriften worden opgenomen ten aanzien van deze activiteiten voor zover dat in het Activiteitenbesluit is aangegeven.
Er worden in dit geval geen aanvullende maatwerkvoorschriften vastgesteld voor genoemde activiteiten. De voorschriften uit het Activiteitenbesluit voldoen voor deze situatie.
Kenmerk 9999230578_99991219683
Blad 17 van 37
OVERWEGINGEN ACTIVITEIT BOUWEN Overwegingen met betrekking tot de activiteit bouwen De wettelijke grondslag voor de toetsing van dit onderdeel van de vergunning is artikel 2.10 van de Wabo. 1. Het is aannemelijk dat de activiteit voldoet aan de eisen van het Bouwbesluit (artikel 2.10, lid 1, onder a, van de Wabo). Zie voorschriften activiteit “bouwen”. 2. De activiteit voldoet aan de voorschriften van de Bouwverordening (artikel 2.10, lid 1, onder b van de Wabo). Zie verder ook de voorschriften die staan vermeld onder 4.5 “bodemonderzoek”. 3. De activiteit past niet geheel binnen het geldende bestemmingsplan Langeland (artikel 2.1, lid 1, onder c, van de Wabo). Aan de gronden ter plaatse van het hoogspanningsstation is, voor zover hier van belang, de bestemming “Bedrijf – Nutsbedrijf” en ten dele de aanduiding “bouwvlak” toegekend. De door TenneT aangevraagde activiteit past niet binnen het bestemmingsplan “Langeland”. Het, deels, buiten het bouwvlak realiseren van de nieuwe transformator inclusief bijbehoren is immers niet toegelaten. Voorts wordt de maximale bouwhoogte van 20 meter overschreden doordat de aangevraagde portalen met inbegrip van bliksempieken een hoogte van 29,5 meter hebben, terwijl de maximale bouwhoogte voor overige bouwwerken op grond van het bestemmingsplan 20 meter is.
Volledigheidshalve wordt verwezen naar paragraaf 1.3 van de ruimtelijke onderbouwing “Transformatorvervanging KIJ380” en naar de overwegingen die genoemd staan onder het kopje “overwegingen en toetsingen handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening”. 4. De activiteit is, bij naleving van voorschrift 1.1.3, in overeenstemming met de redelijke eisen van Welstand (artikel 2.10, lid 1, onder d, van de Wabo).
Kenmerk 9999230578_99991219683
Blad 18 van 37
OVERWEGINGEN EN TOETSINGEN HANDELEN IN STRIJD MET REGELS RUIMTELIJKE ORDENING Overwegingen TenneT is voornemens aan de noordzijde van het bestaande 380kV-hoogspanningsstation aan de Edisonstraat 1 een nieuw transformatorveld met een nieuwe 500 MVA-drie-fase-vermogenstransformator (TR414) in een “geluidhuis” te realiseren. De bestaande, verouderde, transformator wordt geamoveerd. Het projectgebied is gelegen binnen het geldende bestemmingsplan “Langeland”. Aan de gronden ter plaatse van het hoogspanningsstation is, voor zover hier van belang, de bestemming “Bedrijf – Nutsbedrijf” en ten dele de aanduiding “bouwvlak” toegekend. De door TenneT aangevraagde activiteit past niet binnen het bestemmingsplan “Langeland”. Het, deels, buiten het bouwvlak realiseren van de nieuwe transformator inclusief bijbehoren is immers niet toegelaten. Voorts wordt de maximale bouwhoogte van 20 meter overschreden doordat de aangevraagde portalen met inbegrip van bliksempieken een hoogte van 29,5 meter hebben, terwijl de maximale bouwhoogte voor overige bouwwerken op grond van het bestemmingsplan 20 meter is. Volledigheidshalve wordt verwezen naar paragraaf 1.3 van de ruimtelijke onderbouwing “Transformatorvervanging KIJ380”. Omdat het project in strijd is met het geldende bestemmingsplan, zou de omgevingsvergunning op grond van artikel 2.10, lid 1, onder c van de Wabo moeten worden geweigerd.
Echter, de aanvraag wordt op grond van artikel 2.10, lid 2 van de Wabo, mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, onder c van de Wabo (afwijken van het bestemmingsplan). Voor de beoogde ontwikkeling op de projectlocatie wordt gebruik gemaakt van de buitenplanse afwijkingsmogelijkheid van de uitgebreide procedure op basis van artikel 2.12, lid 1, onder a, sub 3, van de Wabo. Afwijking van het bestemmingsplan is wettelijk voorgeschreven om medewerking te kunnen verlenen. Om te kunnen beoordelen of de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening dient bij de aanvraag op grond van artikel 2.12, van de Wabo, een ruimtelijke onderbouwing te worden ingediend. Aanvrager heeft hieraan voldaan door het overleggen van de ruimtelijke onderbouwing “Transformatorvervanging KIJ380”. Deze ruimtelijke onderbouwing en de daarbij behorende bijlagen maken onderdeel uit van deze omgevingsvergunning.
Het college is mede gezien deze ruimtelijke onderbouwing van mening dat van de bovengenoemde bevoegdheid gebruik kan worden gemaakt, onder meer om de volgende redenen: Geluidbelasting tuinen omliggende woningen (in het kader van een goede ruimtelijke ordening) TenneT heeft akoestisch onderzoek laten uitvoeren naar de gevolgen van de voorgestane wijziging in de bedrijfssituatie voor de geluidniveaus in de omgeving van het hoogspanningsstation. In het rapport “Onderzoek naar de geluidniveaus in de omgeving ten gevolge van transformatorstation Krimpen aan den IJssel – consequenties vervanging TR403 door TR414” van Peutz van 8 maart 2022, bijlage 6 bij de ruimtelijke onderbouwing, wordt geconcludeerd dat kan worden voldaan aan de maximaal toegestane geluidbelasting op de gevels van omliggende woningen. Dat kan worden voldaan aan de geldende geluidwaarden op de gevels (en derhalve ook ter plaatse) van Kenmerk 9999230578_99991219683
Blad 19 van 37
omliggende woningen, laat onverlet dat in het kader van het verlenen van deze omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan alle betrokken belangen behoren te worden afgewogen, waarbij moet worden beoordeeld in hoeverre sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Aangezien voornoemde omliggende woningen tuinen hebben die planologisch als zodanig mogen worden gebruikt, dient in het voorliggende geval de beoordeling of sprake is van een goed woon- en leefklimaat niet alleen betrekking te hebben op de geluidbelasting op de gevels, maar ook op de tuinen behorende bij de woningen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO1834 en de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1944). In dit verband heeft TenneT de aanvullende notitie “Onderzoek naar de geluidniveaus in de omgeving ten gevolge van transformatorstation Krimpen aan den IJssel – geluidniveaus op 1,5 m hoogte” van Peutz van 24 mei 2022 laten opstellen. Deze maakt onderdeel uit van deze omgevingsvergunning. Uit dit aanvullend onderzoek volgt dat de geluidniveaus ter plaatse van de desbetreffende tuinen in de aangevraagde situatie in alle gevallen lager zullen worden (tot maximaal 7 dB lager).
Uit dit onderzoek blijkt voorts dat in de tuinen de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus ten hoogste 35 dB(A) zullen zijn (exclusief toeslag), wat ruimschoots binnen de toelaatbare MTG-waarde valt. In het onderzoek is tot slot vermeld dat bij de berekeningen is uitgegaan van een ‘worst-case benadering’, zodat de verwachting bestaat dat de geluidniveaus in de praktijk lager zullen uitvallen. Gelet op het voorgaande concludeert het college dat in de desbetreffende tuinen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat c.q. verblijfsklimaat. Magneetveldsterkte / gezondheid TenneT heeft onderzoek laten uitvoeren naar de gevolgen van de voorgestane wijziging in de bedrijfssituatie voor de magneetveldsterkte rond het hoogspanningsstation. De resultaten hiervan zijn neergelegd in de als bijlage 5 bij de ruimtelijke onderbouwing gevoegde notitie van WSP van 5 maart 2021. Hierin is vermeld dat de magneetveldsterkte op de gevels van de dichtstbij gelegen woningen terugloopt van 0,10 naar 0,08 micro Tesla ten opzicht van een eerdere meting uit 2017. De situatie wordt dus gunstiger. Voorts is gebleken dat de magneetvelden onder de hoogspanningsverbinding smaller worden, doordat de geleiders anders worden opgehangen (faseoptimalisatie).
Gelet op vorenstaande conclusies is het college van opvatting dat voldoende onderzoek is gedaan naar de gezondheidsbelangen van omwonenden vanwege de verandering in de magneetveldsterkte en dat geen onaanvaardbare situatie zal ontstaan (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1702). Alternatieve locatie In de notitie “Motivering locatiekeuze transformatorveld” van 17 november 2021, bijlage 1 bij de ruimtelijke onderbouwing, heeft TenneT een vergelijking gemaakt tussen de aangevraagde noordelijke locatie (voor de nieuwe transformator) en een mogelijk alternatief aan de zuidzijde van het hoogspanningsstation. Het college dient te beslissen over het verlenen van een omgevingsvergunning voor het project, zoals daarvoor vergunning is aangevraagd. Indien een project op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan
Kenmerk 9999230578_99991219683
Blad 20 van 37
van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat voor de verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:504 en de uitspraak van de Afdeling van 10 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2492). In de hiervoor genoemde notitie heeft TenneT genoegzaam onderbouwd waarom de aangevraagde, noordelijke, locatie de voorkeur verdient. Dit is volgens TenneT in de kern het geval omdat ter plaatse kan worden voldaan aan de geldende regelgeving en sprake is van een goede ruimtelijke ordening, terwijl de locatie aan de zuidzijde eerst moet worden aangekocht, wat onnodig hoge kosten met zich zal brengen, meer tijd in beslag zal nemen en een onevenredig beslag zal leggen op de daar aanwezig ruimte en groenstructuur. Gelet hierop ziet het college geen grond voor de conclusie dat op voorhand kan worden gesteld dat het alternatief veel minder bezwaren heeft (tegen hetzelfde resultaat), zodat de vergunning om deze reden niet kan worden geweigerd. Overige aspecten Het project is in deze situatie stedenbouwkundig aanvaardbaar.
De overschrijding van het huidige bouwvlak en de maximale bouwhoogte voor overige bouwwerken (aangevraagde portalen, met inbegrip van bliksempieken), past gezien de locatie goed zonder afbreuk te doen aan de kwaliteit en het bestaande beeld ter plaatse. De welstandscommissie heeft een positief advies uitgebracht. Het advies van de welstandscommissie wordt overgenomen. De activiteit is in overeenstemming met de redelijke eisen van Welstand (artikel 2.10, lid 1, onder d van de Wabo). Niet is gebleken dat medewerking aan de aangevraagde ontwikkeling strijd oplevert met gemeentelijk-, provinciaal of Rijksbeleid. Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat er geen overige omgevingsaspecten, zoals luchtkwaliteit en externe veiligheid, zijn die in de weg staan aan het verlenen van deze omgevingsvergunning. Er bestaat geen twijfel over de (financiële) uitvoerbaarheid van het project. In dit verband wordt opgemerkt dat door de aanvrager met de gemeente, voor het tijdstip van vergunningverlening, een planschade(verhaal)overeenkomst zal worden afgesloten. Op grond van artikel 6.5, eerste lid, van de Wabo is vereist dat de gemeenteraad een verklaring van geen bedenkingen afgeeft wanneer een aanvraag, zoals hier, (mede) betrekking heeft op de activiteit “gebruik in strijd met het geldende bestemmingsplan”.
In het voorliggende geval heeft de raad van de gemeente Krimpen aan den IJssel bij besluit van P.M. een dergelijke (ontwerp-)verklaring van geen bedenkingen afgegeven. De raad acht in dit kader specifiek van belang P.M.
Kenmerk 9999230578_99991219683
Blad 21 van 37
Commented [MvD1]: In te vullen na besluitvorming in de gemeenteraad
Voor de activiteit “gebruik in strijd met het geldende bestemmingsplan” kan gebruik worden gemaakt van de (ontwerp-)verklaring van geen bedenkingen, welke een bevoegdheid is van de gemeenteraad om die af te geven. Conclusie Omdat het project aantoonbaar past binnen een goede ruimtelijke ordening kan de omgevingsvergunning voor zover het de activiteit “gebruik in strijd met het geldende bestemmingsplan” worden verleend.
Kenmerk 9999230578_99991219683
Blad 22 van 37
OVERWEGINGEN ACTIVITEIT WERK OF WERKZAAMHEDEN UITVOEREN Inleiding Voor dit onderdeel zijn de volgende activiteiten aangevraagd: - het wijzigen van het maaiveldniveau (verlengen transformatorweg); - het ingraven van ondergrondse kabels (kabelverbinding op/naar 150kV station). Overwegingen Ten gevolge van de aangevraagde wijzigingen ter plaatse van het 380kV-hoogspanningsstation aan de Edisonstraat 1 vinden diverse ingrepen in de bodem plaats. Het betreft enerzijds grondwerkzaamheden die gepaard gaan met het bouwen of verwijderen van objecten en anderzijds het ingraven van ondergrondse kabels. Het projectgebied is gelegen binnen het geldende bestemmingsplan “Langeland”. Aan het zuidelijke deel van het hoogspanningsstation is de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 1” (artikel 21) toegekend, aan het noordwestelijke deel de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 2b” (artikel 23) en aan het noordoostelijke deel de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 4” (artikel 26). Op basis van deze dubbelbestemmingen is voor zover hier van belang het bouwen en het ingraven van ondergrondse kabels vergunningplichtig, afhankelijk van de oppervlakte en diepte. Ter plaatse van gronden met de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 1” (artikel 21) zullen bestaande objecten worden verwijderd. Deze werkzaamheden vallen buiten de strekking van artikel 21.2 en 21.3 van de planregels.
Ter plaatse van gronden met de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 2b” (artikel 23) zullen onder meer funderingen worden gemaakt. Dit zal dieper dan 8 meter onder maaiveld zijn en groter dan 100 m², zodat een archeologisch onderzoek is vereist (artikel 23.2 van de planregels). Uit het in dit kader uitgevoerde onderzoek van Arcadis, bijlage 8 bij de ruimtelijke onderbouwing, blijkt dat geen sprake zal zijn van belemmeringen in zoverre. Wel wordt aangeraden dat de uitvoerende partij rekening houdt met eventuele toevalsvondsten. Ter plaatse van gronden met de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 4” (artikel 26) zal een nieuw transformatorveld worden gebouwd. Ingevolge artikel 26 van de planregels is alleen bouwen en werkzaamheden groter dan 10.000 m² en dieper dan 1 meter beneden maaiveld onderzoeksplichtig. Hiervan is geen sprake. Andere bodemverstorende activiteiten die de onderzoeksgrens overschrijden zullen zich niet voordoen in het projectgebied. Gelet op het vorenstaande kan de omgevingsvergunning voor zover het de activiteit “werk of werkzaamheden uitvoeren” worden verleend.
Kenmerk 9999230578_99991219683
Blad 23 van 37
OVERWEGINGEN EN TOETSINGEN ACTIVITEIT MILIEU Toetsingskader Inleiding De aanvraag heeft betrekking op het veranderen van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo. De Wabo omschrijft in artikel 2.14 het milieuhygiënische toetsingskader van de aanvraag. Een toetsing aan deze aspecten heeft plaatsgevonden. Toetsing veranderen Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij: - de aspecten genoemd in artikel 2.14, eerste lid, onder a, van de Wabo betrokken; - met de aspecten genoemd in artikel 2.14, eerste lid, onder b, van de Wabo rekening gehouden; - de aspecten genoemd in artikel 2.14, eerste lid, onder c, van de Wabo in acht genomen. In de onderstaande hoofdstukken lichten wij dit nader toe, waarbij wij ons beperken tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn. Beste beschikbare technieken BBT In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken.
Daarbij wordt er van uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast. Vanaf januari 2013 moet bij het bepalen van BBT rekening worden gehouden met BBT-conclusies en bij ministeriele regeling aangewezen informatiedocumenten over BBT. Bij het bepalen van de BBT hebben wij rekening gehouden met de volgende informatiedocumenten over BBT, als aangewezen van de Regeling omgevingsrecht (Mor): Nederlandse Richtlijn Bodembescherming 2012 (NRB). Conclusies BBT De inrichting voldoet - met inachtneming van de aan dit besluit gehechte voorschriften - aan de BBT voor de aspecten bodem en geluid. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf. Bodem Activiteitenbesluit milieubeheer Het bedrijf valt voor wat betreft het aspect bodembescherming volledig onder het Activiteitenbesluit (met uitzondering van artikel 2.11, lid 2, van het Activiteitenbesluit). In het kader van deze vergunning hoeft daarom geen nadere beoordeling plaats te vinden. Op grond van het Activiteitenbesluit moeten alle
Kenmerk 9999230578_99991219683
Blad 24 van 37
bedrijfsactiviteiten worden verricht met voorzieningen en maatregelen die leiden tot een verwaarloosbaar bodemrisico. Maatwerk ten aanzien van bodembescherming kan alleen voor de volgende situaties: - een bestaande situatie waarbij niet voldaan kan worden aan een verwaarloosbaar bodemrisico. In dat geval moet sprake zijn van een aanvaardbaar bodemrisico (artikel 2.9a Activiteitenbesluit); - het uitvoeren van een onderzoek naar de bodemkwaliteit bij een verandering van de inrichting indien het, gelet op de aard of de mate waarin de inrichting verandert, nodig is de bodemkwaliteit vast te leggen met het oog op een mogelijke aantasting of verontreiniging van de bodem, die kan of is ontstaan door een bodembedreigende activiteit (artikel 2.11, lid 2, Activiteitenbesluit). Het kader voor de bescherming van de bodem Het (nationale) preventieve bodembeschermingsbeleid is vastgelegd in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB). Het uitgangspunt van de NRB is dat door een combinatie van voorzieningen en maatregelen (cvm) een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd. Alleen in bepaalde bestaande situaties kan conform de NRB onder voorwaarden volstaan worden met een aanvaardbaar bodemrisico. Op basis van de NRB worden de (voorgenomen) activiteiten beoordeeld en wordt bepaald welke combinatie van maatregelen noodzakelijk is om tot een verwaarloosbaar bodemrisico te komen.
Daarbij richt de NRB zich op de normale bedrijfsvoering en voorzienbare incidenten. Bodembescherming in situaties van calamiteiten wordt in het kader van de NRB niet behandeld. Een eventuele calamiteitenopvang die onlosmakelijk deel uitmaakt van de installatie, bijvoorbeeld in de vorm van een tank of opvangbassin, is wel een activiteit waar de NRB in voorziet. Tankputten en calamiteitenvijvers voor de opslag van verontreinigd bluswater worden in de NRB niet behandeld. De bodembedreigende activiteiten Uit de aanvraag blijkt dat binnen de inrichting de volgende bodembedreigende activiteiten gaan plaatsvinden: - het bodemrisico wordt gewijzigd in verband met het verwijderen van een bestaand transformatorveld met transformator TR403 en compensatiespoel én het oprichten van een nieuw transformatorveld met een nieuwe transformator en compensatiespoel. Het verzoek aan het bevoegd gezag is om als voorschrift op te nemen dat het nulsituatie onderzoek uitgevoerd en goedgekeurd dient te zijn voorafgaand aan de start van de werkzaamheden ten behoeve van het oprichten van een nieuw transformatorveld met een nieuwe transformator en compensatiespoel.
Daarnaast is aan het bevoegd gezag verzocht een voorschrift op te nemen om het eindsituatieonderzoek, ter plaatse van het bestaande transformatorveld met transformator TR403, uit te voeren nadat de nieuwe transformator in gebruik is genomen en de oude transformator is verwijderd en dat de resultaten van het eindsituatie-onderzoek, binnen zes maanden na verwijdering van transformator TR403, ter beoordeling dienen te worden aangeleverd bij het bevoegd gezag. Voor de hiervoor vermelde activiteiten dient voldaan te worden aan de eisen, zoals gesteld in de Richtlijn bodembescherming 2012, voor het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico.
Kenmerk 9999230578_99991219683
Blad 25 van 37
Nulsituatie-onderzoek Het preventieve bodembeschermingsbeleid gaat er van uit dat (zelfs) een verwaarloosbaar bodemrisico nooit volledig uitsluit dat een verontreiniging of aantasting van de bodem optreedt. Om die reden is altijd een nulsituatie-onderzoek naar de kwaliteit van de bodem noodzakelijk. Het nulsituatie-onderzoek richt zich op de afzonderlijke activiteiten en de daar gebruikte stoffen. Het nulsituatie-onderzoek bestaat uit het vastleggen van de nulsituatie bodemkwaliteit voorafgaand aan de start van de betreffende activiteit(en). Na het beëindigen van de betreffende activiteit(en) dient een vergelijkbaar eindsituatie-onderzoek te worden uitgevoerd. Het nulsituatie-onderzoek moet ten minste duidelijkheid verstrekken over: - de bodemkwaliteit ter plaatse van de bodembedreigende activiteiten die binnen de inrichting worden uitgevoerd. Hierbij is ook van belang dat op de stoffen wordt geanalyseerd die worden gebruikt; - de locatie van bemonsteringspunten, rekening houdend met de mobiliteit van de gebruikte stoffen en de lokale grondwaterstroming; - de wijze waarop de betreffende stoffen moeten worden gedetecteerd, bemonsterd en geanalyseerd; - de bodemkwaliteit ter plaatse van bemonsteringslocaties.
De in het nulsituatie-onderzoek vastgelegde bodemkwaliteit geldt als uitgangspunt bij de beoordeling of ten gevolge van de betreffende activiteiten verontreiniging of aantasting van de bodem heeft plaatsgevonden en of bodemherstel nodig is. Voor het bodemonderzoek noodzakelijke werkzaamheden, als vermeld in de Regeling bodemkwaliteit, moeten zijn uitgevoerd door een erkende instantie als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Omdat de nulsituatie van de bodem moet worden vastgelegd op het moment dat er bodembedreigende activiteiten gaan plaatsvinden, hebben wij op grond van artikel 2.11, lid 2 van het Activiteitenbesluit een maatwerkvoorschrift opgenomen om de vastlegging van de nulsituatie te borgen. Eindsituatieonderzoek In bijlage 1 van de brief van TenneT van 2 juni 2022 (met nummer 002.764.40) is een voorstel opgenomen voor het verrichten van eindsituatie bodemonderzoek (inclusief boorplan) ter plaatse van ‘Transformator TR403’. De voorgestelde onderzoeksinspanning is vergeleken met de strategie ‘NUL’ uit de NEN 5740. Hieruit is gebleken dat er een diepe boring te weinig is opgenomen in het onderzoeksvoorstel. Hiertoe is, op grond van artikel 2.11, lid 2 van het Activiteitenbesluit een maatwerkvoorschrift opgenomen om de vastlegging van de eindsituatie te borgen en dat daarbij nog een boring tot 2,0 m-mv wordt verricht.
Wet bodembescherming Alle noodzakelijke procedures in het kader van de Wet bodembescherming voor wat betreft de aanwezige/gesaneerde gevallen van ernstige bodemverontreiniging (waaronder Wbb-geval ZH/260/100) dienen te worden gevolgd. Voorafgaand aan de uit te voeren bodemsanering moet nader bodemonderzoek worden uitgevoerd conform de onderzoeksvoorstellen, zoals vermeld in bijlage 1 van de brief van TenneT van 2 juni 2022 (met nummer 002.764.40). Hiertoe is voorschrift 4.5.3 opgenomen.
Kenmerk 9999230578_99991219683
Blad 26 van 37
Brandveiligheid Advies Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond Gelet op het bepaalde in artikel 2.26, vierde lid, van de Wabo, alsmede de artikelen in § 6.1 van het Bor, hebben wij naar aanleiding van de aanvraag inhoudelijk advies gevraagd aan de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR). Naar aanleiding hiervan hebben wij per brief op 6 juli 2021 (met kenmerk IV/EB/HM/CR/21UIT26463) advies ontvangen. Hierna volgt het advies van de VRR. Algemeen In het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht worden (brand)veiligheidsvoorschriften aan de omgevingsvergunning milieu verbonden. Voorzieningen en maatregelen zijn bouwkundig, installatietechnisch en organisatorisch van aard en moeten als gezamenlijk (beheers)systeem zorgen voor een (brand)veilig gebruik van de inrichting. De voorschriften die op dit gebied verbonden zijn aan de vergunning, zijn niet limitatief, maar aanvullend op eventuele andere regelgeving die van toepassing is op de inrichting. Met het naleven van deze voorschriften in onderlinge samenhang wordt een volledig (brand)veilig gebruik van de inrichting gewaarborgd. In dit geval wordt verwezen naar de bestaande algemene voorschriften en (brand)veiligheidsvoorschriften uit de vigerende omgevingsvergunningen, die ook van toepassing zijn op het veranderde deel van de inrichting.
Daar waar oude normen/richtlijnen niet meer beschikbaar of van toepassing zijn voor nieuwe onderdelen, is een aantoonbaar gelijkwaardige en nieuwere oplossing mogelijk mits schriftelijk aangetoond hetzelfde (brand)veiligheidsniveau wordt bereikt. Toetsing De beoordeling van de aanvraag heeft plaatsgevonden aan de hand van de bestaande vergunningvoorschriften in de omgevingsvergunningen van 1 december 2003 (kenmerk 350016/2077030) en van 4 december 2007 (kenmerk 350016/20680133). De VRR heeft de aanvraag getoetst op het aspect (brand)veiligheid. De nu aangevraagde verandering wordt nog in voldoende mate door de bestaande (brand)veiligheidsvoorschriften en algemeen in de inrichting geldende maatregelen gedekt. De VRR ziet geen belemmeringen om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen, mits de bestaande installaties en de nu veranderde nieuwe installatie tenminste voldoen aan de van toepassing zijnde bestaande algemene voorschriften en (brand)veiligheidsvoorschriften van genoemde vergunningen. Externe Veiligheid Binnen de inrichting zijn geen gevaarlijke stoffen of brandbare stoffen met hoge vuurbelasting en/of komen toxische verbrandingsproducten vrij. Daarom is bij deze inrichting niet te verwachten dat gevaarlijke stoffen vrijkomen. Het aspect externe veiligheid is voor deze inrichting niet relevant en daarom zijn in deze vergunning geen specifieke voorschriften opgenomen.
Kenmerk 9999230578_99991219683
Blad 27 van 37
Bouwbesluit 2012 Het Bouwbesluit 2012 regelt onder andere het brandveilig gebruik van bouwwerken, het brandveilig opslaan van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen, het brandveilig opslaan van kleine hoeveelheden brand- en milieugevaarlijke stoffen en de aanwezigheid, controle en onderhoud van brandbestrijdingssystemen voor de hiervoor bedoelde situaties. Voor voornoemde situaties zijn daarom geen voorschriften in deze vergunning voor het onderdeel milieu opgenomen. Geluid Wettelijk kader De inrichting TenneT B.V. (hierna: TenneT) is gelegen op het geluidgezoneerde industrieterrein EZH/SEP te Krimpen aan den IJssel. Bij Koninklijk besluit (d.d. 12 oktober 1990, kenmerk 90.020928) is om dit industrieterrein een geluidzone vastgesteld. Binnen deze zone zijn woningen gelegen waarvoor MTG-waarden (Maximaal Toelaatbare Geluidbelasting) zijn vastgesteld (besluit van 30 juni 1998, met kenmerk MBG 97586109/616) door het toenmalige ministerie van VROM. TenneT is op dit moment in bedrijf volgens de deelrevisievergunning d.d. 4 december 2007, met kenmerk 350016/20680133. Bij het opstellen van de geluidvoorschriften zijn de geldende grenswaarden zoals bedoeld in de Wet geluidhinder in acht genomen. Dit betekent dat de MTG’s niet worden overschreden en dat de geluidbelasting buiten de zonegrens niet hoger is dan 50 dB(A).
Sinds 2007 is de wettelijk vastgelegde akoestische situatie van het industrieterrein EZH/SEP dan wel TenneT niet veranderd. Ook is de directe omgeving van het industrieterrein niet veranderd sinds 2007 met betrekking tot akoestisch relevante aspecten. Omgeving De meest nabij gelegen geluidgevoelige gebouwen zijn de woningen in de woonwijk ten noordwesten van de inrichting. De afstand tussen de woningen en de grens van het industrieterrein dan wel de grens van de inrichting TenneT bedraagt ten minste 100 meter. Huidige akoestische situatie De hoogste bijdrage van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT voor de gevel van een geluidgevoelig gebouw, vanwege de inrichting, treedt op ter plaatse van Burg. Lepelaarssingel 44 t/m 50 (even) en bedraagt 49 dB(A) etmaalwaarde. Het geluid ten gevolge van de inrichting wordt veroorzaakt door de transformatoren en is daardoor te karakteriseren als een constante toon van 100 Hz (gezoem), 24 uur per dag, elke dag van het jaar. Zie ook bij ‘Tonaal geluid’, ‘Laagfrequent geluid (LFG)’ en ‘Participatie’.
Kenmerk 9999230578_99991219683
Blad 28 van 37
Nieuwe geluidvoorschriften De nieuwe geluidvoorschriften zijn gebaseerd op de aanvraag voor de omgevingsvergunning d.d. 4 juni 2021 met als bijlage 6 en 7 de volgende geluidrapporten: -
-
-
Bijlage 6 - Geluidrapport ‘Onderzoek naar de geluidniveaus in de omgeving ten gevolge van transformatorstation Krimpen aan den IJssel - consequenties vervanging TR403 door TR414’, d.d. 8 maart 2022, kenmerk FE 19392-14-RA, door Peutz B.V. en; Geluidrapport ‘Onderzoek naar de geluidniveaus in de omgeving ten gevolge van transformatorstation Krimpen aan den IJssel – geluidniveaus op 1,5 m hoogte - Aanvulling op rapport FE 19392-14-RA d.d. 8 maart 2022’, d.d. 24 mei 2022, kenmerk FE 19392-16-RA, door Peutz B.V.; Bijlage 7 - Geluidnotitie ‘TenneT Krimpen ad IJssel - laagfrequent geluid’, d.d. 11 november 2021, kenmerk GL/GL/AvdS/FE 19392-8-NO-005, door Peutz B.V.
Ten behoeve van handhaving zijn geluidgrenswaarden (LAr,LT en LAmax) gesteld op vergunningimmissiepunten bij de nabijgelegen geluidgevoelige bestemmingen, maar ook elders op kortere afstand van de inrichting om indirect de woningen te beschermen. De geluidgrenswaarden (LAr,LT en LAmax) zijn afkomstig uit het geluidrapport van 24 mei 2022, dat onderdeel is van de vergunningaanvraag, en daardoor passend voor de aangevraagde bedrijfssituatie. De maximale geluidsniveaus (LAmax) bij de omliggende woningen zijn getoetst aan de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (1998) en voldoen aan de grenswaarden. Indirecte hinder De inrichting is gelegen op een gezoneerd industrieterrein. Op basis van jurisprudentie is de indirecte hinder vanwege het verkeer van en naar de inrichting kwalitatief beschouwd. Uit de kwalitatieve beschouwing blijkt dat er geen alternatieve routes mogelijk zijn van en naar de inrichting. De indirecte hinder van de inrichting voldoet aan de normen en geeft geen geluidhinder. Tonaal geluid Op de gevels van de nabij gelegen woningen heeft het geluid vanwege de inrichting een tonaal karakter als gevolg van de transformatoren en de spoelen (100 Hz toon), constant in de dag-, avond- en nachtperiode.
Conform de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai (1999) is in de geluidvoorschriften daarom rekening gehouden met de toeslag voor geluid met een tonaal karakter (K1) van 5 dB. Let wel, bij zonebeheer wordt de geluidbelasting van de inrichting beoordeeld zonder toeslag, bij de geluidgrenswaarden in de vergunning wordt getoetst aan de geluidbelasting van de inrichting inclusief de toeslag. Verificatiemetingen bij prognoses Het akoestisch onderzoek is gebaseerd op prognoses op basis van een akoestisch rekenmodel. Daarom is in een voorschrift bepaald dat de feitelijke geluiduitstraling door middel van metingen moet worden bepaald nadat de aangevraagde verandering in werking is gebracht. In dit voorschrift is tevens bepaald dat zo nodig, wanneer de geluidniveaus hoger blijken dan de prognoses, maatregelen getroffen moeten worden ten einde te voldoen aan de in deze beschikking opgenomen geluidgrenswaarden.
Kenmerk 9999230578_99991219683
Blad 29 van 37
Best beschikbare technieken (BBT) Ten aanzien van de toepassing van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken wordt geconcludeerd dat de geluidniveaus voldoen aan de richt- en grenswaarden en dat aanvullende geluidreducerende maatregelen redelijkerwijs niet geëist kunnen worden. In de geluidrapporten is hiertoe vermeld dat de berekende geluidbelastingen gebaseerd zijn op de ‘worst case’ scenario van de aangevraagde bedrijfssituatie. Laagfrequent geluid (LFG) Laagfrequentie geluid is wettelijk niet gereguleerd. Het aanvullend onderzoek naar laagfrequent geluid (de notitie van 11 november 2021) geeft geen aanleiding tot het maken van voorschriften gericht op laagfrequent geluid. Participatie Door omwonenden van de inrichting zijn regelmatig klachten geuit over de 100 Hz toon van de inrichting. In 2014 is daarom met omwonenden, DCMR, TenneT en gemeente gestart met een werkgroep terugdringen geluidhinder. Vanaf dat moment zijn de bewoners bij elke stap, die de gemeente heeft gedaan, actief betrokken. Tot op heden is niet geconstateerd dat de inrichting de vigerende geluidvoorschriften heeft overschreden. CONCLUSIE Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op het aangevraagde milieuonderdeel zijn er geen redenen om de omgevingsvergunning te weigeren. In deze beschikking zijn voor de aangevraagde activiteiten relevante voorschriften opgenomen.