Bijlage 1. Conceptzienswijze actieplan evaluatie MRDH
Tekst van het document
Metropoolregio Rotterdam Den Haag Bestuurscommissie vervoersautoriteit Postbus 21012 3001 AA ROTTERDAM
Beste leden van het dagelijks bestuur, Allereerst willen wij u van harte feliciteren met het tienjarig bestaan van de MRDH. Wij onderschrijven het belang van regionale samenwerking. Door samen te werken komen we verder en zo bereiken we gezamenlijk meer resultaten. We doen dit om onze regio te versterken om te zorgen dat onze inwoners hier prettig kunnen wonen, werken en leven. De afgelopen jaren vonden er verschillende evaluaties plaats van de gemeenschappelijke regeling. De ‘grote’ evaluatie was daarin een nieuw hoofdstuk, voortbouwend op eerdere evaluaties. U heeft daarvoor een uitgebreid proces doorlopen waarin u alle betrokken partijen meenam. Vooral de adviescommissieleden hadden de gelegenheid om actief mee te doen op zowel proces als inhoud. Wij zien een actieplan dat we herkennen uit het doorlopen proces. Wij ondersteunen de voorgestelde aanpak. Voor de inhoud van het actieplan willen we drie reflecties met u delen. Reflectie 1: democratische legitimering: vertegenwoordiging en verantwoording. Berenschot concludeert terecht dat de MRDH feitelijk sterk democratisch is gelegitimeerd. Ook constateren zij dat de ervaren legitimatie achterblijft. We willen dit met elkaar versterken. U heeft al verschillende wijzigingen doorgevoerd om dit te verbeteren. In het actieplan staat daarbovenop een opening voor vertegenwoordiging van gemeenten door steunraadsleden (c.q.
burgerraadsleden) in de adviescommissies. Onze adviescommissieleden gaven eerder aan dat zij geen voorstander zijn van het betrekken van steunraadsleden bij adviescommissies. Wij zijn ook geen voorstander van de uitzondering die u beschrijft in het actieplan. Dit lijkt op een pragmatisch ingestoken compromis dat afdoet aan de grote waarde die wij hechten aan democratische legitimiteit. De waardevolle inzet van niet-gekozen inwoners is gericht op het ondersteunen en versterken van gemeenteraadsfracties. De inzet is niet gericht op het vertegenwoordigen van een gemeente in regionale samenwerkingsverbanden. Het is wat ons betreft geen oplossing om de ervaren democratisch legitimiteit te versterken. Dit komt omdat de democratische legitimiteit ieder geval niet wordt versterkt door het inzetten van niet-gekozen adviescommissieleden. Sterker zelfs, de feitelijke legitimatie zal afnemen door deze inzet, omdat steunraadsleden niet-gekozen zijn. Bovendien is het voor ons onduidelijk hoe deze aanpassing zal bijdragen aan de ervaren legitimiteit. Wij ondersteunen dus de opmerking van uw werkorganisatie dat het inzetten van steunraadsleden niet logisch is. Wij zijn van mening dat het verstandig is om hierover eenduidig te zijn door alleen gekozen volksvertegenwoordigers te betrekken in de adviescommissies en zo de democratische legitimiteit te waarborgen.
In de voorgestelde aanpak staat dat het aan gemeenten zelf is om interne afstemming richting de MRDH te versterken. Dat beamen wij maar we stellen ook een aanscherping voor, omdat het niet alleen bij afstemming kan blijven. In een goed functionerende democratie is verantwoording van bestuurlijke organen essentieel. Voor het versterken van de ervaren legitimiteit is het daarom ook van belang om de bestaande verantwoordingslijnen actief te gebruiken. De gemeenteraden wijzen de burgemeesters en portefeuillehouders aan als leden van respectievelijk het algemeen bestuur en de bestuurscommissies. De
collegeleden zijn daarmee het verantwoordelijke aanspreekpunt voor de raden wanneer zij vragen hebben over (het functioneren van) de GR. De raden wijzen ook uit hun midden de adviescommissieleden aan die de gemeente vertegenwoordigen. Deze adviescommissieleden hebben ook een rol om hun mederaadsleden mee te nemen in de activiteiten die zij, namens de gemeenteraad, verrichten in gemeenschappelijke regelingen. In onze gemeente gebeurt dit tijdens het vaste agendapunt ‘terugkoppeling verbonden partijen’ van een commissievergadering. Tijdens dit agendapunt kunnen zowel raadsleden als collegeleden een terugkoppeling geven over een verbonden partij. Ook hebben andere raadsleden de mogelijkheid om hierop te reageren. Reflectie 2: integrale (ruimtelijke) opgave vraagt om actieve samenwerking. Onze regio is het dichtstbevolkte gebied van Nederland. De ruimtelijke en maatschappelijke opgaven voor wonen, werken en leven zijn groot, omdat we als regio verder verstedelijken. Ook veranderen de opgaven fundamenteel gedreven door onder meer de energie en circulaire transitie. En grote opgaven op het gebied van natuur, water, klimaat(adaptatie) en mobiliteit die invloed hebben op de ruimte. De complexiteit van de opgaven neemt toe, terwijl de daarvoor beschikbare ruimte schaars is. Deze integrale (ruimtelijke) opgave vraagt om een samenhangende aanpak voor de gehele regio.
Onze regio, met name RotterdamRijnmond, is diffuus georganiseerd (ook in verhouding tot andere regio’s). Regionale beleidsopgaven organiseren we in verschillende samenwerkingsverbanden. Daarbovenop is in sommige gevallen het schaalniveau van de samenwerking wisselend. Dat roept de vraag op of onze regio voldoende samenhangend is georganiseerd om antwoord te bieden op de integrale (ruimtelijke) opgave. Dit alles is breder dan de MRDH, maar de MRDH is er uiteraard wel onderdeel van. Aan de hand van de reflecties van Berenschot geeft u terecht aan dat een actieve rol is vereist in het onderhouden van regionale samenwerkingsverbanden. Wij zien dit vervolgens niet expliciet terug in het voorgestelde actieplan. U geeft wel aan partijen te betrekken. U noemt een aantal samenwerkingsverbanden, maar niet zozeer andere samenwerkingen tussen decentrale overheden die in hun eigen vorm ook onderdeel zijn van ‘de regio’. We zouden graag zien dat u dit ook meeneemt in uw actieplan. Dit zal verder moeten gaan dan ‘onderhouden’, want de opgaven zijn te groot. Alle gemeenten en de decentrale samenwerkingsverbanden in de regio zullen proactief met elkaar moeten samenwerken aan de integrale opgave. Het uitgangspunt is wat ons betreft niet zozeer de vraag hoe we individuele beleidsthema’s versterken.
Het gaat er vooral om hoe al die thema’s gezamenlijk bijdragen aan de integrale (ruimtelijke) opgave waar we met de gehele regio voor staan. Bereikbaarheid en Economisch Vestigingsklimaat zijn puzzelstukken van een veel grotere puzzel. Reflectie 3: ambitieniveau programma Economisch Vestigingsklimaat ook in balans met bevoegdheden. Gemeenten hebben de komende jaren te maken met grote financiële opgaven. Het Rijk bezuinigt fors op het Gemeentefonds. Daarbovenop lopen (bestaande) tekorten verder op voor bijvoorbeeld de Jeugdzorg. Ook krijgen gemeenten elk jaar te weinig geld van het Rijk om stijgende kosten te corrigeren. Tegelijkertijd is er sprake van een grote investerings- en vernieuwingsopgave. Kortom, de inkomsten nemen verder af en de kosten nemen alleen maar toe. De komende tijd bespreekt de gemeenteraad daarom ombuigingsmogelijkheden. Dit zijn opties waarop bezuinigd kan worden om de financiële opgaven op te lossen. Het vertrekpunt van deze inventarisatie is het behouden van het wettelijk minimum, alles daarboven kan (in theorie) ter discussie staan. Dat betekent ook dat onze inwonerbijdrage voor het programma Economisch Vestigingsklimaat als optie onderdeel is van die discussie. Het gaat nadrukkelijk om opties en geen voorstellen. Veel opties kennen ook verschillende scenario’s en de
uitwerking is vaak nog globaal en indicatief. De gemeenteraad zal in eerste instantie bespreken of een optie interessant is voor verdere uitwerking of een onwenselijke bezuiniging is. Wij houden u hiervan op de hoogte. Wij herhalen dat we het belang zien van regionale samenwerking. Tegelijkertijd moeten we kritisch blijven nadenken over de vorm van de samenwerking en de effecten. Wij onderschrijven dan ook het advies Berenschot om de ambities van het programma Economisch Vestigingsklimaat te herzien. Er wordt geadviseerd om de ambities te herzien langs twee keuzes. Enerzijds een afweging tussen operationele resultaten en strategische impact. Anderzijds tussen een sectorale benadering of integrale aanpak. In uw aanpak schrijft u dat een nieuwe economische visie onder meer kan zorgen om de effecten van de activiteiten te vergroten en dat de visie de basis moet bieden voor vernieuwing van het uitvoeringinstrumentarium. Wij adviseren aanvullend om een stap verder te gaan in deze herziening door een reële afweging te maken tussen het ambitieniveau en de bevoegdheden die voor het behalen van de ambities noodzakelijk zijn. Als dat niet in een passende samenhang gebeurt, zal er een discrepantie blijven tussen de ambities en de daadwerkelijke effecten, ongeacht of die nu operationeel, strategisch, sectoraal of integraal zijn.
Duidelijke en afgebakende bevoegdheden die aansluiten op de mate van ambitie, in de context van het bestuurlijke (regionale) landschap, zijn het startpunt om tot een effectieve en doelmatige samenwerking te komen. Dit beschouwen wij ook in het licht van financiële opgaven van gemeenten. Effectievere en doelmatigere samenwerking voor het geheel kan in zowel een kleinere vorm als een grotere vorm, maar dan wel met de juiste bevoegdheden. Hoogachtend, Namens de raad van de gemeente Krimpen aan den IJssel, De voorzitter,
De plaatsvervangend griffier,
mr. H.D. Westerdijk
M. Keimpema-Schouten