Bijlage 1. Aanvraag Vangnetuitkering Participatiewet over 2025
Tekst van het document
Aanvraag Vangnetuitkering Participatiewet over 2025 Versie: uitgebreid verzoek
Wat is een vangnetuitkering? Gemeenten ontvangen op grond van de Participatiewet budget voor bijstandsuitkeringen en loonkostensubsidies. Dit budget wordt ook wel het BUIG-budget genoemd. Gemeenten die een tekort hebben kunnen in aanmerking komen voor een vangnetuitkering. De voorwaarden op hoofdlijnen zijn: -
het tekort is groter dan een bepaalde toegangsdrempel; het college verklaart maatregelen te hebben getroffen om te komen tot tekortreductie; het college geeft een toelichting op deze verklaring; de gemeenteraad stemt in met de verklaring van het college.
Hoe verloopt de aanvraagprocedure? Het college dient het aanvraagformulier in bij de onafhankelijke Toetsingscommissie vangnet Participatiewet. De commissie moet de aanvraag uiterlijk op 15 augustus 2026 hebben ontvangen. Het ingevulde aanvraagformulier dient voor instemming aan de raad te worden voorgelegd en wordt na ondertekening aangeboden aan de commissie via de website.
Uitgebreid formulier Dit betreft het uitgebreide formulier. Een gemeente maakt gebruik van dit formulier wanneer één van de volgende situaties van toepassing is: -
-
Voor een aanvraag voor het uitgebreide vangnet, waarbij een eigenrisicodrempel van 5% geldt. Hiervoor dient een gemeente over 2022, 2023 en 2024 voor minimaal twee van die jaren een tekort te hebben gehad van minstens 5%. Voor een aanvraag voor het reguliere vangnet (eigenrisicodrempel van 7,5%). Hiervoor dient een gemeente over 2023 en/of 2024 een vangnetuitkering te hebben ontvangen.
Uitzondering hierop betreft gemeenten tot 5.000 inwoners. Deze mogen te allen tijde gebruik maken van het basisformulier, ook als in 2023 en/of in 2024 een vangnetuitkering is toegekend of wanneer een aanvraag wordt gedaan voor het uitgebreide vangnet.
Aanpassingen in het format van de pagina’s met vragen en ondertekening niet toegestaan Voor de juistheid en de beoordeling van de aanvraag is het niet toegestaan dat u het format van de pagina’s met de vragen en ondertekening aanpast.
Meer informatie Op de website van de Toetsingscommissie staat een verdere toelichting op dit formulier: https://www.toetsingscommissievp.nl/vangnetuitkering-2025
1
De toetsingscommissie heeft een checklist gemaakt voor gemeenteraadsleden. Het is een handzaam lijstje vragen en aandachtspunten. Raadsleden kunnen dit lijstje gebruiken bij het beoordelen van de vangnetaanvraag van het college. Deze checklist is opgesteld in samenwerking met raadsleden uit verschillende gemeenten en de Nederlandse Vereniging voor Raadsleden. De checklist staat samen met andere informatie op de website van de VNG: https://vng.nl/artikelen/vangnetuitkering-participatiewet-informatie-voor-raadsleden
2
1. Verklaring college bij een uitgebreid verzoek Dit gedeelte bestaat de volgende onderdelen: -
Samenvatting van de verklaring De beschrijving van de wijze waarop de gemeenteraad is geïnformeerd door het college A. Analyse van de oorzaken van het tekort B. Getroffen interne en externe maatregelen om het tekort verder te reduceren C. Beoogde effect van de genoemde maatregelen D. Ondertekening door het college
3
Samenvatting van de verklaring van het college De verklaring van het college bestaat uit vier subonderdelen: A) analyse van de oorzaken van het tekort, B) getroffen interne en externe maatregelen om het tekort verder te reduceren, C) beoogd effect van de genoemde maatregelen & D) ondertekening door het college. Het college geeft hieronder een samenvatting van onderdeel A, B en C. Die geeft de gemeenteraad een kernachtig overzicht, op basis waarvan het raadslid kan vaststellen waarmee hij of zij instemt. Voor het gemeenteraadslid dat zich wil verdiepen in de verklaring van het college, wordt verwezen naar onderdelen A, B, C en D van het aanvraagformulier. Richtlijn voor de omvang van de samenvatting van de drie onderdelen is in totaal maximaal 300 à 400 woorden.
A. Samenvatting onderdeel analyse van de oorzaken van het tekort De analyse laat zien dat het tekort op het BUIG-budget over 2025 het gevolg is van een combinatie van structurele factoren. Hoewel binnen GR IJsselgemeenten actief wordt gestuurd op uitstroom, participatie, handhaving en rechtmatigheid, blijft de instroom in de bijstand relatief hoog en bestaat een groot deel van het bestand uit inwoners met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Hierdoor vragen veel trajecten langdurige en intensieve begeleiding voordat uitstroom richting regulier werk mogelijk is. Daarnaast wordt het tekort beïnvloed door stijgende gemiddelde uitkeringslasten als gevolg van onder meer de stijging van het wettelijk minimumloon, de ontwikkeling van loonkostensubsidies en beschut werk en de beperkte mogelijkheden tot inkomstenverrekening binnen een deel van het bestand. Benchmarkgegevens laten tegelijkertijd zien dat de uitstroomresultaten binnen IJsselgemeenten op of boven het landelijke gemiddelde liggen, wat erop wijst dat het tekort niet primair het gevolg is van onvoldoende uitvoeringsinspanning, maar van een structurele mismatch tussen het beschikbare BUIG-budget en de feitelijke lasten binnen de gemeente.Het college maakt in dit onderdeel duidelijk wat het probleem is.
B. Samenvatting onderdeel getroffen interne en externe maatregelen om het tekort verder te reduceren. De gemeente Krimpen aan den IJssel blijft samen met GR IJsselgemeenten en regionale partners actief inzetten op verdere beperking van het tekort op het BUIG-budget. Daarbij wordt ingezet op versterking van monitoring en financiële sturing, beperking van instroom, bevordering van uitstroom, vergroting van participatie en versterking van rechtmatigheid en handhaving.
4
B. Concreet wordt gewerkt aan verdere ontwikkeling van participatie- en ontwikkeltrajecten, versterking van samenwerking met werkgevers, verbetering van matching tussen inwoners en arbeidsmarkt, doorontwikkeling van het Talentenplein en intensievere begeleiding richting scholing, taalontwikkeling en werknemersvaardigheden. Daarnaast wordt ingezet op instrumenten zoals loonkostensubsidie, beschut werk, detacheringen, leerwerktrajecten en jobcoaching om inwoners duurzaam richting participatie of werk te begeleiden. Ook wordt de uitvoeringsorganisatie verder geprofessionaliseerd door middel van datagestuurd werken, dashboarding, financiële prognoses en actieve handhaving en rechtmatigheidscontrole. Samen met Promen en andere regionale partners wordt gewerkt aan ontwikkeling van arbeidsvaardigheden en uitbreiding van participatie- en werkmogelijkheden voor inwoners met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Hiermee wordt beoogd de instroom te beperken, uitstroom te vergroten en de uitkeringslasten verder te beheersen.Het college maakt in dit onderdeel duidelijk dat dit pakket van maatregelen afdoende is om de geschetste problemen aan te pakken.
C. Samenvatting onderdeel beoogd effect van de genoemde maatregelen Met de getroffen maatregelen beoogt de gemeente Krimpen aan den IJssel de instroom in de bijstand te beperken, uitstroom naar werk en participatie te vergroten en de uitkeringslasten beter te beheersen. Door vroegtijdige activering, versterking van participatie- en ontwikkeltrajecten, betere samenwerking met werkgevers en verdere professionalisering van monitoring en handhaving wordt ingezet op een duurzamere uitstroom en een sterkere arbeidsmarktpositie van inwoners. C. Daarnaast wordt met de doorontwikkeling van het Talentenplein, de inzet van loonkostensubsidie, beschut werk, scholing en jobcoaching beoogd inwoners sneller en gerichter richting participatie of werk te begeleiden. De gemeente verwacht dat deze maatregelen bijdragen aan verdere beheersing van het bestand, vergroting van participatie, versterking van uitstroom en beperking van de uitkeringslasten binnen de Participatiewet. Het college maakt in dit onderdeel duidelijk dat dit pakket van maatregelen tezamen leidt tot tekortreductie, waarbij het effect van deze maatregelen kwantitatief dan wel kwalitatief is beschreven en inzichtelijk is gemaakt.
5
Op welke wijze heeft het college de gemeenteraad geïnformeerd? In dit onderdeel beschrijft het college op hoofdlijnen hoe het de raad betrokken heeft bij het proces vanaf de signalering van het tekort. Daarbij gaat het om het proces van het bepalen en treffen van maatregelen tot aan het moment van het voorleggen van de verklaring van het college aan de raad. Het college geeft aan op welke momenten het de gemeenteraad heeft geïnformeerd. Het college dient hiervoor een X te plaatsen bij de betreffende onderdelen. In de onderste regels is ruimte voor aanvullingen. Op welke momenten werd de raad geïnformeerd over beleid, uitvoering en sturing van de Participatiewet en meer specifiek over het tekort op de BUIG, de maatregelen en de beoogde effecten daarvan? X
Moment in het proces
X
De kadernota, de begroting.
X
Voorjaars- en najaarsbericht en jaarrekening.
X
Maand-, kwartaal- of halfjaarrapportage. (ook wel genoemd Turap, Marap etc)
X
Beleidsplannen, strategie- of koersdocumenten, plannen van aanpak of evaluaties.
X
Informatie over bestandsontwikkelingen of over de voortgang van maatregelen.
X
Nieuwsbrieven, bijeenkomsten en/of presentaties.
6
Samenvatting van de opvattingen van de gemeenteraad In de samenvatting van de opvattingen van de gemeenteraad staat op hoofdlijnen op welke onderwerpen de raad heeft gereageerd op de verklaring van het college. De onderdelen van de verklaring zijn vaak al eerder in de raad besproken. Het gaat dus om het gehele proces vanaf de signalering van het tekort. Verder betreft het hier alleen onderwerpen die in de raadsbesluiten zijn opgenomen, die afwijkend zijn van het raadsvoorstel. Om de beschrijving zo eenvoudig mogelijk te houden wordt gebruik gemaakt van een checklist die kan worden aangevuld. Het verzoek is om aan te kruisen welke onderwerpen in de raadsbesluiten zijn opgenomen. Nadat de behandeling in de gemeenteraad heeft plaatsgevonden plaatst het college een X voor de betreffende onderdelen. In de onderste regels is ruimte voor aanvullingen. X
Typering van de reacties die in de raadsbesluiten zijn opgenomen gedurende het gehele proces Expliciet goedkeurend, waardering over analyse en maatregelen uitgesproken Impliciet goedkeurend, is behandeld als hamerstuk Afkeurend en gevraagd het plan te herzien Verzoek om onderdelen van de globale analyse te herzien of aan te vullen Verzoek om bepaalde maatregelen te schrappen of aanvullend maatregelen te treffen. Verzoek om het tempo van invoering en/of uitvoering van maatregelen te versnellen. Verzoek om extra informatie over maatregelen Verzoek om meer informatie t.a.v. de beoogde effecten van maatregelen Verzoek om gerealiseerde effecten te monitoren en terug te koppelen Motie om een andere beleidsmaatregel te treffen
NB: bovenstaande tabel dient pas te worden ingevuld nadat de behandeling in de gemeenteraad heeft plaatsgevonden.
7
A. Analyse van de oorzaken van het tekort In dit onderdeel dient het college een analyse op te nemen van de oorzaken van het tekort (A1). Deze analyse dient specifiek in te gaan op de situatie in de eigen gemeente of de eigen arbeidsmarktregio. Ook dient het college een analyse op te nemen van de effecten van de getroffen maatregelen in voorgaande jaren (A2).
A1.
Analyse van de oorzaken van het tekort van de gemeente
Inleiding De gemeente Krimpen aan den IJssel maakt, samen met de gemeenten Capelle aan den IJssel en Zuidplas, onderdeel uit van de gemeenschappelijke regeling IJsselgemeenten. GR IJsselgemeenten voert voor deze gemeenten de Participatiewet en aanverwante regelingen uit. De beleidsregels en verordeningen zijn in belangrijke mate geharmoniseerd en de uitvoering vindt plaats binnen een gezamenlijke regionale uitvoeringsstructuur. Daarmee is sprake van een uniforme uitvoeringsbasis, waarbij de inzet op instroombeperking, rechtmatigheid, activering, participatie en uitstroom regionaal is georganiseerd. Ondanks deze geharmoniseerde aanpak is bij de gemeente Krimpen aan den IJssel over 2025 opnieuw sprake van een tekort op het BUIG-budget. Uit de berekeningstool vangnetuitkering 2025 blijkt dat het budget voor Krimpen aan den IJssel over 2025 € 10.512.607 bedraagt. De relevante netto bestedingen bedragen € 11.220.862. Daarmee komt het tekort uit op € 708.255, oftewel 6,74% van het budget. Krimpen voldoet daarmee niet aan de voorwaarden voor het reguliere vangnet, omdat het tekort lager is dan 7,5%, maar wel aan de voorwaarden voor het uitgebreide vangnet, omdat het tekort hoger is dan 5%. Ook in de refertejaren was sprake van tekorten van meer dan 5%, waardoor sprake is van een meerjarig tekortbeeld. De verklaring voor het tekort ligt niet in een gebrek aan uitvoeringsinzet.
Integendeel: de beschikbare gegevens laten zien dat IJsselgemeenten actief stuurt op uitstroom, participatie, handhaving, scholing en ontwikkeling. Uit de Divosa Benchmark Werk & Inkomen 2025 blijkt dat de uitstroom naar werk binnen IJsselgemeenten 34,3% bedraagt en daarmee op het niveau ligt van het landelijke gemiddelde van 34,0%. De totale uitstroom uit de bijstand ligt met 25,1% zelfs boven het landelijk gemiddelde van 24,4%. Ook de uitstroom naar school ligt met 6,2% duidelijk boven het landelijke gemiddelde van 4,1%, en de uitstroom door handhaving ligt met 7,6% boven het landelijke gemiddelde van 7,1%. Tegelijkertijd is de instroom in de bijstand relatief hoog. De Divosa Benchmark laat voor IJsselgemeenten een instroompercentage van 28,2% zien, tegenover 25,2% landelijk. Daarmee is sprake van een situatie waarin de uitvoering erin slaagt inwoners uit te laten stromen, maar waarin de instroom en de samenstelling van het bestand ervoor zorgen dat de uitkeringslasten structureel hoog blijven. Ontwikkeling van het bestand Het bijstandsbestand binnen IJsselgemeenten is in 2025 opnieuw toegenomen. In de financiële bijlagen bij de bestuursrapportage Sociale Zaken over het eerste kwartaal 2026 is zichtbaar dat het totaal aantal 8
Participatiewet/BUIG-dossiers binnen IJsselgemeenten per 31 maart steeg van 2.648 in 2024 naar 2.718 in 2025. Voor Krimpen aan den IJssel steeg het aantal dossiers van 507 in 2024 naar 512 in 2025 en vervolgens naar 515 per 31 maart 2026. Deze ontwikkeling laat zien dat Krimpen, anders dan een incidentele afwijking, te maken heeft met een geleidelijk oplopend bestand. Voor Krimpen is daarbij relevant dat het bestand in absolute zin kleiner is dan dat van Capelle, maar dat mutaties in instroom, uitstroom, prijs en samenstelling relatief snel doorwerken in het tekortpercentage. Een beperkte stijging van het aantal dossiers of een hogere gemiddelde prijs per uitkering heeft daardoor relatief veel effect op het saldo van het BUIG-budget. De cijfers over de instroom en uitstroom bevestigen dat sprake is van een dynamisch bestand. Voor Krimpen aan den IJssel werden in de financiële bijlagen per 31 maart 2026 voor het jaar 2025 145 instroomdossiers en 129 uitstroomdossiers geregistreerd. Daarmee is de instroom hoger dan de uitstroom. Dit sluit aan bij het structurele beeld uit eerdere jaren, waarin Krimpen te maken heeft met relatief veel beweging in het bestand. De ontwikkeling van het bestand moet bovendien worden bezien tegen de achtergrond van de arbeidsmarkt.
Hoewel de arbeidsmarkt in algemene zin nog steeds krap is, betekent dit niet dat alle inwoners met een bijstandsuitkering direct bemiddelbaar zijn. Een belangrijk deel van het bestand heeft een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Voor deze inwoners is uitstroom naar regulier werk vaak pas mogelijk na een langere periode van stabilisatie, activering, taalontwikkeling, scholing, werkervaring of beschutte werkvormen. Samenstelling van het bestand en afstand tot de arbeidsmarkt Een belangrijke oorzaak van het tekort is de samenstelling van het bestand. De doelgroep binnen de Participatiewet wordt zwaarder en vraagt intensievere begeleiding. Dat blijkt uit verschillende bronnen. De Divosa-toelichting geeft aan dat een relatief grote groep binnen IJsselgemeenten een ontheffing van de arbeidsverplichting heeft: 21,5% tegenover 8,9% landelijk. Deze ontheffingen hangen samen met het feit dat een aanzienlijk deel van de inwoners met een bijstandsuitkering een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft en in de stabilisatiefase wordt begeleid door de unit Zorg en Activering. Deze cijfers moeten zorgvuldig worden geïnterpreteerd. Het hogere percentage ontheffingen betekent niet dat de uitvoering minder actief stuurt op participatie.
De toelichting op de benchmark maakt juist duidelijk dat bewust wordt geïnvesteerd in stabiliteit, vertrouwen en ontwikkeling, zodat duurzame participatie daarna beter haalbaar wordt. Ook wanneer inwoners stappen zetten richting activering, bijvoorbeeld via dagbesteding, kan een tijdelijke ontheffing nodig blijven om passende ontwikkeling mogelijk te maken. Ook Promen, als belangrijke regionale partner in de uitvoering van beschut werk, garantiebanen, ontwikkeltrajecten en re-integratie, bevestigt dit beeld. In de voorlopige jaarstukken 2025 wordt beschreven dat de arbeidsmarkt nog steeds gespannen is en dat inwoners die nu een uitkering ontvangen op grond van de Participatiewet veelal een grote begeleidingsbehoefte hebben. Promen geeft aan dat een deel van deze inwoners duurzaam bij Promen kan instromen vanwege een permanente begeleidingsbehoefte, terwijl bij een andere groep blijkt dat werken niet haalbaar is en dagbesteding of een andere vorm van participatie passender is. Deze ontwikkeling heeft directe gevolgen voor de BUIG-lasten. Een zwaardere doelgroep stroomt minder snel uit naar regulier werk. Trajecten duren langer, vragen meer begeleiding en leiden vaker tot tussenstappen zoals sociale activering, vrijwilligerswerk, werkervaring, scholing, beschut werk of loonkostensubsidie.
Voor een deel van de doelgroep is volledige uitstroom uit de uitkering niet of pas op langere termijn haalbaar. 9
Loonkostensubsidie, beschut werk en garantiebanen Een tweede belangrijke verklaring voor het tekort is de inzet op loonkostensubsidie, beschut werk en garantiebanen. Deze inzet is maatschappelijk wenselijk en past bij de opdracht van de Participatiewet, maar werkt financieel door in de BUIG-lasten. Uit de Divosa Benchmark blijkt dat het aandeel inwoners met loonkostensubsidie binnen IJsselgemeenten 13,6% bedraagt, tegenover 9,9% landelijk. Dat betekent dat IJsselgemeenten bovengemiddeld gebruikmaakt van dit instrument om inwoners met een arbeidsbeperking of grotere afstand tot de arbeidsmarkt te ondersteunen richting werk. Voor Krimpen is dit relevant omdat loonkostensubsidie wel bijdraagt aan arbeidsparticipatie, maar niet altijd leidt tot volledige besparing op de uitkeringslasten. Een deel van de doelgroep heeft geen volledige uitkering of stroomt niet volledig uit. Bovendien blijven begeleidingskosten en ontwikkelkosten noodzakelijk. De inzet op loonkostensubsidie en beschut werk is daarmee een belangrijk instrument om inwoners naar vermogen te laten participeren, maar leidt niet automatisch tot een evenredige daling van het BUIG-tekort. Promen bevestigt dat de doelgroep verandert en dat uitstroom naar reguliere werkgevers meer voorbereiding vraagt.
In de jaarstukken staat dat er meer behoefte is aan ontwikkeling van vakvaardigheden in een beschutte werkomgeving, zodat plaatsingen bij reguliere werkgevers beter en duurzamer mogelijk worden. Ook wordt gewerkt aan doorontwikkeling van het Talentenplein met praktijkopstellingen, waarin arbeidsvaardigheden kunnen worden geanalyseerd en vakvaardigheden verder kunnen worden ontwikkeld. Dit laat zien dat de uitvoeringspraktijk steeds meer gericht is op methodische ontwikkeling en geleidelijke toeleiding. Voor de vangnetanalyse is dat belangrijk: de gemeente en haar uitvoeringspartners zetten aantoonbaar in op activering en uitstroom, maar de aard van de doelgroep maakt dat dit steeds vaker via langere en intensievere routes verloopt. Instroom, uitstroom en effect van maatregelen De Divosa Benchmark laat zien dat IJsselgemeenten goed presteert op uitstroom. De uitstroom naar werk ligt met 34,3% op het niveau van het landelijke gemiddelde en de totale uitstroom ligt boven het landelijke gemiddelde. Ook de uitstroom naar school en de uitstroom door handhaving liggen boven het landelijke gemiddelde. Daar staat tegenover dat de instroom relatief hoog blijft. De instroom in de bijstand bedraagt 28,2%, tegenover 25,2% landelijk. Dit betekent dat de positieve effecten van uitstroom deels worden tenietgedaan door nieuwe instroom.
Daardoor ontstaat per saldo onvoldoende daling van het bestand om het BUIG-tekort structureel weg te nemen. In eerdere aanvragen is al beschreven dat Krimpen structureel te maken heeft met factoren die de instroom beïnvloeden, waaronder verhuisbewegingen, huisvesting van statushouders, beëindiging van voorliggende voorzieningen en de samenstelling van de woningvoorraad. Deze factoren blijven relevant voor de duiding van het tekort. In de aanvraag over 2023 is bijvoorbeeld benoemd dat Krimpen, ondanks geharmoniseerd beleid en uniforme uitvoering binnen IJsselgemeenten, structureel onvoldoende heeft aan het BUIG-budget en dat onder meer het vestigingsoverschot, de sociale huurvoorraad en de taakstelling statushouders bijdragen aan het tekortbeeld.
10
De cijfers over 2025 moeten daarom worden gezien als voortzetting van een structureel patroon. De uitvoering slaagt erin om inwoners te laten uitstromen en te activeren, maar het bestand blijft door nieuwe instroom en de zwaardere samenstelling financieel druk houden op het BUIG-budget. Gemiddelde prijs per uitkering Naast het volume is ook de gemiddelde prijs per uitkering een belangrijke factor. Het tekort wordt niet alleen veroorzaakt door het aantal dossiers, maar ook door de hoogte van de gemiddelde lasten per dossier. Die prijs wordt beïnvloed door onder meer de huishoudsamenstelling, het aandeel gehuwden/samenwonenden, het aandeel deeltijdinkomsten, de mate waarin inkomsten kunnen worden verrekend, loonkostensubsidies en wettelijke normontwikkelingen. Uit de financiële gegevens blijkt dat de relevante bestedingen in 2025 hoger zijn dan het beschikbare budget. Daarbij speelt niet alleen het aantal uitkeringen een rol, maar ook de ontwikkeling van de uitkeringsprijs. De financiële bijlagen bij de bestuursrapportage Q1 2026 laten zien dat prijsontwikkelingen worden beïnvloed door onder meer stijging van het wettelijk minimumloon, effecten van Participatiewet in Balans en de samenstelling van de groep bijstandsgerechtigden. Daarnaast is het aandeel parttime werk binnen IJsselgemeenten met 5,9% lager dan het landelijke gemiddelde van 7,4%.
Parttime inkomsten worden in mindering gebracht op de uitkering en dragen normaal gesproken bij aan een lagere gemiddelde uitkeringsprijs. Een lager aandeel parttime werk beperkt daarmee de mate waarin inkomsten uit arbeid de uitkeringslasten verlagen. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat dit eenzijdig wordt geduid als onvoldoende inzet op werk. Het lagere aandeel parttime werk hangt samen met de samenstelling van het bestand en de grote afstand tot de arbeidsmarkt van een relatief groot deel van de doelgroep. Voor een deel van deze inwoners is directe deeltijdarbeid nog niet haalbaar en zijn eerst stabilisatie, activering, taalontwikkeling of beschutte werkvormen nodig. Analyse van de doelgroep en bestandssamenstelling De doelgroep van de Participatiewet in Krimpen aan den IJssel bestaat voor een belangrijk deel uit inwoners die niet direct bemiddelbaar zijn naar regulier werk. Een deel kan met begeleiding, scholing of werkervaring op termijn uitstromen. Een ander deel is aangewezen op langdurige ondersteuning, beschut werk, loonkostensubsidie, sociale activering of participatie op een lager niveau. Dit maakt dat resultaat niet uitsluitend kan worden gemeten in volledige uitstroom uit de uitkering. Voor een aanzienlijk deel van de doelgroep is een stap op de participatieladder, stabilisatie of activering al een noodzakelijke voorwaarde voor latere uitstroom.
Dit beeld is in lijn met de uitvoeringspraktijk van IJsselgemeenten en Promen. Promen beschrijft zichzelf als werkontwikkelbedrijf waarin de ontwikkeling van mensen centraal staat. De aanpak varieert per persoon: sommige medewerkers hebben intensieve begeleiding nodig binnen de muren van Promen, terwijl voor anderen individuele jobcoaching voldoende is om de stap naar regulier werk te maken. Begeleidingsbehoefte en stabilisatiefase De hoge begeleidingsbehoefte is een belangrijke verklaring voor het beperkte directe uitstroompotentieel. Uit de Divosa-toelichting blijkt dat een relatief grote groep inwoners tijdelijk is ontheven van de arbeidsverplichting omdat zij zich in een stabilisatiefase bevinden. De begeleiding door de unit Zorg en Activering richt zich dan eerst op het op orde brengen van de basis. Pas daarna kan worden toegewerkt naar maatschappelijke participatie en, waar mogelijk, werk. 11
Deze aanpak is inhoudelijk noodzakelijk. Wanneer inwoners kampen met meervoudige problematiek, beperkte taalvaardigheid, gezondheidsproblemen, schulden of psychische kwetsbaarheid, is directe bemiddeling naar regulier werk vaak niet realistisch. Een te snelle inzet op uitstroom kan dan leiden tot uitval, terugval of herinstroom. Door eerst te investeren in stabiliteit, vertrouwen en passende activering wordt gewerkt aan duurzamere participatie. Ontwikkeling via Promen en Talentenplein Promen speelt een belangrijke rol in de ontwikkeling van inwoners met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. In 2025 heeft het Talentenplein zich verder ontwikkeld als leer-werkomgeving voor kandidaten uit de Participatiewet, onder meer via activatieroutes, basisroutes en trajecten voor inburgeraars in de Z-route. Promen geeft aan dat met de komst van het Talentenplein eerder zichtbaar wordt welke inwoners in aanmerking komen voor een indicatie beschut werk, en welke inwoners kunnen uitstromen naar een externe leerwerkplek of garantiebaan. Daarnaast wordt geïnvesteerd in praktijkopstellingen en methodische begeleiding. Het doel daarvan is arbeidsvaardigheden concreet te analyseren, vakvaardigheden verder te ontwikkelen en deelnemers praktijkgericht te begeleiden richting passende werkplekken.
Deze ontwikkeling is relevant voor de vangnetaanvraag, omdat zij laat zien dat de gemeente en haar partners niet volstaan met inkomensverstrekking, maar actief investeren in ontwikkeling richting werk en participatie. Arbeidsmarkt en plaatsingsmogelijkheden Hoewel de arbeidsmarkt krap is, is dit voor de doelgroep van de Participatiewet niet zonder meer gunstig. Promen signaleert dat de vraag naar arbeid wel toeneemt, maar dat het niet altijd lukt om kandidaten op beschikbare plekken te plaatsen. De reden daarvoor is dat de mensen die door gemeenten worden aangemeld een grotere begeleidingsbehoefte hebben. Dit is een belangrijk punt in de analyse. Er zijn vacatures en er zijn werkgevers die mensen willen plaatsen, maar de mismatch tussen beschikbare kandidaten en reguliere arbeidsmarktvraag blijft groot. Voor inwoners met beperkte belastbaarheid, taalproblemen, psychische kwetsbaarheid of onvoldoende werknemersvaardigheden is intensieve voorbereiding nodig. Dit verklaart waarom uitstroom naar werk niet evenredig meebeweegt met arbeidsmarktkrapte. Langdurige afhankelijkheid en beperkte uitstroommogelijkheden Een aanzienlijk deel van het bestand is langdurig afhankelijk van ondersteuning. Dit werkt door in het tekort, omdat langdurige bijstandsafhankelijkheid de kans op directe uitstroom verkleint.
In eerdere aanvragen is al benoemd dat hoe langer iemand een uitkering ontvangt, hoe kleiner de kans op uitstroom naar werk of scholing wordt. Tegelijkertijd blijft inzet op deze groep noodzakelijk om maatschappelijke participatie te bevorderen en verdere afstand tot de arbeidsmarkt te voorkomen. Voor een deel van deze groep is vrijwilligerswerk, dagbesteding, beschut werk of sociale activering het maximaal haalbare. Deze vormen van participatie leveren maatschappelijk resultaat op, maar leiden niet altijd tot volledige uitstroom uit de BUIG. Daardoor blijft er spanning bestaan tussen de maatschappelijke doelstelling van de Participatiewet en de financiële werking van het BUIG-budget. Gehanteerde bronnen die bij de analyse (A1) zijn gebruikt. kwartaalrapportages GR IJsselgemeenten www.waarstaatjegemeente.nl UWV spanningsindicator arbeidsmarkt rapportage regionaal werkbedrijf Rijnmond overzichtsrapport ArbeidsmarktInZicht.nl 12
-
KVK-regiodata kwartaalrapport Krimpen aan den IJssel Divosa Benchmark Werk en Inkomen
A2.
Analyse van het effect van getroffen maatregelen in voorgaande jaren
De gemeente Krimpen aan den IJssel heeft de afgelopen jaren, samen met GR IJsselgemeenten en regionale partners, actief ingezet op maatregelen gericht op beheersing van het BUIG-tekort. De inzet heeft zich daarbij niet uitsluitend gericht op beperking van uitkeringslasten, maar nadrukkelijk ook op duurzame participatie, ontwikkeling richting werk, rechtmatige verstrekking van uitkeringen en het voorkomen van langdurige afhankelijkheid van de Participatiewet. De uitvoering van de Participatiewet vindt plaats binnen de regionale uitvoeringsstructuur van GR IJsselgemeenten. Binnen deze structuur wordt gewerkt met geharmoniseerd beleid, gezamenlijke monitoring, regionale werkgeversbenadering en gezamenlijke uitvoering van participatie- en reintegratietrajecten. De gemeente Krimpen aan den IJssel heeft daarmee niet gekozen voor een minimale uitvoeringsvariant, maar juist voor een professionele regionale uitvoeringsstructuur waarin actief wordt gestuurd op participatie, uitstroom en beheersing van uitkeringslasten. De afgelopen jaren zijn diverse maatregelen genomen en doorontwikkeld. Daarbij is zichtbaar dat deze maatregelen effect hebben op participatie en uitstroom. Tegelijkertijd blijkt dat de structurele kenmerken van het bestand en de toenemende zwaarte van de doelgroep ervoor zorgen dat deze maatregelen onvoldoende zijn om het tekort op het BUIG-budget volledig weg te nemen.
Regionale samenwerking en uitvoeringsstructuur Een belangrijke maatregel in de afgelopen jaren is de verdere professionalisering van de regionale samenwerking binnen GR IJsselgemeenten geweest. Door uitvoering regionaal te organiseren wordt gewerkt met uniforme processen, geharmoniseerde beleidsregels en gezamenlijke monitoring. Hiermee wordt voorkomen dat verschillen in lokale uitvoering leiden tot ongewenste verschillen in rechtmatigheid, activering of participatie. Binnen de uitvoeringsorganisatie wordt actief gestuurd op de ontwikkeling van het bestand. Hiervoor worden periodiek bestuursrapportages, kwartaalrapportages en benchmarkgegevens gebruikt. De ontwikkeling van het aantal dossiers, de uitstroom, de instroom, de inzet van loonkostensubsidie en de ontwikkeling van de gemiddelde prijs per uitkering worden structureel gemonitord. De financiële gevolgen van ontwikkelingen binnen het bestand worden meegenomen binnen de reguliere P&C-cyclus van zowel IJsselgemeenten als de deelnemende gemeenten. Daarnaast is de samenwerking met regionale partners verder versterkt. Met name de samenwerking met Promen is de afgelopen jaren intensiever geworden.
Promen vervult een belangrijke rol binnen de participatie- en ontwikkelstructuur van de regio, onder meer op het gebied van beschut werk, werkontwikkeling, leerwerktrajecten, garantiebanen en activering van inwoners met een grotere afstand 13
tot de arbeidsmarkt. Deze regionale samenwerking heeft geleid tot een stabiele uitvoeringsstructuur waarin gemeenten, uitvoeringsorganisatie en werkontwikkelbedrijf gezamenlijk sturen op participatie en ontwikkeling richting werk.
Inzet op participatie en uitstroom De afgelopen jaren is actief ingezet op uitstroom naar werk, scholing en maatschappelijke participatie. Daarbij is nadrukkelijk gekozen voor een aanpak waarin niet alleen directe uitstroom naar regulier werk centraal staat, maar ook ontwikkeling van werknemersvaardigheden en duurzame participatie. Een belangrijk onderdeel hiervan is de inzet van loonkostensubsidie. Uit de Divosa Benchmark Werk & Inkomen 2025 blijkt dat binnen IJsselgemeenten 13,6% van het bestand gebruikmaakt van loonkostensubsidie, tegenover 9,9% landelijk. Daarmee wordt bovengemiddeld gebruikgemaakt van dit instrument om inwoners met een arbeidsbeperking of een grotere afstand tot de arbeidsmarkt te ondersteunen richting werk. Ook beschut werk is de afgelopen jaren verder ontwikkeld. Binnen Promen is ingezet op uitbreiding van externe werkplekken, ontwikkeling van werknemersvaardigheden en doorstroom richting reguliere werkgevers. Uit de voorlopige jaarstukken van Promen blijkt dat inmiddels 43% van de medewerkers met een indicatie beschut werk werkzaam is op een externe werkplek. Dit ligt hoger dan het landelijke gemiddelde. Daarnaast is ingezet op de verdere ontwikkeling van het Talentenplein. Binnen het Talentenplein worden inwoners begeleid via verschillende ontwikkelroutes, waaronder activatieroutes, basisroutes en trajecten voor inburgeraars binnen de Z-route.
Door middel van praktijkopstellingen en werkgerichte begeleiding wordt gewerkt aan ontwikkeling van arbeidsvaardigheden en werknemerscompetenties. Het Talentenplein maakt het daarnaast mogelijk om eerder inzicht te krijgen in de belastbaarheid en ontwikkelmogelijkheden van inwoners, zodat sneller passende trajecten kunnen worden ingezet. Ook de inzet op scholing en uitstroom naar onderwijs heeft effect gehad. De Divosa Benchmark laat zien dat de uitstroom naar school met 6,2% hoger ligt dan het landelijke gemiddelde van 4,1%. Dit wijst erop dat actief wordt ingezet op duurzame ontwikkeling richting arbeidsmarkt. Inzet op rechtmatigheid en handhaving Naast participatie en uitstroom is de afgelopen jaren actief ingezet op rechtmatigheid en handhaving. Het doel hiervan is om onrechtmatige verstrekking van uitkeringen te voorkomen en inwoners waar mogelijk te begeleiden richting financiële zelfstandigheid. Uit de Divosa Benchmark blijkt dat de uitstroom door handhaving binnen IJsselgemeenten met 7,6% hoger ligt dan het landelijke gemiddelde van 7,1%. Dit laat zien dat actief wordt gestuurd op controle en rechtmatigheid binnen de uitvoering van de Participatiewet. Daarnaast wordt binnen de uitvoering ingezet op monitoring van wijzigingen in persoonlijke omstandigheden, inkomstenverrekening, begeleiding richting werk en periodieke heronderzoeken.
Door middel van deze inzet wordt geprobeerd de instroom te beperken en onnodige uitkeringsafhankelijkheid te voorkomen. De inzet op handhaving en rechtmatigheid heeft effect op de beheersing van het bestand 14
en voorkomt dat het tekort verder oploopt. Tegelijkertijd blijkt uit de cijfers dat deze maatregelen onvoldoende zijn om het structurele tekort volledig weg te nemen.
Effecten van de getroffen maatregelen De getroffen maatregelen hebben aantoonbaar effect gehad op participatie en uitstroom. Uit de beschikbare benchmarkgegevens blijkt dat de totale uitstroom uit de bijstand binnen IJsselgemeenten met 25,1% boven het landelijke gemiddelde van 24,4% ligt. Ook de uitstroom naar werk ligt met 34,3% op het niveau van het landelijke gemiddelde van 34,0%. Daarnaast ligt de uitstroom naar school boven het landelijke gemiddelde en wordt bovengemiddeld ingezet op loonkostensubsidie en beschut werk. Daarnaast blijkt uit de jaarstukken van Promen dat actief wordt ingezet op ontwikkeling van inwoners richting werk en participatie. Het werkontwikkelbedrijf investeert in begeleiding, praktijkleren, externe plaatsingen en methodische ontwikkeling van kandidaten. Daarmee wordt voorkomen dat inwoners volledig buiten participatie komen te staan. De inzet op stabilisatie en activering heeft daarnaast effect op de maatschappelijke situatie van inwoners. Voor een deel van de doelgroep is directe uitstroom naar regulier werk niet haalbaar. In die gevallen wordt ingezet op het voorkomen van verdere problematiek, het vergroten van zelfredzaamheid en het realiseren van participatie op een passend niveau. Zonder deze maatregelen zou het tekort naar verwachting groter zijn geweest.
De cijfers laten zien dat actief wordt gestuurd op uitstroom, participatie en rechtmatigheid. Daarmee is sprake van een uitvoeringspraktijk die gericht is op beheersing van de uitkeringslasten binnen de mogelijkheden van de doelgroep. Beperkingen van de maatregelen Tegelijkertijd blijkt dat de effecten van de maatregelen worden beperkt door de structurele kenmerken van het bestand. De doelgroep binnen de Participatiewet wordt zwaarder en vraagt meer begeleiding. Uit de toelichting op de Divosa Benchmark blijkt dat een relatief groot deel van het bestand een ontheffing van de arbeidsverplichting heeft vanwege een grote afstand tot de arbeidsmarkt en begeleiding vanuit de unit Zorg en Activering. Ook Promen geeft aan dat de doelgroep die vanuit gemeenten wordt aangemeld steeds vaker een intensieve begeleidingsbehoefte heeft. Hierdoor duren trajecten langer en is directe plaatsing bij reguliere werkgevers niet altijd haalbaar. Voor een deel van de doelgroep blijft langdurige begeleiding noodzakelijk. Daarnaast blijft de instroom relatief hoog. De Divosa Benchmark laat zien dat de instroom binnen IJsselgemeenten met 28,2% hoger ligt dan het landelijke gemiddelde van 25,2%. Hierdoor worden positieve effecten van uitstroom deels tenietgedaan door nieuwe instroom. Ook de inzet op loonkostensubsidie en beschut werk heeft een dubbel effect.
Deze instrumenten dragen bij aan maatschappelijke participatie en arbeidsparticipatie van inwoners met een arbeidsbeperking, 15
maar leiden niet altijd tot volledige uitstroom uit de uitkering. Daardoor blijven de lasten binnen de BUIG gedeeltelijk bestaan, terwijl tegelijkertijd intensieve begeleiding noodzakelijk blijft. Daarnaast is zichtbaar dat de gemiddelde prijs per uitkering onder druk staat door wettelijke ontwikkelingen, stijging van het wettelijk minimumloon, effecten van Participatiewet in Balans en de samenstelling van het bestand. Hierdoor wordt het tekort niet alleen beïnvloed door het aantal dossiers, maar ook door de hoogte van de gemiddelde lasten per dossier.
16
B. Getroffen interne en externe maatregelen om het tekort verder te reduceren In dit onderdeel van de verklaring van het college wordt beschreven welke interne (B1) en externe maatregelen (B2) zijn getroffen om een bijdrage te leveren aan de verdere tekortreductie. Onder een externe maatregel wordt verstaan: een maatregel die tot stand is gekomen met een duidelijk herkenbare inbreng van externen (dus personen of organisaties buiten de eigen gemeente). Bij B2 wordt aan de hand van drie vragen beschreven hoe de consultatie van de externe partij of externe bron heeft geleid tot de getroffen externe maatregelen. Indien maatregelen tot stand komen zonder inbreng van externen worden deze als intern aangemerkt. Bij B1 (beschrijving getroffen interne maatregelen) en B2 (Beschrijving getroffen externe maatregelen) mag het college ingaan op eerder getroffen maatregelen die in 2025 zijn voortgezet. Ook kan het college ingaan op maatregelen die na evaluatie zijn stopgezet en op maatregelen die vanaf 2025 nieuw zijn getroffen. Het college dient bij B1 minimaal één interne maatregel en bij B2 minimaal één externe maatregel te benoemen. Vereiste hierbij is dat deze maatregelen vóór 15 augustus 2026 zijn getroffen. B1.
Beschrijving getroffen interne maatregelen
De gemeente Krimpen aan den IJssel heeft de afgelopen jaren, samen met GR IJsselgemeenten en regionale partners, diverse maatregelen getroffen om het tekort op het BUIG-budget te beperken. Deze maatregelen richten zich zowel op beheersing van de instroom als op bevordering van uitstroom, vergroting van participatie, versterking van rechtmatigheid en verbetering van de uitvoeringskwaliteit. De maatregelen worden uitgevoerd binnen de regionale uitvoeringsstructuur van GR IJsselgemeenten. Hierdoor wordt gewerkt met geharmoniseerde beleidsregels, uniforme werkprocessen en gezamenlijke monitoring van de ontwikkeling van het bestand en de uitkeringslasten. Binnen deze structuur wordt actief gestuurd op beheersing van het BUIG-budget, zonder daarbij afbreuk te doen aan de wettelijke opdracht van de Participatiewet en de noodzakelijke ondersteuning van inwoners met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Monitoring en actieve sturing op het bestand Binnen GR IJsselgemeenten wordt structureel gestuurd op de ontwikkeling van het bestand en de financiële gevolgen daarvan. Hiervoor worden periodiek kwartaalrapportages, bestuursrapportages, benchmarkgegevens en financiële analyses opgesteld. De ontwikkeling van het aantal dossiers, de instroom, uitstroom, loonkostensubsidies, gemiddelde uitkeringsprijs en participatie-instrumenten wordt doorlopend gemonitord.
De uitkomsten van deze monitoring worden besproken binnen de reguliere P&C-cyclus van zowel IJsselgemeenten als de deelnemende gemeenten. Hierdoor ontstaat tijdig inzicht in ontwikkelingen binnen het bestand en kan waar nodig worden bijgestuurd op uitvoering, capaciteit of inzet van instrumenten. Daarnaast is binnen de uitvoering verder ingezet op datagestuurd werken en monitoring van trajecten en participatie-instrumenten. Ook binnen Promen is geïnvesteerd in dashboards en 17
monitoringinstrumenten waarmee personele en financiële ontwikkelingen dagelijks gevolgd kunnen worden. Maatregelen gericht op instroombeperking De afgelopen jaren is ingezet op maatregelen die gericht zijn op het beperken van instroom in de bijstand en het zoveel mogelijk voorkomen van langdurige uitkeringsafhankelijkheid. Binnen de uitvoering wordt bij nieuwe aanvragen actief gekeken naar mogelijkheden voor participatie, werk, scholing of andere voorliggende voorzieningen. Daarbij wordt ingezet op een brede intake waarbij niet uitsluitend naar het recht op uitkering wordt gekeken, maar ook naar de mogelijkheden van inwoners om op termijn richting participatie of werk te bewegen. Daarnaast wordt gewerkt aan een aanpak waarbij inwoners zo vroeg mogelijk worden begeleid richting activering en ontwikkeling. Voor inwoners met multiproblematiek wordt eerst ingezet op stabilisatie, schuldhulpverlening, zorg of maatschappelijke ondersteuning, zodat op een later moment participatie of uitstroom beter mogelijk wordt. Ook wordt actief ingezet op begeleiding van statushouders en inwoners met taalachterstanden. Binnen Promen en het Talentenplein worden hiervoor ontwikkelroutes gecombineerd met taalondersteuning, werknemersvaardigheden en praktijkleren. Hiermee wordt geprobeerd om de afstand tot de arbeidsmarkt zo vroeg mogelijk te verkleinen.
Maatregelen gericht op uitstroom en participatie Een belangrijk onderdeel van de aanpak betreft de inzet op participatie en uitstroom richting werk. Hierbij wordt gebruikgemaakt van verschillende instrumenten, afhankelijk van de belastbaarheid en mogelijkheden van inwoners. Binnen IJsselgemeenten wordt actief ingezet op: •
loonkostensubsidie;
•
beschut werk;
•
garantiebanen;
•
leerwerktrajecten;
•
scholing;
•
jobcoaching;
•
groepsdetacheringen;
•
individuele detacheringen;
•
participatie- en activeringstrajecten.
Uit de Divosa Benchmark Werk & Inkomen 2025 blijkt dat binnen IJsselgemeenten bovengemiddeld gebruik wordt gemaakt van loonkostensubsidie. Daarnaast ligt de uitstroom uit de bijstand boven het landelijke gemiddelde. 18
Promen speelt binnen deze aanpak een belangrijke rol als werkontwikkelbedrijf. De organisatie richt zich op ontwikkeling richting werk, waarbij afhankelijk van de mogelijkheden van inwoners wordt gewerkt met beschutte werkvormen, leerwerkplekken, praktijkleren en externe plaatsingen. Daarbij wordt nadrukkelijk ingezet op doorstroom van interne werkplekken naar externe werkgevers. In de voorlopige jaarstukken 2025 van Promen wordt beschreven dat meerdere medewerkers vanuit interne werkplekken zijn doorgestroomd naar groepsdetacheringen en reguliere werkplekken. Daarnaast wordt gewerkt met individuele detacheringen en begeleid werken, waarbij inwoners onder begeleiding participeren bij reguliere werkgevers. Ook het Talentenplein is de afgelopen jaren verder ontwikkeld. Binnen het Talentenplein worden inwoners vanuit de Participatiewet, inburgering en activeringstrajecten begeleid richting ontwikkeling en participatie. Door middel van praktijkopstellingen, assessments en ontwikkelplannen wordt gewerkt aan werknemersvaardigheden en arbeidsontwikkeling. Hierdoor ontstaat eerder inzicht in belastbaarheid, ontwikkelpotentieel en passende vervolgstappen richting participatie of werk. Daarnaast is actief ingezet op scholing en ontwikkeling van basisvaardigheden.
Binnen Promen zijn taaltrajecten, praktijkverklaringen, certificeringstrajecten en vakgerichte opleidingen aangeboden, onder meer gericht op logistiek, schoonmaak, horeca en techniek. Hiermee wordt geprobeerd de duurzame inzetbaarheid van inwoners te vergroten en hun kansen op participatie of uitstroom te verbeteren. Maatregelen gericht op rechtmatigheid en handhaving Naast participatie en uitstroom wordt actief gestuurd op rechtmatigheid van verstrekte uitkeringen. Binnen de uitvoering wordt ingezet op controle van inkomsten, heronderzoeken, signalenonderzoek, verificatie van rechtmatigheid en handhaving. Uit de Divosa Benchmark blijkt dat de uitstroom door handhaving boven het landelijke gemiddelde ligt. Dit bevestigt dat binnen de uitvoering actief wordt gestuurd op rechtmatige verstrekking van uitkeringen. Daarnaast wordt binnen de uitvoering aandacht besteed aan het voorkomen van langdurige afhankelijkheid door inwoners actief te begeleiden richting werk, participatie of andere passende voorzieningen. Daarbij wordt gekeken naar de mogelijkheden van inwoners om inkomsten uit arbeid te combineren met uitkering of op termijn door te groeien richting financiële zelfstandigheid. Maatregelen gericht op ontwikkeling van de uitvoering De afgelopen jaren is daarnaast geïnvesteerd in verdere professionalisering van de uitvoering.
Binnen Promen is gewerkt aan methodisch begeleiden en monitoren van arbeidsontwikkeling. Daarbij wordt gebruikgemaakt van instrumenten zoals de Melba-methodiek, assessments, ontwikkelplannen en praktijkgerichte begeleiding. Door deze methodische aanpak ontstaat beter inzicht in de mogelijkheden, belastbaarheid en ontwikkelcapaciteit van inwoners. Hierdoor kunnen trajecten gerichter worden ingezet en kan beter worden aangesloten op de mogelijkheden van inwoners en de vraag vanuit werkgevers.
19
Daarnaast is binnen de uitvoeringsstructuur gewerkt aan verdere uniformering van processen, centralisatie van werkvoorbereiding, verbetering van monitoring en versterking van samenwerking tussen werkontwikkeling, participatie en begeleiding richting externe werkgevers. Effect van de interne maatregelen De getroffen maatregelen hebben effect gehad op participatie, uitstroom en beheersing van het bestand. De beschikbare benchmarkgegevens laten zien dat de uitstroom uit de bijstand op of boven het landelijke gemiddelde ligt en dat bovengemiddeld gebruik wordt gemaakt van participatie-instrumenten zoals loonkostensubsidie en beschut werk. Ook wordt actief gestuurd op rechtmatigheid en handhaving. Daarnaast is zichtbaar dat de regionale uitvoeringsstructuur heeft geleid tot verdere professionalisering van de uitvoering en een integrale aanpak van participatie en ontwikkeling richting werk. Tegelijkertijd blijkt dat deze maatregelen onvoldoende zijn om het structurele tekort op het BUIG-budget volledig weg te nemen. De doelgroep binnen de Participatiewet wordt zwaarder, de begeleidingsbehoefte neemt toe en de instroom blijft relatief hoog. Hierdoor blijven de uitkeringslasten structureel hoger dan het beschikbare budget, ondanks de actieve inzet van de gemeente en haar regionale partners.
20
B2.
Beschrijving getroffen externe maatregelen
Elke getroffen maatregel wordt beschreven met de naam van de maatregel, een omschrijving van de maatregel en gevolgd door de antwoorden op elk van de volgende drie vragen over die maatregel: a) Wat is (zijn) de externe bron(nen) (partij of ‘schriftelijke’ informatie) voor deze maatregel geweest? b) Welk inzicht bij de gemeente is gekregen door die externe partij of externe ‘schriftelijke’ informatie? c) Welke externe maatregel is getroffen naar aanleiding van de conclusie(s) uit deze consultatie?
Algemeen Naast de interne maatregelen en de actieve uitvoeringsinzet van de gemeente Krimpen aan den IJssel en GR IJsselgemeenten, zijn er verschillende externe en structurele factoren die bijdragen aan het tekort op het BUIG-budget. Deze factoren zijn slechts beperkt beïnvloedbaar door de gemeente, maar hebben wel directe gevolgen voor de omvang van het bestand, de uitstroommogelijkheden en de hoogte van de uitkeringslasten. Het gaat daarbij onder meer om ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, landelijke wet- en regelgeving, de samenstelling van de doelgroep, regionale sociaaleconomische kenmerken en de werking van het landelijke verdeelmodel voor het BUIG-budget. De beschikbare gegevens laten zien dat het tekort niet uitsluitend kan worden verklaard vanuit lokale uitvoering, maar mede samenhangt met bredere structurele ontwikkelingen die doorwerken op de Participatiewet en de gemeentelijke uitkeringslasten. Arbeidsmarktontwikkelingen en mismatch Hoewel de arbeidsmarkt de afgelopen jaren in algemene zin krap is gebleven, betekent dit niet dat inwoners binnen de Participatiewet automatisch kunnen uitstromen naar werk. Binnen de doelgroep van de Participatiewet is sprake van een aanzienlijke afstand tot de arbeidsmarkt.
Voor veel inwoners geldt dat zij niet direct inzetbaar zijn vanwege beperkte belastbaarheid, gezondheidsproblematiek, schulden, psychische kwetsbaarheid, taalachterstanden of onvoldoende werknemersvaardigheden. Hierdoor ontstaat een mismatch tussen de vraag vanuit werkgevers en de mogelijkheden van een deel van de doelgroep. Werkgevers vragen in toenemende mate werknemers die direct inzetbaar zijn, terwijl een aanzienlijk deel van het bestand juist intensieve begeleiding en ontwikkeling nodig heeft voordat uitstroom richting regulier werk mogelijk is. Promen beschrijft in de voorlopige jaarstukken 2025 dat de doelgroep die vanuit gemeenten wordt aangemeld steeds vaker een grote begeleidingsbehoefte heeft. Daarnaast wordt aangegeven dat het ondanks de vraag naar personeel niet altijd lukt om inwoners direct te plaatsen bij reguliere werkgevers, omdat de afstand tot de arbeidsmarkt voor een deel van de doelgroep te groot is. 21
Deze ontwikkeling beperkt de snelheid waarmee inwoners kunnen uitstromen uit de bijstand en leidt ertoe dat trajecten vaker langdurig en intensief zijn. Toenemende complexiteit van de doelgroep Een tweede structurele factor betreft de toenemende complexiteit van de doelgroep binnen de Participatiewet. Uit de beschikbare benchmarkgegevens en uitvoeringsinformatie blijkt dat een relatief groot deel van het bestand bestaat uit inwoners met multiproblematiek en een langdurige ondersteuningsbehoefte. De Divosa Benchmark laat zien dat binnen IJsselgemeenten relatief veel inwoners tijdelijk zijn ontheven van de arbeidsverplichting vanwege een grote afstand tot de arbeidsmarkt. De begeleiding van deze groep vindt plaats vanuit Zorg en Activering, waarbij eerst wordt ingezet op stabilisatie en maatschappelijke activering voordat uitstroom richting werk mogelijk is. Daarnaast is zichtbaar dat een deel van de doelgroep langdurig afhankelijk blijft van ondersteuning, beschut werk, loonkostensubsidie of andere participatie-instrumenten. Voor deze inwoners is volledige uitstroom uit de uitkering niet altijd haalbaar. Wel wordt ingezet op participatie naar vermogen en ontwikkeling richting maatschappelijke zelfstandigheid. Ook landelijke ontwikkelingen spelen hierbij een rol.
Gemeenten krijgen steeds vaker te maken met inwoners die een combinatie hebben van financiële problematiek, gezondheidsproblemen, psychische kwetsbaarheid, taalachterstanden en beperkte arbeidsmarktvaardigheden. Hierdoor neemt de begeleidingsintensiteit toe en worden trajecten complexer en langduriger. Sociale structuur en woningvoorraad Daarnaast spelen lokale en regionale kenmerken een rol in de ontwikkeling van het bestand. In eerdere vangnetaanvragen is reeds beschreven dat Krimpen aan den IJssel te maken heeft met een sociale woningvoorraad en verhuisbewegingen die invloed hebben op de instroom in de Participatiewet. Daarbij is ook gewezen op de taakstelling voor huisvesting van statushouders en het vestigingspatroon van huishoudens met een kwetsbare sociaaleconomische positie. Deze factoren beïnvloeden de samenstelling van het bestand en kunnen leiden tot een relatief hogere instroom van inwoners die afhankelijk zijn van ondersteuning of participatievoorzieningen. Voor een deel van deze inwoners geldt bovendien dat aanvullende ondersteuning nodig is op het gebied van taal, inburgering, participatie of maatschappelijke begeleiding. Binnen de uitvoering wordt actief ingezet op begeleiding van deze groepen richting participatie en werk.
Tegelijkertijd vraagt deze begeleiding tijd en intensieve ondersteuning, waardoor de uitstroom naar volledige financiële zelfstandigheid vaak geleidelijk verloopt. Landelijke wet- en regelgeving Ook landelijke wet- en regelgeving heeft invloed op de ontwikkeling van het tekort. De hoogte van de uitkeringslasten wordt mede bepaald door landelijke normeringen, stijging van het wettelijk minimumloon en wijzigingen binnen de Participatiewet.
22
In de financiële rapportages van IJsselgemeenten wordt benoemd dat ontwikkelingen zoals de stijging van het wettelijk minimumloon en de invoering van onderdelen van Participatiewet in Balans invloed hebben op de gemiddelde prijs per uitkering. Daarnaast leiden landelijke ontwikkelingen tot een hogere druk op de uitvoering. Gemeenten worden steeds nadrukkelijker gevraagd om maatwerk te bieden, niet-gebruik van regelingen tegen te gaan en inwoners actief te ondersteunen richting participatie en bestaanszekerheid. Deze ontwikkelingen zijn maatschappelijk wenselijk, maar hebben tegelijkertijd financiële gevolgen voor gemeenten. Ook de verdere ontwikkeling van beschut werk, loonkostensubsidie en begeleiding van inwoners met een arbeidsbeperking leidt structureel tot hogere begeleidings- en participatielasten. Hoewel deze instrumenten bijdragen aan participatie naar vermogen, leiden zij niet altijd tot volledige uitstroom uit de uitkering. Verdeelmodel BUIG-budget Een belangrijke structurele factor betreft daarnaast de verhouding tussen het beschikbare BUIG-budget en de feitelijke lasten binnen de gemeente. Krimpen aan den IJssel kent inmiddels meerdere jaren achtereen een tekort van meer dan 5% op het BUIG-budget.
Dit wijst erop dat sprake is van een structureel verschil tussen het beschikbare budget en de feitelijke uitkeringslasten die samenhangen met de samenstelling van het bestand. De beschikbare benchmarkgegevens en uitvoeringsinformatie laten zien dat binnen IJsselgemeenten actief wordt gestuurd op participatie, uitstroom en rechtmatigheid. De uitstroom ligt op of boven het landelijke gemiddelde en er wordt bovengemiddeld gebruikgemaakt van participatie-instrumenten zoals loonkostensubsidie en beschut werk. Daarmee zijn er geen aanwijzingen dat het tekort primair wordt veroorzaakt door onvoldoende uitvoeringsinspanning. Tegelijkertijd blijkt dat de kenmerken van het bestand en de lokale en regionale context leiden tot structureel hogere lasten dan waarmee binnen het verdeelmodel rekening wordt gehouden. Hierdoor ontstaat een situatie waarin de gemeente, ondanks actieve sturing en intensieve inzet, structureel onvoldoende budget ontvangt om de feitelijke lasten volledig te dekken.
23
C. Beoogd effect van de genoemde maatregelen op de tekortreductie In dit onderdeel van de verklaring van het college wordt het beoogde effect beschreven van de genoemde (aanvullende) interne en externe maatregelen die een bijdrage leveren aan de verdere tekortreductie (C1). Het gaat hierbij om een inschatting van het beoogde effect. Ook wordt aangegeven hoe het effect van de maatregelen wordt gemonitord (C2). Het effect van de maatregel wordt zoveel mogelijk gekwantificeerd (C1). Indien het kwantificeren van het effect van maatregelen slecht of niet mogelijk is, kan het college volstaan met een kwalitatieve toelichting. C1. Beoogd effect van de getroffen maatregelen op de verdere tekortreductie. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Krimpen aan den IJssel is van oordeel dat de afgelopen jaren actief en structureel is ingezet op het beperken van het tekort op het BUIGbudget. Samen met GR IJsselgemeenten en regionale partners is gewerkt aan versterking van participatie, bevordering van uitstroom, beheersing van instroom, versterking van handhaving en verdere professionalisering van de uitvoering. De beschikbare benchmarkgegevens, bestuursrapportages en uitvoeringsinformatie laten zien dat deze inzet effect heeft.
De uitstroom uit de bijstand ligt op of boven het landelijke gemiddelde, er wordt bovengemiddeld gebruikgemaakt van participatie-instrumenten zoals loonkostensubsidie en beschut werk en actief gestuurd op rechtmatigheid en ontwikkeling richting arbeid. Daarnaast is de regionale uitvoeringsstructuur de afgelopen jaren verder geprofessionaliseerd en wordt structureel gestuurd op monitoring en beheersing van de uitkeringslasten. Het college is van oordeel dat verdere optimalisatie van de uitvoering mogelijk blijft. Ook de komende jaren blijft de gemeente inzetten op: •
verdere ontwikkeling van participatie- en ontwikkeltrajecten;
•
versterking van samenwerking met werkgevers;
•
verbetering van matching tussen inwoners en arbeidsmarkt;
•
doorontwikkeling van het Talentenplein;
•
versterking van monitoring en datagestuurd werken;
•
begeleiding richting scholing, taalontwikkeling en werknemersvaardigheden;
•
actieve handhaving en rechtmatigheidscontrole.
Daarnaast blijft ingezet worden op samenwerking met Promen en andere regionale partners om inwoners met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt zo passend mogelijk richting participatie of werk te begeleiden. Tegelijkertijd is het college van oordeel dat de mogelijkheden om het tekort substantieel verder terug te dringen beperkt zijn. De doelgroep binnen de Participatiewet wordt complexer en vraagt steeds vaker 24
langdurige en intensieve begeleiding. Voor een aanzienlijk deel van het bestand geldt dat directe uitstroom naar regulier werk niet haalbaar is of alleen mogelijk is via langdurige ontwikkel- en participatietrajecten. Daarnaast blijft sprake van factoren die slechts beperkt beïnvloedbaar zijn door de gemeente. Het gaat daarbij onder meer om: •
landelijke ontwikkelingen binnen de Participatiewet;
•
stijging van het wettelijk minimumloon;
•
ontwikkelingen binnen het BUIG-verdeelmodel;
•
structurele kenmerken van de doelgroep;
•
arbeidsmarktmismatch;
•
instroom van inwoners met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt.
Het college verwacht dat de combinatie van deze maatregelen zal bijdragen aan verdere beheersing van het bestand, vergroting van participatie, versterking van uitstroom en beperking van de uitkeringslasten. Daarbij wordt ingezet op een verdere verbetering van de balans tussen instroom en uitstroom en op een structurele versterking van de arbeidsmarktpositie van inwoners binnen de Participatiewet. Tegelijkertijd onderkent het college dat sprake blijft van externe factoren die van invloed zijn op de ontwikkeling van het BUIG-budget, zoals landelijke wet- en regelgeving, ontwikkelingen binnen het verdeelmodel en arbeidsmarktontwikkelingen. De gemeente blijft daarom actief sturen op optimalisatie van de uitvoering en verdere versterking van participatie en uitstroom. Daarmee is het college van oordeel dat de getroffen maatregelen bijdragen aan verdere tekortreductie en aan een structureel betere beheersing van de uitkeringslasten binnen de Participatiewet.
C2. De wijze waarop het effect van de maatregelen wordt gemonitord. De ontwikkeling van het BUIG-budget, het bijstandsbestand en de daarmee samenhangende financiële risico’s maken structureel onderdeel uit van de reguliere planning- en controlcyclus van zowel GR IJsselgemeenten als de gemeente Krimpen aan den IJssel. Binnen deze cyclus wordt periodiek gerapporteerd over de ontwikkeling van de uitkeringslasten, de omvang van het bestand, de inzet van participatie-instrumenten en de financiële consequenties voor de gemeentelijke begroting. Hierdoor is sprake van structurele bestuurlijke en ambtelijke aandacht voor de ontwikkeling van het BUIG-budget en de maatregelen die worden getroffen om het tekort te beheersen. Monitoring en rapportages Binnen GR IJsselgemeenten wordt de ontwikkeling van het bestand en de financiële positie structureel gemonitord. Hiervoor worden onder meer kwartaalrapportages, bestuursrapportages, financiële analyses en benchmarkgegevens gebruikt. 25