6133363 1622815186945 Transformatorvervanging KIJ380 Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Transformatorvervanging KIJ380
omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380
Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing
3
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Vigerende planologische situatie 1.4 Leeswijzer
4 4 4 6 8
Hoofdstuk 2 Initiatief 2.1 Bestaande situatie 2.2 Planbeschrijving (beoogde situatie)
9 9 11
Hoofdstuk 3 Uitvoerbaarheid 3.1 Omgevingsaspecten 3.2 Financiele uitvoerbaarheid 3.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
13 13 28 28
Hoofdstuk 4 Beleidskader 4.1 Rijksbeleid 4.2 Provinciaal beleid
30 30 39
2
Inhoudsopgave (concept)
omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380
Ruimtelijke onderbouwing
Hoogspanningsstation Krimpen aan den IJssel in vogelvlucht (1971).
Ruimtelijke onderbouwing (concept)
3
omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Op het 380kV-hoogspanningsstation Krimpen a/d IJssel (KIJ380) staan drie éénfase vermogens-transformatoren (TR403) van Elin uit 1969 en een compensatiespoel (SP403) van Brown Boveri uit 1968. De technische conditie van deze verouderde componenten TR403 en SP403 is slecht. Olieonderzoeken aan beide componenten laten zien dat het einde van de levensduur nadert voor zowel de vermogens-transformatoren als de compensatiespoel en daarom moeten worden vervangen. TenneT TSO B.V. (hierna TenneT) is voornemens om het oude veld te amoveren en een nieuw transformatorveld aan de noordwestzijde - binnen het stationshek - van het bestaande station te bouwen. Op dit veld komt een nieuwe 500MVA-driefase-vermogenstransformator met een compensatiespoel van 100MVAr. Het nieuwe veld wordt aangesloten op de bestaande 150 kV-verbinding richting het 150 kV-station Krimpen aan den IJssel (KIJ150). Hiermee ontstaat een goed werkende 500MVA-verbinding tussen het 380 kV-station en het 150 kV-station. Vanuit het vigerende bestemmingsplan geldt een restrictie ten aanzien van het bouwen van gebouwen binnen het bouwvlak en voor de bouwhoogte van 'overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde'. Deze bouwhoogte mag maximaal twintig meter bedragen. De portalen hebben een hoogte van 22,5 meter, en de bliksempieken erbij 29,5 meter. Ook de daknetconstructie overschrijdt de 20 meter.
De positie van het geluidhuis rondom de transformator is gedeeltelijk buiten het bouwvlak. Het bestemmingsplan biedt geen mogelijkheid om binnenplans af te wijken, om daarmee de afwijkende bouwhoogten en het bouwen van het geluidhuis gedeeltelijk buiten het bouwvlak alsnog mogelijk te maken. Daarom wordt, met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3° Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), met een omgevingsvergunning afgeweken van het bestemmingsplan. Een dergelijke omgevingsvergunning dient te zijn voorzien van een ruimtelijke onderbouwing. Onderhavige rapportage vormt deze ruimtelijke onderbouwing. Omdat er sprake is van vervanging van een bestaande transformator en spoel (en niet van uitbreiding) is de RijksCoördinatieRegeling (RCR) niet van toepassing.
1.2
Plangebied
Het plangebied is gelegen ten zuidoosten van de kern Krimpen aan den IJssel. Het initiatief vindt plaats binnen de begrenzing van het 380kV station Krimpen aan den IJssel, dat grenst aan het 150kV station. Het is een 380kV station met 380kV verbindingen naar de stations Crayestein, Bleiswjk en Breukelen Kortrijk en een 150kV-verbinding richting het 150kV-station Kimpen aan den IJssel. De kaart met de ligging is in afbeelding 1 weergegeven.
4
Ruimtelijke onderbouwing (concept)
omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380
Af beelding 1 Ligging plangebied
Het gaat om het groen omlijnde gedeelte waar de nieuwe transformator met dubbelschakelaarveld wordt geplaatst. De verbindingen naar andere stations zijn in afbeelding 2 aangegeven. Het station Krimpen aan den IJssel is op korte afstand van woningen gelegen, tevens te zien in afbeelding 2.
Af beelding 2: zwart omlijnd zijn de twee stations, groen omlijnd de plek v an de nieuwe transf ormator met -v eld en compensatiespoel, blauw omkaderd de bestaande transf ormatoren en spoel.
Ruimtelijke onderbouwing (concept)
5
omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380
1.3
Vigerende planologische situatie
De locatie bevindt zich in het bestemmingsplan "Langeland" van de gemeente Krimpen aan den IJssel, vastgesteld op 25 april 2013, met enkelbestemming 'Bedrijf - Nutsbedrijf', een bouwvlak, gebiedsaanduiding 'geluidzone - industrie' en dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1', 'Waarde Archeologie 4' en 'Waarde - Archeologie 2b'.
Afbeelding 3 verbeelding van het bestemmingsplan Langeland, met de scope van het werk omkaderd
ENKELBESTEMMING BEDRIJF - NUTSBEDRIJF Het projectgebied is met de bestemming Bedrijf -nutsbedrijf (paars in afvbeelding 3) aangewezen voor een een nutsbedrijf ten behoeve van het transport en de levering van elektrische energie en behorende voorzieningen. Binnen het bouwvlak mogen gebouwen ten dienste van de bestemming worden gebouwd met een bouwhoogte van niet meer dan 20 meter. Het bouwvlak is aangeduid met een (dikkere) zwarte lijn.Te zien is dat het transformatorgebouw dat met een blauw vlak is aangeduid in afbeelding 3 half binnen en half buiten het bouwvlak is geprojecteerd. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dienen eveneens binnen het bouwvlak te worden gebouwd, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen en bruggen. De bouwhoogte van hoogspanningsmasten en telecommunicatiemasten mag niet meer bedragen dan 50 meter en de bouwhoogte van overige bouwwerken mag niet meer bedragen dan 20 meter (behoudens terrein- en erfafscheidingen die niet meer dan 3 meter hoog mogen worden gebouwd). In artikel 36.1, is een toegestane afwijking van 10% van de bouwhoogte van gebouwen opgenomen. Er wordt geen nieuw veldhuis gerealiseerd. Het transformatorgebouw heeft een bouwhoogte van 7,25 meter.
6
Ruimtelijke onderbouwing (concept)
omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380
Voor wat betreft de enkelbestemming Bedrijf - nutsbedrijf is het plaatsen van een nieuwe transformator(gebouw) inclusief toebehoren buiten het bouwvlak in strijd met de regels ruimtelijke ordening. Ook wordt de maximale bouwhoogte van 20 meter voor overige bouwwerken overschreden. De portalen hebben namelijk een hoogte van 22,5 meter, en met de bliksempieken erbij 29,5 meter. Ook de daknetconstructie overschrijdt de 20 meter. Voor het realiseren van de transformator en toebehoren is daarom een buitenplanse afwijking nodig. De afwijkingen zijn niet opgenomen in Bijlage II van de BOR (Besluit Omgevingsrecht) en vallen dan ook niet onder een kruimelgeval. De benodigde vergunning (uitgebreide procedure van 26+6 weken) is opgenomen in de vergunningeninventarisatie. (Bijlage B4.1).
DUBBELBESTEMMING WAARDE - ARCHEOLOGIE 1, 2b & 4 De scope van het werk in relatie tot de dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie is verduidelijkt in afbeelding 4.
Afbeelding 4 Dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie (1,2b en 4) en scope van het werk
Voor de dubbelbestemming is het bouwen met bodemingrepen dieper dan 30 cm beneden maaiveld, afhankelijk van de bebouwingsoppervlakte, strijdig zonder een rapport van een archeologisch deskundige (archeologisch vooronderzoek) waarin de archeologische waarde van het terrein in voldoende mate is vastgesteld.
CONCLUSIE Voor wat betreft de enkelbestemming is het plaatsen van een nieuwe transformator(gebouw) inclusief toebehoren buiten het bouwvlak in strijd met de regels ruimtelijke ordening. Ook wordt de maximale bouwhoogte van 20 meter voor overige bouwwerken overschreden. De portalen hebben namelijk een
Ruimtelijke onderbouwing (concept)
7
omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380 hoogte van 22,5 meter, en met de bliksempieken erbij 29,5 meter. Ook de daknetconstructie overschrijdt de 20 meter. Voor het realiseren van de transformator en toebehoren is daarom een buitenplanse afwijking nodig. De werkzaamheden zijn niet opgenomen in bijlage II van de BOR (Besluit Omgevingsrecht) en vallen dan niet onder een kruimelgeval. Voor de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 2b is het bouwen zonder een rapport van een archeologisch deskundige (archeologisch vooronderzoek) waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld in strijd met de regels ruimtelijk ordening. Voor het project is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd dat onderdeel uitmaakt van de aanvraag omgevingsvergunning.
1.4
Leeswijzer
In Hoofdstuk 2 wordt het initiatief verder omschreven. In Hoofdstuk 3 wordt de uitvoerbaarheid van het plan weergegeven. Hoofdstuk 4 geeft de algmene beleidskaders weer. In de Bijlagen bij de ruimtelijke onderbouwing zitten de bij dit initiatief behorende onderzoeken.
8
Ruimtelijke onderbouwing (concept)
omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380
Hoofdstuk 2 2.1
Initiatief
Bestaande situatie
Het bestaande 380kV-station Krimpen a/d IJssel heeft een buitenopstelling, uitgevoerd als AIS-installatie met een dubbelrail-configuratie. De hoofdstructuur bestaat uit een onderliggende hoofdrail van buisgeleiders en een daknet dat is gebouwd met vakwerk staalconstructies. De hoofdrail is gebouwd van veld 1 tot en met veld 16. Aan het uiteinde van de hoofdrail in veld 16 zitten de railaarders ARAZ en ARBZ. Naast veld 16 wordt het nieuwe transformatorveld gebouwd in veld 17. Het station heeft een CDG en in ieder veld een veldhuisje. Afbeelding 5 geeft deze situatie weer.
Afbeelding 5 Impressie stationsconfiguratie en de huidige situatie ter plaatse van veld 16 resp. 17
Behalve TR403 staan er op KIJ380 nog twee koppeltransformatoren, TR402 en TR401. Beide zijn driefasig uitgevoerd. Alle transformatoren op het station staan opgesteld langs dezelfde lijn, waarlangs een transportweg ligt. De 150kV-zijden van de transformatorvelden kruisen de transportweg naar een afspanportaal. Dit is weergegeven in afbeelding 6.
Ruimtelijke onderbouwing (concept)
9
omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380
Afbeelding 6 Transportweg langs transformatorcellen gezien vanaf toegangspoort
TR403 bestaat uit drie éénfasetransformatoren met een gezamenlijke capaciteit van 450 MVA. Aan primaire zijde bevindt zich het 380kV-schakelveld op veldpositie 10. Dit is weergegeven in afbeelding 7.
Afbeelding 7 Primaire zijde TR403 met schakelveld
10
Ruimtelijke onderbouwing (concept)
omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380
Afbeelding 8 Stationsoverzicht bestaande situatie
2.2
Planbeschrijving (beoogde situatie)
TenneT TSO is voornemens de bestaande vermogenstransformator TR403 plus toebehoren te vervangen door een nieuwe vermogenstransformator plus toebehoren. Het betreft de in afbeelding 9 met rood omkaderd vermogenstransformator TR403, welke inclusief toebehoren wordt verwijderd inclusief funderingen tot 2m onder maaiveld. Aan de noordwestkant van het complex wordt de nieuwe vermogenstransformator TR414 gerealiseerd, inclusief toebehoren (blauw omkaderd in afbeelding 9), waarbij een condensatorbank wordt geamoveerd (rood omkaderd in afbeelding 9). De eindsituatie is een nieuw transformatorveld met een nieuwe 500MVA-drie-fase-vermogenstransformator met een compensatiespoel van 100MVAr. Het nieuwe transformatorveld wordt aangesloten op de bestaande 150kV-verbinding richting het 150kV-station Krimpen aan den IJsseld.m.v. een ondergrondse kabelverbinding.
Ruimtelijke onderbouwing (concept)
11
omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380
Afbeelding 9 Stationsoverzicht nieuwe situatie (rood te amoveren, blauw nieuw)
De transformat wordt ingepakt in een geluidshuis. De hoogte van de scherfmuren aan beide korte zijden van de transformator worden circa 11m hoog. De hoogte van de ingepakte transformator, exclusief doorvoeringen, is circa 7m.
12
Ruimtelijke onderbouwing (concept)
omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380
Hoofdstuk 3
Uitvoerbaarheid
De gevolgen voor milieu- en omgevingsaspecten vormen een belangrijke afweging bij het al dan niet toelaten van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, die in strijd met het bestemmingsplan zijn. In dit hoofdstuk wordt de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling, de bouw van transformator in een geluidhuis, een compensatiespoel en dubbelschakelaarveld, inclusief een ondergrondse kabelverbinding met het 150kV station, beschreven aan de hand van diverse milieu- en omgevingsaspecten.
3.1
Omgevingsaspecten
De gevolgen voor milieu- en omgevingsaspecten vormen een belangrijke afweging bij het al dan niet toelaten van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, die in strijd met het bestemmingsplan zijn. In dit hoofdstuk wordt de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling, de bouw van een scherfmuur naast een transformator, beschreven aan de hand van diverse milieu- en omgevingsaspecten. 3.1.1
Bodem
3.1.1.1 Wettelijk kader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een santeringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren).
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht In de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) staat dat een omgevingsvergunning, voor het bouwen op een vermoeden van ernstig verontreinigde grond, pas in werking treedt nadat: er is vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; het bevoegd gezag heeft ingestemd met het saneringsplan; er een melding is gedaan van een voornemen tot saneren. Wet bodembescherming Als er sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan gelden de regels van de Wet Bodembescherming (Wbb). In de Wbb is een saneringsdoelstelling bepaald (het saneren naar de functie) en een saneringscriterium (wanneer moet er gesaneerd worden (bij zogenaamde “spoed- of risicolocaties”)).
Besluit bodemkwaliteit Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) geeft de lokale bevoegde gezagen de mogelijkheid om de bodemkwaliteit binnen hun gebied actief te gaan beheren binnen de gegeven kaders. Daarnaast worden de kwaliteit en de integriteit van belangrijke intermediairs bij bodemactiviteiten beter geborgd. In het besluit staan ook regels met betrekking tot het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie. 3.1.1.2 Onderzoek Arcadis Nederland B.V. heeft een vooronderzoek conform de NEN5725 uitgevoerd voor het vervangen van de 380 kV vermogenstranformator. De scope van dit (deel)project bestaat uit het realiseren van een nieuw transformatorveld op KIJ380 en een nieuwe 150kV-kabelverbinding richting KIJ150. Binnen de scope van dit project vallen de installaties van TenneT.
Ruimtelijke onderbouwing (concept)
13
omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380
Afbeelding 10 Deellocaties vooronderzoek (bron: milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, Arcadis, 1 april 2021)
Het doel van dit vooronderzoek is om relevante gegevens te verzamelen over de milieuhygiënische gesteldheid van de (water)bodem op de onderzoekslocatie. In het vooronderzoek wordt aanbevolen PM Uit het bodemonderzoek (zie bijlage) blijkt dat PM
3.1.1.3 Conclusie PM voorbeeld: De resultaten van dit verkennend bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygienische conditie van de bodem vormt na sanering geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
3.1.2
Geluid en trillingen
3.1.2.1 Geluid In onderstaande afbeelding 12 wordt de ligging van het transformatorstation ten opzichte van de omgeving aangeduid. In deze afbeelding wordt tevens de ligging van de zonegrens gegeven.
14
Ruimtelijke onderbouwing (concept)
omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380
Afbeelding 12 ligging zonegrens en rekenpunten
Door Peutz is een onderzoek uitgevoerd naar de geluidniveaus in de omgeving ten gevolge van het transformatorstation te Krimpen aan den IJssel, voor de bestaande en de toekomstige situatie. Ter plaatse van de woningen worden voor de actuele situatie langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus berekend van ten hoogste 39 dB(A). Deze waarden voldoen ruimschoots aan de vastgestelde MTG-waarden. De berekende waarden zijn minimaal 16 dB lager, minimaal 11 dB lager en minimaal 6 dB lager dan de vastgestelde MTG-waarde. Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus Na vervanging van transformator TR403 door transformator TR414 zullen de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus bij de woningen in alle gevallen lager worden (tot 4 à 5 dB lager). De langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus bedragen dan ten hoogste 37 dB(A). In alle gevallen is sprake van een verbetering van de geluidsituatie. Deze verbetering is het gevolg van de toegepaste geluidreducerende maatregelen in de vorm van plaatsing van een relatief geluidarme transformator in een
Ruimtelijke onderbouwing (concept)
15
omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380 gesloten gebouw.
Af beelding 13 Langtijdgemiddelde beoordelingsniv eaus bij de woningen aan de Burg. Lepelaarsingel
Maximale geluidniveaus Uit de rekenresultaten blijkt dat in de toekomstige situatie bij de woningen enigszins hogere maximale geluidniveaus (piekgeluiden) kunnen optreden (tot ten hoogste 62 dB(A)). Eén en ander is het gevolg van de geringere afstand van de nieuwe vermogensschakelaars ten opzichte van de woningen. Normaliter treden deze piekgeluiden uitsluitend in de dagperiode op en dan hooguit enkele malen per jaar. De maximale geluidniveaus voldoen ruimschoots aan de normaliter gehanteerde grenswaarden 70 dB(A) in de dagperiode. Gelet op het incidentele karakter worden de berekende maximale geluidniveaus toelaatbaar geacht ondanks het feit dat mogelijk sprake is van een (overigens geringe) overschrijding van de vigerende geluidgrenswaarden. Laagfrequent geluid Door Peutz is voor de woonomgeving een inschatting gegeven van de verwachte laagfrequente geluidniveaus. De NSG-richtlijn 'laagfrequent geluid' wordt mogelijk overschreden bij 100 Hz. Het is daarmee niet uit te sluiten dat sprake zal zijn van hoorbaarheid/waarneembaarheid van de laagfrequente geluidniveaus. Een en ander is evenwel afhankelijk van de opbouw van de gevels van de woningen, de afmetingen van de ruimte, de inrichting en de aan- of afwezigheid van ander geluid. Ook de persoonlijke gehoordrempel/gehoorgevoeligheid speelt hierbij een rol.
De totale geluidniveaus in dB(A) zullen in de toekomstige situatie lager zijn dan in de actuele situatie. Binnen de woningen zullen optredende laagfrequente geluidniveaus in alle gevallen eveneens lager zijn dan in de actuele situatie. Daarbij zullen de binnen optredende laagfrequente geluidniveaus in de toekomstige situatie lager zijn de toetswaarde van 39 dB (bij 100 Hz) volgens de Vercammen-curve. De volledige resultaten kunnen worden gelezen in Bijlage 4. Betekenis voor het project Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project. In de toekomstige situatie zal de hinder als gevolg van laagfrequent geluid afnemen. De laagfrequente geluidniveaus voldoen bij 100 Hz aan het Vercammencriterium. Hiermee wordt eventuele hinder als gevolg van laagfrequent geluid aanvaardbaar geacht. Het geluidhuis is een gebouw waarvoor van het bestemmingsplan moet worden afgeweken. Een gebouw mag immers uitsluitend binnen een bouwvlak worden gerealiseerd en een gedeelte van het geluidhuis komt buiten het bouwvlak.
16
Ruimtelijke onderbouwing (concept)
omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380
3.1.2.2 Trillingen Trillingshinder treedt op waar trilling gevoelige objecten dicht op de trillingsbron liggen. Eventuele trillingen vanuit de vermogenstransformator zullen zich via de bodem verplaatsen naar de omgeving. Hoewel duidelijke toetscriteria ontbreken, wordt vaak als vuistregel een kritische afstand van 50 meter gehanteerd. Daar de dichtstbijzijnde trilling gevoelige objecten (woningen) zich aanzienlijk verder bevinden, is de verwachting dan ook dat trillingshinder geen rol speelt in het onderhavige project
3.1.3
Luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritische stoffen zijn stikstofdioxide en fijnstof. Voor de andere in de Wet milieubeheer genoemde stoffen, wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan aan de vereisten.
Op grond van artikel 5.16 Wet milieubeheer verlenen college van burgemeester en wethouders alleen een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan wanneer aannemelijk is dat gemaakt dat: het vergunde plan niet leidt niet tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden, of; de luchtkwaliteit als gevolg van het vergunde plan per saldo verbetert, of ten minste gelijk blijft, of bij een beperkte toename, door een met de ontwikkeling samenhangende maatregel of effect, per saldo verbetert, of; het vergunde plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen, of; de ontwikkeling is opgenomen of past in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Het afwijken van de toegestane bouwhoogte en bouwvlak in het bestemmingsplan heeft geen impact op de luchtkwaliteit. Dit zorgt namelijk niet voor een toename van verkeer, ook hierdoor kan er dus geen sprake zijn van uitstoot van vervuilende stoffen. Het project draagt hierdoor niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging, zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Enkel tijdens het realiseren van de bouwwerken is er zeer tijdelijk en lokaal sprake van een toename van verkeer. Ook deze draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Betekenis voor het project.
Omdat het plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging, vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
3.1.4
Bedrijven en milieuzonering
Met het oog op een goede ruimtelijke ordening is een scheiding tussen milieubelastende activiteiten en milieugevoelige objecten wenselijk. Op deze manier wordt enerzijds hinder en gevaar op gevoelige functies, zoals woningen, voorkomen of zoveel mogelijk beperkt, en anderzijds wordt voldoende zekerheid geboden aan bedrijven, zodat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. De brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG) uit het jaar 2009 geeft een advies over richtafstanden. De VNG-publicatie geeft overigens richtlijnen aan. Van deze richtlijnen mag gemotiveerd worden afgeweken. Voorliggend plan ziet toe op een bestaand onderstation waardoor het elektrisch vermogen van de transformatoren op het terrein hoger is dan 200 MVA. In de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”
Ruimtelijke onderbouwing (concept)
17
omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380 worden elektriciteitsdistributiebedrijven met een transformatorvermogen van 200-1.000 MVA aangemerkt als een categorie 4.2 bedrijf met een indicatieve richtafstand van 300 meter. Het aspect geluid is het maatgevende (potentiele) hinderaspect die bepalend is voor deze maat. Binnen de indicatieve richtafstand bevinden zich hindergevoelige bestemmingen. De meest nabijgelegen woning ligt op ca 140 meter van het stationsterrein. Een directe toetsing aan de VNG-richtlijn is niet aan de orde omdat het plan ziet op vervanging van een bestaande (buiten opgestelde) transformator door een (binnen opgestelde) transformator op een locatie binnen het bestaande station. Geluid Om te bepalen of de locatie geschikt is voor het beoogde gebruik, is gebruik gemaakt van het door Peutz uitgevoerde akoestisch onderzoek naar de representatieve bedrijfssituatie (zie paragraaf Geluid). Magnetische velden De Europese Unie heeft - in een aanbeveling (1999/519/EG) - een referentieniveau van 100 microtesla voor bescherming van leden van de bevolking vastgelegd. Deze waarde wordt in Nederland op voor het publiek toegankelijke plaatsen niet overschreden, ook niet in de buurt van hoogspanningslijnen. Het voorzorgbeleid van het ministerie van VROM zoals dat is vastgelegd in het beleidsadvies uit 2005, gaat een stap verder.
Gemeenten en netbeheerders wordt geadviseerd nieuwe situaties te voorkomen waarin kinderen langdurig worden blootgesteld aan een veldsterkte die (jaargemiddeld) hoger is dan 0,4 microtesla. In navolging hiervan is door Petersburg consultants in 2017 onderzoek verricht naar de ligging van de jaargemiddelde 0,4 microtesla magneetveldzone rondom het hoogspanningsstation (zie Bijlage 1) vanwege uitbreidingen aan en rond het station destijds. WSP heeft op 05-03-2021 de magnetische fluxdichtheid (in microtesla) opnieuw berekend ter plaatse van de gevels van de dichtstbijzijnde woningen voor 2 scenario's van het station (zie Bijlage 2). De magnetische fluxdichtheid ter plaatse van beide woningen is in de nieuwe situatie lager met de uitbreiding van veld 17 in de 380kV-schakelinstallatie van station Krimpen. Dit is mogelijk te verklaren met de stroomrichting in schakelvelden 15 en 16, deze stroomrichting is tegengesteld aan die van het nieuwe veld 17. Omdat de magneetveldsterkte op de gevels van de dichtstbij gelegen woningen terugloopt van 0,10 naar 0,08 micro Tesla zal de in 2017 bepaalde contourlijn in de nieuwe situatie dichter naar de omheining van het station komen te liggen. De situatie wordt dus iets gunstiger dan in 2017 berekend.
Betekenis voor het project De afstand tot milieugevoelige functies wordt door de beoogde ontwikkeling, die plaatsvindt op het terrein van het station, niet verkleind. De magneetveldzone komt in de nieuwe situatie dichter naar de omheining van het station te liggen waardoor de situatie gunstiger wordt dan in 2017 berekend. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project. 3.1.5
Externe Veiligheid
De wetgeving voor externe veiligheid is gericht op het beperken van de veiligheidsrisico’s voor verschillende risicobronnen. Een transformatorcel met bijbehorende voorzieningen is conform het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) geen risicovolle inrichting. Uit het raadplegen van de risicokaart (Risicokaart.nl) blijkt dat het niet om Bevi-inrichtingen gaat. Gezien de aard van de beoogde ontwikkeling, wordt nader onderzoek naar externe veiligheid niet nodig geacht.
Betekenis voor het project Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project. Het betreft een bestaand station waar nu op onderdelen afwijkend wordt gebouwd dan dat in de regels van het vigerende bestemmingsplan is toegestaan. Dit heeft geen gevolgen voor het aspect externe veiligheid.
18
Ruimtelijke onderbouwing (concept)
omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380
3.1.6
Water
Waterveiligheid In het Nationaal Waterplan is de meerlaagsveiligheid of veiligheidsketen geïntroduceerd. Dit houdt in dat de waterveiligheid op drie manieren moet worden geborgd, te weten: voorkomen van een overstroming beperken van de gevolgen van een overstroming het bestrijden van calamiteiten en rampen Het voorkomen van overstromingen richt zich op de waterkeringen. De waterkeringen op orde te brengen en te houden het primaire doel. Het is de taak van het hoogheem-raadschap om de waterkeringen veilig en robuust te houden. Daarbij constant zoekend naar de balans tussen de belangen en wensen van omgeving en wat het beheer en veiligheidsvraagstuk vereist van een waterkering. Ook gericht op klimatologische ontwikkelingen in de komende decennia. Behalve door het verkleinen van de overstromingskans (versterken van waterkeringen) kan het overstromingsrisico worden verkleind door de gevolgen van een overstroming te beperken. Het beperken van de gevolgen van een overstroming heeft betrekking op de inrichting van een gebied. Wanneer onverhoopt toch een overstroming plaatsvindt, moet de schade zo klein mogelijk zijn. Met de juiste inrichtingsmaatregelen kan de schade door een overstroming zo veel mogelijk worden beperkt. Hierbij kan worden gedacht aan: het positioneren van gebruiksintensieve bebouwing (o.a.
ziekenhuizen en scholen) in minst onveilige delen/hoger gelegen delen van het gebied vloerniveau boven inundatiepeil, geen kelders/souterrains of inrichting met niet gevoelige objecten; functies toegestaan in benedenverdieping terpen, verhoogde delen aanbrengen van vluchtwegen en calamiteiten routes Watersystemen/Waterkwantiteit In het Waterbeheerplan beschrijft het hoogheemraadschap welke plannen het heeft om het gebied te beschermen tegen het water en te zorgen voor schoon en voldoende water. Daarnaast werkt het hoogheemraadschap met gemeenten en beheerders van gebieden in de regio. Voor iedere gemeente en voor de verschillende gebieden is een waterplan opgesteld. De gemeente Krimpen aan den IJssel heeft in 2017 het 'Waterplan Krimpen aan den IJssel' opgesteld. Met dit plan willen het hoogheemraadschap en gemeente Krimpen aan den IJssel de samenwerking voortzetten. Hierin is beschreven hoe de gemeente en het hoogheemraadschap de komende jaren willen omgaan met het water voor de periode 2017-2021. Het uitgangspunt voor het watersysteem is het faciliteren van de ruimtelijke functies en belangen in het gebied. Over het algemeen functioneert het watersysteem het best met grote, robuuste eenheden. Het streven is daarbij om bij ontwikkelingen zo groot mogelijk aaneengesloten peilgebieden te creëeren en te behouden en lokale afwijkende peilen zoveel mogelijk op te heffen.
De te handhaven waterpeilen zijn vastgelegd in onze peilbesluiten. Het waterpeil wordt gehandhaafd door peilregulerende kunstwerken, zoals gemalen en stuwen en mag niet zonder goedkeuring van het hoogheemraadschap worden aangepast. De hoofdwatergangen vormen de hoofdinfrastructuur van het watersysteem. De primaire functie van de hoofdwatergangen is de aan- en afvoer van water. De functie van ander oppervlaktewater is vooral waterberging en heeft in principe de status 'overig water'. Hoofdwatergangen zijn over het algemeen ruim zodat ze voldoende doorstroomprofiel hebben. Het systeem moet robuust genoeg zijn om hevige neerslag binnen het peilgebied te kunnen opvangen alvorens af te wentelen op naburig gebied. Voor de oevers langs open water wordt gestreefd naar een onderhoudsvriendelijke inrichting (inclusief bereikbaarheid). Voor hoofdwatergangen geldt standaard een zgh. Keurzone van tenminste vijf meter
Ruimtelijke onderbouwing (concept)
19
omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380 aan weerszijden van de watergang. Uitgangspunt is dat ontwikkelingen geen negatief hebben op de waterhuishouding van de omgeving. Landelijk is dit waterbeleid opgenomen in het Waterbeheer 21e eeuw - WB21 (vasthouden, bergen en dan pas afvoeren van water) en in het NBW (actueel). Dit houdt in dat waterafvoer uit het gebied niet mag toenemen en het probleem dus niet wordt afgewenteld op andere gebieden. De compensatie van negatieve effecten van een ruimtelijke ontwikkeling bestaat uit verschillende aspecten. Er worden 3 typen compensatie onderscheiden: aanvullen van het te dempen wateroppervlak compensatie voor het aanbrengen van extra verharding in een gebied realiseren van extra waterberging om de wateropgave in het gebied te verminderen Watersystemen/onderhoud en inrichting Voor water is ruimte nodig. Het advies is ruime watergangen met flauwe oevers aan te leggen. Om een gezond watersysteem te ontwikkelen moet water beschikken over voldoende licht en lucht. Onder gezond water verstaan we voldoen aan GEP (waterlichamen) en voldoen aan STOWA klasse 3 (overig water). Bomen, hoge bebouwing, bebouwing boven water en steigers en vlonders geven schaduw en bladval. Bladval heeft een negatief effect op de waterkwaliteit door voedselrijkdom en baggeraanwas. Schaduwwerking over grote wateroppervlakken leidt eerder tot dood water.
Probeer overkluizingen, bomen en bebouwing langs het water bij nieuwe ontwikkelingen te voorkomen. Wanneer andere belangen of ontwikkelingen dergelijke bouwwerken of beplanten verlangen, beperk het dan tot een zo klein mogelijk oppervlak en kies een gunstige locatie rekening houdend met de zonnestand en overheersende windrichtingen. Ook wanneer het oppervlaktewater betreft dat niet in het plangebied is gelegen. Zorg voor goede zichtbaarheid op het water of voor een goede afscheiding in gebieden waar veel kinderen verblijven, bijv. in kinderrijke gebieden of bij scholen/opvang. In het beheergebied van Schieland en de Krimpenerwaard komen op veel plaatsen slappe bodems voor met een geringe bodemstabiliteit. Dit komt doordat er een fragiel evenwicht bestaat tussen het gewicht van het grondpakket dat aan de oppervlakte ligt en de druk van het diepe grondwater. Hierdoor kan de waterbodem plaatselijk loslaten en omhoog worden gedrukt. Dit fenomeen doet zich met name voor bij grote wateroppervlakken. Per gebied moet aan de hand van de aspecten ecologie, waterhuishouding en technische mogelijkheden (BBT) en financieren een afweging worden gemaakt welke methode of techniek van grond-verbetering het beste is. Bij het ontwerp van een plan moet goed rekening worden gehouden met het onderhoud van het watersysteem.
Het oppervlaktewater moet bereikbaar zijn voor het onderhoudsmaterieel (belastingstype landbouwmaterieel). Zorg voor goed toegankelijke oevers en te water laat plaatsen en voorkom obstakels als bomen, lantarenpalen en bebouwing direct langs de oever. Deze zogeheten 'onderhoudsstroken' zijn bij hoofdwatergangen tenminste vijf meter. Zie ook de legger van de watergangen, waarin deze waterstaatswerken zijn opgenomen. Daarbij: Water en onderhoudsstroken vastleggen op verbeelding en voorwaarden opnemen in regels, zie ook "Watersystemen/waterkwantiteit". Reserveer ruimte voor onderhoud langs oevers watergangen.
Watersystemen/waterkwaliteit en ecologie Het bereiken van een goede (ecologische) waterkwaliteit is om meerdere redenen een belangrijke opgave. Enerzijds volgt dit vanuit Europese wet- en regelgeving. De Europese Kaderrichtlijn Water stelt dat de huidige en toekomstige waterlichamen in 2015 moeten voldoen aan het Goed Ecologisch
20
Ruimtelijke onderbouwing (concept)
omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380 Potentieel (GEP: ecologisch doel specifiek voor belangrijke delen van het watersysteem) in 2015. Daarnaast hanteert het hoogheemraadschap het algemene beleid dat de waterkwaliteit in alle overige wateren moet voldoen aan 'STOWA klasse III'. Anderzijds is vanuit het perspectief en ambitieniveau van het toekomstige wonen, werken en recreëren een goede water- en ecologische kwaliteit gewenst. Voor de nieuw in te richten gebieden betekent dit dat we meteen streven naar een stabiel, helder en waterplantenrijk waterecosysteem. De manier waarop het watersysteem wordt ingericht, is hiervoor in belangrijke mate bepalend. Behalve de inrichting, zijn ook de gebiedseigenschappen bepalend voor welke water- en ecologische kwaliteit er kan worden behaald. Een geschikte methode om per gebied passende en haalbare doelen en maatregelen af te leiden is de methodiek van de waterkwaliteitsbeelden. Daarbij wordt per watertype of deelgebied op grond van de huidige kwaliteit en gebiedseigenschappen afgeleid welke kwaliteit haalbaar is en welke maatregelen er zijn om het meest effectief de gewenste doelen te halen. Uitgangspunt is dat vervuiling van het watersysteem (en het milieu) moet worden voorkomen. Bij ontwikkelingen moeten geen nieuwe vervuilingsbronnen worden geïntroduceerd.
Uitlogende metalen, PAK's, bepaalde coatings en andere stoffen kunnen leiden tot belasting van het oppervlakte- en grondwater. Wanneer afstromend water (licht) verontreinigd is, moet het afstromend worden gezuiverd met behulp van zuiveringsvoorzieningen. In het ontwerp van het watersysteem wordt uitgegaan van het principe schoon houden, scheiden, zuiveren (3-traps-strategie waterkwaliteit). Verontreinigingen worden in beginsel voorkomen, vervolgens worden deze aangepakt bij de bron. Riolering Waterkwaliteit heeft een duidelijk relatie met de riolering. Overstorten hebben in delen van de stedelijke gebieden grote invloed op de waterkwaliteit. Overstorten vanuit gemengde stelsels zijn niet toegestaan. Bij gescheiden rioolstelsels moet rekening worden gehouden met de materiaalkeuze voor dakbedekking en hemelwaterafvoeren (geen uitlogende materialen). Bij straatinrichting moet voor milieuvriendelijke, zoveel mogelijk waterdoorlatende, materialen worden gekozen.
Bij nieuwe ontwikkelingen wordt in de waterparagraaf beschreven hoe in de nieuwe ontwikkeling het afvalwater en hemelwater geregeld is. De nadere uitwerking hiervan is in het ontwerp van het rioolstelsel van de nieuwe ontwikkeling opgenomen. Dit ontwerp wordt opgesteld in samenspraak met de gemeente en het hoogheemraadschap en maakt na goedkeuring onderdeel uit van het Gemeentelijk RioleringsPlan (GRP). In het rioolontwerp moet het volgende meegenomen worden: 1. Bij nieuwe ontwikkelingen en in nieuw in te richten gebieden geeft het hoogheemraadschap de voorkeur aan een (verbeterd) gescheiden stelsel. Dit om te voorkomen dat er geen schoon hemelwater naar de zuivering wordt afgevoerd. 2. Capaciteit hoofdtransportleiding en zuivering. Wanneer het aanbod van afvalwater toeneemt doordat nieuwe woningen of bedrijven worden gebouwd, kan het betekenen dat de capaciteit van het rioolstelsel, de rioolgemalen of de zuivering moet worden uitgebreid. Deze uitbreidingen zijn vaak kostbaar en kosten tijd om voor te bereiden. Het is belangrijk dat de afdeling AWK overzicht heeft van de geplande ontwikkelingen zodat hier tijdig rekening mee kan worden gehouden. 3. De benodigde waterberging 4. De overstorten van het rioolstelsel op het oppervlaktewater. 5. De toename van het verharde oppervlak 6.
De zuiveringsvoorziening(en) Ruimtelijke relevantie De hoofdtransportleidingen, hoofdrioolgemalen en zuiveringen moeten planologisch worden beschermd in de ruimtelijke plannen. Genoemde objecten moeten op de verbeelding en in de regels van het bestemmingsplan worden opgenomen met een eigen (dubbel)bestemming. Houdt daarbij rekening met de geur- en geluidscontour rondom zuiveringen en rioolgemalen. Nieuwe functies nabij zuiveringen en gemalen kunnen een goede bedrijfsvoering in de weg staan en dat moet worden voorkomen.
Ruimtelijke onderbouwing (concept)
21
omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380
Aandachtspunten met betrekking tot riolering moeten worden beschreven in de waterparagraaf. Denk aan het type rioolstelsel, principes van duurzaam bouwen en het opstellen van een rioleringsplan. Grondwater en ontwatering Bij de inrichting van een gebied moet voldoende drooglegging worden toegepast om wateroverlast in de toekomst te voorkomen. Drooglegging is het verschil tussen het oppervlaktewaterpeil en het maaiveldniveau. Dit moet niet worden verward met de ontwateringdiepte, het verschil tussen het freatische grondwaterniveau en het maaiveldniveau. De ontwateringsdiepte is doorgaans kleiner dan de drooglegging door de opbolling van grondwater in de ondergrond.
Afbeelding 15 Verschil tussen drooglegging en ontwateringsdiepte. Bron: wikipedia
Te hoge grondwaterstanden kunnen leiden tot overlast. Veelal is bij een te kleine ontwateringdiepte een ophoging aangeraden. Waterpeil-verlagingen zijn niet toegestaan. Eventueel kunnen ook technische voorzieningen als drainage worden toegepast om de ontwateringsdiepte te vergroten. Controleer of er in of nabij het plangebied bestaande belangen voorkomen die gevoelig zijn voor veranderende grondwaterstanden (fundering op houten palen of fundering op staal). De bodemgesteldheid, mogelijke waterpeilstijging, gewenste functies en omgeving bepalen voor een belangrijk deel de passende drooglegging voor een gebied. Het blijft maatwerk per gebied. In veengebieden als de Krimpenerwaard is de drooglegging veel kleiner dan in Schielandse delen. In stedelijke gebieden van Schieland wordt vaak de volgende drooglegging geadviseerd: vloerpeil bebouwing: 1,3 m drooglegging hoofdwegen: 1,0 m drooglegging overige wegen: 0,7 m drooglegging Verontreiniging van het grondwatersysteem moet worden voorkomen. Let op dat er maatregelen worden getroffen bij grondwateronttrekkingen bij bodemverontreinigingen. Drainage moet zoveel mogelijk direct lozen op het oppervlaktewater (eventueel via de hemelwaterafvoer bij een gescheiden stelsel). Voorkom aansluitingen van drainage op de riolering (DWA en hemelwaterafvoer verbeterd gescheiden stelsel).
Grondwater is in principe schoon en zorg voor verdunning van het afvalwater en heeft daarmee een negatief effect op het rendement van de zuiveringen. Verticale drainages worden zoveel mogelijk voorkomen. Ruimtelijke doorwerking Huidige situatie Het watersysteem Krimpen aan den IJssel wordt begrensd door de IJsseldijk (aan de noordzijde), de Lekdijk (aan de zuidzijde) en de Breekade (aan de oostzijde). De kern Krimpen aan den IJssel ligt in één peilvak met een streefpeil van NAP -2,07 m (zie onderstaande afbeelding). Dit peilvak is groter dan alleen de gemeente Krimpen aan den IJssel, ook de kern Krimpen aan de Lek ligt voor een groot deel in
22
Ruimtelijke onderbouwing (concept)
omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380 ditzelfde peilvak. De gemiddelde drooglegging van het agrarisch gebied bedraagt 57 cm en de gemiddelde drooglegging van de kern Krimpen aan den IJssel is eveneens 57 cm.
Afbeelding 16 Themakaart waterkwantiteit (bron: Waterplan Krimpen aan den IJssel)
Volgens het Actueel Hoogtebestand bedraagt de maaiveldhoogte gemiddeld tussen de -1,70 m en – 1,30 m NAP. De bodem bestaat uit een kleidek op veen (bron: maps.bodemdata.nl)). Volgens de Bodemkaart van Nederland is ter plaatse van het plangebied sprake van grondwatertrap II. Dat wil zeggen dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand hier van nature minder dan 0,4 m beneden het maaiveld ligt, terwijl de gemiddeld laagste grondwaterstand tussen 0,5 m en 0,8 m beneden het maaiveld ligt. Het station KIJ380 wordt voor een groot deel begrensd door watergangen, geen hoofdwatergang zijnde.
Ruimtelijke onderbouwing (concept)
23
omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380
Afbeelding 17 Uitsnede plangebied (bron: www.dewatertoets.nl)
Toekomstige situatie Het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard kent een ondergrens van 500 m2 voor de toename van het verhard en bebouwd oppervlak bij nieuwe ontwikkelingen. Blijft de toename onder deze grens, dan wordt de negatieve invloed op het watersysteem beperkt geacht. TenneT TSO is voornemens de bestaande vermogenstransformator TR403 plus toebehoren te vervangen door een nieuwe vermogenstransformator plus toebehoren. Het betreft de in onderstaande afbeelding met kleur omkaderd vermogenstransformator, welke inclusief toebehoren wordt verwijderd. Aan de noordwestkant van het complex wordt de nieuwe vermogenstransformator gerealiseerd, inclusief toebehoren (kleur omkaderd). Er is sprake van een verhardingsafname van 4750m2 en realisatie van nieuw (semi)verhard oppervlak van 4050m2. Per saldo is er dus sprake van 800m2 verhardingsafname. Hierdoor is compensatie in de vorm van vervangend water niet nodig.
24
Ruimtelijke onderbouwing (concept)
omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380
Afbeelding 18 verhardingssituatie bestaand - nieuw
Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling is niet van invloed op de veiligheidssituatie in het plangebied. Het plangebied ligt buiten de kern- en beschermingszones van de waterkeringen. Op de risicokaart staan de risicogebieden m.b.t. overstromingen. Op onderstaande kaart gecombineerd met het landelijk hoogspanningsnet.
Afbeelding 19 Overstromingsrisicogebieden
Het station KIJ380 heeft een middelgrote kans tot overstroming. In risicogebieden worden de vitale schakelstations uitgevoerd als 'hoog water' station. De opstellingshoogte van apparatuur in het 'hoog water' station dient zodanig te zijn dat bedrijfsvoering onder extreme omstandigheden mogelijk blijft
Ruimtelijke onderbouwing (concept)
25
omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380
Watersysteemkwaliteit en ecologie Voor de ontwikkeling wordt gebruikgemaakt van niet-uitloogbare bouwmaterialen (geen zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen) om diffuse verontreiniging van water en bodem te voorkomen. Indien desondanks gebruik wordt gemaakt van uitloogbare materialen, dienen deze te worden voorzien van een coating om uitloging tegen te gaan.
Afvalwaterketen en riolering Afvalwater is aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in-) filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. In de voorliggende situatie ligt het voor de hand om hemelwater zoveel mogelijk af te voeren naar het aangrenzende oppervlaktewater.
Watertoets De watertoets is met ingang van 1 november 2003 wettelijk verplicht voor ruimtelijke plannen die vallen onder de Wet ruimtelijke ordening. In het Nationaal Bestuursakkoord Water-actueel (NBWactueel, juni 2008) hebben Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen onder meer afgesproken dat de watertoets ook wordt toegepast bij waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten die niet vallen onder de Wet ruimtelijke ordening. Dit houdt in dat in een vroegtijdig stadium overleg gepleegd wordt met de waterbeheerders. In het projectgebied wordt het waterbeheer gevoerd door het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. In het kader van de verplichte watertoets wordt na het aanmelden van het plan via www.dewatertoets.nl over deze ruimtelijke ontwikkeling overleg gevoerd met de waterbeheerder, waarna de opmerkingen van het Hoogheemraadschap worden verwerkt in deze waterparagraaf. De waterparagraaf is hiertoe in mei 2021 reeds toegestuurd aan het hoogheemraadschap.
3.1.7
Archeologie en cultuurhistorie
Gemeenten hebben de taak om bij de verlening van omgevingsvergunningen in de afweging rekening te houden met aanwezige en te verwachten archeologische waarden. Het gebied is in het bestemmingsplan ‘Langeland’ voorzien van dubbelbestemmingen. Voor de dubbelbestemming is het bouwen met bodemingrepen dieper dan 30 cm beneden maaiveld, afhankelijk van de bebouwingsoppervlakte, strijdig zonder een rapport van een archeologisch deskundige (archeologisch vooronderzoek) waarin de archeologische waarde van het terrein in voldoende mate is vastgesteld. Ook het indrijven van voorwerpen in de bodem en het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verbandhoudende constructies zonder omgevingsvergunning is, afhankelijk van de oppervlakte en diepte in strijd met de regels ruimtelijk ordening, zie artikel 21.3, 23.3 en 26.3.
Ter hoogte van de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 1 vindt amovatie van bestaande objecten plaats. Deze werkzaamheid valt buiten de strekking van artikel 21.3. Voor meer informatie over de amovatie in dit gebied wordt verwezen naar paragraaf 3.1.5 van het BO. Voor het aanleggen van een kabel binnen de zone met deze dubbelbestemming is een omgevingsvergunning benodigd omdat de
26
Ruimtelijke onderbouwing (concept)
omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380 oppervlakte meer is dan 50 m2. Binnen de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 4 wordt een veld gebouwd. Uitsluitend bouwen en werkzaamheden groter dan 10.000 m2 en dieper dan 1 meter beneden maaiveld zijn onderzoeksplichtig. Hiervan is geen sprake. In de zone met de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 2b geldt een onderzoeksplicht bij het bouwen of bij werken/ werkzaamheden dieper dan 8 meter beneden maaiveld en groter dan 100 m2. Deze grenzen worden overschreden door de funderingen. Op grond van artikel 23.2 dient de aanvraag omgevingsvergunning te worden vergezeld van een rapport van een archeologisch deskundige (archeologisch vooronderzoek) waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. Door Arcadis is een bureauonderzoek gedaan, zie Bijlage 5. Vervolgonderzoek voor de geplande ingrepen wordt daarin niet geadviseerd. Er is geen verwachting op archeologische resten van de terpen en de rivierduin wordt zo minimaal verstoord dat archeologisch vervolgonderzoek geen toegevoegde waarde zal hebben. Wel wordt er aangeraden dat de uitvoerende partij rekening houdt met eventuele toevalsvondsten in de veenlagen.
(Andere) werken en werkzaamheden die de onderzoeksgrens overschrijden worden niet verwacht binnen het plangebied (anders dan het aanbrengen van de funderingen die onderdeel vormen van de activiteit bouwen). Betekenis voor het project Vanuit het aspect archeologie zijn geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het project te verwachten. 3.1.8
Ecologie
Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen invloed hebben op de natuur. De Wet natuurbescherming bevat alle regels voor de bescherming van zowel soorten als natuurgebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de mogelijke effecten van het project op de beschermde natuurwaarden. Arcadis is gevraagd om een quickscan uit te voeren waarbij ecologische risico´s en eventuele vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) inzichtelijk worden gemaakt. De rapportage is te vinden in Bijlage 6. Op basis van voorliggende quickscan is geconcludeerd dat het projectgebied geen essentiële functie heeft voor (beschermde) soorten. Negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden zijn daarom uitgesloten. In het kader van de Wnb zijn verdere vervolgstappen niet aan de orde. Wel dient te allen tijde rekening gehouden te worden met de zorgplicht; mocht er onverhoopt toch een soort binnen het projectgebied voorkomen en deze is niet in staat om op eigen krachten het terrein te verlaten, dient in overleg een deskundig ecoloog bepaald te worden hoe er gehandeld moet worden. De gebruiksfase leidt niet tot een toename aan verkeer. De aanlegfase (de werkzaamheden zelf) kan gepaard gaan met emissie van stikstof. Om de werkzaamheden uit te kunnen voeren, wordt gebruikt gemaakt van verschillend materieel.
Deze machines kunnen onder andere stikstof uitstoten. Deze emissie (stikstofdepositie) kan zich over een afstand van meerdere kilometers verplaatsen en zodoende van invloed zijn op het Natura 2000-gebied 'Biesbosch'. De toename aan stikstofdepositie kan leiden tot negatieve effecten op de diverse stikstofgevoelige habitattypen. Om de hoeveelheid stikstofdepositie te bepalen, is een AERIUS-berekening uitgevoerd (zie Bijlage 7). Mits voldoende rekening wordt gehouden met de inzet van materieel kan depositie worden voorkomen. Betekenis voor het project Vanuit het aspect ecologie zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het project.
Ruimtelijke onderbouwing (concept)
27
omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380
3.1.9
Niet gesprongen explosieven
Aangezien eventueel aanwezige Ontplofbare Oorlogsresten (verder “explosieven” en “OO”) een risico vormen voor de uit te voeren werkzaamheden, is het van belang dat de kans op het aantreffen van explosieven in het onderzoeksgebied onderzocht wordt. In verband daarmee is door T&A Survey een Vooronderzoek Explosieven/ Ontplofbare Oorlogsresten uitgevoerd (zie Bijlage 8). De analyse van het feitenmateriaal uit de inventarisatie heeft tot de conclusie geleid dat er geen explosieven (meer) in het onderzoeksgebied te verwachten zijn. Het onderzoeksgebied is daarmee onverdacht gebied. Grondroerende werkzaamheden binnen het onderzoeksgebied kunnen op reguliere wijze worden uitgevoerd.
3.2
Financiele uitvoerbaarheid
Bij een omgevingsvergunning voor planologisch afwijken van het bestemmingsplan dient op grond van artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid. Tevens verplicht de Wro dat bepaalde plankosten op de initiatiefnemer kunnen worden verhaald. Het gaat hierbij om de plankosten en de kosten van ontwikkelingen die de gemeente redelijkerwijs moet maken, zoals de aanleg van voorzieningen van openbaar nut.
In afdeling 6.4 Wro wordt een publiekrechtelijk stelsel beschreven waarbinnen gemeenten eisen kunnen stellen aan de grondexploitatie. Dit instrumentarium is aanvullend van aard, aangezien het de gemeente en de initiatiefnemer vrij staat om privaatrechtelijke afspraken vast te leggen. Dergelijke afspraken zijn mogelijk in een anterieure (indien er nog geen exploitatieplan is vastgesteld) of posterieure overeenkomst (indien er wel al een exploitatieplan is vastgelegd).
In artikel 6.12 Wro is bepaald dat de gemeenteraad verplicht is om, voor de gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen, een exploitatieplan vast te stellen. In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening zijn deze categorieën van bouwplannen opgenomen. Het onderhavige project valt niet binnen de genoemde categorieën. Een exploitatieplan is niet benodigd.
De gronden zijn in eigendom van TenneT. Zij draagt de kosten voor de voorbereiding en realisatie van het project. Omdat het een bouwplan in de zin het Bro betreft, worden kosten die door gemeente Bronckhorst worden gemaakt ten behoeve van de omgevingsvergunning voor de het buitenplans afwijken van het bestemmingsplan, via leges bij de initiatiefnemer verhaald.
3.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Er is al jarenlang contact met een aantal (wisselende) personen die zich steeds hebben voorgesteld als de vertegenwoordigers van de bewoners. De bezwaren die door de bewonersvertegenwoordiging steeds zijn geuit gaan met name over de geluidsoverlast. In juli 2020 is de bewonersvertegenwoordiging per brief geïnformeerd over de keuze van TenneT om de nieuwe transformator te plaatsen aan de noordzijde van het station. Daarna is de bewonersvertegenwoordiging verenigd als BOTIK. Het plan tot vervanging van de transformator TR403 door een veel stillere transformator draagt bij aan vermindering van de geluidoverlast, ook bij plaatsing in een geluidhuis aan de noordzijde van het station. Vanuit haar wettelijke taak als landelijk netbeheerder is TenneT omwille van de leveringszekerheid verantwoordelijk voor een robuust en veilig hoogspanningsnet. Hiervoor moet het net regelmatig word
28
Ruimtelijke onderbouwing (concept)
omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380 uitgebreid met nieuwe assets, of zullen assets moeten worden gewijzigd of vervangen. De vervanging van de verouderde vermogens-transformatoren en de compensatiespoel op het hoofspanningsstation in Krimpen aan den IJssel is een groot maatschappelijke belang. De bewonersvertegenwoordiging is veelvuldig mondeling en schriftelijk geinformeerd over de belangenafweging, onderzochte alternatieven, geluidmaatregelen en keuzes die TenneT maakt. Ook is er gelegenheid geboden het station te bezoeken en vragen te stellen. De gehele woonwijk ten noordwesten van het hoogspanningsstation is eveneens per informatiebrief geinformeerd over de transformatorvervanging. Omdat slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a onder 3° Wabo is de ‘uitgebreide voorbereidingsprocedure’ van artikel 3.10 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van toepassing. Hiertoe wordt het ontwerpbesluit 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende de periode dat het ontwerpbesluit ter inzage ligt zal er een informatiebijeenkomst worden georganiseerd voor geinteresseerde omwonenden. Wanneer er zienswijzen worden ingediend worden deze betrokken bij de besluitvorming.
Ruimtelijke onderbouwing (concept)
29
omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380
Hoofdstuk 4
Beleidskader
4.1
Rijksbeleid
4.1.1
Nationale Omgevingsvisie
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kan worden ingespeeld op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050, brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Het Rijk wil sturen op en richting geven aan nationale belangen. Die komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied.
Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Betekenis voor het project Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een NOVI-gebied. De ontwikkeling voorziet in ruimte voor energietransitie en past daarmee binnen de prioriteiten van de NOVI. Verder is het plan niet in strijd met de NOVI. 4.1.2
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. Deze structuurvisie geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. De SVIR vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het de ruimtelijke doelen en uitspraken in de PKB Tweede structuurschema Militaire terreinen, de agenda landschap, de agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. Daarmee is de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van
30
Ruimtelijke onderbouwing (concept)
omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380 huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Wel zijn er 13 nationale belangen opgenomen in de SVIR, die nader zijn uitgewerkt in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening.
Eén van de nationale belangen die zijn benoemd in de SVIR is 'Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en energietransitie'. De beoogde ontwikkeling heeft raakvlakken met dit nationaal belang. Aanpassingen op een hoogspanningsstation zijn ook noodzakelijk voor de energievoorziening en de energietransitie.
Betekenis voor het project De meeste van de nationale belangen uit de SVIR zijn niet van betekenis voor dit project. Het project draagt bij aan het nationaal belang 'Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en energietransitie' en er is geen strijdigheid met de overige belangen uit de SVIR.