CConstaterende datKrimpen Ad Ijssel
Koppel je AI →
Document · PDF

2024-05-17 Bijlage 1 bij RIB - Evaluatie Verordening Woonruimtebemiddeling 2020 regio Rotterdam

Beeldvormende commissie 6 juni 2024, gemeente Krimpen Ad IjsselBij agendapunt: Verordening Woonruimtebemiddeling Krimpen aan den IJssel (circa 21.00 uur)7.016 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Evaluatienotitie Aan: Van: Onderwerp: Datum:

Wethouders Wonen Wouter Schepers (RIGO) Evaluatie woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 18 oktober 2023

In de regio Rotterdam wordt gewerkt aan een regionaal afgestemde huisvestingsverordeningstekst. De eerste stap in dit traject is het evalueren van het huidige woonruimtebemiddelingsbeleid en de bijbehorende huisvestingsverordeningstekst.

Omdat het traject richting een regionaal afgestemde verordeningstekst gepaard met een vrij strakke planning – om zodoende voldoende tijd over te laten voor een lokaal proces t.b.v. het vaststellen van de 12 verordeningen in de regio – is gekozen voor een evaluatie met een korte doorlooptijd. Het doel van deze notitie is dan ook niet zozeer een uitputtende, volledige en doorwrochte evaluatie: we beogen vooral dat wethouders – alvorens met elkaar op 27 oktober a.s. het gesprek aan te gaan over de toekomst van de regionale woonruimtebemiddeling – een gezamenlijk basisbeeld hebben van (de effecten van het huidige beleid op) de woningmarkt en wat belanghebbenden erover hebben gezegd. Centraal in deze evaluatie staat een cijfermatige analyse van de woonruimtebemiddeling in de regio Rotterdam over de periode 2019-20231. We hebben de thema’s druk op de sociale huurwoningmarkt, verhuisbewegingen binnen de regio en de huisvesting van urgenten en bijzondere doelgroepen onderzocht. De regio bestaat uit de twaalf gemeenten Rotterdam, Ridderkerk, Barendrecht, Albrandswaard, Lansingerland, Capelle aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel, Maassluis, Vlaardingen, Schiedam, Nissewaard en Voorne aan Zee2: er wordt zowel op het niveau van de regio als op het niveau van gemeenten gerapporteerd. Voor de analyse hebben we gebruik gemaakt van de Monitor woonruimtebemiddeling regio Rotterdam3.

Naast de data-analyse zijn interviews gehouden met diverse relevante partijen en zijn relevante documenten bestudeerd.

1

Waar mogelijk hebben we al de recent beschikbare gegevens over de eerste helft van 2023 meegenomen. 2 Sinds 1 januari 2023 zijn de gemeenten Brielle, Westvoorne en Hellevoetsluis gefuseerd in de gemeente Voorne aan Zee. In deze evaluatie kijken we nog terug naar de stand van zaken in de drie voormalige gemeenten. 3 Maaskoepel, SvWrR & Gemeente Rotterdam (2019 t/m 1e helft 2023) Monitor woonruimtebemiddeling regio Rotterdam.

De personen waarmee evaluatiegesprekken zijn gehouden, zijn:         

(BHR) (SUWR) (Maaskoepel) (Ressort Wonen) & (Leger des Heils) , , en (Onderwijsdeskundigen van o.a. Stichting BOOR) & (Matchmakers Wonen Gemeente Rotterdam) & (medewerkers Ombudsvrouw Rotterdam) Beleidsadviseurs van gemeenten en corporaties in de regio (groepsgesprek)

Met urgentieverleners (groepsgesprek) en de Pauluskerk staan nog interviews gepland (deze konden dus nog niet verwerkt worden in deze notitie). Voor de deskstudie zijn de volgende documenten bestudeerd:     

Regioakkoord Wonen (2019 en 2022) Bouwmanifest (2020 en 2022) Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020 Regionale Woonvisie De jaarverslagen van Maaskoepel, de BHR en de SUWR (2019 t/m 2022)

Leeswijzer In de paragrafen 1 tot en met 3 staan de cijfers centraal: wat zien we als we terugblikken op de afgelopen jaren: welke ontwikkelingen zijn zichtbaar, wat valt op? In de paragrafen 4 staat niet zozeer het functioneren van de sociale huurmarkt (zoals deze uit de cijfers blijkt) centraal, maar vooral het woonruimteverdeelsysteem en/of concrete zaken rondom de huisvestingsverordeningstekst. Deze zaken zijn voortgekomen uit de interviews en/of de documentanalyse.

1

Druk op de sociale huursector In deze paragraaf schetsen we aan de hand van een aantal indicatoren een beeld van de druk op de sociale huursector in de regio Rotterdam. We onderzoeken het aantal actief woningzoekenden in de sector in de afgelopen jaren, we bekijken het aantal reacties op aangeboden woningen en beschouwen het aantal verhuringen. Ook laten we ontwikkelingen zien in de inschrijftijd en slaagkansen van woningzoekenden. We onderzoeken de ontwikkelingen op regionaal niveau, maar zoomen ook in op de afzonderlijke gemeenten.

Actief woningzoekenden Allereerst onderzoeken we het aantal actief woningzoekenden in de sociale huursector in de regio Rotterdam. Het gaat om huishoudens die ingeschreven staan bij Woonnet Rijnmond, maar niet alle ingeschreven huishoudens zijn actief op zoek naar een woning. Actief woningzoekenden zijn ingeschrevenen die minstens eenmaal per jaar gereageerd hebben op een geadverteerde woning bij Woonnet Rijnmond. Het aantal actief woningzoekenden in de regio Rotterdam nam in de eerste drie jaar van de onderzochte periode toe (Figuur 1). Er kwamen in deze periode ruim 12.000 actief woningzoekenden bij. In 2022 nam het aantal actief woningzoekenden af, maar het ging daarbij om een relatief kleine afname van een paar honderd woningzoekenden. De algemene trend toont een toenemende druk op de sociale huursector in de regio tussen 2019 en 2022.

Figuur 1: Actief aantal woningzoekenden in regio Rotterdam bron: Monitor woonruimtebemiddeling regio Rotterdam, bewerking RIGO

Figuur 2 laat zien waar de actief woningzoekenden op woningen reageerden. Het aantal actief woningzoekenden in alle gemeenten telt niet op naar het aantal actief woningzoekenden in de regio. Woningzoekenden kunnen namelijk in meer gemeenten op woningen gereageerd hebben en tellen dan in meer gemeenten mee als woningzoekende. Ook bij het overgrote deel van de gemeenten is een stijgende trend te zien in het aantal actief woningzoekenden tussen 2019 en 2021. Vanaf 2022 nam het aantal actief woningzoekenden in een paar gemeenten af, zoals we ook zien in de regionale trend. In veel gemeenten, zoals in

2

Rotterdam, Ridderkerk, Capelle aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel, Maassluis, Vlaardingen, Nissewaard en de voormalige gemeenten Hellevoetsluis en Westvoorne, bleef het aantal actief woningzoekenden ook in 2022 toenemen. In de gemeente Schiedam is een andere trend te zien. In 2020 was daar sprake van een piek in het aantal actief woningzoekenden, waarna het aantal in 2021 en 2022 afnam.

Figuur 2: Actief aantal woningzoekenden in regio Rotterdam per gemeente. Bron: Monitor woonruimtebemiddeling regio Rotterdam, bewerking RIGO

Gemiddeld aantal reacties De druk op de sociale woningvoorraad kan ook worden geïllustreerd door te kijken naar het gemiddeld aantal reacties per aangeboden (via media geadverteerde) woning. Het gaat hierbij om de reacties van regulier woningzoekenden, dus exclusief woningen die direct worden bemiddeld. Ook deze cijfers tonen een toenemende druk op de sociale huursector in de regio Rotterdam. Het gemiddeld aantal reacties per geadverteerde woning nam tussen 2019 en 2022 gestaag toe. In 2019 ging het om ongeveer 250 reacties per advertentie terwijl het in 2022 gemiddeld om ruim 380 reacties per woning ging, zoals te zien in Figuur 3. Dit laat zien dat de vraag naar sociale woningen is toegenomen in de onderzochte periode: er reageren meer woningzoekenden per woning dan voorheen.

3

Figuur 3: Gemiddeld aantal reacties per woning in regio Rotterdam per gemeente. Bron: Monitor woonruimtebemiddeling regio Rotterdam, bewerking RIGO

Onderstaande grafiek (Figuur 4) laat het gemiddeld aantal reacties per geadverteerde woning per gemeente zien. In de gemeenten Ridderkerk, Barendrecht en Krimpen aan den IJssel was er een piek in het gemiddeld aantal reacties in 2022. In deze drie gemeenten ging het gemiddeld om ruim 550 reacties per aangeboden woning. Voor alle gemeenten geldt dat het gemiddeld aantal reacties in 2022 hoger lag dan in 2019. Alleen in Schiedam bleef het gemiddeld aantal reacties gelijk in 2022 ten opzichte van 2019. Voor de gemeenten Hellevoetsluis, Brielle en Westvoorne zijn de gegevens over het jaar 2022 onbekend.

Figuur 4: Gemiddeld aantal reacties per gemeente per jaar. Bron: Woonbarometer, 2023, bewerking RIGO

4

Verhuringen Het aantal verhuringen in de regio en per gemeente geeft inzicht in de ontwikkeling van het aanbod aan sociale huurwoningen in de onderzochte periode. Het aantal verhuringen varieerde per jaar. Dat is zowel regionaal als per gemeente terug te zien. In 2020 was het aantal verhuringen het laagst (Tabel 1). Dit komt door de afname in het aantal verhuringen in Rotterdam, Barendrecht Vlaardingen, Nissewaard en Voorne aan Zee. Voor de andere jaren geldt dat het aantal verhuringen behoorlijk stabiel bleef. Regionaal ging het jaarlijks om ongeveer 11.000 verhuringen.

Tabel 1: Aantal verhuringen uitgesplitst naar gemeenten in de regio Rotterdam. Bron: Monitor woonruimtebemiddeling regio Rotterdam, bewerking RIGO. *Eerste helft 2023

Rotterdam Ridderkerk Barendrecht Albrandswaard Lansingerland Capelle aan den IJssel Krimpen aan den IJssel Maassluis Vlaardingen Schiedam Nissewaard Voorne aan Zee Regio Rotterdam

2019 6.078 358 230 91 227 519 232 315 1.028 627 822 501 11.028

2020 5.514 410 152 102 203 491 257 280 796 779 717 393 10.094

2021 6.319 482 243 107 288 521 190 426 918 519 919 448 11.380

2022 6.587 416 260 121 230 469 189 430 790 542 774 419 11.227

2023* 2.997 198 79 46 124 265 89 204 441 268 365 229 5.305

Het beschikbare woningaanbod wordt op twee verschillende manieren aangeboden: via de website van Woonnet Rijnmond en door directe bemiddeling. Voor de toewijzing van reguliere, geadverteerde woningen worden vier verschillende aanbodmodellen gebruikt: het Inschrijfduurmodel, het Lotingmodel, het Direct Kansmodel en het Wens & Wachtmodel. Aanbodmodellen    

Inschrijfduurmodel: de woning wordt verhuurd aan de woningzoekende die het langst ingeschreven staat. Lotingmodel: aangeboden woningen worden verloot onder de woningzoekenden die reageren. Direct Kansmodel: de corporatie biedt de woning aan de woningzoekende aan die het eerst reageert, mits deze aan de voorwaarden voldoet. Wens & wachtmodel is voor personen die weten waar ze naar op zoek zijn en ook de tijd hebben om op een specifieke woning te wachten. Dit model werkt met een wachtlijst.

Het Inschrijfduurmodel is de meest voorkomende manier van toewijzing (Figuur 5). In de onderzochte periode werd ongeveer de helft van de woningen in de regio via het Inschrijfduurmodel toegewezen. Daarnaast werd een groot deel direct bemiddeld. In de periode tussen 2019 en 2022 ging het jaarlijks om ongeveer 30%. In absolute aantallen is directe bemiddeling in de onderzochte periode toegenomen in de regio. Ook lag het aandeel directe bemiddelingen hoger in 2022 en begin 2023. Ongeveer 10% is verhuurd op basis van 5

loting. Tenslotte vormden de toewijzingen via het Direct Kans- en Wens & Wachtmodel de kleinste categorieën.

Figuur 5 Aantal verhuringen uitgesplitst naar aanbodmodel in de regio Rotterdam. Bron: Monitor woonruimtebemiddeling regio Rotterdam, bewerking RIGO. *Eerste helft 2023

De verdeling van de verhuringen naar aanbodmodel verschilt binnen de regio. Dat komt omdat niet in alle gemeenten woningen werden aangeboden in het Loting, Direct Kans en Wens & Wachtmodel. Voor de meeste gemeenten geldt dat ruim de helft van de verhuringen werden toegewezen op basis van inschrijfduur. In de gemeenten Schiedam, Nissewaard en de voormalige gemeenten van Voorne aan Zee ging het zelfs om ruim 70%. Uitzonderingen daarop zijn Rotterdam, Albrandswaard en Capelle aan den IJssel. In deze gemeenten werd in de onderzochte periode respectievelijk 36%, 48% en 44% van de woningen toegewezen via het Inschrijfduurmodel. In Rotterdam en Capelle aan den IJssel werd ook in vergelijking met andere gemeenten in de regio het grootste aandeel woning verloot, namelijk respectievelijk 15% en 17% van de verhuurde woningen tussen 2019 en de eerste helft van 2023.

Mediane inschrijftijd Een andere indicator om druk op de sociale huursector te onderzoeken is de mediane inschrijftijd. De mediane inschrijftijd geeft aan hoe lang woningzoekenden ingeschreven hebben gestaan op het moment van de toewijzing van een woning. Hierbij gaat het om de mediane inschrijftijd voor toewijzingen via het Inschrijfduur-, Loting- , Direct Kans- en Wens & Wachtmodel of via directe bemiddeling. Verhuringen aan urgenten (waaronder vergunninghouders en herhuisvestingskandidaten) zijn buiten beschouwing gelaten. Ook kan het jaar 2019 niet worden vergeleken met de andere onderzochte jaren in de evaluatie, omdat in dat jaar de gemiddelde inschrijftijd werd berekend, in plaats van de mediaan. De mediane inschrijftijd is in de regio de afgelopen 3,5 jaar toegenomen: van ruim 2 jaar in 2020 naar bijna 3,5 jaar in de eerste helft van 2023 (Figuur 6). Dat betekent dat woningzoekenden over het algemeen steeds langer ingeschreven staan voordat zij een woning vinden.

6

Figuur 6: Mediane inschrijftijd in jaren voor de regio Rotterdam per jaar. Bron: Monitor woonruimtebemiddeling regio Rotterdam, bewerking RIGO. * Eerste helft van 2023.

Wel verschilde de mediane inschrijftijd bij toewijzing per aanbodmodel (Figuur 7). De mediane inschrijftijd lag het hoogst bij verhuringen via het Inschrijfduurmodel. Bovendien nam deze toe in de onderzochte periode van ruim 4 jaar naar ongeveer 5 jaar in 2022 en begin 2023. Dit heeft ook te maken met het feit dat woningen in dit model op basis van inschrijfduur toegewezen worden. Woningzoekenden met een hoge inschrijfduur maken het meeste kans op een woning in dit model. Dit is niet het geval in de andere modellen: daar maken ook woningzoekenden met een lage inschrijfduur kans op een woning, bijvoorbeeld door middel van loting of door snel te reageren. De mediane inschrijfduur in de andere modellen lag daardoor ook lager: ongeveer tussen 1 en 2 jaar in de onderzochte periode. Wel geldt voor alle modellen dat er sprake is van een stijgende trend. Bij de toewijzingen via het Direct Kansmodel en door Directe bemiddeling is die trend het duidelijkst te zien. Figuur 7: Mediane inschrijftijd per aanbiedingsmodel. Bron: Monitor woonruimtebemiddeling regio Rotterdam, bewerking RIGO. * Eerste helft van 2023

In Figuur 8 is de mediane inschrijftijd per gemeente weergegeven. In alle gemeenten nam de mediane inschrijftijd toe in 2022. Ook in het eerste halfjaar van 2023 is er bij ongeveer de helft van de gemeenten sprake van een toename van de mediane inschrijftijd. In de gemeenten 7

Ridderkerk en Lansingerland lag de mediane inschrijftijd in de eerste helft van 2023 boven 6 jaar. Barendrecht valt op: in deze gemeente lag de mediane inschrijftijd begin 2023 lager dan in de jaren 2021 en 2022. Een belangrijke kanttekening bij het bovenstaande is dat de mate waarin modellen die woningcorporaties in de gemeenten hanteren waarmee woningen aangeboden en toegewezen worden, van invloed zijn op de mediane inschrijftijd en de grote verschillen tussen de gemeenten. Figuur 8: Mediane inschrijftijd in jaren per gemeente per jaar. Bron: Monitor woonruimtebemiddeling regio Rotterdam, bewerking RIGO. * Eerste helft van 2023

De mediane inschrijftijd in de regio ondersteunt het beeld van een toenemende krapte in de sociale huursector. Over het algemeen neemt de periode tussen inschrijving en verhuring voor woningzoekenden steeds verder toe, ongeacht het model waarin of de locatie waar de woningen worden aangeboden.

Slaagkansen Tenslotte onderzoeken we de lokale slaagkansen in de regio. Het gaat hierbij om het percentage verhuringen (via de media of directe bemiddeling) in een gemeente, afgezet tegen het aantal actief woningzoekenden dat reageert op aanbod in de betreffende gemeente plus het aantal geslaagde direct bemiddelden (zij hebben niet actief gereageerd). De slaagkans is per halfjaar berekend en het gemiddelde van deze halfjaarslaagkansen is gebruikt om de slaagkans voor een heel jaar te berekenen. Er is geen regionale slaagkans bekend. De slaagkans geeft niet de kans op een woning voor individuele woningzoekenden weer. Per individu spelen daarvoor andere factoren een rol, zoals inschrijfduur of zoekgedrag. De slaagkans geeft voornamelijk de verhouding weer tussen vraag en aanbod en geeft daarmee een goede indicatie van de ontwikkeling van de druk op de sociale sector. In Figuur 9 zijn de slaagkansen tussen 2019 en de eerste helft van 2023 weergegeven. Er is in een aantal gemeenten wat schommelingen te zien in de slaagkansen in de onderzochte 8

periode. Wel lag in bijna alle gemeenten de slaagkans in 2022 en het eerste half jaar van 2023 lager dan in 2019. Over het algemeen is er sprake van een dalende trend. Dat valt te verklaren doordat het aantal actief woningzoekenden in deze periode toenam, terwijl het aantal verhuringen gelijk is gebleven. Ook is de slaagkans in de meeste gemeenten laag: tussen 0,5% en 1,7%. Dat betekent dus dat tegenover 1 aangeboden woning in een gemeente rond de 100 ‘vragers’ zijn uit die gemeente. In nagenoeg alle gemeenten kwam in de onderzochte periode de slaagkans niet boven 2%, met uitzondering van de gemeente Rotterdam. Daar is de slaagkans hoger, tussen 4% en 6% in de afgelopen vier jaar. Dit kan vooral worden verklaard doordat in Rotterdam meer aanbod is dan in andere gemeenten. Ondanks dat in de gemeente Rotterdam de meeste actief woningzoekenden aanwezig zijn, worden hier ook de meeste woningen verhuurd wat zorgt voor een relatief gunstige vraag-aanbodverhouding t.o.v. de andere gemeenten waar ook veel vraag is, maar relatief minder aanbod.

Figuur 9: Slaagkansen per gemeente per jaar. Bron: Monitor woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2022, bewerking RIGO. * Eerste helft van 2023

9

Verhuisbewegingen en lokale binding Een tekort aan woningen kan het zoekgedrag van woningzoekenden beïnvloeden. Woningzoekenden zoeken vaak lokaal, maar mogelijk kijken meer woningzoekenden verder dan de eigen gemeente om hun kansen te verhogen. In deze paragraaf nemen we de verhuisbewegingen binnen het regionale DAEB-segment onder de loep. Ook bekijken we in hoeverre de verschillende gemeenten in de regio Rotterdam lokale of regionale binding toepassen, waarbij aangeboden woningen met voorrang worden verhuurd aan inwoners uit de regio of de gemeente.

Verhuisbewegingen In onderstaande tabel (Tabel 2) zijn de verhuisbewegingen binnen de sociale corporatiehuur in de regio Rotterdam te zien voor het jaar 2022. De verhuisbewegingen van binnen naar buiten de regio Rotterdam zijn niet in de tabel weergegeven. In 2022 vond 65% van alle nieuwe verhuringen in de regio plaats aan een woningzoekende die al in dezelfde gemeente woonde. Bij voorrangskandidaten lag dit aandeel net iets hoger (67%). Het regionale percentage wordt sterk beïnvloed door het grote aantal verhuringen aan mensen die binnen Rotterdam verhuizen. Het percentage dat binnen de eigen gemeente verhuisde, was namelijk het hoogste in Rotterdam met 76%, gevolgd door Schiedam (61%). In de andere gemeenten ligt het aandeel verhuringen aan bewoners uit de eigen gemeente tussen 40% en 60%. In Capelle aan den IJssel lag het percentage verhuizingen binnen de eigen gemeente het laagst, namelijk 28%. Bij de overige 35% van deze verhuringen, verhuisde een geslaagde woningzoekende naar een woning in een andere gemeente. Van alle verhuizingen binnen de regio (exclusief binnengemeentelijke verhuizingen en exclusief verhuizingen van buiten de regio) kwam 47% uit Rotterdam (verhuizing naar een andere regiogemeente) en gaat er 29% in Rotterdam wonen (verhuizing vanuit een andere regiogemeente).

Daarbij vertrekken meer Rotterdammers naar een sociale huurwoning in een regiogemeente dan personen vanuit de regio die in Rotterdam in een sociale huurwoning gaan wonen: er is dus een vertrekoverschot vanuit Rotterdam naar regiogemeenten. Van alle verhuringen werd 12% verhuurd aan mensen van buiten de regio en meer dan de helft van deze groep (61%) vestigt zich in Rotterdam. Als we deze cijfers vergelijken met de evaluatie rondom het vorige verordeningstraject, dan zien we dat de verhuispatronen ten opzichte van 2018 gelijk zijn gebleven4. Het percentage verhuringen aan lokale bewoners (67% in 2018) en aan woningzoekenden van buiten de regio (10% in 2018) is stabiel gebleven. Destijds waren ook de meeste (aandeel en absolute aantal) intergemeentelijke verhuizingen binnen Rotterdam en was er tevens sprake van een vertrekoverschot uit deze gemeente. Bovendien werd ook in de andere gemeenten een groot deel van de woningen verhuurd aan woningzoekenden uit de eigen gemeente. Tevens lag dit percentage in Capelle aan den IJssel in 2018 het laagst.

4

RIGO (2019) Memo verhuisstromen, lokaal maatwerk, directe bemiddeling en urgenten. 10

Tabel 2 Aantal verhuizingen naar gemeente van vestiging en vertrek in 2022. bron: Monitor woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2022.

Lokale binding In de Monitor woonruimtebemiddeling regio Rotterdam is ook onderzocht hoeveel woningen op basis van lokale binding van de woningzoekenden in de afgelopen periode zijn verhuurd (Tabel 3). Van binding is sprake als een woningzoekende economisch of maatschappelijk aan een bepaalde gemeente of aan de regio is gebonden. In veruit het grootste deel van de verhuringen is niet gebruik gemaakt van toewijzing op basis van binding. Een klein deel van de woningen is in de regio verhuurd op basis van lokale binding, ongeveer 7%, oftewel 700 tot 800 woningen per jaar. Dat verschilt wel per gemeente: op basis van de cijfers uit 2022 zien we dat de corporaties in de gemeenten Barendrecht, Krimpen aan den IJssel, Maassluis, Schiedam en de voormalige gemeenten Hellevoetsluis en Westvoorne relatief meer gebruik maakten van deze optie. Het aandeel toewijzingen op basis van lokale binding lag in deze gemeenten in 2022 tussen 15% (Barendrecht) en 26% (Krimpen aan den IJssel). Voor het voor het gemiddelde dominante Rotterdam geldt juist dat er weinig sprake is van lokale binding. Op basis van de beschikbare gegevens kan geconcludeerd worden dat een zeer gering aandeel woningen in de regio is toegewezen op grond van voorrang op basis van regionale binding.

Daar geldt wel als belangrijke kanttekening bij dat vrijwel alle urgenten op grond van de verordening een woning krijgen toegewezen op grond van voorrang / regionale binding. Een groot deel van de direct bemiddelden (zie tabel 3) valt in deze categorie. In de Monitor woonruimtebemiddeling regio Rotterdam wordt de kanttekening geplaatst dat de corporaties ervaren dat de meeste woningen al naar woningzoekenden uit de regio of lokale gemeente gaan, ook zonder gebruik te maken van lokale of regionale binding. Dat sluit aan bij de analyse van de verhuispatronen binnen de regio eerder in dit hoofdstuk.

11

Tabel 3 Geslaagde woningzoekenden naar geografische binding 2019 - 2022. (DB = Directe bemiddeling). Bron: Monitor woonruimtebemiddeling regio Rotterdam, 2022.

Huisvesting bijzondere doelgroepen Door rijksbeleid, waaronder extramuralisering in de zorg, zijn woningcorporaties in toenemende mate verantwoordelijk voor het opvangen van uitstroom van doelgroepen uit maatschappelijke instellingen. Woningcorporaties moeten daarnaast ook vaak zorgen voor het huisvesten van andere bijzondere doelgroepen, zoals vergunninghouders. Daarnaast zijn er woningzoekenden die met spoed een woning zoeken. Deze groep groeit door de krapte op de woningmarkt. In dit hoofdstuk zoomen we allereerst in op verhuringen buiten het reguliere aanbod via directe bemiddeling. Daarnaast onderzoeken we de verhuringen die zijn toegewezen op basis van voorrang en urgentie.

Directe bemiddeling In de afgelopen vier jaar is het aandeel huishoudens dat een woning kreeg toegewezen via directe bemiddeling in de regio toegenomen. Er zijn wel wat schommelingen zichtbaar in de onderzochte periode, maar er lijkt sprake van een trend: in 2019 werd regionaal 29% van de verhuringen toegewezen door bemiddeling, in 2022 was dit 34% en in eerste halfjaar van 2023 ging het om 37%. In Figuur 10 is het aandeel directe bemiddelingen in de periode tussen 2019 en 2022 per gemeente weergegeven. Dat levert een gevarieerd beeld op. Het valt op dat in de gemeente Rotterdam het aandeel directe bemiddelingen is gedaald. Dat is ook te zien in de gemeente Krimpen aan den IJssel, waar het aandeel directe bemiddelingen met 11% relatief laag ligt. In de meeste gemeenten is echter een stijging te zien van het aandeel directe bemiddelingen. In een aantal gemeenten is er sprake van een piek in 2020. In de gemeenten Ridderkerk (38%), Albrandswaard (45%) en Schiedam (40%) ligt het aandeel directe bemiddelingen in 2022 hoog in vergelijking met andere gemeenten in de regio en in vergelijking met voorgaande jaren.

12

Figuur 10: Aandeel directe bemiddelingen van het totaal aantal verhuringen uitgesplitst naar gemeenten in de regio Rotterdam, bron: Monitor woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2023, bewerking RIGO.

Urgenten Het aantal en aandeel directe bemiddelingen geeft nog geen compleet beeld van de huisvesting van bijzondere doelgroepen. In deze paragraaf bekijken we de toewijzingen in de regio en de gemeenten op basis van voorrang en urgentie. Voorrang en urgentie 

Huishoudens die snel een andere woning nodig hebben, kunnen urgentie aanvragen. Er zijn tal van redenen voor urgentie regionaal gedefinieerd en vastgesteld. Als woningzoekenden aan de voorwaarden voldoen worden zij met voorrang gehuisvest. Urgenten vinden een woning via het openbaar aanbod (via urgentie), of via begeleiding bij het vinden van een woning, en worden direct bemiddeld. Daarnaast zijn er huishoudens die, bijvoorbeeld vanwege herstructurering of renovatie, geherhuisvest moeten worden door de woningcorporaties. De reden voor voorrang op een woning is in deze gevallen herhuisvesting. Ook hebben gemeenten een wettelijke taakstelling voor het huisvesten van vergunninghouders. Voor hen worden geen urgentiebesluiten genomen, maar wordt directe bemiddeling toegepast. Vergunninghouders worden gelijk behandeld t.o.v. urgent woningzoekenden, zonder een aanvraag in te hoeven dienen of een urgentiebeschikking te krijgen.

In Tabel 4 wordt het aantal verhuringen naar voorrang en urgentie in 2022 getoond. Bij de meeste verhuringen was geen sprake van voorrang. Dat is in alle gemeenten het geval. Het ging regionaal om ruim 65% van de verhuringen in 2022. De groep woningzoekenden dat een woning kreeg toegewezen vanwege herhuisvesting vormen de kleinste groep. Het gaat om 5% van de toewijzingen in de regio. Het aandeel toewijzingen met voorrang op basis van urgentie en

13

inclusief vergunninghouders was regionaal 28%. In de gemeenten Ridderkerk, Lansingerland, Krimpen aan den IJssel en Schiedam lag dit percentage op 30% of hoger. In de voormalige gemeente Westvoorne en de gemeente Albrandswaard ligt het percentage verhuringen aan urgenten en vergunninghouders relatief laag, namelijk respectievelijk 10% en 16%.

Tabel 4: Verhuringen naar voorrang en urgentiegronden per gemeente in 2022. Bron: Monitor woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2022.

In de gehele onderzoeksperiode tussen 2020 en 2022 was het aandeel verhuringen aan regulier woningzoekenden in de regio het grootst (Tabel 5). Regionaal is het aandeel verhuringen aan urgenten tussen 2020 en 2022 ongeveer gelijk gebleven. In 2022 nam dit percentage af, maar het is nog onduidelijk of er sprake is van een trend. Het aandeel geslaagde vergunninghouders is vergeleken met de voorgaande jaren toegenomen. Dit heeft te maken met de verplichte (en groeiende) taakstelling vanuit het Rijk. Tegelijkertijd nam het aandeel verhuringen vanwege herhuisvesting in de regio af. Tabel 5 Verhuringen naar voorrang in de regio tussen 2020 en 2022. Bron: Monitor woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2022; bewerking RIGO>

2020

2021

2022

geen voorrang

62%

62%

67%

herhuisvesting

9%

6%

5%

urgentie

24%

26%

21%

vergunninghouders

4%

6%

7%

Urgentie (incl. vh) Totaal

28%

32%

28%

100%

100%

100%

Wanneer we verder inzoomen op de verschillende urgentiegronden dan valt op dat zorg gerelateerde redenen een relatief groot deel uitmaakten van de verhuringen met voorrang in 2022: regionaal betrof 33% doorstroming vanuit de opvang en 20% urgenten met een medische noodzaak (Tabel 6). Urgentie vanwege doorstroming uit opvang vormde in de gemeente Rotterdam, Vlaardingen en Schiedam een groot deel van deze verhuringen. In Krimpen aan den IJssel ging het vaak om urgentie vanwege medische noodzaak. Op basis van andere urgentiecategorieën werden relatief kleine aantallen woningen verhuurd. Een aantal 14

gemeentelijke verschillen kan mogelijk worden verklaard doordat het in sommige gemeenten gaat om kleine aantallen (grote percentuele schommelingen) en verschillende interpretaties van de definities van de urgentiegronden die bij lokale partijen gehanteerd worden en/of een specifieke werkwijze, zoals de manier waarop toewijzingen aan urgenten geregistreerd worden. De huisvesting van vergunninghouders vormden in de meeste gemeenten, vanwege de taakstelling, ook een groot aandeel van de verhuringen op basis van voorrang. De gemeenten Lansingerland, Barendrecht, Brielle en Westvoorne vallen daarin op.

Tabel 6: Verhuringen aan urgent woningzoekenden naar urgentiegrond per gemeente 2022 (als percentage van alle geslaagden met urgentie). Bron: Monitor woonruimtebemiddeling regio Rotterdam.

De verdeling van verhuringen aan urgent woningzoekenden tussen 2020 en 2022 in de regio is grotendeels onveranderd gebleven (Tabel 7). Doorstroming uit opvang en medische noodzaak waren de meest voorkomende urgentiegronden in deze onderzochte periode. Wel was er een toename van verhuringen aan vergunninghouders. Dat gaat ten koste van andere urgente woningzoekenden. Tabel 7 Verhuringen aan urgent woningzoekenden naar urgentiegrond in de regio tussen 2020 en 2022 (als percentage van alle geslaagden met urgentie). Bron: Monitor woonruimtebemiddeling regio Rotterdam; bewerking RIGO.

Doorstroming opvang Medische noodzaak Woonlasten Geweld en bedreiging Mantelzorg Hardheidsclausule Onbewoonbaarheid Uitstroom tijdelijke opvang Vergunninghouders Totaal urgentie

2020 37% 18% 12% 7% 1% 2% 0% 7% 15% 100%

2021 33% 22% 11% 6% 1% 1% 0% 5% 20% 100%

2022 33% 20% 9% 5% 1% 1% 0% 5% 25% 100%

Tenslotte is in Tabel 8 te zien dat 75% van de aangevraagde urgenties in 2022 in de regio werden toegekend. Als we kijken naar de toegekende urgenties per gemeente is te zien dat in Ridderkerk, Barendrecht, Albrandswaard en Hellevoetsluis het percentage toegekende urgenties ten opzichte van alle aanvragen lager lag dan regionaal. In Brielle (91%) en Westvoorne (89%) werd een hoog aandeel van alle urgenties toegekend, maar deze gemeenten

15

gaat het om lage aantallen in absolute zin. Rotterdam had veel urgentieaanvragen, waarvan 80% werden toegekend.

Tabel 8: Aandeel toegekende urgenties naar urgentiegrond per gemeente in 2022 (als percentage van aangevraagde urgenties), bron: Monitor woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2022.

In vergelijking met de jaren 2020 en 2021 (Tabel 9)) zijn er geen grote verschuivingen te zien. Wel werden urgenties op basis van onbewoonbaarheid relatief weinig toegekend en dat is tevens afgenomen (4% in 2022, 18% in 2021; en 27% in 2020 ), maar het gaat om kleine aantallen. Ook het regionale aandeel toegekende urgenties op basis van mantelzorg is relatief laag (40% in 2022, 39% in 2021; 46% in 2020). Tenslotte is het aandeel toekenningen vanwege uitstroom uit tijdelijke opvang toegenomen (79% in 2020; 83% in 2021; en 85% in 2022), al gaat het om een kleine toename. Tabel 9 Aandeel toegekende urgenties naar urgentiegrond per gemeente in 2022 (als percentage van aangevraagde urgenties), bron: Monitor woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2022.

Doorstroming opvang Medische noodzaak Woonlasten Geweld en bedreiging Mantelzorg Hardheidsclausule Onbewoonbaarheid Uitstroom tijdelijke opvang Totaal

2020 88% 74% 72% 65% 46% 92% 27% 79% 78%

2021 86% 72% 61% 58% 39% 97% 18% 83% 74%

2022 88% 71% 68% 61% 40% 97% 4% 85% 75%

Woonruimtebemiddeling in de regio Rotterdam (kwalitatief) De regionale aanpak die de afgelopen jaren leidend is geweest, brengt een aantal successen met zich mee. Onder andere het bestaan en functioneren van de SUWR (urgentieverlener namens een aantal gemeenten) en Woonnet Rijnmond wordt door betrokken partijen hierbij benoemd als succesvol. Daarnaast is men positief over het nauwkeurig volgen van de beleidscyclus, door goed te blijven monitoren hoe de woonruimte in de regio verdeeld wordt. In de evaluatiegesprekken werd ook kritisch gereflecteerd op de woonruimteverdeling in de regio. Centraal stond hierbij vaak de vraag wat er nu eigenlijk met het systeem bereikt moet worden, en of er niet een meer fundamentele discussie gevoerd moet worden binnen de regio op wat nu écht helpend is om de doelstelling ‘wonen voor iedereen’ te behalen. Daarna pas 16

moet de discussie gaan over het verdeelsysteem zelf: deze moet vooral een weergave van het eerste zijn.

Doelgroepen in de knel De woonruimteverdeling is – het woord zegt het al – in tijden van schaarste in essentie een verdeelvraagstuk. Het is daarom ook niet verassend dat tijdens de evaluatiegesprekken veelvuldig aandacht werd gevraagd voor de huisvesting van specifieke groepen woningzoekenden: 1. Veel gesignaleerd wordt de toename van de groep urgenten die uitstroomt uit zorginstellingen. De problematiek waar deze groep mee kampt is ernstig van aard, en waar deze groep terechtkomt is nu niet altijd zichtbaar. Door diverse partijen wordt benadrukt dat er meer oog moet zijn voor wat iemand met urgentie daadwerkelijk nodig heeft. Dit betreft maatwerk, wat soms ook over gemeentegrenzen heen dient te worden georganiseerd. 2. Ook de groep woningzoekenden groeit die geen urgentie heeft, maar wel gebaat is bij het op korte termijn verkrijgen van een nieuwe of andere woning, werd veelvuldig benoemd. Deze groep ‘spoedzoekers’ “zit in het huidige systeem volledig vast”. Het gaat hier bijvoorbeeld om mensen die in scheiding liggen, bewoners van kwalitatief zeer slechte woningen, etc. 3. Er zijn zorgen om de groeiende groep ‘bankslapers’: personen die bij gebrek aan een woning tijdelijk verblijven / slapen in bijvoorbeeld hun auto, of woningen van vrienden, familie en kennissen.

Het zijn dus onder andere zorgen om groepen woningzoekenden die door de omstandigheden zijn genoodzaakt structureel onzelfstandig (kamer) te wonen. Aangereikte oplossingen voor deze groepen variëren van ‘benoemen als doelgroep in de verordening’ tot ‘meer ruimte voor maatwerk’. 4. Daarnaast werd regelmatig gewezen op de toename van mensen met ‘complexe casussen of multi-problematiek’; mensen die tussen wal en schip vallen omdat ze op verschillende inhoudelijke gronden nét geen urgentie verleent kunnen krijgen, terwijl de optelsom van de problemen wel zorgt voor schrijnende situaties. 5. Ook de groep woningzoekenden met modale inkomens zit volgens diverse geïnterviewden ernstig in de knel. Deze groep verdient te veel om aansprak te maken op een sociale huurwoning, maar te weinig voor bijvoorbeeld een duurdere koop- of vrije sectorwoningwoning. Betaalbare koopwoningen zijn nauwelijks beschikbaar voor deze groep. Leerkrachten, zorgpersoneel en andere vitale beroepsgroepen vallen óók vaak in deze doelgroep. Omdat er ook nog eens schaarste is op de arbeidsmarkt kiest een groot deel van bijvoorbeeld de leerkrachten ervoor om niet in de stad te gaan werken, met als gevolg dat in een grote stad als Rotterdam het lerarentekort nóg nijpender is dan in omliggende gemeenten. 6.

Tenslotte werd ook de groep mensen met een zekere verhuiswens, maar die doordat deze niet te realiseren is ook andere levensbeslissingen uitstelt benoemt tijdens de interviews. Wat dit voor maatschappelijke gevolgen op lange termijn brengt is onzeker: hoeveel mensen stellen bijvoorbeeld hun kinderwens uit? Hoeveel mensen komen in mentale problemen doordat ze wonen in een penibele situatie? De maatschappelijke schade die dit zou kunnen opleveren is in potentie groot, aldus een aantal geïnterviewden. 7. Er heerst een breed gevoel dat het aantal dak- en thuislozen in de stad en daarbuiten toeneemt (zichtbaar in het straatbeeld), waarbij tegelijkertijd wordt geconstateerd dat dit niet direct tot uiting komt in stagnering van de uitstroom of urgentieprocedures.

17

Problemen en mogelijke oplossingsrichtingen Tijdens de interviews kwamen naast de druk op de woningmarkt (zie paragrafen 1 t/m 3) en de effecten daarvan voor specifieke groepen woningzoekenden (zie paragraaf 4.1) ook nog tal van andere zaken aan de orde, al dan niet met suggesties voor eventuele oplossingsrichtingen. In deze paragraaf hebben we de kern hiervan proberen weer te geven. Een opsomming: 1. Op basis van de cijfers is al geconstateerd dat directe bemiddeling in de regio een steeds belangrijkere wijze is om invulling te geven aan het matchen van vraag en aanbod. Hier worden van de ene kant voordelen bij benoemd (“maatwerk leveren”), maar als belangrijk knelpunt is benoemd dat niet inzichtelijk is wie en wat voor soort woningen er allemaal direct wordt bemiddeld; in de cijfers is deze groep nu ‘een grote hoop’, terwijl erin gedifferentieerd zou kunnen worden waardoor er meer zichtbaar wordt wie er nu door die directe bemiddeling uiteindelijk aan een woning komen. Dit zal wellicht het draagvlak voor de directe bemiddeling ten goede komen, omdat nu het beeld heerst dat directe bemiddeling zorgt voor verdringing van doelgroepen op de woningmarkt. 2.

Diverse betrokkenen benoemen dat de druk op de leefbaarheid in complexen, buurten en wijken is toegenomen, onder andere als gevolg van een meer kwetsbare doelgroep die moet worden gehuisvest in combinatie met rijksbeleid (waaronder passend toewijzen). Op grond van de Huisvestingswet is sturen op leefbaarheid in een huisvestingsverordening niet toegestaan (daar is de Rotterdamwet het alternatief voor), maar via ruimte voor verhuurders (bijvoorbeeld t.a.v. directe bemiddeling, zie punt 1) kan hier wellicht tóch werk van worden gemaakt. Quote: “geef verhuurders de ruimte om het verhuurambacht uit te oefenen”. Ook het meer toepassen van de hardheidsclausule wordt genoemd als mogelijkheid om meer af te wijken van de generieke regels als de situatie daar om vraagt. Meer ruimte in zoekprofielen voor urgent woningzoekenden kwam eveneens op tafel tijdens de interviews. 3. Het gevoel bestaat hier en daar dat corporaties binnen het huidige woonruimteverdeelsysteem corporaties worden ‘afgerekend’ als ze naar verhouding te veel woningen direct bemiddelen terwijl hier goede redenen voor kunnen zijn (denk aan doorstromingsbeleid van corporaties). 4. Het systeem van woonruimteverdeling wordt door betrokkenen niet op elk vlak transparant bevonden. Er heerst voor burgers onduidelijkheid over de gronden waarop mensen een woning krijgen toegewezen.

Dit heeft niet alleen te maken met de complexiteit van de verordening (interpretatieruimte van de gestelde regels), maar ook met de manier waarop corporaties toewijzen (soms wordt bijvoorbeeld toegewezen op basis van leefbaarheid, maar dit wordt niet altijd vermeld). Dit heeft een negatief effect op het draagvlak vanuit de samenleving oor het gehanteerde toewijzingssysteem: “mensen voelen zich steeds meer een nummer en geen gelijkwaardig partner van de overheid of de corporatie”. 5. Daarnaast zijn de regels die gelden in het systeem niet altijd begrijpelijk, zowel praktisch (waar moet je zijn?) als moreel (waarom gelden bepaalde regels? Wat zijn de rechten?). Deze begrijpelijkheid is verder onder druk komen te staan door de systeemdruk die gevoeld wordt door diverse partijen: waar woningzoekenden voorheen meer geholpen werden hun weg te vinden binnen het systeem (juiste loket vinden, juiste middel vinden om doel te bereiken, mentaal geholpen worden een stap te zetten), wordt dat door capaciteitsproblemen lang niet meer zo uitvoerig gedaan. 6. Veel genoemd punt is dat het systeem van woonruimteverdeling niet altijd aansluit op overig (gemeentelijk beleid). Er zijn diverse casussen in de regio waaruit blijkt dat er haken en ogen zitten aan de huisvesting van bijvoorbeeld de groep urgenten die

18

uitstroomt uit zorginstellingen, omdat huurzorgcontracten lokaal bepaald zijn, niet regionaal. Dit is vanuit de uitvoering en voor de cliënt (wenst een duurzame oplossing) een gemis. De systematiek hierin zou beter op elkaar afgestemd moeten worden. 7. De labeling van woningen in het woonruimteverdeelsysteem is soms niet accuraat, aldus betrokkenen. Alleen de voorrangsgroepen staan nu in de verordening, maar niet wat voor ‘labels’ er uiteindelijk aan woningen worden gegeven door corporaties (zoals ‘rolstoeltoegankelijke’ woningen). Dit verdient aandacht. Zo is het momenteel niet altijd zichtbaar welk aanbod van de woningen ook daadwerkelijk zorggeschikt is, en ook woningen die met de WMO zijn aangepast worden in het systeem niet bij de juiste voorraad gerekend. 8. Het huidige woonruimtebemiddelingssysteem laat niet zomaar alle praktisch denkbare oplossingen voor meer passend wonen toe. Zo is woningruil erg lastig uit te voeren binnen dit systeem, terwijl dit juist een hulpmiddel kan zijn om meer mensen passend laten wonen. Bijvoorbeeld een woning waar een bewoner psychisch lijdt of trauma door ervaart zou woningruil een uitkomst zijn. Door gebrek aan dit soort oplossingen blijven mensen door de schaarste in een woning zitten waar ze niet willen blijven wonen.

Het systeem laat ook niet toe dat een groot gezin (wat in de knel zit) verhuist naar een woning met minder dan 3 kamers, ook al is deze woning groter: “Vraag hier is of mensen door het systeem nog wel echt geholpen worden als dit soort regels zo rigide worden toegepast”. 9. Een punt van aandacht is dat het huidige systeem wachtgedrag in de hand werkt, waardoor het systeem vervuild is. Er kan bijvoorbeeld worden gekozen om actief zoeken meer te stimuleren, zoals bijvoorbeeld in Amsterdam wordt gedaan door middel van het herziene puntensysteem. Punt om te overwegen is of de gemeenten vinden dat wachten moet lonen, of dat andere factoren ook zouden moeten meewegen, zoals actief bezichtigen van woningen of reageren op woningen die misschien niet direct aan jouw meest ideale woonwensen voldoen. “Dit is echt een keuze voor hoe je een systeem van verdeling van schaarste inricht”. 10. De verordening staat momenteel toe dat de corporaties werken met meerdere zoekmodellen en de keuzevrijheid hierin wordt door corporaties en gemeenten als prettig ervaren, maar de vraag is gesteld of deze vrijheid ‘democratisch uitlegbaar is’. “Er moet in dit traject goed gekeken worden wat wenselijk is om in de verordening vast te leggen en wat er in de overige ‘spelregels’ moet worden afgesproken”. 11.

Hier en daar wordt benoemd dat er sprake is van onduidelijkheid betreffende de criteria voor het verkrijgen van urgentie. Dit roept de vraag op of de huidige werkwijze (urgentiebeleid op hoofdlijnen en nadere uitwerking in de ‘Spelregels’) moet worden gehandhaafd. 12. Er is daarnaast discussie over de rangorde van urgente groepen. Woningzoekenden met een medische urgentie lijken soms “onderaan de prioriteitenlijst te staan, en zonder een tussenpersoon als de Matchmakers lijkt onvoldoende geborgd te worden dat woningen die zorggeschikt zijn ook daadwerkelijk bij de doelgroep medisch urgenten terechtkomen”. 13. Bij diverse gesprekken kwam naar boven dat definities in de verordening niet altijd duidelijk zijn, waardoor gemeenten en corporaties soms niet hetzelfde verstaan onder een begrip. Eenduidig gebruik van terminologie is van belang aangezien verschil van begrip ervoor kan zorgen dat bijvoorbeeld een woning door de ene partij wel als passend wordt gezien en door de andere partij niet. De urgentie voor ‘onbewoonbaarheid’ is hier een voorbeeld van. 14. Tijdens de interviews en het groepsgesprek kwam op tafel of de aanpak woonfraude verstevigt zou kunnen worden via de huisvestingsverordening. Op dit moment wordt er

19

door woningzoekenden soms gerommeld met inkomen en huishoudsamenstelling: “Dat valt niet onder vervalsing van documenten, dus dat is officieel geen woonfraude”. Er wordt daarbij opgemerkt dat het niet de bedoeling kan zijn dat woningzoekenden te pas en te onpas hun gegevens wijzigen om in aanmerking te kunnen komen voor een woning. 15. De reikwijdte van de verordening zou kunnen worden uitgebreid. Momenteel gaat de verordening over sociale corporatiehuur, maar de middenhuur en particuliere huur zouden wellicht ook een plek moeten krijgen in de huisvestingsverordening. Daarbij speelt er wel een dilemma/discussiepunt bij het opnemen van de particuliere verhuur. Aan de ene kant kan opname in de verordening bijdragen aan het verlichten van druk op de DAEB, maar tegelijkertijd zijn er ook zorgen of – door gebrek aan handhaving en toezicht capaciteit – dit niet leidt tot een papieren tijger. 16. De verordening houdt op dit moment onvoldoende rekening met de belangen van kinderen, in het bijzonder bij relatie beëindiging. De vraag die daarbij ook is opgeworpen is of dit wel mag gegeven bijvoorbeeld de verdragen die op dit gebied zijn getekend (o.a. in Europees verband). 17. Het Experimenteerartikel – en in het bijzonder de bijbehorende procedure - in de huidige verordening wordt als tamelijk zwaar ervaren en om die reden vrijwel nooit ingezet.

De wens is om het artikel ‘lichter’ te maken (in 2019 is het artikel ook al lichter gemaakt). 18. De doelgroep van corporaties – in het bijzonder urgenten – vragen om steeds meer aandacht, bijvoorbeeld als gevolg val laaggeletterdheid of gebrek aan digitaal vermogen, terwijl de capaciteit om deze aandacht te geven (te) beperkt is. Tegelijkertijd sorteert extra aandacht wél effect. Voorlichting aan andere partijen (zoals wijkteams) kan ook helpen om de woningzoekende beter te informeren over wat kan / mag. 19. Geïnterviewden geven tot slot aan dat de termijn voor Fase 1 (‘zelf zoeken’: vereiste is een reactie op 12 woningen binnen 3 maanden) van de urgentieprocedure niet meer past bij de huidige situatie op de woningmarkt, waardoor urgenten snel terechtkomen in fase 2 (met directe bemiddeling). Deze tweede fase duurt in theorie oneindig, levert corporaties veel werk op en hierin kan een woningzoekende vaak ook nog een toegewezen woning afwijzen zonder de urgentie te verliezen. Daardoor zitten sommige woningzoekenden fase 1 uit om vervolgens in fase 2 aan ‘cherry picking’ te doen. 20.

Gemeenten hebben veel last gehad van particuliere bemiddelingsbureautjes die proberen gebruik te maken van de wettelijke mogelijkheid om een aanvraag te doen, terwijl gemeenten in de veronderstelling waren dat urgentieverlening was gemandateerd en dus reageren op een dergelijke aanvraag niet nodig was, met vervelende gevolgen (waaronder financiële).

20

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14163702/1