Vragen + antwoorden SP inz rechtspositie
Tekst van het document
Beste SP fractie, Vraag: We nemen aan dat er de afgelopen jaren in de jaarrekening een overzichtspost is van de uitgegeven gelden qua reis- en verblijfskosten voor de raad We verzoeken jullie er alles aan te doen om dit voor de raadsvergadering van 11 december boven tafel te krijgen. Als 2019 een probleem is, dan willen we het toch graag een overzicht vanaf 2022, dus vanaf het aantreden van de huidige raad. Antwoord: Zoals eerder aangegeven was ons financiële administratiesysteem een aantal dagen uit de lucht in verband met de migratie naar een nieuwe versie. Bij deze alsnog het overzicht dat veel tijd in beslag heeft genomen omdat we dit per boeking hebben gecontroleerd. Dit omdat de reis- en verblijfkosten maar in zeer beperkte mate gedeclareerd worden door de raad. Deze zijn dan ook niet opgenomen in een apart budget. Ze maken onderdeel uit van één verzamelpost waar alle kosten t.b.v. de raad uit betaald worden zoals in eerdere beantwoording over het raadsbudget toegelicht. We zijn de jaren 2019 t/m 2024 daarom handmatig nagelopen en hebben iedere post gecontroleerd en komen tot onderstaande declaraties van raadsleden.
2020 Raadslid A Buiten gemeente Kerkrade € 22,04 2022 Raadslid B Binnen gemeente Kerkrade € 161,46 2023 Raadslid C Buiten gemeente Kerkrade € 64,42 2024 Raadslid D Buiten gemeente Kerkrade € 44,16 Totaal € 292, 08 Vraag: Tevens willen we graag een overzicht van alle commissie die nu reeds betaald krijgen (en hoeveel per maand of per keer en voor welk bedrag) en de totale kosten daarvan. Daarnaast toch graag een schatting van de kosten voor de commissie en/of werkgroepen die vanaf 2025 extra betaald krijgen. In de nota van toelichting wordt aangegeven dat dit nog niet bepaald kan worden om de burgemeester nog een beslissing moet nemen? Op deze manier kunnen we als raad natuurlijk geen besluit nemen. Graag een inschatting van de kosten dus. We weten van het presidium hoe vaak die bij elkaar komen, dus dat moet in te schatten zijn. De reis en verblijfkosten kunnen ingeschat worden op basis van de afgelopen jaren. Naast de reguliere raadswedde en wettelijk presentiegeld voor commissieleden is er op dit moment geen enkele commissie/werkgroep waarvoor een aanvullende betaling plaatsvindt. Op dit moment zijn het dus de commissies waarvoor de wet het al regelt; commissies AZM, B&S, GEZ en de vertrouwenscommissie. Ook vragen jullie naar de kosten voor 2025.
Zoals ook aangegeven in de nota van toelichting is het de bevoegdheid van de burgemeester om de duur van de activiteiten vast te stellen. De wettelijke grondslag hiervoor is terug te vinden in rechtspositiebesluit art. 3.1.2 en 3.1.4: Art. 3.1.2 1. Aan een raadslid dat lid is van de vertrouwenscommissie, bedoeld in artikel 61, derde lid, of artikel 61a, vierde lid, van de Gemeentewet, dan wel de rekenkamerfunctie uitoefent, bedoeld in artikel 81oa van de Gemeentewet, wordt voor de duur van de activiteiten van die commissie of de duur van de uitoefening van de rekenkamerfunctie per jaar ten laste van de gemeente een toelage verleend van € 153,33 per maand. 2. Voor de toepassing van het eerste lid stelt de burgemeester de duur van de activiteiten vast. 3. Als voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve
arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, wordt het bedrag in het eerste lid bij ministeriële regeling overeenkomstig gewijzigd. Art. 3.1.4 1. Indien de gemeenteraad besluit ter uitvoering van zijn taken en verantwoordelijkheden een bijzondere commissie in te stellen met een zodanig belang, belasting en tijdsbeslag dat die niet redelijkerwijs tot het reguliere werk van een raadslid geacht kunnen worden te behoren, kan de gemeenteraad bij verordening besluiten aan de raadsleden die lid zijn van die commissie ten laste van de gemeente een toelage toe te kennen van maximaal € 153,33 per maand voor de duur van de activiteiten van de commissie per maand. 2. Voor de toepassing van het eerste lid stelt de burgemeester de duur van de activiteiten vast. 3. Als voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, wordt het bedrag in het eerste lid bij ministeriële regeling overeenkomstig gewijzigd. Zoals in bovenstaande regels te lezen is betreft de maximale vergoeding bruto € 153,33 per maand. Dit wil echter niet zeggen dat een vergoeding voor een bijzondere commissie ook maandelijks uitgekeerd zal gaan worden.
Hiertoe neemt de burgemeester een gemotiveerd besluit over de duur van de activiteiten. Een presidium komt dan inderdaad vaker bij elkaar en gedurende meerdere maanden dan een vertrouwenscommissie die kortstondig werkt. Maximaal is dus de berekening: het aantal leden maal 12 maanden maal 153,33 per commissie maar dat is dus niet te motiveren voor de commissies omdat ze niet steeds actief zijn. U maakt de connectie met declareren van reiskosten maar dat is een recht maar niet te zeggen dat dit wordt gedaan en de beantwoording uit vraag 1 toont aan dat het geen gebruik is in Kerkrade. Dat gaan wij nu dus ook niet uitrekenen, ook omdat dat ligt aan het thuisadres van mensen. Stelling: We zullen nog met een motie komen over het declareren van reiskosten binnen de gemeente. Antwoord: Voor wat betreft de motie is dat uw recht om dit instrument in te zetten. De strekking van uw oproep is nu niet duidelijk maar we kunnen u al meegeven dat het instrument motie niet in de weg staat van het wettelijke recht gebruiken door raadsleden en de griffie zal dit vervolgens moeten uitvoeren. Vraag: We hebben het volgende Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers bekeken en treffen daarin geen artikel 3.1.2. of 3.1.4 aan waar naar verwezen wordt in onze nieuwe verordening art. 2.1. en art. 3.1.
wetten.nl - Regeling - Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers - BWBR0041522 Het ene is het rechtspositiebesluit en het andere (dus waar de verordening naar verwijst is de regeling decentrale politieke ambtsdragers). Volgens mij moet dat nog even gecorrigeerd worden. Antwoord: Uw veronderstelling klopt niet. De wettelijke basis voor de rechtspositie van raads- en commissieleden is de Gemeentewet. Deze is uitgewerkt in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Op een aantal onderwerpen wordt dit besluit verder uitgewerkt in de Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers. Daarnaast is de gemeenteraad op basis van artikel 96, lid 3 van de gemeentewet bevoegd om via de verordening nadere regels te stellen.
Het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers regelt onder andere welke voorzieningen voor raads- en commissieleden vanuit de gemeentewet mogelijk zijn. Artikel 3.1.2 (vertrouwenscommissie) en artikel 3.1.4 (bijzondere commissies) zijn voorbeelden van dergelijke voorzieningen. Ook is in artikel 3.1.7 van het besluit geregeld dat een raadslid recht heeft op een reiskostenvergoeding. In lid 2 van dit artikel is te lezen dat bij ministeriële regeling nadere regels gesteld kunnen worden over de hoogte en de voorwaarden voor de aanspraken op grond van dit artikel. Hierbij de link naar het rechtspositiebesluit: wetten.nl - Regeling - Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers - BWBR0041522 In de (ministeriële) regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers worden een aantal regelingen (met name voor burgemeester en wethouders) nader uitgewerkt. In de regeling rechtspositiebesluit zijn voor raads- en commissieleden alleen de hierboven genoemde reis- en verblijfkosten verder uitgewerkt. Hierbij de link naar de regeling: wetten.nl - Regeling - Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers - BWBR0041573 In onze verordening wordt in artikel 2 lid 1 (toelage bijzondere commissies) verwezen naar artikelen 3.1.2 en artikel 3.1.4 van het rechtspositiebesluit, zoals ook terug te vinden onder bovenstaande link.
In artikel 3 lid 1 (reis en verblijfkosten raads- en commissieleden) van onze verordening wordt verwezen naar artikel 3.1 van de rechtspositieregeling en artikel 3.1.7 van het rechtspositiebesluit. De verwijzingen in onze verordening zijn correct en hoeven niet aangepast te worden zoals u stelt.