CConstaterende datKerkrade
Koppel je AI →
Document · PDF

Tarievennota 2022.pdf

Commissie Algemene Zaken en Middelen 29 november 2021, gemeente KerkradeBij agendapunt: Ontwerpbesluit inzake Tarievennota 202228.649 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Tarievennota 2022

Agendapunt nr.:

Registratienummer:

21it04148 21it04148

Domein: Bestuur

Kerkrade, 8 december 2021

Aanbiedingsbrief aan de raad. Nr.: 21it04148 Hierbij bieden wij u ter overweging en beslissing de ontwerpbesluiten 21Rb114; 21Rb115; 21Rb116; 21Rb117; 21Rb118; 21Rb119; 21Rb120; 21Rb121; 21Rb122; 21Rb123; 21Rb124; 21Rb125 met de daarbij behorende bijlagen, aan. U ontvangt een overzicht van alle belastingverordeningen van de gemeente Kerkrade inclusief de bijlage "tarieventabel 2022". Om de regelgeving welke van toepassing is op de gemeentelijke belastingen zoveel als mogelijk in één boekwerk te verzamelen worden ook de uitvoeringsregeling, het aanwijzingsbesluit Parkeren 2022 en de beleidsregels in deze tarievennota opgenomen. De tarieven voor 2022 zijn in de verordeningen aangepast. In de nota van toelichting, nr. 21Tl105, die de ontwerpbesluiten vergezelt, zijn de overwegingen en nadere gronden aangegeven waarop de ontwerpbesluiten berusten.

Het college,

De secretaris,

dr. T.P. Dassen-Housen

R.M.J.S. Stijns.

Nota van toelichting Nummer.: 21Tl105

Kerkrade, 8 december 2021

Behorend bij ontwerpbesluit nummer 21Rb114; 21Rb115; 21Rb116; 21Rb117; 21Rb118; 21Rb119; 21Rb120; 21Rb121; 21Rb122; 21Rb123; 21Rb124; 21Rb125; Onderwerp Deze nota van toelichting heeft betrekking op de ontwerpbesluiten 21Rb114; 21Rb115; 21Rb116; 21Rb117; 21Rb118; 21Rb119; 21Rb120; 21Rb121; 21Rb122; 21Rb123; 21Rb124; 21Rb125 met de daarbij behorende bijlagen, zoals die uw raad ter overweging en beslissing zijn voorgelegd. Beslispunten 1) De navolgende belastingverordeningen 2022 en daarbij behorende “tarieventabel 2022” vast te stellen, dit betreft: Ontwerpbesluiten voor: de “Verordening op de heffing en invordering van onroerendezaakbelasting 2022"; de “Verordening op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing 2022" inclusief de daarbij behorende tarieventabel; de “Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2022"; de “Verordening op de heffing en invordering van hondenbelasting 2022"; de “Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2022" inclusief de daarbij behorende tarieventabel; de “Verordening op de heffing en invordering van toeristenbelasting 2022"; de “Verordening op de heffing en invordering van leges 2022" inclusief de daarbij behorende tarieventabel; de “Verordening op de heffing en invordering van marktgelden en marktpromotiegelden gemeente Kerkrade 2022"; de “Verordening op de heffing en invordering van

lijkbezorgingsrechten 2022" inclusief de daarbij behorende tarieventabel; de “Verordening op de heffing en invordering van precariobelasting 2022" inclusief de daarbij behorende tarieventabel; de “Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting 2022" inclusief de daarbij behorende tarieventabel; de “Regeling kwijtschelding gemeentelijke belastingen 2022” 

De "tarieventabel 2022.

De in de tarievennota opgenomen bijlagen vast te stellen, dit betreft:  

het "Aanwijzingsbesluit Parkeren 2022’’; de beleidsregels.

Inleiding Zoals bekend neemt de gemeente Kerkrade deel aan de Gemeenschappelijke Regeling “Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen” (BsGW). De BsGW is belast met de all-in uitvoering (heffen, innen, bezwaar/beroep) van de:  Onroerendezaakbelasting (incl. WOZ)  Rioolheffing  Afvalstoffenheffing (diftar)  Toeristenbelasting  Precariobelasting  Reclamebelasting  Hondenbelasting  Marktgelden en marktpromotiegelden  Parkeerbelasting (geen parkeervergunningen en -abonnementen) De gemeente Kerkrade stelt zelf vast: welke belastingen worden geheven, welke grondslagen, tarieven, kwijtscheldingsnormen en verordeningen. De uitvoering van de diverse leges en de lijkbezorgingsrechten berust nog bij de gemeente. In de Begroting 2022 zijn de geraamde opbrengsten opgenomen voor de diverse belastingen en leges. De voorliggende Tarievennota bevat alle voor de heffing relevante verordeningen, ongeacht of de heffing plaatsvindt door BsGW dan wel de gemeente zelf. Met betrekking tot de beleidsregels geldt echter dat BsGW zelf voor de door haar te heffen en te innen belastingen beleidsregels vaststelt gebaseerd op de Invorderingswet. De gemeente dient dat te doen voor de belastingen (leges en lijkbezorgingsrechten) die door haar worden geheven en geïnd.

Als gevolg daarvan zijn bijgevoegde beleidsregels toegespitst op de heffing en de invordering van de leges en de lijkbezorgingsrechten. Middels de Tarievennota 2022 worden de definitieve tarieven voor 2022 bepaald. Ten opzichte van 2021 hebben op aangeven van BsGW nog enkele redactionele aanpassingen plaatsgevonden. Het betreft hier verduidelijkingen van begrippen en definities, naamswijzigingen en dergelijke. Sommige artikelen zijn daarom hernummerd. Zie de bijlage bij deze nota van toelichting. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste inhoudelijke ontwikkelingen. OZB In de raad van december 2020 zijn moties aangenomen over de OZB. In 2022 wordt 'pas op de plaats gemaakt'. Dat wil zeggen dat in 2022 de verwachte gemiddelde OZB-lasten niet zullen stijgen. Op individueel niveau kunnen de lasten wel stijgen of dalen ! Dit is afhankelijk van de specifieke kenmerken van de woning of niet-woning. Zie in dit verband ook de toelichting in de paragraaf lokale lasten in de door de raad vastgestelde Begroting 2022. Bij de woningen doet zich een waardeontwikkeling van gemiddeld circa +3,3% voor, bij de niet-woningen is dit gemiddeld circa -/- 2,2% (voorlopige cijfers). Maar er moet ook rekening worden gehouden met andere factoren dan alleen de marktontwikkeling. Het gaat immers om een gewenste netto-opbrengst.

Zo wordt zoals gebruikelijk bijvoorbeeld rekening gehouden met bezwaar/beroep (doorlopend proces) en proceskosten, vrijstellingen, leegstand, eigen panden, oninbaar, nieuwbouw/sloop, etcetera. Opvallend is dat, naar huidige inzichten, er sprake is van relatief minder leegstand op de peildatum bij de bedrijventerreinen. Dit heeft een gunstig effect op het tarief gebruiksbelasting niet-woningen. Per saldo kan het tarief voor de woningen licht dalen en hoeft het tarief voor de niet-woningen slechts licht te stijgen om de beoogde netto-opbrengst te halen.

Daarom wordt voorgesteld de tarieven 2022 (als % van de WOZ-waarde) als volgt te bepalen:  eigenarenbelasting woningen 0,1989% (2021: 0,2062%)  eigenarenbelasting niet-woningen 0,5531%(2021: 0,5421%)  gebruiksbelasting niet-woningen 0,4340% (2021: 0,4282%) Waar de gemiddelde waarde bij de woningen (voorlopig cijfer 2022: afgerond € 169.000, was afgerond € 163.000) in combinatie met het tarief een goede indicatie vormt van de (gemiddelde) lastendruk (zie verderop bij het onderdeel woonlasten), is dit bij niet-woningen minder het geval. De spreiding is namelijk veel groter. De niet-woningen variëren van objecten van een paar duizend euro (bijvoorbeeld trafokastjes) tot vele miljoenen euro’s. Die laatste kunnen het gemiddelde sterk beïnvloeden. Vergelijkingscijfers zijn dan ook niet op deze wijze beschikbaar. Precario- en reclamebelasting Zoals afgesproken met de raad zal in het voorjaar 2022 een definitief besluit worden genomen over de heffing van de precario- en reclamebelasting 2022, afhankelijk van de ontwikkeling van Covid-19 en overheidsmaatregelen. Net als vorig jaar worden nu wel al (voorlopige) tarieven 2022 vastgesteld. Bij gebrek aan een oorspronkelijk ‘belastbaar feit’ kun je deze namelijk achteraf niet meer opleggen. Het kan wel later worden teruggedraaid. Zo werden over 2020 en 2021 deze tarieven achteraf alsnog op ‘nul’ gezet middels een wijzigingsverordening.

Voor wat betreft de terrassen geldt dat de vooralsnog voorgestelde tarieven 2022 gelijk zijn aan de oorspronkelijk vastgestelde tarieven 2021 (vóór verlaging naar ‘nul’, deze waren al 10% lager dan de tarieven vóór corona) en dat het beleid gecontinueerd wordt om géén precario te heffen op de uitbreiding van de terrassen als gevolg van Covid-19. Totdat een definitief besluit is genomen, zal richting BsGW worden aangegeven vooralsnog geen aanslagen precario- en reclamebelasting 2022 daadwerkelijk op te leggen. Dezelfde handelwijze is ook voor het jaar 2021 toegepast. Parkeren De parkeertarieven zijn gelijk aan die van 2021. Vermeldenswaardig is nog dat voor de nieuwe ‘Parkeergarage VIE’ aansluiting is gezocht bij de bestaande tarieven. Wij stellen de ingangsdatum van de verordening vast op 1 januari 2022. Het is evident dat de parkeergelden in deze garage pas worden geheven ná feitelijke openstelling daarvan. Een planning bevat altijd onzekere factoren. Het is ook niet wenselijk om over een paar maanden met een gewijzigde verordening Parkeerbelasting te komen die bovendien ook weer een doorlooptijd heeft in de besluitvorming. Daarom is voor deze aanpak gekozen.

Leges/Omgevingswet Met de aanpassing van de Legesverordening 2022 bereidt de gemeente zich voor op de Omgevingswet (Ow) en Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb), waar nog meer nadruk op het vooroverleg (omgevingsoverleg) komt te liggen. De raad is middels een werkgroep betrokken bij de invoering ervan. Vanaf 1 januari 2022 zullen voor het vooroverleg, dat ook nu al plaatsvindt, leges in rekening worden gebracht. Tevens is de verwachting dat met de invoering van de Wkb de legesinkomsten zullen wijzigen. Hiervoor zal begin 2022 een onderzoek (impactanalyse) worden uitgevoerd. De Legesverordening 2022 zal dus vóór de inwerkingtreding van de Ow en Wkb (voorzien op 1 juli 2022) nog een keer moeten worden aangepast. Hiervoor wordt in het voorjaar van 2022 een separate nota/wijzigingsverordening voorbereid en voor vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad. Het betreft een formele wijziging waarbij m.n. verwezen wordt naar de nieuwe wetsartikelen.

Overige Verder zullen de gemeentelijke tarieven van alle overige belastingen en heffingen niet gaan stijgen. Dus ook niet die van de afvalstoffenheffing of rioolheffing welke relevant zijn voor de woonlasten. We houden hiervan de gemeentelijke tarieven 2022 gelijk aan die van 2021. Soms is sprake van een tarief dat bestaat uit gemeentelijke leges plus rijksleges (bijvoorbeeld paspoorten, rijbewijzen) of tarieven van derden (bijvoorbeeld het milieupark van RD4). Een eventuele stijging van deze niet door onszelf bepaalde tarieven zal wel (moeten) worden meegenomen in de tariefstelling. Harmonisaties/kwijtschelding Harmonisatie is al eerder aan de orde geweest in de presentaties/toelichtingen van BsGW in de commissie AZM. Bij de kwijtschelding blijkt dit al te realiseren voor een specifiek onderwerp. Er wordt voortaan rekening gehouden met de eigen bijdrage in de kosten van erkende kinderopvang voor degenen die daarvoor in aanmerking komen. Deze eigen bijdrage kan dan in mindering worden gebracht op het besteedbare inkomen voor de kwijtscheldingstoets. Dit is conform de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990, artikel 15 resp. 28. BsGW kan inmiddels de uitvoering hiervan geautomatiseerd mogelijk maken en heeft haar deelnemers hierop geattendeerd in het kader van uniformiteit/harmonisatie. Het gaat naar verwachting overigens om een zeer beperkt aantal gevallen.

Gelet op de inkomensgrenzen voor de kwijtschelding én de wettelijke beperkingen rondom het ontvangen van de kinderopvangtoeslag zal het vooral mensen betreffen die van uitkering naar werk gaan én die dan gebruik maken van erkende kinderopvang. Op deze wijze wordt participatie verder gestimuleerd. Overigens moet men dan nog steeds voldoen aan alle andere voorwaarden voor kwijtschelding. Voor wat betreft eventuele overige harmonisaties bij de diverse heffingen zal op basis van een inventarisatie door BsGW naar verwachting in de nieuwe bestuursperiode een nadere afweging kunnen plaatsvinden. Doelstelling Het met inachtneming van de geldende wet- en regelgeving heffen van de gemeentelijke belastingen, heffingen en leges 2022. Argumenten Bij het niet vast stellen van de stukken is er geen correcte heffing van de gemeentelijke belastingen, heffingen en leges 2022 mogelijk. Kanttekeningen Niet van toepassing. Financiën De financiële consequenties zijn voorzien in de begroting. In de raadsnota bijlage ''Tarieventabel 2022'' zijn alle tarieven weergegeven. Raming opbrengsten begroting 2022 uit belastingen en heffingen Taakveld 0.2

Opm. 3

0.61/0.62 1

2022 Leges persoonsdoc., burg.stand, rij/reisdocumenten Onroerendezaakbelastingen

340 13.528

Taakveld

Opm.

2022

0.63/2.2

1, 4

Parkeergelden/boetes

668

0.64

1

Hondenbelasting

443

0.64

1

Reclamebelasting

54

0.64

1

Precariorechten

83

1.2 3.3 3.4

1

3.4

Diverse leges uitvoering bijzondere wetten Marktgelden en marktpromotiegelden Toeristenbelasting en retributies GaiaZoo

115

Kermissen

34

51

247

7.2

2

Rioolheffing

5.377

7.3

2

Afvalstoffenheffing

5.884

7.5

Lijkbezorgingsrechten

45

8.3

Leges omgevingsvergunning

337

Div.

Diverse leges

31

Totaal

27.237

1. Niet bestedingsgebonden en geen eisen m.b.t. kostendekkendheid. 2. Verloopt budgettair neutraal via de egalisatiereserve riolen resp. egalisatiereserve afvalverwerking. 3. Onder aftrek van de af te dragen rijksleges. 4. Inclusief opbrengsten parkeergarages welke privaatrechtelijk worden geïnd.

Corona zal nog invloed kunnen hebben op de opbrengsten parkeer-, precario- en reclamebelasting. De ontwikkelingen voor wat betreft parkeeropbrengsten worden doorlopend gemonitord. Over de precarioen reclamebelasting wordt in het voorjaar 2022 een besluit genomen. Mogelijk is dan ook meer bekend over eventuele compensaties van het Rijk. Lokale lastendruk Als we het hebben over de lokale lastendruk, wordt hiermee bedoeld de gemiddelde woonlasten voor de burger. Onder de woonlasten vallen de OZB, de rioolheffing en de afvalstoffenheffing (vastrecht en diftar). De lokale lastendruk 2021 is door COELO (bronhouder) gemiddeld becijferd op € 869 voor een Kerkraads gezin (woonlasten eigenaar-bewoner, meerpersoonshuishouden). Volgens COELO is dit landelijk gemiddeld € 810 en in Limburg gemiddeld € 832. De mediaan is het middelste getal in een (oplopende) getallenreeks. De mediaan is € 831, dat wil dus zeggen dat het gemiddelde beïnvloed wordt door uitschieters aan de onderkant en bovenkant. Volgens COELO liggen in 67% van de Nederlandse gemeenten de gemiddelde woonlasten 2021 tussen de € 700 en € 900. Op de Limburgse ranglijst neemt Kerkrade in 2021 ten opzichte van de andere gemeenten dezelfde positie in als in 2020.

Een overzicht van de lokale woonlasten in de Parkstadgemeenten is opgenomen in onderstaande tabel.

Jaar 2021

Beekdaelen Brunssum Heerlen Landgraaf Kerkrade Simpelveld Voerendaal

Woonlasten

Rioolheffing

907 825 815 847 869 880 996

284 234 178 260 229 233 295

Bedrag * € 1 voor meerpersoonshuishouden Afval/ Gem. OZB Gemiddelde reinigingsheffing woningen waarde woning (voorlopig) 282 341 245 289 302 170 336 302 159 274 314 197 304 336 163 264 383 204 282 418 266

Via de 'lokale lasten meter' kunnen de inwoners straks hun woonlasten berekenen op basis van hun eigen specifieke situatie. De link naar de lokale lastenmeter is https://kerkrade.lokalelastenmeter.nl/. Vóór de aanslagoplegging 2022 zal de website nog worden bijgewerkt met de nieuwe tarieven. Middels de jaarlijkse Tarievennota stelt de raad steeds in december de tarieven vast. In het najaar wordt een inschatting gemaakt van de gegevens die nodig zijn om de tarieven voor het komende jaar te bepalen. Er is sprake van een doorlopende ontwikkeling, o.a. als gevolg van definitieve afronding taxatieprocessen voor de wet WOZ en bezwaar en beroep. Tenslotte wordt opgemerkt dat in de landelijke cijfers van de basisset (COELO) op onderdelen standaard uitgangspunten worden gehanteerd voor de berekeningen, o.a. bij het hanteren van DIFTAR. De uiteindelijke lastendruk kan achteraf anders uitvallen. In Kerkrade zijn er bijvoorbeeld, in verband met het ledigingsschema van de Rd4, minder ledigingen mogelijk dan waar COELO standaard van uitgaat. Aangezien de gemiddelde OZB-lasten, de afvalstoffenheffing en het rioolrecht 2022 gelijk blijven aan 2021, zullen de gemiddelde woonlasten 2022 niet afwijken van die van 2021 (naar huidige inzichten). Op individueel niveau zijn wel verschillen mogelijk.

Hoe Kerkrade uiteindelijk in de ‘lijstjes’ van de woonlasten 2022 scoort, hangt af van wat alle andere gemeenten doen met hun tarieven. Communicatie Communicatie zal zoals gebruikelijk gebeuren middels een publicatie in de gebruikelijke media en website gemeente. Uitvoering Vanaf 2022 zal de belastingheffing en –inning gebeuren volgens de vastgestelde verordeningen. Alleen de precario- en reclamebelasting 2022 zal nog niet daadwerkelijk opgelegd worden in afwachting van definitieve besluitvorming.

Bijlage: Overzicht kleine redactionele aanpassingen OZB •

Het in artikel 8 (oud) opgenomen drempelbedrag is nu bij artikel 5, tarieven vermeld. Hierdoor is artikel 8 komen te vervallen. De overige artikelen zijn vernummerd.

Afvalstoffenheffing • In artikel 2, tweede lid, het woord ‘als’ vervallen en ‘gebruik’ vervangen door ‘gebruik maken’. • In verband met het uniforme gebruik van de WOZ-objectafbakening bij de gemeentelijke belastingen is een nieuw artikel 3 toegevoegd. De overige artikelen zijn vernummerd. • Artikel 4 (nieuw) Belastingplicht: formulering aangepast. • Artikel 7 (nieuw) Wijze van heffen, eerste lid tekst aangepast. • In artikel 8 (nieuw) is het drempelbedrag van € 5,00 opgenomen. Hiermee is artikel 7 (oud) komen te vervallen. Tevens in artikel 8 (nieuw) de zin in het vierde lid aangepast. • Artikel 9, Termijnen van betaling is aangevuld. • In de tarieventabel is de City-bin van 20 liter voor GFT toegevoegd. Rioolheffing • In artikel 1 definities is ter verduidelijking een extra toelichting op het begrip ‘gemeentelijke riolering’ en op het begrip ‘water’ toegevoegd. • Diverse artikelen, ‘heffing’ is gewijzigd in ‘belasting’. • In artikel 5, zesde lid, ‘gepompt’ = ‘opgepompt’  Artikel 8: ‘Bij wege van aanslag’ is een term uit de wetgeving en zo overgenomen. • In artikel 9, vierde lid: andere = ander • Het in artikel 11 (oud) opgenomen drempelbedrag is nu bij artikel 9 vermeld. Hierdoor is artikel 11 komen te vervallen. De overige artikelen zijn vernummerd. Hondenbelasting • Artikel 1, aangepast/verduidelijkt.

• ‘Bij wege van aanslag’ in artikel is een term uit de wetgeving en zo overgenomen. • Artikel 3, tweede lid, letter a, is aangepast/verduidelijkt. In artikel 3, tweede lid, letter g, staat nu ‘inrichting’ i.p.v. ‘bedrijfsinrichting’ in lijn met artikel 3.7, eerste lid van het Besluit houders van dieren. • Artikel 5, derde lid, ‘indien’ vervangen door ‘als’. • Artikel 8 (oud) is vervallen, is inmiddels een overbodige bepaling. De overige artikelen zijn vernummerd. • In artikel 8 zijn diverse woorden aangepast/verduidelijkt. • De aanslaggrens van artikel 11 (oud) is nu bij artikel 8 (nieuw) opgenomen. De overige artikelen zijn vernummerd. Parkeerbelastingen • In artikel 1, Definities, tweede lid, is de zinsnede ‘onder ia’ vervallen. In het zesde lid wordt nu verwezen naar onderdeel 5. • Indeling aangepast, artikel 5 en 6 verwisseld. • Van artikel 5 (nieuw) de titel gewijzigd. De termijnen van betaling zijn in een apart artikel 7 (nieuw) opgenomen. • In artikel 5 (nieuw), Wijze van heffen, tweede lid, is de betaaltermijn gewijzigd en opgenomen in artikel 7 (nieuw). • In artikel 7 (nieuw), Betaaltermijnen, hier zijn een nieuw tweede lid (i.v.m. mobiel betalen) en vierde lid (i.v.m. naheffingsaanslag) opgenomen. • De artikelnummers zijn vernummerd.

Toeristenbelasting • Artikel 3 is aangepast/verduidelijkt. • Artikel 4, derde lid aangepast/verduidelijkt. • De titel van artikel 10 is gewijzigd in ‘Aanslaggrens’. Legesverordening • Tarieventabel, titel 3 hoofdstuk 1, diverse artikelen ‘Drank- en horecawet’ vervangen door ‘Alcoholwet’. • Tarieventabel, titel 3 hoofdstuk 2, in de diverse artikelen wordt rekening gehouden met de nieuwe indeling van evenementen (categorie A t/m C). Marktgelden • Zoals bij de andere verordeningen is nu de aanslaggrens van € 5,00 in de verordening opgenomen. Titel van het betreffende artikel (10) gewijzigd in ‘Aanslaggrens’. Precariobelasting • De in artikel 1, Definities, tweede lid opgenomen bepaling is verplaatst naar artikel 5 en artikel 8. • Artikel 8 is aangepast/verduidelijkt • Artikel 10, Minimum aanslag is verplaatst naar artikel 9 (nieuw). • Artikel 11, Vrijstellingen is verplaatst naar artikel 4. • Artikel 12, Ontheffing is nu opgenomen in artikel 8, Ontstaan van de belastingplicht en heffing naar tijdsgelang. Reclamebelasting • In artikel 1, Definities, het begrip Bouwwerk aangepast/verduidelijkt. • Artikel 4, Belastingplicht, tweede lid aangepast/verduidelijkt. • De titel van artikel 12 is gewijzigd in ‘Aanslaggrens’

Ontwerpbesluit Nr.: 21Rb114

De raad van de gemeente Kerkrade; overwegende,  dat jaarlijks de noodzakelijke tariefaanpassingen worden bezien in relatie tot de begroting;

gelezen,  de nota van toelichting, nr. 21Tl105, behorende bij dit besluit;

gelet op,  artikel 220 tot en met 220h van de Gemeentewet;

besluit: 1. 2. 3. 4.

In te trekken de Verordening op de heffing en de invordering van onroerendezaakbelastingen 2021 vastgesteld d.d. 16 december 2020; Vast te stellen de volgende "Verordening op de heffing en de invordering van onroerendezaakbelastingen 2022" welke als bijlage bij dit besluit is toegevoegd en als zodanig deel uitmaakt van dit besluit; De datum van intrekking van de onder 1. vermelde verordening is gelijk aan de datum van inwerkingtreding van de onder 2. vermelde verordening; De onder 2. vermelde verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2022.

Aldus vastgesteld in openbare raadsvergadering van de gemeente Kerkrade van 15 december 2021. De voorzitter van de raad,

De griffier,

dr. T.P. Dassen-Housen.

mr. drs. D.G.M.G. Franssen.

Bijlage behorende bij raadsbesluit nr 21Rb114

Pag. 1

Verordening op de heffing en de invordering van onroerendezaakbelastingen 2022 Artikel 1 Belastbaar feit en belastingplicht 1. Onder de naam "onroerendezaakbelastingen" worden voor binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven: a. een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting; b. een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting. 2. Bij de gebruikersbelasting wordt: a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, (verder: de gebruiker), aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; (verder: de gebruikgever); de gebruikgever is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op de gebruiker; b. het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld. 3.

Voor de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de Basisregistratie Kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. Artikel 2 Voorwerp van de belasting 1. Voorwerp van de belasting is een onroerende zaak 2. Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken. 3. Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde, die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld, voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Artikel 3 Maatstaf van heffing 1. De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 1. 2. Als voor een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid van de Wet waardering onroerende zaken.

Bijlage behorende bij raadsbesluit nr 21Rb114

Pag. 2

Artikel 4 Vrijstellingen 1. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet al is gebeurd bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: a. voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken; b. glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond; c. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; d. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen; e.

natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden; f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken; g. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; h. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; i. werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken; j. onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs; k.

straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst voor het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen; l. plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; m. begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; n. onroerende zaken waarvan een ongebouwd eigendom de hoofdzaak vormt, met inbegrip van de gebouwde eigendommen of gedeelten van gebouwde eigendommen die deel uitmaken van de onroerende zaak en dienstbaar zijn aan het ongebouwde eigendom, en met

Bijlage behorende bij raadsbesluit nr 21Rb114

Pag. 3

uitzondering van de overige gebouwde eigendommen of gedeelten van gebouwde eigendommen die deel uitmaken van de onroerende zaak; 2. De vrijstelling voor de in onderdeel j van het eerste lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht. 3. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Artikel 5 Belastingtarieven Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: 1. de gebruikersbelasting 0,4340% 2. de eigenarenbelasting a. voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,1989% b. voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,5531% Artikel 6 Wijze van heffing De belastingen worden bij wege van aanslag geheven. Artikel 7 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn een maand later. 2.

In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat en het bedrag daarvan niet hoger is dan € 20.000,- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog niet geëindigde maanden in het kalenderjaar overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste vier en ten hoogste tien bedraagt. 3. Betaling van de termijnen zoals bedoeld in de leden 1 en 2 is mogelijk via automatische incasso, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van de Uitvoeringsregeling automatische incasso van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen (BsGW). 4. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. Artikel 8 Minimum aanslag 1. Belastingbedragen van minder dan € 5,00 worden niet geheven. 2. Voor de toepassing van het vorig lid wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen aangemerkt als één belastingbedrag.

Bijlage behorende bij raadsbesluit nr 21Rb114

Pag. 4

Artikel 9 Kwijtschelding De regelgeving inzake de kwijtschelding is vastgelegd in de Regeling kwijtschelding gemeentelijke belastingen 2022. Artikel 10 Inwerkingtreding en citeertitel 1. De "Verordening op de heffing en de invordering van onroerendezaakbelastingen 2021", vastgesteld 16 december 2020,wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2022. 4. Deze verordening wordt aangehaald als "Verordening onroerendezaakbelastingen 2022".

Ontwerpbesluit Nr.: 21Rb115

De raad van de gemeente Kerkrade; overwegende,  dat jaarlijks de noodzakelijke tariefaanpassingen worden bezien in relatie tot de begroting;

gelezen,  de nota van toelichting, nr 21Tl105, behorende bij dit besluit;  de begroting 2022 van Rd4;

gelet op,  artikel 15.33 van de Wet milieubeheer;

besluit: 1. 2. 3. 4.

In te trekken de “verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing 2021” vastgesteld d.d. 16 december 2020; Vast te stellen de volgende "Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing 2022” welke als bijlage bij dit besluit is toegevoegd en als zodanig deel uitmaakt van dit besluit; De datum van intrekking van de onder 1. vermelde verordening is gelijk aan de datum van inwerkingtreding van de onder 2. vermelde verordening; De onder 2. vermelde verordening treedt in werking met ingang 1 januari 2022.

Aldus vastgesteld in openbare raadsvergadering van de gemeente Kerkrade van 15 december 2021. De voorzitter van de raad,

De griffier,

dr. T.P. Dassen-Housen.

mr. drs. D.G.M.G. Franssen.

Bijlage behorende bij raadsbesluit nr 21Rb115

Pag.1

Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing 2022 Artikel 1 Definities Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: 1. gebruik maken: gebruik maken in de zin van artikel 15.33 Wet milieubeheer. Artikel 2 Aard van de belasting en belastbaar feit 1. Onder de naam "afvalstoffenheffing" wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. 2. De afvalstoffenheffing bedoeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel, bijlage 1, wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. Artikel 3. Voorwerp van de belasting 1. 2.

Voorwerp van de belasting is een perceel. Als perceel wordt aangemerkt: a. de onroerende zaak, bedoeld in artikel 16, onder a, c, d en f, van de Wet waardering onroerende zaken; b. de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is; c. een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt; d. een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren. e. het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.

Artikel 4 Belastingplicht De belasting wordt geheven van degene die al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel. Artikel 5 Maatstaf van heffing en belastingtarief De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel. Artikel 6 Belastingjaar Met betrekking tot de belasting die per belastingjaar wordt geheven is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar.

Bijlage behorende bij raadsbesluit nr 21Rb115

Pag.2

Artikel 7 Wijze van heffing 1. De belasting bedoeld in hoofdstuk 1, met uitzondering van de onderdelen 1.1.7.3 en 1.1.7.4, van de tarieventabel wordt geheven bij wege van aanslag. 2. De belasting bedoeld in hoofdstuk 1, onderdelen 1.1.7.3 en 1.1.7.4 en de belasting bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel wordt geheven door middel van een mondelinge dan wel een schriftelijke gedagtekende kennisgeving. Het gevorderde bedrag wordt mondeling, dan wel door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt. Artikel 8 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. De belasting bedoeld in hoofdstuk 1, onderdelen 1.1.1 1.1.2, 1.1.7.1 en 1.1.7.2 van de tarieventabel is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting bedoeld in hoofdstuk 1, onderdelen 1.1.1 en 1.1.2 van de tarieventabel verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 3.

Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing van de belasting bedoeld in hoofdstuk 1, onderdelen 1.1.1 en 1.1.2 van de tarieventabel voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 4. Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar van een ander perceel gebruik maakt. 5. De belasting bedoeld in hoofdstuk 1, onderdelen 1.1.7.3 en 1.1.7.4 en de belasting bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel is verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening. 6. De belasting bedoeld in hoofdstuk 1, onderdelen 1.1.3, 1.1.4, en 1.1.5 is verschuldigd aan het einde van het belastingjaar. 7. Belastingaanslagen van minder dan € 5,00 worden niet geheven. 8. Voor de toepassing van het vorig lid wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen aangemerkt als één belastingaanslag. Artikel 9 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn een maand later. 2.

In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat en het bedrag daarvan niet hoger is dan € 20.000,- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog niet geëindigde maanden in het kalenderjaar overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste vier en ten hoogste tien bedraagt.

Bijlage behorende bij raadsbesluit nr 21Rb115

Pag.3

3. Betaling van de termijnen zoals bedoeld in de leden 1 en 2 is mogelijk via automatische incasso, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van de Uitvoeringsregeling automatische incasso van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen (BsGW). 4. De belasting moet worden betaald ingeval de kennisgeving bedoeld in artikel 7, tweede lid: a. mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving; b. schriftelijk wordt gedaan, op het moment van het uitreiken van de kennisgeving, dan wel ingeval van toezending daarvan, binnen 30 dagen na dagtekening van de kennisgeving. 5. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. Artikel 10 Kwijtschelding De regelgeving inzake de kwijtschelding is vastgelegd in de Regeling kwijtschelding gemeentelijke belastingen 2022. Artikel 11 Inwerkingtreding en citeertitel 1. De "Verordening op de heffing en invordering van de afvalstoffenheffing 2021", vastgesteld 16 december 2020, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2022. 4.

Deze verordening wordt aangehaald als "Verordening afvalstoffenheffing 2022".

Bijlage 1 behorende bij raadsbesluit nr 21Rb115

pag. 1

Bijlage 1 Tarieventabel behorende bij de Verordening afvalstoffenheffing 2022 Behoort bij raadsbesluit van 15 december 2021.

De griffier van de gemeente Kerkrade

Tarieventabel Afvalstoffenheffing 2022 Hoofdstuk 1

Maatstaven en jaarlijkse tarieven afvalstoffenheffing

1.1

De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar

1.1.1

indien dat perceel op 1 januari van het belastingjaar, of indien de belastingplicht aanvangt in de loop van het belastingjaar bij de aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door een huishouden

€ 192,00

1.1.2

indien dat perceel op 1 januari van het belastingjaar, of indien de belastingplicht aanvangt in de loop van het belastingjaar bij de aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door meer dan één persoon, tezamen niet een huishouden vormend, per persoon

€ 192,00

met een maximum van

€ 576,00

Onverminderd het bepaalde in de voorgaande onderdelen bedraagt de belasting per aanbieding van: een container bestemd voor restafval met een inhoud van 240 liter.

€ 12,00

een container bestemd voor restafval met een inhoud van 140 liter.

€

1.1.3

1.1.4

een container bestemd voor GFT-afval met een inhoud van 20 liter (citybin).

gratis

een container bestemd voor GFT-afval met een inhoud van 240 liter.

gratis

een container bestemd voor GFT-afval met een inhoud van 140 liter.

gratis

Onverminderd het bepaalde in de voorgaande onderdelen bedraagt de belasting voor percelen die voor de afvalverwijdering zijn aangewezen op het ondergrondse inzamelsysteem per aanbieding op: de ondergrondse afvalcontainer met een inwerptrommel van 60 liter.

€

2,35

de ondergrondse afvalcontainer met een inwerptrommel van 30 liter.

€

1,30

aanbieden gft-afval 1.1.5

8,90

Onverminderd het bepaalde in de voorgaande onderdelen bedraagt de belasting voor percelen die voor de afvalverwijdering zijn aangewezen op het inzamelsysteem per aanbieding per gekenmerkte afvalzak (te verkrijgen per rol á 20 stuks).

gratis €

2,35

(€ 47,00)

Bijlage 1 behorende bij raadsbesluit nr 21Rb115

1.1.6

1.1.6.1

pag. 2

Met betrekking tot de aanbieding van afval ongeacht het inzamelmiddel (mini-container, ondergrondse container of gekenmerkte afvalzak) geldt ten aanzien van percelen: die worden gebruikt door een huishouden dat bestaat uit 5 of meer personen, dat de in 1.1.3; 1.1.4 en 1.1.5 genoemde tarieven die gelden voor de aanbieding van afval per mini-container, ondergrondse container of gekenmerkte afvalzak van overeenkomstige toepassing zijn, met dien verstande dat de heffing per jaar maximaal bedraagt

€ 144,00

1.1.6.2

die worden gebruikt door een huishouden waarvan een of meerdere leden beschikt over een medische indicatie m.b.t. incontinentie- dan wel stoma-afval, dat de in 1.1.3; 1.1.4 en 1.1.5 genoemde tarieven die gelden voor de aanbieding van afval per mini-container, ondergrondse container of gekenmerkte afvalzak van overeenkomstige toepassing zijn, met dien verstande dat de heffing per jaar maximaal bedraagt

€ 84,00

1.1.7

Onverminderd het bepaalde in de onderdelen 1.1 tot en met 1.1.6.2 bedraagt het tarief voor:

1.1.7.1

Het in gebruik hebben van meer dan 2 containers voor GFT-afval per extra container per jaar of gedeelte daarvan.

€ 10,00

1.1.7.2

Het in gebruik hebben van een extra container voor restafval per container per jaar of een gedeelte daarvan.

€ 10,00

1.1.7.3

Het op eigen verzoek leveren van een container door Rd4

€ 25,00

1.1.7.4

Het op eigen verzoek ruilen per container door Rd4

€ 25,00

Het bepaalde in 1.1.7 t/m 1.1.7.2 is niet van toepassing indien er op het perceel sprake is van een huishouden met 5 of meer personen dan wel sprake is van een huishouden waarvan een of meerdere leden beschikt over een medische indicatie m.b.t. incontinentie- dan wel stoma-afval. 1.1.7.5

Het op eigen verzoek leveren/wisselen van een container door Rd4 binnen 6 maanden na verhuizing

Gratis (eenmalig)

Bijlage 1 behorende bij raadsbesluit nr 21Rb115

Hoofdstuk 2 2.1

pag. 3

Maatstaven en overige tarieven afvalstoffenheffing

2.1.1

Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 bedraagt de belasting voor het achterlaten van de volgende (grove) huishoudelijke afvalstoffen op een daartoe van gemeentewege ter beschikking gestelde plaats: Papier en karton

Gratis

2.1.2

Glas, verpakkingsglas wit en bont

Gratis

2.1.3

Klein Chemisch Afval (accu’s, batterijen, etc)

Gratis

2.1.4

Afgewerkte (motor) olie maximaal volume 20 liter

Gratis

2.1.5

Metaal

Gratis

2.1.6

Textiel

Gratis

2.1.7

Kringloopgoederen/Best-tassen

Gratis

2.1.8

Elektrische apparaten (ook defecte)

Gratis

2.1.9

Gratis

2.1.10

Asbest en asbestgelijkend materiaal dat voldoet aan de inpakspecificaties Rd4 (zie website Rd4) Auto- of motorband zonder velg ( max 20 inch, 4 stuks)

2.1.11

Tuinafval

Gratis

2.1.12

Snoeiafval/kerstbomen

Gratis

2.1.13

Gips (geen cel-of gasbeton)

Gratis

2.1.14

PMD verpakkingsafval (plastic, metaal, drankenkartons)

Gratis

2.1.15

Harde kunststoffen

Gratis

2.1.16

Gasflessen en gastanks (explosie veilig aangeleverd)

Gratis

2.1.17

Frituurvet en –olie

Gratis

2.1.18

Piepschuim (Polystyreen, alleen witte verpakkingspiepschuim. Alle gekleurde en vervuilde piepschuim en Flopak verpakkingsschuimpjes zijn restafval) Vlakglas (schoon, geen gewapend glas, geen autoruiten)

Gratis

2.1.19 2.2

Gratis

Gratis

2.2.1

Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 bedraagt de belasting voor het achterlaten van de volgende (grove) huishoudelijke afvalstoffen op een daartoe van gemeentewege ter beschikking gestelde plaats: Grof huisvuil / grote huisraad, per m3

€ 31,60

2.2.2

Restafval en ongesorteerd afval (per zak van 50 liter)

€

2.2.3

€ 15,00

2.2.4

Houtafval, kwaliteit A en B, per m3 (eerste 2 keer gratis) (A-hout: schoon en onbehandeld hout. B-hout: geverfd en gelakt hout zoals plaatmaterialen) Houtafval, C-hout (geïmpregneerd hout), per m3

2.2.5

Auto-motorband met velg, per stuk (maximaal 4 stuks)

€

1,60

2.2.6

Autoband > 20 inch per stuk (maximaal 4 stuks)

€

3,50

2.2.7

Vrachtwagenband, per stuk (maximaal 2 stuks)

€ 15,00

2.2.8

Tractorband, per stuk (maximaal 2 stuks)

€ 22,00

1,60

€ 32,20

Bijlage 1 behorende bij raadsbesluit nr 21Rb115

pag. 4

2.2.9

Schone grond, per m3

€ 15,40

2.2.10

Vervuilde grond, per m3

€ 90,00

2.2.11

Schoon puin, mag max. 10% vervuiling bevatten, per m3

€ 10,00

2.2.12

Vervuild puin, per m3

€ 90,00

2.2.13

Dakleer/bitumen houdend afval (max 0,25 m3)

€ 31,60

2.2.14

Matrassen, droog aanleveren, per m3 (worden per 1/4 m3 afgerekend)

€ 31,60

2.2.15

Eenpersoons matras, droog aanbieden

€ 7,90

2.2.16

Tweepersoons matras, droog aanbieden

€ 15,80

2.2.17

Inwoners mogen in totaal 2x per jaar gratis afval op het Milieupark aanbieden dat valt onder de genoemde categoriën 2.2.1. "Grof huisvuil/ grote huisraad", onder 2.2.4 "C-hout" en onder 2.14/2.15/2.16 "Matrassen". Daarbij mogen de inwoners zelf kiezen wat en wanneer zij 2x gratis willen aanbieden. Als inwoners al gebruik hebben gemaakt van deze in totaal 2x gratis aanbieden, moeten daarna de geldende tarieven worden betaald.

2.3

Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 bedraagt de belasting voor het door Rd4 ophalen van grove huishoudelijke afvalstoffen en houtafval aan huis: per m3

2.3.1

€ 43,50

Ontwerpbesluit Nr.: 21Rb116

De raad van de gemeente Kerkrade; overwegende,  dat jaarlijks de noodzakelijke tariefaanpassingen worden bezien in relatie tot de begroting;

gelezen,  de nota van toelichting, nr. 21Tl105 behorende bij dit besluit;

gelet op,  artikel 228a van de Gemeentewet;

besluit: 1. 2. 3. 4.

In te trekken de Verordening op de heffing en de invordering van rioolrechten 2021vastgesteld d.d. 16 december 2020; Vast te stellen de volgende "Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 2022" welke als bijlage bij dit besluit is toegevoegd en als zodanig deel uitmaakt van dit besluit; De datum van intrekking van de onder 1. vermelde verordening is gelijk aan de datum van inwerkingtreding van de onder 2. vermelde verordening; De onder 2. vermelde verordening treedt met ingang 1 januari 2022 in werking.

Aldus vastgesteld in openbare raadsvergadering van de gemeente Kerkrade van 15 december 2021. De voorzitter van de raad,

De griffier,

dr. T.P. Dassen-Housen.

mr. drs. D.G.M.G. Franssen.

Bijlage behorende bij raadsbesluit nr.21Rb116

Pag.1

Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 2022 Artikel 1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: 1. gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente; Toelichting begrip gemeentelijke riolering: Het begrip gemeentelijke riolering is veel ruimer dan alleen de riolering op zich. Het gaat om alle voorzieningen die worden getroffen om te voldoen aan de wettelijke zorgplichten. Daaronder vallen onder andere rioleringspijpen en kolken, maar ook bjjvoorbeeld voorzieningen tegen grondwateroverlast en individuele behandelingssystemen (iba’s) 2. verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterbedrijf betrekking heeft; 3. water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater. Toelichting begrip water: Onder het begrip water vallen alle verschillende soorten water. In de zorgplichten van artikel 228a Gemeentewet worden meerdere waterbegrippen gebruikt die gebaseerd zijn op de herkomst van het water. De definities van de specifieke waterbegrippen zijn opgenomen in de Wet milieubeheer of Waterwet en behoeven in de verordening rioolheffing geen nadere toelichting.

Artikel 2 Aard van de belasting Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: 1. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en 2. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht 1. De belasting wordt geheven van degene die een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd al dan niet krachtens eigendom, bezit of beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt. 2. Voor de belasting wordt: a. gebruik van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden; b. gebruik door degene aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door de persoon die dat deel in gebruik heeft gegeven; c.

het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door de degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld. Artikel 4 Voorwerp van de belasting 1. Voorwerp van de belasting is een perceel.

Bijlage behorende bij raadsbesluit nr.21Rb116

Pag.2

2. Als perceel wordt aangemerkt: a. de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken; b. de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is; c. een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt; d. een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren; e. het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel. Artikel 5 Maatstaf van heffing 1. De belasting als bedoeld in artikel 2 wordt ter zake van percelen, zijnde woningen, geheven naar een vast bedrag per woning. 2. De belasting als bedoeld in artikel 2 wordt ter zake van percelen, niet zijnde woningen, geheven naar het aantal kubieke meters water dat vanuit het perceel wordt afgevoerd. 3. Het aantal kubieke meters water wordt gesteld op het aantal kubieke meters bedrijfsafvalwater, hemelwater en grondwater dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd of opgepompt.

Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van 365 dagen, wordt de hoeveelheid water door herleiding bepaald naar een periode van 365 dagen. 4. Voor zover de gegevens, als bedoeld in het tweede lid van dit artikel, niet bekend zijn, wordt het waterverbruik vastgesteld naar rato van het waterverbruik bij vergelijkbare percelen. 5. Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een: a. watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of b. bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen. 6. De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling. 7. De op de voet van het derde lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die aantoonbaar niet via de gemeentelijke riolering is afgevoerd. Artikel 6 Tarieven 1.

De belasting als bedoeld in artikel 5, eerste lid, bedraagt per belastingjaar, indien de woning op 1 januari van het belastingjaar, of indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt bewoond door: a. een huishouden van één persoon € 213,00 b. een huishouden van meer dan één persoon € 229,00 c. meer dan één persoon tezamen niet een huishouden vormend, per persoon € 213,00 d. met een maximum van € 639,00

Bijlage behorende bij raadsbesluit nr.21Rb116

Pag.3

2. De belasting als bedoeld in artikel 5, tweede lid, bedraagt per jaar bij een waterverbruik van: a. 0 t/m 400m3 € 229,00 b. 401 t/m 800m3 € 355,00 c. 801 t/m 2.000m3 € 513,00 d. 2.001 t/m 5.000m3 € 820,00 e. 5.001 t/m 10.000m3 € 1.364,00 f. 10.001 t/m 20.000m3 € 2.205,00 g. 20.001 t/m 30.000m3 € 2.738,00 vermeerderd met een bedrag van € 534,00 per 10.000m3 of een gedeelte daarvan boven de afgevoerde hoeveelheid van 30.000m3. Artikel 7 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 8 Wijze van heffing De belasting wordt geheven bij wege van aanslag. Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. De belasting als bedoeld in artikel 2 is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 4.

Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in gebruik neemt. 5. Belastingbedragen van minder dan € 5,00 worden niet geheven. 6. Voor de toepassing van het vorige lid wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel 10 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn een maand later. 2. In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat en het bedrag daarvan niet hoger is dan € 20.000,- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog niet geëindigde maanden in het kalenderjaar overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste vier en ten hoogste tien bedraagt. 3.

Betaling van de termijnen zoals bedoeld in de leden 1 en 2 is mogelijk via automatische incasso, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van de Uitvoeringsregeling automatische incasso van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen (BsGW).

Bijlage behorende bij raadsbesluit nr.21Rb116

Pag.4

4. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 11 Kwijtschelding De regelgeving inzake de kwijtschelding is vastgelegd in de Regeling kwijtschelding gemeentelijke belastingen 2022. Artikel 12 Inwerkingtreding en citeertitel 1. De "Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2021", vastgesteld 16 december 2020, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2022. 4. Deze verordening wordt aangehaald als "Verordening rioolheffing 2022".

Ontwerpbesluit Nr.: 21Rb117

De raad van de gemeente Kerkrade; overwegende,  dat jaarlijks de noodzakelijke tariefaanpassingen worden bezien in relatie tot de begroting;

gelezen,  de nota van toelichting, nr, 21Tl105, behorende bij dit besluit;

gelet op,  artikel 226 van de Gemeentewet;

besluit: 1. 2. 3. 4.

In te trekken de Verordening op de heffing en de invordering van hondenbelasting 2021 vastgesteld d. 16 december 2020; Vast te stellen de volgende "Verordening op de heffing en de invordering van hondenbelasting 2022" welke als bijlage bij dit besluit is toegevoegd en als zodanig deel uitmaakt van dit besluit; De datum van intrekking van de onder 1. vermelde verordening is gelijk aan de datum van inwerkingtreding van de onder 2. vermelde verordening; De onder 2. vermelde verordening treedt in werking met ingang 1 januari 2022.

Aldus vastgesteld in openbare raadsvergadering van de gemeente Kerkrade van 15 december 2021. De voorzitter van de raad,

De griffier,

dr. T.P. Dassen-Housen.

mr. drs. D.G.M.G. Franssen.

Bijlage behorende bij raadsbesluit nr 21Rb117

Pag. 1

Verordening op de heffing en de invordering van hondenbelasting 2022 Artikel 1 Belastbaar feit Onder de naam hondenbelasting wordt een directe belasting geheven voor het houden van een hond binnen de gemeente. Artikel 2 Belastingplicht 1. Belastingplichtig is de houder van een hond. 2. Als houder wordt aangemerkt degene die onder welke titel dan ook een hond onder zich heeft, tenzij blijkt dat een ander de houder is. 3. Het houden van een hond door een lid van het huishouden wordt aangemerkt als het houden van een hond door een door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aan te wijzen lid van dat huishouden. Artikel 3 Vrijstellingen 1. In dit artikel wordt verstaan onder hondenasiel: aan één locatie gebonden ruimte of ruimtes bestemd of gebruikt voor het in bewaring houden van honden die zwervend zijn aangetroffen, dan wel waarvan door de eigenaar permanent afstand is gedaan, welke locatie als inrichting is aangemeld overeenkomstig artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit houders van dieren. 2. De belasting wordt niet geheven voor honden: a. die jonger zijn dan drie maanden, voor zover zij tezamen met de moederhond worden gehouden; b. die zijn opgeleid tot en dienen als blindengeleidehond en in hoofdzaak als zodanig door een blind of slechtziende persoon worden gehouden; c.

die zijn opgeleid tot en dienen als assistentiehond en in hoofdzaak als zodanig door een gehandicapt persoon worden gehouden; d. die zijn opgeleid tot het ten dienste zijn van doven en slechthorende en in hoofdzaak als zodanig door een dove of slechthorende persoon worden gehouden; e. waarvan de houder een geldend diploma kan tonen, dat is afgegeven door de Koninklijke Nederlandse Politiehondenvereniging; f. die verblijven in een hondenasiel; g. die uitsluitend ten verkoop of aflevering in voorraad worden gehouden in een inrichting als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit houders van dieren. Artikel 4 Maatstaf van heffing De belasting wordt geheven naar het aantal honden dat wordt gehouden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Kerkrade&id=9872ead6-aa5e-4bc2-b307-10f9143c09cf