Overzicht wijzigingen APV 2022.docx
Tekst van het document
OVERZICHT WIJZIGINGEN APV 2022 DRANK- EN HORECAWET WORDT ALCOHOLWET De Drank- en Horecawet is gewijzigd. De gewijzigde wet is per 1 juli 2021 in werking getreden. De wet wordt voortaan aangeduid als Alcoholwet door wijziging van de citeertitel in artikel 49 van de wet. De APV is conform aangepast. Daar waar verwezen werd naar de Drank- en Horecawet wordt nu verwezen naar de Alcoholwet.
ARTIKEL 2:38 PERSOONSEISEN 1.
2. 3.
De natuurlijke persoon die een vergunning aanvraagt voor de exploitatie van een alcoholvrij bedrijf overeenkomstig deze verordening moet: a. De leeftijd van 18 jaren hebben bereikt; en b. Aan de persoonseisen bij of krachtens de artikelen 8 en 9 tot 10 van de Alcoholwet voldoen met uitzondering van de leeftijdseis; c. Een recente verklaring omtrent gedrag van de leidinggevende overleggen die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven. d. een document overleggen waaruit zijn rechtmatige verblijf in Nederland blijkt. De eisen gesteld in lid 1 gelden ook voor leidinggevenden. Indien de vergunning wordt aangevraagd door een rechtspersoon dient de natuurlijke persoon die de rechtspersoon rechtsgeldig vertegenwoordigt te voldoen aan het bepaalde in het eerste lid.
Toelichting bij wijziging Artikel 10 van de Drank- en Horecawet bepaalde dat de inrichting dient te voldoen aan bij AMvB in het belang van de sociale hygiëne te stellen eisen. Artikel 10 van de Alcoholwet ziet op enkele inrichtingseisen van een slijtlokaliteit en horecalokaliteit, waardoor dit niet van toepassing is op de persoonseisen.
ARTIKEL 2:39 INRICHTINGSEISEN 1.
2. 3. 4. 5. 6.
De openbare inrichting van een alcoholvrij bedrijf dient te voldoen aan de eisen gesteld in artikel 10 lid 2 van de Alcoholwet de artikelen 3 tot en met 7 van het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet. Het bevoegd orgaan kan op schriftelijk verzoek ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid. Het bevoegd orgaan beslist binnen 12 weken nadat het verzoek om ontheffing is ingekomen. Het bevoegd orgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste 8 weken verdagen. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vrijstelling bedoeld in het tweede lid. De bij of krachtens dit artikel gestelde eisen gelden in aanvulling op hetgeen is geregeld bij of krachtens de artikelen 2, 3, 5, 6 en 120 van de Woningwet.
Toelichting bij de wijziging
1
Het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet komt te vervallen. Er wordt zo veel mogelijk aangesloten bij het Bouwbesluit.1 Wel blijft de eis van een verbindingsruimte tussen een slijterij en een ruimte waar andere bedrijfsactiviteiten plaatsvinden (de zogenaamde neringruimte) bestaan. Daarnaast moeten een horecalokaliteit en een slijterslokaliteit, zoals nu in het Besluit geregeld, nog steeds een minimale voeroppervlakte hebben. Dit blijft minimaal 35m2 voor een horecalokaliteit en 15m2 voor een slijterslokaliteit. Bij een horecalokaliteit kan de burgemeester afwijken van dit vereiste als sprake is van een Rijksmonument. Gemeenten kunnen bij verordening hogere eisen stellen aan de minimale vloeroppervlakte van horeca- en slijterslokaliteiten. Voor het alcoholvrij bedrijf sluiten wij aan bij de eis van de minimale vloeroppervlakte. In lid 6 wordt, ter info, aangegeven dat men ook moet voldoen aan de eisen zoals gesteld in de genoemde artikelen van de Woningwet, die verwijzen naar het Bouwbesluit.
ARTIKEL 2:40 WEIGERINGSGRONDEN OPENBARE INRICHTING ZIJNDE EEN ALCOHOLVRIJ BEDRIJF 1.
Een vergunning wordt door het bevoegd orgaan geweigerd indien: 1) De (natuurlijke) exploitant/ondernemer: a. die de vergunning heeft gevraagd een openbare inrichting heeft/hebben geëxploiteerd die evenwel op grond van verstoring van de openbare orde binnen een termijn van vijf jaar voorafgaand aan het indienen van de aanvraag gesloten is geweest c.q. waarvoor de krachtens deze verordening dan wel de Alcoholwet verleende vergunning op grond van verstoring van de openbare orde door het daartoe bevoegd orgaan is ingetrokken; b. door de ondernemer c.q. degenen die de rechtspersoon rechtsgeldig vertegenwoordigt(en) en/of leidinggevende(n) niet wordt voldaan aan de persoonseisen zoals bedoeld in artikel 2:38; c. bij toepassing van de Wet Bibob, de ondernemer resp. aanvrager van de vergunning weigert de hiervoor gestelde vragen te beantwoorden en/of de gevraagde, noodzakelijke, bescheiden in te dienen; d. er sprake is van toepassing van de Wet Bibob in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur; e. de aanvrager geen verklaring omtrent gedrag met betrekking tot de leidinggevende overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven.
2) De horeca-inrichting niet voldoet aan de inrichtingseisen, als bedoeld in artikel 2:39 lid 1, tenzij door het bevoegde bestuursorgaan een ontheffing is verleend. 3) Redelijkerwijze moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; 4) Indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.
1 Het Bouwbesluit zal worden vervangen door het Besluit eisen bouwwerken leefomgeving, dat vermoedelijk
per 1 januari 2022 in werking zal treden.
2
2.
3.
De burgemeester kan de vergunning voorts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel het woon- en leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting, de openbare orde of de veiligheid nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf. Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met: a. het karakter van de straat en de wijk waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen en de te verwachten parkeeroverlast, geluidsoverlast, vervuiling of sociale onveiligheid; b. de aard van het horecabedrijf; c. de spanning waaraan het woon- en leefklimaat ter plaatse reeds bloot staat; d. de wijze van bedrijfsvoering door de exploitant of de leidinggevende; en e. het levensgedrag van de exploitant of leidinggevende. f. (dreigende) aantasting van de openbare orde; waarbij onder aantasting van de openbare orde tevens wordt begrepen aantasting van de rechtsorde. Hieronder wordt tevens verstaan de situatie dat de horeca-inrichting gevestigd is in de onmiddellijke nabijheid van bedrijven of winkels met een dusdanig andere bezoekersgroep, dat de ontmoeting tussen de verschillende bezoekersgroepen openbare ordeproblemen heeft of tot gevolg kan hebben; g. het geldend bestemmingsplan dan wel met een geldende leefmilieuverordening; h.
de situatie waarin er naar zijn oordeel sprake is van een ongewenste concentratie van horeca-inrichtingen in een bepaald gebied, waardoor het gevaar voor aantasting van de openbare orde of het woon- en leefklimaat cumulatief toeneemt.
Toelichting bij de wijziging In lid 1 onder 2 van dit artikel wordt m.b.t. de inrichtingseisen van artikel 2:39 specifiek naar lid 1 verwezen als harde weigeringsgrond.
KAMERVERHUUR ARTIKEL 2:78 OVERGANGSRECHT 1.
2. 3.
Indien een eigenaar van een woning ten tijde van de inwerkingtreding van de APV beschikte over een kamerverhuurvergunning, mag het kamerverhuur worden voortgezet gedurende de resterende looptijd van de verleende kamerverhuurvergunning gedurende een periode van maximaal 5 jaar. Artikel 2:79 en 2:80 APV blijven blijft op de in lid 1 genoemde situatie van toepassing. Indien in een woning één of twee onzelfstandige woonruimten zijn gerealiseerd, mogen deze voor een periode van maximaal 5 jaar blijven voortbestaan.
Toelichting bij de wijziging N.a.v. de wijziging van artikel 2:79 APV, zal de verwijzing in dit artikel aangepast moeten worden.
ARTIKEL 2:79 WEIGERINGSGRONDEN (Vervallen)
3
1.
2.
Het college weigert de gevraagde vergunning te verlenen naast de gronden in artikel 1:8 indien er sprake is van: a. strijd met de regels van het rechtsgeldige bestemmingsplan; b. overlast bij eerder en/of soortgelijke woonruimtes; c. degene op de vergunningsaanvraag staat of eigenaar niet voldoet aan de daarbij horende zorg- en onderhoudsplicht inzake begeleide woonsituaties; d. redelijkerwijze moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; e. redelijkerwijs mag worden aangenomen dat vergunningverlening zal leiden tot een ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu of de openbare orde en veiligheid in de omgeving van de woonruimte waarop de aanvraag betrekking heeft. Bij de toepassing van de in het vorige lid onder d genoemde weigeringsgronden houdt het college rekening met: a. het karakter van de straat en de wijk waarin het kamerverhuurpand is gelegen of zal zijn gelegen en de te verwachten (parkeer)overlast, geluidsoverlast, vervuiling of sociale onveiligheid; b. de concentratie van kamerverhuurpanden in een bepaald gebied, waardoor het gevaar voor aantasting van de openbare orde of een ongewenste druk op het woonen leefklimaat toeneemt; c. de spanning waaraan het woon- en leefklimaat ter plaatse reeds bloot staat; d. de wijze van bedrijfsvoering door de eigenaar of verhuurder; e.
het levensgedrag van de eigenaar of verhuurder.
Toelichting bij de wijziging Nu er een algeheel verbod op kamerverhuur is zonder mogelijkheid daarvoor een vergunning te krijgen, is het niet nodig om de weigeringsgronden voor een vergunningaanvraag in de APV te laten staan.
ARTIKEL 2:99 LACHGAS (Vervallen) 1.
2.
3.
Het is verboden op een openbare plaats distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zicht te hebben, indien dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken. Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college ter bescherming van de openbare orde of het woon- en leefklimaat aangewezen gebied distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zicht te hebben. Het college kan in het aanwijzingsbesluit het in het tweede lid bedoelde verbod beperken tot bepaalde tijden.
Toelichting bij de wijziging Artikel 2:99 is in het verleden opgenomen in de APV in verband met de gevaren van oneigenlijk gebruik van lachgas en de overlast die daarvan ondervonden kan worden indien dit middel in de openbare ruimte gebruikt wordt. De verwachting was dat eind 2020 een landelijke aanpassing van de opiumwetgeving zou hebben 4
plaatsgevonden door lachgas aan lijst II bij de Opiumwet toe te voegen en de eigenlijke toepassingen van lachgas van het Opiumwetverbod uit te zonderen.2 Het wetgevingsproces duurt echter langer dan voorzien. Vanwege de demissionaire status van het kabinet zal het besluit over het tot stand brengen van regelgeving op het gebied van het voorgenomen lachgasverbod worden overgelaten aan een nieuw kabinet. Dit betekent dat de verwachting vanuit het rijk vooralsnog is dat er geen aangepaste regelgeving zal worden ingevoerd voor het voorjaar van 2022. Dit zorgt voor een knelpunt in de effectieve(re) aanpak van de lachgasproblematiek. Omdat er geen feitomschrijving met feitcode voorhanden was die gekoppeld is aan het specifieke gebruik van lachgas, is het niet mogelijk om een bestuurlijke strafbeschikking uit te vaardigen voor overtreding van een APV-artikel dat (onder meer) ziet op een verbod van (oneigenlijk) lachgasgebruik. Artikel 2:99 APV bevat een specifiek bestanddeel ‘distikstofmonoxide’. Dit brengt met zich mee dat in een strafzaak daadwerkelijk moet worden bewezen dat het ook specifiek om die stof gaat. Specifieke waarnemingen en eventuele foto’s van patronen of cilinders zullen nodig zijn in het dossier. Wanneer alleen sprake is van een ‘ballon’ en een zwijgende verdachte zal het bewijs niet geleverd kunnen worden.
Vanwege het geschetste bewijsprobleem zal artikel 2:99 geschrapt worden uit de APV. Wat kunnen wij dan wel? Per 1 juli 2021 is de feitcode opengesteld voor artikel 2:123 (Openlijk Drugsgebruik). Lachgas valt dan onder ‘daarop gelijkende waar’ als bedoeld in die bepaling. Bij “daarop gelijkende waar” kan bijvoorbeeld worden gedacht aan nieuwe middelen die al wel worden gebruikt (denk aan lachgas), maar nog niet op de lijst voorkomen en waartegen wel moet worden opgetreden of aan nepdrugs (bijvoorbeeld waspoeder). Het is dan van belang dit goed te motiveren.
ARTIKEL 2:128 WOONOVERLAST ALS BEDOELD IN ARTIKEL 151D GEMEENTEWET 1.
2.
Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke: a. Geluid- of geurhinder; b. Hinder van door de bewoner gehouden dieren; c. Hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; d. Overlast door vervuiling van een woning of een erf; e. Intimidatie van bewoners of derden vanuit een woning of een erf.
Toelichting bij de wijziging: In artikel 2:128 van de APV is een zorgplicht opgenomen voor gebruikers en verhuurders van woningen om geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden te veroorzaken. De burgemeester kan op grond hiervan gedragsaanwijzingen geven aan overlastgevers in zowel huur- als koopwoningen en aan verhuurders. Tot 1 januari 2021 was de gedragsaanwijzing aan verhuurders alleen mogelijk als de persoon die overlast gaf niet als ingezetene in de desbetreffende gemeente stond ingeschreven. Met de inwerkingtreding van de Wet toeristische verhuur van woonruimte (Stb. 2020, 460) op 1 januari 2021 is die beperking vervallen. In verband hiermee is 2 Hierdoor zou worden bewerkstelligd dat er een verbod komt om lachgas binnen of buiten het grondgebied van
Nederland te brengen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, verstrekken, vervoeren, vervaardigen, aanwezig te hebben of af te leveren.
5
artikel 2:128 APV aangepast. Om woonoverlast beter tegen te gaan, geldt de zorgplicht voortaan in alle gevallen voor verhuurders van woonruimten. Dat betekent dat verhuurders zorgdragen dat de woningen die zij verhuren geen ernstige en herhaaldelijke hinder veroorzaken. Als de verhuurder zich niet of op een verkeerde manier inzet tegen ernstige en herhaaldelijke hinder, kan de burgemeester direct een verhuurder aanspreken en hoeft de burgemeester daarvoor niet eerst de huurder te hebben aangesproken. Dit is bijvoorbeeld wenselijk wanneer verschillende huurders van dezelfde verhuurder hinder hebben veroorzaakt. Dat kan o.a. het geval zijn in panen waar meerdere huurders wonen of waar huurders snel wisselen. De burgemeester kan dan dus – als ultimum remedium – direct aan een verhuurder een last onder bestuursdwang of dwangsom opleggen.
ARTIKEL 3:7 WEIGERINGSGRONDEN 1.
2.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 wordt een vergunning Een vergunning wordt geweigerd als: a. De exploitant of de beheerder onder curatele staat; b. de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is; c. de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt; d. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; e. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; f. er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000; g. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden; h.
de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500,- meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: 1° bepalingen, gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van de Algemene plaatselijke verordening Kerkrade; 2° de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht; 3° artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; 4° de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en juncto 163 van de Wegenverkeerswet 1994; 5° de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of 6° de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. i. een maximum als bedoeld in artikel 3:5 al is bereikt; j. de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met een geldend bestemmingsplan, een bestemmingsplan in ontwerp dat ter inzage is gelegd, een beheersverordening. Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt gelijk gesteld: 6
3. 4. 5.
a. een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf; b. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, tweede lid derde lid, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375,- bedraagt. De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee. Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd: a. voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:9, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, of tweede lid, aanhef onder a tot en met g, of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking; b. als niet is voldaan aan een bij of krachtens artikel 3:6 gestelde eis met betrekking tot de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen; c.
als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend; d. als de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd; e. als het bedrijfsplan niet voldoet aan artikel 3:15, eerste en tweede lid; f. als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:17 gestelde verplichtingen zal naleven.
Toelichting bij de wijziging: In dit onderdeel worden twee wijzigingen aangebracht in artikel 3:7, dat over de weigeringsgronden van de prostitutievergunning gaat. Deze houden verband met gedragseisen die aan de exploitant en beheerder van ene seksinrichting worden gesteld. In de aanhef vervalt de zinsnede “Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8”, omdat dit in tegenspraak is met artikel 3:1 van de APV. Daarin staat dat artikel 1:8 (algemene weigeringsgronden) niet van toepassing is op het prostitutiehoofdstuk. Bij de aanpassing van de APV in 2020 is deze zinsnede abusievelijk toegevoegd. In het tweede lid, aanhef en onder b, wordt een schikking met een veroordeling gelijkgesteld. Hiervoor is in het verleden aansluiting gezocht bij het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet. De verwijzing naar de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is geactualiseerd. De schikking is in die wet vervangen door een bestuurlijke strafbeschikking, waarin een geldboete kan worden opgelegd (artikel 76, tweede lid, AWR). Ook in het Alcoholbesluit dat het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet per 1 juli 2021 vervangt, is deze wijziging op deze wijze doorgevoerd. In verband hiermee is ook het woord ‘vrijwillige’ voor ‘betaling’ geschrapt.
Voor de schikking op grond van artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht volgt de vrijwilligheid uit het accepteren van de schikkingsvoorwaarden.
7