NIEUW Tarievennota 2026 bundel versie2 1-12-2025
Tekst van het document
Tarievennota 2026
Agendapunt nr.: Registratienummer: 25it01747 Kerkrade, 11 november 2025 Domein: Bestuur
Aanbiedingsbrief aan de raad. Nr.: Hierbij bieden wij u ter overweging en beslissing de ontwerpbesluiten, nr. , 25Rb082, 25Rb083, 25Rb084, 25Rb085, 25Rb086, 25Rb087, 25Rb088, 25Rb089, 25Rb090, 25Rb091, 25Rb092, 25Rb093 met de daarbij behorende bijlagen aan. U ontvangt een overzicht van alle belastingverordeningen van de gemeente Kerkrade inclusief de bijlage "tarieventabel 2026". Om de regelgeving welke van toepassing is op de gemeentelijke belastingen zoveel als mogelijk in één boekwerk te verzamelen worden ook de uitvoeringsregeling, het aanwijzingsbesluit Parkeren 2026 en de beleidsregels in deze tarievennota opgenomen. De tarieven voor 2026 zijn in de verordeningen aangepast. In de nota van toelichting, nr.25TI071 , die het ontwerpbesluit vergezelt, zijn de overwegingen en nadere gronden aangegeven waarop het ontwerpbesluit berust.
Het college,
De secretaris,
dr. T.P. Dassen-Housen
R.M.J.S. Stijns
Nota van toelichting Nummer: 25Tl071
Kerkrade, 11 november 2025
Behorend bij ontwerpbesluit nummer: 25Rb082, 25Rb083, 25Rb084, 25Rb085, 25Rb086, 25Rb087, 25Rb088, 25Rb089, 25Rb090, 25Rb091, 25Rb092, 25Rb093
Onderwerp Deze nota van toelichting heeft betrekking op de ontwerpbesluiten 25Rb082, 25Rb083, 25Rb084, 25Rb085, 25Rb086, 25Rb087, 25Rb088, 25Rb089, 25Rb090, 25Rb091, 25Rb092, 25Rb093 met de daarbij behorende bijlagen, zoals die uw raad ter overweging en beslissing zijn voorgelegd.
Beslispunten 1) De navolgende belastingverordeningen 2025 en daarbij behorende “tarieventabel 2026” vast te stellen, dit betreft: Ontwerpbesluiten voor: de “Verordening op de heffing en invordering van onroerendezaakbelasting 2026"; de “Verordening op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing 2026" inclusief de daarbij behorende tarieventabel; de “Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2026"; de “Verordening op de heffing en invordering van hondenbelasting 2026"; de “Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2026" inclusief de daarbij behorende tarieventabel; de “Verordening op de heffing en invordering van toeristenbelasting 2026"; de “Verordening op de heffing en invordering van leges 2026" inclusief de daarbij behorende tarieventabel; de “Verordening op de heffing en invordering van marktgelden en marktpromotiegelden gemeente Kerkrade 2026"; de “Verordening op de heffing en invordering van lijkbezorgingsrechten 2026" inclusief de daarbij behorende tarieventabel; de “Verordening op de heffing en invordering van precariobelasting 2026" inclusief de daarbij behorende tarieventabel; de “Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting 2026" inclusief de daarbij behorende tarieventabel; de “Regeling kwijtschelding gemeentelijke belastingen 2026” •
De "tarieventabel 2026 “.
Inleiding Zoals bekend neemt de gemeente Kerkrade deel aan de Gemeenschappelijke Regeling “Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen” (BsGW). De BsGW is belast met de all-in uitvoering (heffen, innen, bezwaar/beroep) van de:
• • • • • • • • •
Onroerendezaakbelasting (incl. WOZ) Rioolheffing Afvalstoffenheffing (diftar) Toeristenbelasting Precariobelasting Reclamebelasting Hondenbelasting Marktgelden en marktpromotiegelden Parkeerbelasting (geen parkeervergunningen en -abonnementen)
De gemeente Kerkrade stelt zelf vast: welke belastingen worden geheven, welke grondslagen, tarieven, kwijtscheldingsnormen en verordeningen. De uitvoering van de diverse leges en de lijkbezorgingsrechten berust nog bij de gemeente. In de Begroting 2026 zijn de geraamde opbrengsten opgenomen voor de diverse belastingen en leges. De voorliggende Tarievennota bevat alle voor de heffing relevante verordeningen, ongeacht of de heffing plaatsvindt door BsGW dan wel de gemeente zelf. Met betrekking tot de beleidsregels geldt echter dat BsGW zelf voor de door haar te heffen en te innen belastingen beleidsregels vaststelt gebaseerd op de Invorderingswet. De gemeente dient dat te doen voor de belastingen (leges en lijkbezorgingsrechten) die door haar worden geheven en geïnd. Middels de Tarievennota 2026 worden de definitieve tarieven voor 2026 bepaald. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste inhoudelijke ontwikkelingen. OZB Conform eerdere besluitvorming en in overeenstemming met de begroting 2026 worden de OZB-opbrengsten met 1,5% verhoogd. Hierdoor stijgen naar huidige inzichten de verwachte gemiddelde OZB-lasten met circa 7 euro per jaar. Op individueel niveau kunnen de verschillen groter of kleiner zijn. Dit is afhankelijk van de specifieke kenmerken van de woning of niet-woning. Zie in dit verband ook de toelichting in de paragraaf lokale lasten in de Begroting 2026.
Bij de berekening van de OZB-tarieven zijn de netto te realiseren opbrengsten en de prognoses/gegevens van BsGW de uitgangspunten voor het tarief. Naast de geprognosticeerde waardeontwikkeling dient ook rekening gehouden te worden met andere factoren, het gaat immers om een gewenste netto-opbrengst. Zo wordt er ook rekening gehouden met bezwaar- en beroepschriften, vrijstellingen, leegstand, eigen panden, ver- en nieuwbouw, afbouw van nieuwbouw en (voorgenomen) sloop (voor zover op dit moment bekend), et cetera. Op basis hiervan wordt voorgesteld de tarieven 2026 (als % van de WOZ-waarde) als volgt te bepalen: • eigenarenbelasting woningen 0,1569% (2025: 0,1741%) • eigenarenbelasting niet-woningen 0,5238% (2025: 0,5104%) • gebruiksbelasting niet-woningen 0,4112% (2025: 0,3803%) Riool- en Afvalstoffenheffing De tarieven voor rioolrecht en afvalstoffenheffing zijn aan het uitgangspunt van 100% kostendekkendheid aangepast. Bij afval bedraagt de verhoging van het vastrecht ca. € 10 per jaar, de ledigingstarieven zijn ongewijzigd. Bij riool bedraagt de verhoging ca. € 3 per jaar als gevolg van de gestegen kosten.
Precario- en reclamebelasting Ten tijde van de coronapandemie heeft de gemeenteraad besloten een korting van 50% te verlenen op de tarieven voor precariorechten en reclamebelasting. Aangezien deze periode nu al geruime tijd achter ons ligt wordt deze korting nu volledig teruggedraaid naar het oude niveau. Voor Uitstallen, terrassen en standplaatsen binnen de precariorechten was dit in 2024 al gebeurd. Voor deze categorieën zijn de tarieven met 1,5% verhoogd. Hondenbelasting De 1e hond blijft gratis, de overige tarieven zijn verhoogd met 1,5%. Marktgelden en marktpromotiegelden De tarieven marktgelden zijn met 1,5% verhoogd. De tarieven marktpromotiegelden zijn gelijk gehouden op het oude niveau. De marktpromotiegelden innen wij immers voor de marktkooplieden. Parkeren Voor de tarieven parkeerboetes wordt het wettelijk maximum gehanteerd. De tarieven voor parkeerabonnementen en – vergunningen worden met 1,5% verhoogd. De parkeertarieven zijn gelijk gebleven. Voor gebruikers van de “GPK-Parkeren Plus App” geldt dat ze op locaties A, B en C de eerste 3 uur gratis kunnen parkeren. Leges/Omgevingswet De legestarieven persoonsdocumenten, burgerlijke stand en rij- en reisdocumenten zijn op het door het Rijk vastgestelde maximumtarief gesteld, de overige tarieven zijn, daar waar mogelijk met 1,5% verhoogd. Door afrondingen kunnen sommige tarieven hier iets van afwijken.
Doelstelling Het met inachtneming van de geldende wet- en regelgeving heffen van de gemeentelijke belastingen, heffingen en leges 2026.
Argumenten Bij het niet vaststellen van de stukken is er geen correcte heffing van de gemeentelijke belastingen, heffingen en leges 2026 mogelijk.
Kanttekeningen Niet van toepassing.
Financiën De financiële consequenties zijn voorzien in de begroting. In de raadsnota bijlage ''Tarieventabel 2025'' zijn alle tarieven weergegeven.
Raming opbrengsten begroting 2026 uit belastingen en heffingen
Lokale lastendruk Als we het hebben over de lokale lastendruk, wordt hiermee bedoeld de gemiddelde woonlasten voor de burger. Onder de woonlasten vallen de OZB, de rioolheffing en de afvalstoffenheffing (vastrecht en diftar). De lokale lastendruk krijgt veel aandacht. Om dit toch enigszins in perspectief te plaatsen: van elke euro aan belastingen en premies die huishoudens en bedrijven betalen, gaat ongeveer 3,3% naar gemeenten, terwijl 95,3% naar de rijksoverheid gaat (COELO, 2024). Provincies en waterschappen nemen de resterende 1,4% procent voor hun rekening. De lokale lastendruk 2025 is door COELO (bronhouder) gemiddeld becijferd op € 1.044 voor een Kerkraads gezin (woonlasten eigenaar-bewoner, meerpersoonshuishouden). Volgens COELO is dit landelijk gemiddeld € 1.063 en in Limburg gemiddeld € 1.064. De mediaan is het middelste getal in een (oplopende) getallenreeks. De mediaan is € 1.034, dat wil dus zeggen dat het gemiddelde beïnvloed wordt door uitschieters aan de onderkant en bovenkant. Volgens COELO liggen in 67% van de Nederlandse gemeenten de gemiddelde woonlasten tussen de € 800 en € 1.100. Op de Limburgse ranglijst neemt Kerkrade in 2025 de 18e plaats in. COELO gebruikt bij de berekening van de gemiddelde
OZB aanslag de gemiddelde waarde van koopwoningen. Gemeenten moeten uiteraard bij hun tariefstelling wel rekening houden met de waarde van de huurwoningen.
Een overzicht van de lokale woonlasten 2025 in de Parkstadgemeenten is opgenomen in onderstaande tabel.
Via de lokale lastencalculator van het COELO kunnen de inwoners hun woonlasten berekenen op basis van hun eigen specifieke situatie. De link naar de lokale lastencalculator is https://coelo.nl/atlas-lokale-lasten/lokale-lasten-calculator/ Vóór de aanslagoplegging 2026 zal de website nog worden bijgewerkt met de nieuwe tarieven. Middels de jaarlijkse Tarievennota stelt de raad steeds in december de tarieven vast. In het najaar wordt een inschatting gemaakt van de gegevens die nodig zijn om de tarieven voor het komende jaar te bepalen. Er is sprake van een doorlopende ontwikkeling, o.a. als gevolg van definitieve afronding taxatieprocessen voor de wet WOZ en bezwaar en beroep. Tenslotte wordt opgemerkt dat in de landelijke cijfers van de basisset (COELO) op onderdelen standaard uitgangspunten worden gehanteerd voor de berekeningen, o.a. bij het hanteren van DIFTAR. De uiteindelijke lastendruk kan achteraf anders uitvallen. In Kerkrade zijn er bijvoorbeeld, in verband met het ledigingsschema van de Rd4, minder ledigingen mogelijk dan waar COELO standaard van uitgaat. Op basis van huidige inzichten zullen de gemiddelde woonlasten in 2026 met € 20 stijgen, hetgeen neerkomt op € 1,67 per maand. Op individueel niveau kunnen de verschillen afwijken. Wat dit betekent voor onze plaats op de lijst met gemeentelijke woonlasten is op dit moment nog niet te zeggen.
Communicatie Communicatie resp. de vereiste publicatie zal zoals gebruikelijk gebeuren middels de gebruikelijke media.
Burgerparticipatie Niet van toepassing.
Uitvoering Vanaf 2026 zal de belastingheffing en –inning gebeuren volgens de vastgestelde verordeningen.
Evaluatie De Waarderingskamer voert verschillende onderzoeken uit om de kwaliteit van WOZtaxaties en het WOZ-proces te beoordelen.
Gezondheid en Vitaliteit Niet van toepassing.
Ontwerpbesluit Nr.:
De raad van de gemeente Kerkrade; overwegende, − dat jaarlijks de noodzakelijke tariefaanpassingen worden bezien in relatie tot de begroting; kennis genomen hebbende van, − de nota van toelichting, nr. 25TI071 , behorende bij dit besluit; − de beraadslagingen in de Commissie AZM d.d. 1 december 2025; gelet op, − artikel 220 tot en met 220h van de Gemeentewet;
besluit: 1. 2. 3. 4.
In te trekken de Verordening op de heffing en de invordering van onroerendezaakbelastingen 2025 vastgesteld d.d. 11 december 2024; Vast te stellen de volgende "Verordening op de heffing en de invordering van onroerendezaakbelastingen 2026" welke als bijlage bij dit besluit is toegevoegd en als zodanig deel uitmaakt van dit besluit; De datum van intrekking van de onder 1. vermelde verordening is gelijk aan de datum van inwerkingtreding van de onder 2. vermelde verordening; De onder 2. vermelde verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2026.
Aldus vastgesteld door de raad der gemeente Kerkrade in zijn openbare vergadering d.d. 17 december 2025.
De voorzitter van de raad,
De griffier,
dr. T.P. Dassen-Housen.
mr. drs. D.G.M.G. Franssen.
Documentnummer: 25Rb082
Bijlage behorende bij raadsbesluit nr 25bRb082
Pag. 1
Verordening op de heffing en de invordering van onroerendezaakbelastingen 2026 Artikel 1 Belastbaar feit en belastingplicht 1. Onder de naam "onroerendezaakbelastingen" worden voor binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven: a. een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting; b. een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting. 2. Bij de gebruikersbelasting wordt: a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, (verder: de gebruiker), aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; (verder: de gebruikgever); de gebruikgever is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op de gebruiker; b. het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld. 3.
Voor de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de Basisregistratie Kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. Artikel 2 Voorwerp van de belasting 1. Voorwerp van de belasting is een onroerende zaak 2. Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken. 3. Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde, die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld, voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Artikel 3 Maatstaf van heffing 1. De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 1. 2. Als voor een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald
Bijlage behorende bij raadsbesluit nr 25bRb082
Pag. 2
met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid van de Wet waardering onroerende zaken.
Artikel 4 Vrijstellingen 1. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet al is gebeurd bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: a. voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken; b. glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond; c. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; d. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen; e.
natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden; f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken; g. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; h. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; i. werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken; j. onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs; k.
straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst voor het belang van het publiek, ten dienste van
Bijlage behorende bij raadsbesluit nr 25bRb082
Pag. 3
het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen; l. plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; m. begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; n. onroerende zaken waarvan een ongebouwd eigendom de hoofdzaak vormt, met inbegrip van de gebouwde eigendommen of gedeelten van gebouwde eigendommen die deel uitmaken van de onroerende zaak en dienstbaar zijn aan het ongebouwde eigendom, en met uitzondering van de overige gebouwde eigendommen of gedeelten van gebouwde eigendommen die deel uitmaken van de onroerende zaak; 2. De vrijstelling voor de in onderdeel j van het eerste lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht. 3.
In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Artikel 5 Belastingtarieven Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: 1. de gebruikersbelasting 0,4112% 2. de eigenarenbelasting a. voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,1569% b. voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,5238% Artikel 6 Wijze van heffing De belastingen worden bij wege van aanslag geheven. Artikel 7 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn een maand later. 2. In afwijking van het eerste lid geldt, ingeval het totaalbedrag van een of meerdere op een aanslagbiljet vermelde aanslagen niet hoger is dan € 20.000,00 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het
Bijlage behorende bij raadsbesluit nr 25bRb082
Pag. 4
aanslagbiljet nog niet geëindigde maanden in het kalenderjaar overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste vier en ten hoogste tien bedraagt. 3. Betaling van de termijnen zoals bedoeld in de leden 1 en 2 is mogelijk via automatische incasso, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van de Uitvoeringsregeling automatische incasso van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen (BsGW). 4. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. Artikel 8 Minimum aanslag 1. Belastingbedragen van minder dan € 5,00 worden niet geheven. 2. Voor de toepassing van het vorig lid wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen aangemerkt als één belastingbedrag.
Artikel 9 Kwijtschelding De regelgeving inzake de kwijtschelding is vastgelegd in de Regeling kwijtschelding gemeentelijke belastingen 2026. Artikel 10 Inwerkingtreding en citeertitel 1. De "Verordening onroerendezaakbelastingen 2025", vastgesteld 11 december 2024, of zoals laatstelijk gewijzigd, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026. 4. Deze verordening wordt aangehaald als "Verordening onroerendezaakbelastingen Kerkrade 2026".
Ontwerpbesluit Nr.:
De raad van de gemeente Kerkrade; overwegende, − dat jaarlijks de noodzakelijke tariefaanpassingen worden bezien in relatie tot de begroting; kennis genomen hebbende van, − de nota van toelichting, nr. 25TI071, behorende bij dit besluit; − de beraadslagingen in de Commissie AZM d.d. 1 december 2025 − de begroting 2026 van Rd4; gelet op, − artikel 15.33 van de Wet milieubeheer;
besluit: 1. 2. 3. 4.
In te trekken de Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing 2025 vastgesteld d.d. 11 december 2024; Vast te stellen de volgende "Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing 2026" welke als bijlage bij dit besluit is toegevoegd en als zodanig deel uitmaakt van dit besluit; De datum van intrekking van de onder 1. vermelde verordening is gelijk aan de datum van inwerkingtreding van de onder 2. vermelde verordening; De onder 2. vermelde verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2026.
Aldus vastgesteld door de raad der gemeente Kerkrade in zijn openbare vergadering d.d. 17 december 2025.
De voorzitter van de raad,
De griffier,
dr. T.P. Dassen-Housen.
mr. drs. D.G.M.G. Franssen.
Documentnummer: 25Rb083
Bijlage behorende bij raadsbesluit nr. 25Rb083
Pag.1
Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing 2026 Artikel 1 Definities Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder ‘gebruikmaken’: gebruikmaken in de zin van artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. Artikel 2 Aard van de belasting en belastbaar feit 1. Onder de naam "afvalstoffenheffing" wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. 2. De afvalstoffenheffing bedoeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel, opgenomen in bijlage 1, wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruikmaken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt, dan wel het aanbieden van afvalstoffen bij een daartoe van gemeentewege ter beschikking gestelde plaats als bedoeld in hoofdstuk 2, onderdelen 2.1 en 2.2, van de tarieventabel behorende bij deze verordening. Artikel 3. Voorwerp van de belasting 1. 2.
Voorwerp van de belasting is een perceel. Als perceel wordt aangemerkt: a. de onroerende zaak, bedoeld in artikel 16, onder a, c, d en f, van de Wet waardering onroerende zaken; b. de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is; c. een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt; d. een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren; e. het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.
Artikel 4 Belastingplicht 1. De belasting als bedoeld in hoofdstuk 1 en hoofdstuk 2, onderdeel 2.3, van de tarieventabel wordt geheven van degene die al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikmaakt van een perceel. 2. De belasting als bedoeld in hoofdstuk 2, onderdelen 2.1 en 2.2, van de tarieventabel wordt geheven van degene die afval aanbiedt bij het Milieupark. Artikel 5 Maatstaf van heffing en belastingtarief De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.
Bijlage behorende bij raadsbesluit nr. 25Rb083
Pag.2
Artikel 6 Belastingjaar Met betrekking tot de belasting die per belastingjaar wordt geheven is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 7 Wijze van heffing 1. De belasting bedoeld in hoofdstuk 1, met uitzondering van de onderdelen 1.6.3 en 1.6.4, van de tarieventabel wordt geheven bij wege van aanslag. 2. De belasting bedoeld in hoofdstuk 1, onderdelen 1.6.3 en 1.6.4, en de belasting bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel wordt geheven door middel van een mondelinge dan wel een schriftelijke gedagtekende kennisgeving. Het gevorderde bedrag wordt mondeling, dan wel door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt. 3. Per belastbaar feit kan afzonderlijk worden geheven. Artikel 8 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. De belasting bedoeld in hoofdstuk 1, onderdelen 1.1, 1.6.1 en 1.6.2, van de tarieventabel is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, als dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting bedoeld in hoofdstuk 1, onderdeel 1.1, van de tarieventabel verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 3.
Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing van de belasting bedoeld in hoofdstuk 1, onderdeel 1.1, van de tarieventabel voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 4. Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar van een ander perceel gebruikmaakt. 5. De belasting bedoeld in hoofdstuk 1, onderdelen 1.6.3 en 1.6.4, en de belasting bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel is verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening. 6. De belasting bedoeld in hoofdstuk 1, onderdelen 1.2, 1.3 en 1.4, van de tarieventabel is verschuldigd na afloop van het belastingjaar. 7. Belastingbedragen als bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel van minder dan € 5,00 worden niet geheven. 8. Voor de toepassing van het vorige lid wordt het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel 9 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand
Bijlage behorende bij raadsbesluit nr. 25Rb083
Pag.3
volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn een maand later. 2. In afwijking van het eerste lid geldt, ingeval het totaalbedrag van een of meerdere op een aanslagbiljet vermelde aanslagen niet hoger is dan € 20.000,00 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog niet geëindigde maanden in het kalenderjaar overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste vier en ten hoogste tien bedraagt. 3. Betaling van de termijnen zoals bedoeld in de leden 1 en 2 is mogelijk via automatische incasso, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van de Uitvoeringsregeling automatische incasso van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen (BsGW). 4. De belasting moet worden betaald ingeval de kennisgeving bedoeld in artikel 7, tweede lid: a. mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving; b. schriftelijk wordt gedaan, op het moment van het uitreiken van de kennisgeving, dan wel ingeval van toezending daarvan, binnen 30 dagen na dagtekening van de kennisgeving. 5. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 10 Kwijtschelding De regelgeving inzake de kwijtschelding is vastgelegd in de Regeling kwijtschelding gemeentelijke belastingen 2026. Artikel 11 Inwerkingtreding en citeertitel 1. De "Verordening afvalstoffenheffing 2025", vastgesteld 11 december 2024, of zoals laatstelijk gewijzigd, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026. 4. Deze verordening wordt aangehaald als "Verordening afvalstoffenheffing Kerkrade 2026".
pag. 1
Bijlage 1 Tarieventabel behorende bij de Verordening afvalstoffenheffing Kerkrade 2026 Behoort bij raadsbesluit van 17 december 2025.
De griffier van de gemeente Kerkrade
Tarieventabel Afvalstoffenheffing 2026 Hoofdstuk 1
Maatstaven en jaarlijkse tarieven afvalstoffenheffing
1.1
De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar
1.1.1
indien dat perceel op 1 januari van het belastingjaar, of indien de belastingplicht aanvangt in de loop van het belastingjaar bij de aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door een huishouden
€ 234,00
1.1.2
indien dat perceel op 1 januari van het belastingjaar, of indien de belastingplicht aanvangt in de loop van het belastingjaar bij de aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door meer dan één persoon, tezamen niet een huishouden vormend, per persoon
€ 234,00
met een maximum van
€ 702,00
Onverminderd het bepaalde in de voorgaande onderdelen bedraagt de belasting per aanbieding van: een container bestemd voor restafval met een inhoud van 240 liter.
€ 12,00
een container bestemd voor restafval met een inhoud van 140 liter.
€ 8,90
een container bestemd voor GFT-afval met een inhoud van 20 liter (city-bin).
Gratis
een container bestemd voor GFT-afval met een inhoud van 240 liter.
Gratis
een container bestemd voor GFT-afval met een inhoud van 140 liter.
Gratis
1.2
1.3
Onverminderd het bepaalde in de voorgaande onderdelen bedraagt de belasting voor percelen die voor de afvalverwijdering zijn aangewezen op het ondergrondse inzamelsysteem per aanbieding op: de ondergrondse afvalcontainer met een inwerptrommel van 60 liter.
€ 2,35
de ondergrondse afvalcontainer met een inwerptrommel van 30 liter.
€ 1,30
aanbieden gft-afval 1.4
Onverminderd het bepaalde in de voorgaande onderdelen bedraagt de belasting voor percelen die voor de afvalverwijdering zijn
Gratis € 2,35 (€ 47,00)
pag. 2
aangewezen op het inzamelsysteem per aanbieding per gekenmerkte afvalzak (te verkrijgen per rol á 20 stuks). 1.5 1.5.1
Met betrekking tot de aanbieding van afval ongeacht het inzamelmiddel (mini-container, ondergrondse container of gekenmerkte afvalzak) geldt ten aanzien van percelen: die worden gebruikt door een huishouden dat bestaat uit 5 of meer personen, dat de in 1.2; 1.3 en 1.4 genoemde tarieven die gelden voor de aanbieding van afval per mini-container, ondergrondse container of gekenmerkte afvalzak van overeenkomstige toepassing zijn, met dien verstande dat de heffing per jaar maximaal bedraagt
€ 144,00
1.5.2
die worden gebruikt door een huishouden waarvan een of meerdere leden beschikt over een medische indicatie door bijvoorbeeld incontinentie- of stoma-afval, dat de in 1.2; 1.3 en 1.4 genoemde tarieven die gelden voor de aanbieding van afval per mini-container, ondergrondse container of gekenmerkte afvalzak van overeenkomstige toepassing zijn, met dien verstande dat de heffing per jaar maximaal bedraagt
€ 84,00
1.6
Onverminderd het bepaalde in de onderdelen 1.1 tot en met 1.5 bedraagt het tarief voor:
1.6.1
het in gebruik hebben van meer dan 2 containers voor GFT-afval per extra container per jaar of gedeelte daarvan.
€ 10,00
1.6.2
het in gebruik hebben van een extra container voor restafval per container per jaar of een gedeelte daarvan.
€ 10,00
1.6.3
het op eigen verzoek leveren van een container door Rd4
€ 25,00
1.6.4
het op eigen verzoek ruilen per container door Rd4
€ 25,00
het bepaalde in 1.6.1 en 1.6.2 is niet van toepassing indien er op het perceel sprake is van een huishouden met 5 of meer personen dan wel sprake is van een huishouden waarvan een of meerdere leden beschikt over een medische indicatie door bijvoorbeeld incontinentieof stoma-afval. 1.6.5
het op eigen verzoek leveren/wisselen van een container door Rd4 binnen 6 maanden na verhuizing
Gratis (eenmalig)
pag. 3
Hoofdstuk 2 2.1
Maatstaven en overige tarieven afvalstoffenheffing
2.1.1
Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 bedraagt de belasting voor het achterlaten van de volgende (grove) huishoudelijke afvalstoffen op een daartoe van gemeentewege ter beschikking gestelde plaats: Papier en karton
Gratis
2.1.2
Glas, verpakkingsglas wit en bont
Gratis
2.1.3
Klein Chemisch Afval (accu’s, batterijen, etc.)
Gratis
2.1.4
Afgewerkte (motor) olie maximaal volume 20 liter
Gratis
2.1.5
Metaal
Gratis
2.1.6
Textiel
Gratis
2.1.7
Kringloopgoederen/Best-tassen
Gratis
2.1.8
Elektrische apparaten (ook defecte)
Gratis
2.1.9 2.1.10
Asbest en asbestgelijkend materiaal dat voldoet inpakspecificaties Rd4 (zie website Rd4) Auto- of motorband zonder velg ( max 20 inch, 4 stuks)
2.1.11
Tuinafval
Gratis
2.1.12
Snoeiafval/kerstbomen
Gratis
2.1.13
Gips (geen cel-of gasbeton)
Gratis
2.1.14
PMD verpakkingsafval (plastic, metaal, drankenkartons)
Gratis
2.1.15
Harde kunststoffen
Gratis
2.1.16
Gasflessen en gastanks (explosie veilig aangeleverd)
Gratis
2.1.17
Frituurvet en –olie
Gratis
2.1.18
Piepschuim (Polystyreen, alleen witte verpakkingspiepschuim. Alle gekleurde en vervuilde piepschuim en Flopak verpakkingsschuimpjes zijn restafval) Vlakglas (schoon, geen gewapend glas, geen autoruiten)
Gratis
2.1.19
aan
de
Gratis Gratis
Gratis
2.2.1
Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 bedraagt de belasting voor het achterlaten van de volgende (grove) huishoudelijke afvalstoffen op een daartoe van gemeentewege ter beschikking gestelde plaats: Grof huisvuil / grote huisraad, per m3
€ 30,00
2.2.2
Restafval en ongesorteerd afval (per zak van 50 liter)
€
2.2.3
2.2.4
Houtafval, kwaliteit A en B, per m3 (eerste 2 keer gratis) (A-hout: schoon en onbehandeld hout. B-hout: geverfd en gelakt hout zoals plaatmaterialen) Houtafval, C-hout (geïmpregneerd hout), per m3
€ 15,00
2.2.5
Auto-motorband met velg, per stuk (maximaal 4 stuks)
€
1,60
2.2.6
Autoband > 20 inch per stuk (maximaal 4 stuks)
€
3,50
2.2.7
Vrachtwagenband, per stuk (maximaal 2 stuks)
€ 15,00
2.2
1,70 Gratis
pag. 4
€ 22,00
2.2.8
Tractorband, per stuk (maximaal 2 stuks)
2.2.9
Schone grond, per m3
Gratis
2.2.10
Vervuilde grond, per m3
€ 90,00
2.2.11
Schoon puin, mag max. 10% vervuiling bevatten, per m3
2.2.12
Vervuild puin, per m3
€ 90,00
2.2.13
Dakleer/bitumen houdend afval (max 0,25 m3)
€ 30,00
2.2.14
Matrassen, droog aanleveren, per m3 (worden per 1/4 m3 afgerekend) Inwoners mogen in totaal 2x per jaar gratis afval op het Milieupark aanbieden dat valt onder de genoemde categorieën 2.2.1. "Grof huisvuil/ grote huisraad", onder 2.2.4 "C-hout" en onder 2.14 "Matrassen". Daarbij mogen de inwoners zelf kiezen wat en wanneer zij 2x gratis willen aanbieden. Als inwoners al gebruik hebben gemaakt van deze in totaal 2x gratis aanbieden, moeten daarna de geldende tarieven worden betaald.
2.2.15
2.3
2.3.1
Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 bedraagt de belasting voor het door Rd4 ophalen van grove huishoudelijke afvalstoffen en houtafval aan huis: per m3
Gratis
Gratis
€ 44,00
Ontwerpbesluit Nr.:
De raad van de gemeente Kerkrade; overwegende, − dat jaarlijks de noodzakelijke tariefaanpassingen worden bezien in relatie tot de begroting; kennis genomen hebbende van, − de nota van toelichting, nr. 25TI071, behorende bij dit besluit; − de beraadslagingen in de Commissie AZM d.d. 1 december 2025 gelet op, − artikel 228a van de Gemeentewet; besluit: 1. In te trekken de Verordening op de heffing en de invordering van rioolrechten 2025 vastgesteld d.d. 11 december 2024; 2. Vast te stellen de volgende "Verordening op de heffing en de invordering van rioolrechten 2026" welke als bijlage bij dit besluit is toegevoegd en als zodanig deel uitmaakt van dit besluit; 3. De datum van intrekking van de onder 1. vermelde verordening is gelijk aan de datum van inwerkingtreding van de onder 2. vermelde verordening; 4. De onder 2. vermelde verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Aldus vastgesteld door de raad der gemeente Kerkrade in zijn openbare vergadering d.d. 17 december 2025.
De voorzitter van de raad,
De griffier,
dr. T.P. Dassen-Housen.
mr. drs. D.G.M.G. Franssen.
Documentnummer: 25Rb084
Bijlage behorende bij raadsbesluit nr. 25Rb084
Pag.1
Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 2026 Artikel 1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: 1. gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente, hieronder mede begrepen het gemeentelijk grond- en oppervlaktewater. Toelichting begrip ‘gemeentelijke riolering’: Het begrip gemeentelijke riolering is veel ruimer dan alleen de riolering op zich. Het gaat om alle voorzieningen die worden getroffen om te voldoen aan de wettelijke zorgplichten. Daaronder vallen onder andere rioleringspijpen en kolken, maar ook bijvoorbeeld voorzieningen tegen grondwateroverlast en individuele behandelingssystemen (iba’s); 2. verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterbedrijf betrekking heeft; 3. water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater. Toelichting begrip water: Onder het begrip water vallen alle verschillende soorten water. In de zorgplichten van artikel 228a Gemeentewet worden meerdere waterbegrippen gebruikt die gebaseerd zijn op de herkomst van het water.
De definities van de specifieke waterbegrippen zijn opgenomen in de Wet milieubeheer of Omgevingswet en behoeven in de verordening rioolheffing geen nadere toelichting. Artikel 2 Aard van de belasting Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht 1. De belasting wordt geheven van degene die een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd al dan niet krachtens eigendom, bezit of beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt. 2. Voor de belasting wordt: a. gebruik van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden;
Bijlage behorende bij raadsbesluit nr. 25Rb084
Pag.2
b. gebruik door degene aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door de persoon die dat deel in gebruik heeft gegeven; c. het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door de degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld. Artikel 4 Voorwerp van de belasting 1. Voorwerp van de belasting is een perceel. 2. Als perceel wordt aangemerkt: a. de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken; b. de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is; c. een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt; d. een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren; e. het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel. Artikel 5 Maatstaf van heffing 1. De belasting als bedoeld in artikel 2 wordt ter zake van percelen, zijnde woningen, geheven naar een vast bedrag per woning. 2.
De belasting als bedoeld in artikel 2 wordt ter zake van percelen, niet zijnde woningen, geheven naar het aantal kubieke meters water dat vanuit het perceel wordt afgevoerd. 3. Het aantal kubieke meters water wordt gesteld op het aantal kubieke meters bedrijfsafvalwater, hemelwater en grondwater dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd of opgepompt. Indien dit aan het begin van het belastingjaar niet bekend is, wordt het aantal kubieke meters water gesteld op het aantal kubieke meters water dat naar het perceel is toegevoerd en/of is opgepompt van de laatst bekende verbruiksperiode 4. Voor zover de gegevens, als bedoeld in het tweede lid van dit artikel, niet bekend zijn, wordt het waterverbruik vastgesteld naar rato van het waterverbruik bij vergelijkbare percelen. 5. Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een: a. watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of b. bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen. 6. De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling. 7.
De op de voet van het derde lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die aantoonbaar niet via de gemeentelijke riolering is afgevoerd.
Bijlage behorende bij raadsbesluit nr. 25Rb084
Pag.3
Artikel 6 Tarieven 1. De belasting als bedoeld in artikel 5, eerste lid, bedraagt per belastingjaar, indien de woning op 1 januari van het belastingjaar, of indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt bewoond door: a. een huishouden van één persoon € 227,00 b. een huishouden van meer dan één persoon € 243,00 c. meer dan één persoon tezamen niet een huishouden vormend, per persoon € 227,00 met een maximum van € 681,00 2. De belasting als bedoeld in artikel 5, tweede lid, bedraagt per belastingjaar bij een waterverbruik van: a. 0 t/m 400m3 € 243,00 b. 401 t/m 800m3 € 390,00 c. 801 t/m 2.000m3 € 560,00 d. 2.001 t/m 5.000m3 € 890,00 e. 5.001 t/m 10.000m3 € 1.480,00 f. 10.001 t/m 20.000m3 € 2.390,00 g. 20.001 t/m 30.000m3 € 2.970,00 vermeerderd met een bedrag van € 585,00 per 10.000m3 of een gedeelte daarvan boven de afgevoerde hoeveelheid van 30.000m3. Artikel 7 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 8 Wijze van heffing De belasting wordt geheven bij wege van aanslag. Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. De belasting als bedoeld in artikel 2 is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, als dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2.
Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in gebruik neemt. 5. Belastingbedragen van minder dan € 5,00 worden niet geheven.
Bijlage behorende bij raadsbesluit nr. 25Rb084
Pag.4
6. Voor de toepassing van het vorige lid wordt het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel 10 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn een maand later. 2. In afwijking van het eerste lid geldt, ingeval het totaalbedrag van een of meerdere op een aanslagbiljet vermelde aanslagen niet hoger is dan € 20.000,00 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog niet geëindigde maanden in het kalenderjaar overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste vier en ten hoogste tien bedraagt. 3. Betaling van de termijnen zoals bedoeld in de leden 1 en 2 is mogelijk via automatische incasso, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van de Uitvoeringsregeling automatische incasso van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen (BsGW). 4. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 11 Kwijtschelding De regelgeving inzake de kwijtschelding is vastgelegd in de Regeling kwijtschelding gemeentelijke belastingen 2026. Artikel 12 Inwerkingtreding en citeertitel 1. De "Verordening rioolheffing 2025", vastgesteld 11 december 2024, of zoals laatstelijk gewijzigd, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026. 4. Deze verordening wordt aangehaald als "Verordening rioolheffing Kerkrade 2026".
Ontwerpbesluit Nr.:
De raad van de gemeente Kerkrade; overwegende, − dat jaarlijks de noodzakelijke tariefaanpassingen worden bezien in relatie tot de begroting; kennis genomen hebbende van, − de nota van toelichting, nr. 25TI071, behorende bij dit besluit; − de beraadslagingen in de Commissie AZM d.d. 1 december 2025 gelet op, − artikel 226 van de Gemeentewet; besluit: 1. 2. 3. 4.
In te trekken de Verordening op de heffing en de invordering van hondenbelasting 2025 vastgesteld d.d. 11 december 2024; Vast te stellen de volgende "Verordening op de heffing en de invordering van hondenbelasting 2026" welke als bijlage bij dit besluit is toegevoegd en als zodanig deel uitmaakt van dit besluit; De datum van intrekking van de onder 1. vermelde verordening is gelijk aan de datum van inwerkingtreding van de onder 2. vermelde verordening; De onder 2. vermelde verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2026.
Aldus vastgesteld door de raad der gemeente Kerkrade in zijn openbare vergadering d.d. 17 december 2025.
De voorzitter van de raad,
De griffier,
dr. T.P. Dassen-Housen.
mr. drs. D.G.M.G. Franssen.
Documentnummer: 25Rb085
Bijlage behorende bij raadsbesluit nr. 25Rb085
Pag. 1
Verordening op de heffing en de invordering van hondenbelasting 2026 Artikel 1 Belastbaar feit Onder de naam ‘hondenbelasting’ wordt een directe belasting geheven voor het houden van een hond binnen de gemeente. Artikel 2 Belastingplicht 1. Belastingplichtig is de houder van een hond. 2. Als houder wordt aangemerkt degene die onder welke titel dan ook een hond onder zich heeft, tenzij blijkt dat een ander de houder is. 3. Het houden van een hond door een lid van het huishouden wordt aangemerkt als het houden van een hond door een door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aan te wijzen lid van dat huishouden. Artikel 3 Vrijstellingen 1. In dit artikel wordt verstaan onder hondenasiel: aan één locatie gebonden ruimte of ruimtes bestemd of gebruikt voor het in bewaring houden van honden die zwervend zijn aangetroffen, dan wel waarvan door de eigenaar permanent afstand is gedaan, welke locatie als inrichting is aangemeld overeenkomstig artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit houders van dieren. 2. De belasting wordt niet geheven voor honden: a. die jonger zijn dan drie maanden, voor zover zij tezamen met de moederhond worden gehouden; b. die zijn opgeleid tot en dienen als blindengeleidehond en in hoofdzaak als zodanig door een blind of slechtziende persoon worden gehouden; c.
die zijn opgeleid tot en dienen als assistentiehond en in hoofdzaak als zodanig door een gehandicapt persoon worden gehouden; d. die zijn opgeleid tot het ten dienste zijn van doven en slechthorende en in hoofdzaak als zodanig door een dove of slechthorende persoon worden gehouden; e. waarvan de houder een geldend diploma kan tonen, dat is afgegeven door de Koninklijke Nederlandse Politiehond Vereniging; f. die verblijven in een hondenasiel; g. die uitsluitend ten verkoop of aflevering in voorraad worden gehouden in een inrichting als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit houders van dieren. Artikel 4 Maatstaf van heffing De belasting wordt geheven naar het aantal honden dat wordt gehouden.
Bijlage behorende bij raadsbesluit nr. 25Rb085
Pag. 2
Artikel 5 Belastingtarief 1. De belasting bedraagt per belastingjaar: a. voor een eerste hond Gratis b. voor een tweede hond € 115,00 c. voor een derde hond € 152,00 d. voor iedere hond boven het aantal van drie € 226,00 2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting voor honden, gehouden in een kennel, per belastingjaar, per kennel € 1.013,00. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt onder een kennel verstaan een inrichting als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit houders van dieren, bestemd en gebruikt voor het fokken van honden voor de verkoop of aflevering van nakomelingen. 3. Het tweede lid blijft buiten toepassing als de belastingplichtige schriftelijk verzoekt de verschuldigde belasting vast te stellen naar het werkelijke aantal honden als blijkt dat dit bedrag lager is dan het op voet van het tweede lid bepaalde bedrag. Artikel 6 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 7 Wijze van heffing De belasting wordt geheven bij wege van aanslag. Artikel 8 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, als dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2.
Indien de belastingplicht in de loop van het jaar aanvangt, dan wel het aantal honden in de loop van het belastingjaar toeneemt, is de belasting, respectievelijk de hogere belasting voor het toegenomen aantal honden, verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, respectievelijk de toename van het aantal honden, nog volle kalendermaanden overblijven. 3. Als de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, dan wel het aantal honden in de loop van het belastingjaar vermindert, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht respectievelijk de vermindering van het aantal honden, nog volle kalendermaanden overblijven. 4. Belastingbedragen van minder dan € 5,00 worden niet geheven. 5. Voor de toepassing van het vorige lid wordt het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen aangemerkt als één belastingbedrag.
Bijlage behorende bij raadsbesluit nr. 25Rb085
Pag. 3
Artikel 9 Termijnen van betalen 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn een maand later. 2. In afwijking van het eerste lid geldt, ingeval het totaalbedrag van een of meerdere op een aanslagbiljet vermelde aanslagen niet hoger is dan € 20.000,00 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog niet geëindigde maanden in het kalenderjaar overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste vier en ten hoogste tien bedraagt. 3. Betaling van de termijnen zoals bedoeld in de leden 1 en 2 is mogelijk via automatische incasso, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van de Uitvoeringsregeling automatische incasso van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen (BsGW). 4. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 10 Kwijtschelding De regelgeving inzake de kwijtschelding is vastgelegd in de Regeling kwijtschelding gemeentelijke belastingen 2026. Artikel 11 Inwerkingtreding en citeertitel 1. De "Verordening hondenbelasting 2025", vastgesteld 11 december 2024, of zoals laatstelijk gewijzigd, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026. 4. Deze verordening wordt aangehaald als "Verordening hondenbelasting Kerkrade 2026".
Ontwerpbesluit Nr.:
De raad van de gemeente Kerkrade; overwegende, − dat jaarlijks de noodzakelijke tariefaanpassingen worden bezien in relatie tot de begroting; kennis genomen hebbende van, − de nota van toelichting, nr. 25TI071, behorende bij dit besluit; − de beraadslagingen in de Commissie AZM d.d. 1 december 2025 gelet op, − de artikelen 156, eerste en tweede lid, aanhef en onderdeel h, en artikel 225 van de Gemeentewet en de Parkeerverordening Kerkrade; besluit: 1. 2. 3. 4.
In te trekken de “Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelasting 2025 “ vastgesteld d.d. 11 december 2024; Vast te stellen de volgende "Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelasting 2026" welke als bijlage bij dit besluit is toegevoegd en als zodanig deel uitmaakt van dit besluit; De datum van intrekking van de onder 1. vermelde verordening is gelijk aan de datum van inwerkingtreding van de onder 2. vermelde verordening; De onder 2. vermelde verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2026.
Aldus vastgesteld door de raad der gemeente Kerkrade in zijn openbare vergadering d.d. 17 december 2025.
De voorzitter van de raad,
De griffier,
dr. T.P. Dassen-Housen.
mr. drs. D.G.M.G. Franssen.
Documentnummer: 25Rb086
Bijlage behorende bij raadsbesluit nr.
25Rb086
Pag. 1
Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2026 Artikel 1 Definities Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: a. parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden; b. motorvoertuigen: hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990 met inbegrip van brommobielen, zoals bedoeld in artikel 1 van het RVV 1990; c. houder: degene op wiens naam het motorrijtuig ten tijde van het parkeren in het kentekenregister, bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, was ingeschreven; d. parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten, met inbegrip van verzamelparkeermeters, en hetgeen naar maatschappelijke opvatting onder parkeerapparatuur wordt verstaan; e. vergunning: een door het college van burgemeester en wethouders verleende vergunning of abonnement krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op een belanghebbendenparkeerplaats of een vergunninghoudersparkeerplaats; f.
vergunninghouder: de natuurlijke of rechtspersoon aan wie een vergunning als bedoeld onder e is verleend; g. mobiel parkeren: Via de mobiele telefoon middels activatie (bij aankomst) en de-activatie (bij vertrek) kan geparkeerd worden zonder dat er een parkeerticket achter de voorruit ligt; h. centrale computer: computer van het bedrijf waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten, bestemd voor de registratie van parkeerbewegingen in het kader van het verlenen van diensten op het gebied van betaald parkeren met gebruik van een telefoon of een ander communicatiemiddel. Artikel 2 Belastbaar feit Onder de naam "parkeerbelastingen" worden de volgende belastingen geheven: a. een belasting ter zake van het parkeren van een motorvoertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze; b. een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een motorvoertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze. Artikel 3 Belastingplicht 1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven van degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd. 2. Als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd wordt mede aangemerkt: a. degene die de belasting voldoet, dan wel te kennen geeft of heeft gegeven de belasting
Bijlage behorende bij raadsbesluit nr.
25Rb086
Pag. 2
te willen voldoen; b. zolang geen voldoening van de belasting genoemd in artikel 2, onderdeel a, heeft plaatsgevonden: de houder van het motorvoertuig, met dien verstande dat I. als een voor ten hoogste drie maanden aangegane huurovereenkomst wordt overlegd waaruit blijkt wie ten tijde van het parkeren ingevolge deze overeenkomst de huurder van het motorvoertuig was, niet de houder maar de huurder wordt aangemerkt als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd; II. als blijkt dat een ander in het kentekenregister had moeten staan ingeschreven, die ander wordt aangemerkt als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd. 3. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt niet geheven van degene die op de voet van het tweede lid, onderdeel b, als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd wordt aangemerkt, als deze aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn wil van het motorvoertuig heeft gebruikgemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen. 4. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven van degene die de vergunning heeft aangevraagd. Artikel 4 Maatstaf van heffing, belastingtarief en belastingtijdvak De maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel, opgenomen in bijlage 1.