Bijlage 3 - Aanpak Isolatie- en Verduurzamingsprogramma
Tekst van het document
Isolatie- en Verduurzamingsprogramma Stadsregio Parkstad Limburg Definitief concept
1. 1.1. 1.2. 1.3. 1.4.
Inleiding Landelijk beleid Regionaal en lokaal beleid Huidige landelijke, provinciale en gemeentelijke regelingen en ondersteuningsaanbod Proces van het IVP
5 5 6 7 9
2.1. 2.2. 2.3.
Doel van het Isolatie- en Verduurzamingsprogramma Naar welk isolatieniveau gaat Stadsregio Parkstad toe? Berekening doelstelling Isolatie- en Verduurzamingsprogramma Het IVP als groeimodel
10 10 11 12
3.1. 3.2.
Doelgroepen Prioriteit 2023 – 2026 Overige doelgroepen
15 15 23
4.1. 4.2. 4.3. 4.4.
Activiteitenprogramma 2023 – 2026 A – Ondersteunende activiteiten B – Lokale aanpak koopwoningen C – Aanvullende maatregelen gericht op energiearmoede D – Zakelijke doelgroepen
28 28 31 36 38
5.1. 5.2.
Doorkijk na 2026 Continueren programmalijnen na 2026 Koppeling met andere opgaves
40 40 41
6.
Begroting
43
7.
Colofon
45
Bijlage A: Overzicht van landelijke, provinciale en lokale regelingen Regelingen voor gebouweigenaren Regelingen van de gemeenten Aanbod van de WoonWijzerWinkel Limburg Gemeentelijk ondersteuningsaanbod
46 46 48 49 50
Bijlage B: Excelbestand IVP
52
2.
3.
4.
5.
8. 8.1. 8.2. 8.3. 8.4. 9.
2
Samenvatting Stadsregio Parkstad Limburg streeft naar een duurzame, betaalbare en comfortabele woning- en gebouwenvoorraad. Niet alleen om klimaatverandering tegen te gaan, maar ook om energielasten voor inwoners en bedrijven te beperken, om minder afhankelijk te zijn van buitenlandse energiebronnen, en om woningen en gebouwen klaar te maken voor een toekomst met andere weerspatronen en grotere schaarste aan grondstoffen. Het doel van het IVP is het verbeteren van het isolatieniveau en het verduurzamen van woningen. Het IVP beschrijft welke regelingen en activiteiten er de komende jaren voor verschillende doelgroepen worden aangeboden. Het IVP sluit aan op het Nationaal Isolatieprogramma (NIP) om optimaal gebruik te maken van landelijke gelden en regelingen. Het IVP is ook een groeimodel. Na verloop van tijd kunnen er activiteiten of eventueel regelingen toegevoegd of beëindigd worden om meer of andere doelgroepen te ondersteunen en/of activeren voor het nemen van verduurzamingsmaatregelen. De verduurzamingsopgave is breder dan alleen isolatie en energiebesparing. Het groeimodel richt zich daarom ook op klimaatadaptatie en circulariteit.
Onderdeel van het IVP is om voor 2030 zoveel mogelijk woningen te verduurzamen en stappen te laten zetten richting de landelijke isolatiestandaard, zodat de Parkstad-gemeenten op koers blijven voor een aardgasvrije en CO2-neutrale gebouwde omgeving in 2050. Concreet betekent dit voor Parkstad dat er nog ongeveer 115.000 woningen geïsoleerd moeten worden tot de landelijke isolatiestandaard. Gebouweigenaren zullen stapsgewijs hun gebouwen en woningen verduurzamen. Een deel van de opgave wordt gerealiseerd als gevolg van landelijke maatregelen, zoals afspraken met (sociale) verhuurders, betere (financiële) regelingen en een betere informatievoorziening. Een deel van de particuliere woningeigenaren zal echter hulp nodig hebben van de gemeenten. Het gaat volgens het CBS om ca. 17.400 woningen in heel de regio Parkstad Limburg. Om deze eigenaren te helpen ontvangen de gemeenten geld uit het NIP. Het activiteitenprogramma 2023-2026 is opgebouwd uit vier programmalijnen. Programmalijn A bevat ondersteunende activiteiten, zoals de gemeentelijke organisatie en monitoring. Programmalijn B gaat over een lokale aanpak voor koopwoningen en richt zich zowel op het benutten van de meerjarige NIP-gelden voor de NIP-doelgroep als overige koopwoningen waar nog een isolatieopgave is. Programmalijn C zet in op aanvullende maatregelen ter bestrijding van energiearmoede.
Programmalijn D richt zich op de zakelijke doelgroepen. Waar mogelijk wordt ook de koppeling naar de groeithema’s circulariteit en klimaatadaptatie gemaakt.
3
A: Ondersteunende activiteiten CDOKE en eigen middelen
• • • • •
Programmamanagement en ondersteuning Monitoring Inzet WoonWijzerWinkel Uitbreiden loketten sociaal domein Collectieve ontheffing Wnb
B: Lokale aanpak koopwoningen • • • • • • •
Collectieve acties Activerings- en communicatiecampagne Minima-aanpak Doe-het-zelversaanpak VvE-aanpak Collectieve ontheffing Wnb NIP-regeling
NIP-regeling
D: Zakelijke doelgroepen SPUKs energiearmoede. Na 2024 eigen middelen
C: Aanvullende maatregelen energiearmoede • • • •
Energieknip Witgoedregeling E-kookregeling Vouchers waterzijdig inregelen
• • • •
Activeren particuliere verhuurders Activeren hypotheekadviseurs en makelaars Commercieel & maatschappelijk vastgoed Stimuleren opleiding technisch personeel en erfgoedverduurzaming
Eigen middelen
Eind 2026 voert Stadsregio Parkstad Limburg een uitgebreide evaluatie uit van het IVP: wat zijn de resultaten, wat ging goed, wat kan beter en welke nieuwe kansen zijn er in het kader van het groeimodel op het gebied van klimaatadaptatie en circulariteit? Op basis daarvan herijkt de regio het IVP en maakt zij een nieuw activiteitenprogramma voor de jaren daarna. Vanaf 2026 zullen de meeste activiteiten gecontinueerd kunnen worden, maar zal de activatie verlegd worden naar doelgroepen die in de eerste periode onvoldoende bereikt zijn. Daarnaast krijgen naar verwachting met name hybride warmtepompen, particuliere verhuurders en zakelijke partijen na 2026 meer prioriteit en zal er steeds meer aandacht zijn voor de groeithema’s. Het IVP bevat een begroting voor de eerste programmaperiode 2023-2026. Het programma heeft in de eerste periode een omvang van 21,6 miljoen euro. Onderdeel hiervan is de volledige benutting van de middelen uit het NIP ter hoogte van 19,9 miljoen euro, waarvan ruim 80% besteed wordt aan isolatie- en ventilatiemaatregelen.
4
1. Inleiding Stadsregio Parkstad Limburg streeft naar een duurzame, betaalbare en comfortabele woning- en gebouwenvoorraad. Niet alleen om klimaatverandering tegen te gaan, maar ook om energielasten voor inwoners en bedrijven te beperken, om minder afhankelijk te zijn van buitenlandse energiebronnen en om woningen en gebouwen klaar te maken voor een toekomst met andere weerspatronen en grotere schaarste aan grondstoffen. Het verduurzamen van de gebouwde omgeving is onderdeel van PALET (Parkstad Limburg Energietransitie), en is de regionale vertaling van mondiale en landelijke duurzaamheidsafspraken. In Nederland zijn deze afspraken vertaald in het Nederlands Klimaatakkoord. Hierin is afgesproken dat alle gemeenten een Transitievisie Warmte (TVW) opstellen. Bij de vaststelling van de Transitievisies Warmte (TVW) hebben de zeven Parkstad-gemeenten afgesproken om een Isolatie- en Verduurzamingsprogramma (IVP) op te stellen voor de periode tot 2030. Het doel van het programma is het verduurzamen van de woning- en gebouwvoorraad, in het bijzonder door middel van energiebesparing, maar ook door voor te sorteren op een circulaire economie en klimaatbestendige leefomgeving. Het programma beschrijft welke regelingen en activiteiten er de komende jaren worden aangeboden. De verduurzaming van de gebouwde omgeving is een grote opgave.
Het IVP is daarom een groeimodel waarin enkele prioriteiten de komende vier jaar centraal staan, en andere prioriteiten kunnen ingroeien.
1.1. Landelijk beleid De Rijksoverheid heeft begin juni 2022 het ‘Beleidsprogramma Versnelling Verduurzaming Gebouwde Omgeving’ gepubliceerd1. Onderdeel hiervan is het Nationaal Isolatieprogramma (NIP)2. In deze programma’s zijn uiteenlopende actielijnen en geldstromen uitgewerkt die voor gemeenten relevant zijn. Het voert te ver om deze programma’s hier samen te vatten, maar enkele onderdelen zijn hieronder uitgelicht: •
•
•
Het Rijk voert beleid gericht op bestrijding van energiearmoede door snel de energierekening of het energieverbruik van huishoudens te verlagen. Gemeenten hebben hierin een belangrijke rol. Gemeenten hebben al tweemaal een specifieke uitkering (SPUK) ontvangen, bedoeld voor maatregelen in woningen die snel energie kunnen besparen. Ook hebben zij geld ontvangen om een energietoeslag uit te keren aan huishoudens op of onder het sociaal minimum (dat per gemeente kan verschillen). Het NIP voorziet in een meerjarige, lokale aanpak van gemeenten voor isolatie en ventilatie van koopwoningen met D, E, F en G-labels. Een eerste uitkering uit het NIP heeft de gemeente ontvangen in juli 2022 (samen met de tweede SPUK ter bestrijding van energiearmoede). Het NIP kent vier actielijnen: o Actielijn 1 richt zich op de isolatie van 750.000 woningen van eigenaar-bewoners, waarbij gemeenten bewoners ondersteunen. Deze actielijn strekt ertoe een specifieke uitkering aan gemeenten mogelijk te maken om slecht geïsoleerde woningen te verduurzamen. Voor deze actielijn 1 is onlangs een regeling gepubliceerd (‘NIP-regeling’)3. o Actielijn 2 is gericht op de isolatie van 1 miljoen huurwoningen door verhuurders. o Actielijn 3 is gericht op het versneld isoleren van 750.000 woningen van eigenaar-bewoners op eigen initiatief.
o Actielijn 4 is gericht op het besparen van energie door laagdrempelige maatregelen. Er zijn landelijke prestatieafspraken gemaakt met de woningcorporaties waarin ook de doelstellingen uit het NIP zijn verwerkt. Belangrijke wijziging is het vervallen van de verhuurdersheffing en het versneld
1 Rijksoverheid: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2022/06/01/beleidsprogramma-versnelling-verduurzaming-
gebouwde-omgeving 2 Rijksoverheid: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2022/04/02/nationaal-isolatieprogramma 3 Rijksoverheid: https://www.volkshuisvestingnederland.nl/onderwerpen/nationaal-isolatieprogramma/lokale-aanpak-samen-metgemeenten
5
•
•
•
isoleren van woningen in de sociale huursector. Onderdeel van de nieuwe prestatieafspraken is ook de oude afspraak om uiterlijk in 2028 de slechtste energielabels uit te faseren. De landelijke prestatieafspraken moeten doorwerken in de lokale prestatieafspraken met woningcorporaties4. Daarnaast breidt het Rijk (bestaande) landelijke regelingen uit voor huiseigenaren, zowel particulieren, VvE’s als verhuurders, zodat zij beter in staat zijn hun woningen te verduurzamen. Het gaat dan om een combinatie van financiële steun (zowel subsidie als leningen) en regels, zogenaamde normering. Er is een landelijk Programma Hybride Warmtepomp met als doel om voor 2030 1 miljoen hybride warmtepompen te installeren in Nederland. Het Rijk maakt afspraken met de sector om de installatiecapaciteit uit te breiden en de kosten te verlagen. Ook breidt het Rijk subsidieregelingen uit om de hybride warmtepomp te stimuleren. Het Rijk is voornemens om vanaf 2026 normen te stellen aan nieuwe verwarmingssystemen waardoor de hybride warmtepomp het nieuwe standaard verwarmingssysteem wordt voor woningen waar zij technisch haalbaar zijn en waar gemeenten de komende 10 jaar geen plannen hebben om aardgasvrij te worden. Bij de stimulering of normering van de hybride warmtepomp voorziet het Rijk vooralsnog geen rol voor gemeenten.
De plannen worden concreter gemaakt voor de jaren 2022 tot en met 2024 in het ‘Actieplan hybride warmtepompen’. Er zijn landelijke Standaard en Streefwaarden5 voor woningisolatie. De Standaard is een toekomstvaste standaard die aangeeft wanneer een woning transitiegereed is en geschikt is voor een bepaalde oplossing voor aardgasvrije verwarming. De Streefwaarden zijn technische waarden die voor verschillende bouwdelen aangeven wanneer deze voldoen aan de Standaard. Er zijn ook redenen om voorbij de standaard te isoleren. Dit is afhankelijk van het verwachte alternatief voor aardgas en in welke mate ook natuurlijke momenten kunnen worden benut voor het isoleren.
1.2. Regionaal en lokaal beleid Het beleid van de regio Parkstad Limburg dat relevant is voor energiebesparing is vooral terug te vinden in de Transitievisies Warmte 1.0 van de zeven Parkstad-gemeenten. Daarnaast zijn de Coalitieakkoorden van gemeenten (2022) relevant. •
•
•
Met het energietransitiebeleid Parkstad Limburg Energie Transitie (PALET) hebben de Parkstad gemeenten in de zomer van 2015 het beleid en de visie vastgesteld om de noodzakelijke energietransitie in onze regio van de grond te krijgen en aan te jagen. Dit door ons energiegebruik tot 2040 met een derde terug te dringen en de resterende energievraag met hernieuwbare bronnen op te wekken. De kansen voor kleinschalige en grootschalige opwek uit zonne- en windenergie worden in het Uitvoeringsprogramma PALET beschreven en worden niet separaat benoemd. In dit IVP richten we ons vooral op het verduurzamen van woningen door het verminderen van het energieverbruik en het verbeteren van het isolatieniveau. In december 2021 en januari 2022 hebben alle zeven Parkstad-gemeenten een eerste Transitievisie Warmte (TVW 1.0) vastgesteld. Hierin zijn de belangrijkste uitgangspunten voor de warmtetransitie opgenomen en is een eerste inzicht gegeven in de mogelijke warmteopties per buurt op basis van landelijk beschikbare data en analyses. Omdat de verschillende aardgasvrije alternatieven voor verwarmen met aardgas vaak met lagere temperaturen werken is energiebesparing in veel gevallen een belangrijke randvoorwaarde. In de TVW’s hebben gemeenten daarom opgenomen dat zij willen inzetten op passende isolatie van de bestaande woningschil met een minimaal basisniveau.
Om invulling te geven aan deze ambitie, hebben de zeven Parkstad-gemeenten bij de vaststelling van de TVW 1.0 afgesproken om een IVP op te stellen voor de periode tot 2030. In de volgende versie van de Transitievisie Warmte (de TVW 2.0) gaan gemeenten dieper in op het gehanteerde ambitieniveau en de regierol die het beste past bij de ambitie, de beschikbare alternatieven voor aardgas en de kenmerken binnen de gemeente. Ook maakt zij inzichtelijk in welke gebieden of voor welke doelgroepen zij in de komende jaren aan de slag gaan met een uitvoeringsplan.
4 Aedes: https://aedes.nl/nationale-prestatieafspraken/wat-omvatten-de-nationale-prestatieafspraken-op-hoofdlijnen 5 RVO: https://www.rvo.nl/onderwerpen/wetten-en-regels-gebouwen/standaard-streefwaarden-woningisolatie
6
•
•
•
•
Besluitvorming wordt voor eind 2023 verwacht. De activiteiten uit het IVP dienen daarbij nauw aan te sluiten bij de wensen en behoeften van de verschillende doelgroepen in de Parkstad-gemeenten. Daarbij zal worden verkend waar het mogelijk is om activiteiten in het kader van IVP te koppelen aan andere programma’s, zoals (wijk)uitvoeringsplannen, het Volkshuisvestingsfonds en de Regio Deal 2.0. In de Coalitieakkoorden (2022) is aandacht voor energiebesparing en het verduurzamen van de woningvoorraad. Ook geven sommige gemeenten expliciet aan dat zij aandacht hebben voor energiearmoede. Alle Parkstad-gemeenten hebben in het Verbond voor Energierechtvaardigheid de krachten gebundeld met woningcorporaties, huurdersorganisaties, de WoonWijzerWinkel, onderwijsinstellingen, zorginstellingen en andere maatschappelijke organisaties in de regio. Met dit verbond slaan we de handen ineen om de komende jaren energiearmoede om te buigen naar energierechtvaardigheid. Door eenvoudige energiebesparende maatregelen op korte termijn en structurele verbeteringen zoals hoogstaande isolatie op (middel)lange termijn maken we de energiehuishouding zowel duurzaam als betaalbaar. Dat betekent: een betaalbare energierekening, een leefbare woonkamertemperatuur en een houdbare ecologische voetafdruk6.
Stadsregio Parkstad Limburg en gemeente Heerlen ontvangen een grote bijdrage (45 miljoen euro) uit het nationale Volkshuisvestingsfonds om de woonkwaliteit en leefbaarheid van een aantal buurten en wijken te verbeteren en te verduurzamen. Met de Rijksbijdrage worden woningen aangepakt in gemeenten Beekdaelen, Brunssum, Heerlen, Kerkrade en Landgraaf. De bijdrage voor Heerlen Noord is apart aangevraagd7. In februari 2023 is de aanvraag voor een nieuwe Regio Deal Parkstad Limburg gehonoreerd met acht nieuwe focusgebieden verspreid over de stedelijke gebieden Brunssum, Heerlen, Kerkrade en Landgraaf en de landelijkere Nuth, Schinveld, Simpelveld en Ubachsberg. Daarbij is er sprake van koppelkansen met de integrale gebiedsgerichte aanpak. De looptijd van de Regio Deal is tot 2025.
1.3. Huidige landelijke, provinciale en gemeentelijke regelingen en ondersteuningsaanbod Er bestaan al veel verschillende landelijke, regionale en gemeentelijke regelingen voor energiebesparing, zowel voor gebouweigenaren als voor de gemeente zelf. Veel van deze regelingen zijn recentelijk uitgebreid of worden nog uitgebreid. De gemeenten kunnen structureel aanspraak maken op geld uit het Nationaal Isolatieprogramma. De regio ondersteunt inwoners momenteel al in samenwerking met de WoonWijzerWinkel Limburg. Een overzicht van de landelijke, provinciale en lokale regelingen voor woning- en gebouweigenaren is te vinden in bijlage 1. 1.3.1. Landelijke, regionale en lokale regelingen De Rijksoverheid richt zich op investeringssubsidies en financieringen. Voor particulieren zijn er de ISDE en de SVVE-subsidieregelingen, respectievelijk voor eigenaar-bewoners en VvE’s om woningen of complexen te isoleren of te voorzien van bijvoorbeeld een warmtepomp. Voor financieringen is er het Warmtefonds: deze is per 1 oktober 2022 uitgebreid. Vanaf dat moment kunnen eigenaren met een laag inkomen en zonder leenruimte, zonder restschuldrisico en tegen 0%-rente een voorfinanciering krijgen in de vorm van de Energiebespaarhypotheek8. Voor overige eigenaren is er de Energiebespaarlening, ook van het Warmtefonds.
Binnen de Energiebespaarlening hebben woningeigenaren de mogelijkheid om tegen een 0%-rente te lenen en de optie om (max €5.000,-) te lenen zonder aflossing, afhankelijk van de leenruimte en draagkracht.9
6 Gemeente Heerlen: https://www.heerlen.nl/duurzaam/energietransitie-projecten/verbond-voor-energierechtvaardigheid.html 7 Stadsregio Parkstad Limburg: https://parkstad-limburg.nl/e45-miljoen-uit-het-volkshuisvestingsfonds-naar-parkstad-en-heerlen-
noord/ 8 De energiebespaarhypotheek is alleen in te zetten in een wijkaanpak, die is aangemeld door de gemeente. 9 Voor meer informatie over de energiebespaarlening, zie: https://www.warmtefonds.nl/particulieren
7
Voor gemeenten zijn er twee belangrijke geldstromen: de specifieke uitkering lokale aanpak voor isolatie (‘NIPregeling’) en de tijdelijke regeling voor capaciteit van decentrale overheden voor klimaat- en energiebeleid (CDOKE). Gedurende de uitvoering van het programma is het de aanbeveling de ontwikkelingen rondom de regelingen goed te volgen en te monitoren waar belemmeringen bij inwoners zijn om te verduurzamen. Zo wordt er over een aantal jaar de optie voor gebouwgebonden financiering van het Rijk verwacht, maar zijn er ook al landelijke voorbeelden die hierop lijken zoals het WOAB woningabonnement10. 1.3.2. Instrumenten voor de gemeenten Hoewel de gemeente de regie heeft over de verduurzaming van de gebouwde omgeving, gaan woningeigenaren over hun eigen woning. De Rijksoverheid werkt aan wetgeving om gemeenten meer bevoegdheden te geven voor het bepalen van de energie-infrastructuur in een wijk. Het Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Bgiw) geeft gemeenten de mogelijkheid om de levering van aardgas in een bepaalde wijk te stoppen na een bepaalde datum. Er moet dan wel perspectief zijn op een alternatieve energievoorziening waar gebouweigenaren op kunnen aansluiten. Aangezien isolatie een randvoorwaarde is voor de meeste duurzame, alternatieve energievoorzieningen, is deze bevoegdheid hooguit een indirecte sturingsmogelijkheid op energiebesparing.
De Bgiw is in juli 2022 in consultatie gegaan en wordt in 2023 of 2024 verwacht. De Rijksoverheid werkt daarnaast aan enkele normen, onder andere voor huurwoningen en voor de duurzaamheid van verwarmingsinstallaties. Hierdoor kunnen slecht geïsoleerde woningen vanaf 2030 niet meer worden verhuurd en vervangt de hybride warmtepomp vanaf 2026 de cv-ketel als norm voor verwarmingstoestel. Het is nog onduidelijk hoe de handhaving van deze normen in de praktijk wordt gebracht. Mogelijk krijgen gemeenten hier nog een rol, in combinatie met nieuw instrumentarium. 1.3.3. Ondersteuningsaanbod vanuit WoonWijzerWinkel Limburg en Parkstadverduurzaamt.nl De regio Parkstad Limburg verzorgt in samenwerking met de WoonWijzerWinkel Limburg het ondersteuningsaanbod voor energiebesparing en verduurzaming van woningen. WoonWijzerWinkel Limburg is opgericht door de zeven Parkstad-gemeenten, de gemeenten zijn tevens aandeelhouder. De WoonWijzerWinkel is gevestigd aan de Rodaboulevard in Kerkrade. Inwoners van de regio Parkstad Limburg kunnen hier terecht voor advies over energiebesparing en het verduurzamen van hun woning. Ook kunnen inwoners telefonisch contact opnemen of bezoek krijgen van een energieadviseur. De verschillende activiteiten van WoonWijzerWinkel Limburg zijn samengevat in bijlage 1. Qua communicatie naar inwoners toe speelt WoonWijzerWinkel Limburg een belangrijke rol.
In nauwe samenwerking met de Stadsregio wordt momenteel vanuit WoonWijzerWinkel Limburg gewerkt aan een digitaal duurzaamheidsplatform voor de regio – Parkstadverduurzaamt.nl. Middels deze pagina kunnen Parkstad-gemeenten een centraal platform vormgeven waar inwoners terecht kunnen voor informatie, advies en hulp op het gebied van verduurzaming. Daarnaast kunnen ze per interessegebied (bijv. opwek van energie, isolatie of subsidie) zien welke hulp ze kunnen krijgen bij het verduurzamen van hun woning. Dit sluit ook aan bij de behoefte naar informatie over financieringsmogelijkheden en welke stappen er zijn voor de verduurzaming van de woning, benoemd in de inwonersenquête. Naast landelijke en provinciale maatregelen kunnen gemeenten zelf tot een lokaal aanbod komen en dit via Parkstadverduurzaamt.nl inzichtelijk maken. Het voornaamste is dat inwoners van Parkstad een centrale landingspagina hebben waarbij ze geholpen worden met verduurzaming, door middel van het verstrekken van informatie, toegang tot advies en hulp bij verduurzaming. Dit in combinatie met proactieve communicatie vanuit de WoonWijzerWinkel Limburg onder de
10 Energiefonds Overijssel: https://www.energiefondsoverijssel.nl/project/woab-woningabonnement/
8
noemer Parkstadverduurzaamt.nl maakt dat gemeenten inwoners gericht kunnen inspireren en aansporen tot verduurzaming.
1.4. Proces van het IVP Om tot het IVP te komen is onder regie en coördinatie van Stadsregio Parkstad Limburg een proces doorlopen met verschillende bijeenkomsten met een regiegroep en een klankbordgroep. In de regiegroep zijn de zeven gemeenten van de regio Parkstad Limburg vertegenwoordigd. De regiegroep is tijdens zes verschillende sessies bij elkaar gekomen, waarin keuzes voor het IVP gemaakt zijn. De klankbordgroep heeft een adviserende rol en bestaat uit verschillende partijen die actief zijn in de regio, namelijk een vertegenwoordiging van woningcorporaties, energiecoöperaties, het sociaal domein, WoonWijzerWinkel Limburg en hypotheekadviseurs. De klankbordgroep is drie keer bij elkaar gekomen en heeft vanuit praktijkkennis en ervaringen meegedacht over de keuzes in het IVP.
9
2. Doel van het Isolatie- en Verduurzamingsprogramma Onderdeel van het IVP is om voor 2030 zoveel mogelijk woningen te verduurzamen en stappen te laten zetten richting de landelijke isolatiestandaard, zodat de regio Parkstad Limburg op koers blijft voor een aardgasvrije en CO2-neutrale gebouwde omgeving in 2050. Concreet betekent dit voor de regio Parkstad Limburg dat er nog ongeveer 115.000 woningen geïsoleerd moeten worden tot de landelijke isolatiestandaard. Gebouweigenaren zullen stapsgewijs hun gebouwen en woningen verduurzamen. Een deel van de opgave wordt gerealiseerd als gevolg van landelijke maatregelen, zoals afspraken met (sociale) verhuurders, betere (financiële) regelingen en een betere informatievoorziening. Een deel van de particuliere woningeigenaren zal echter hulp nodig hebben van de gemeenten. Het gaat volgens het CBS om ca. 17.400 woningen in heel de regio Parkstad Limburg. Om deze eigenaren te helpen ontvangen de gemeenten geld uit de NIP-regeling.
2.1. Naar welk isolatieniveau gaat Stadsregio Parkstad toe? Energiebesparing is een randvoorwaarde voor aardgasvrije verwarming aangezien de verschillende aardgasvrije alternatieven voor verwarmen met aardgas werken met lagere temperaturen. Hierdoor is isolatie een noodzakelijke tussenstap. Daarnaast levert energiebesparing op zichzelf ook al een CO2-besparing op, leidt het tot een lagere energierekening en leidt het vaak ook tot een comfortabelere en gezondere woning met minder tocht en vocht mits de isolatie gecombineerd wordt met energiezuinige ventilatie. Er is een landelijke Standaard voor woningisolatie. De Standaard komt ongeveer overeen met energielabel A wanneer een naoorlogse woning in één keer wordt aangepakt, of energielabel B wanneer deze stapsgewijs is aangepakt. Energielabels worden echter ook beïnvloed door zonnepanelen en leeftijd van de cv-ketel, daarom is de aanname dat woning met energielabel B voldoen aan de Standaard redelijk kwetsbaar. Om hieraan tegemoet te komen is in het IVP voor de zekerheid aangenomen dat alleen woningen met energielabel A aan de Standaard voldoen. Voor vooroorlogse woningen geldt dat de Standaard vergelijkbaar is met energielabel D. Bijbehorende streefwaarden voor afzonderlijke bouwdelen ondersteunen het behalen van de Standaard bij een stapsgewijze aanpak. Bouwdelen zijn onderdelen van de woning die de warmtevraag bepalen.
De vier ‘grote’ bouwdelen zijn het dak, de vloer, de ramen en de gevel. Daarnaast worden gevelpanelen, de voordeur, de mate van kierdichting en de ventilatie ook tot de bouwdelen gerekend. Het aanpassen van deze onderdelen is relatief eenvoudig en minder kostbaar en kan vaak gecombineerd worden met een groter bouwdeel, bijvoorbeeld kierdichten bij de kozijnen als het glas vervangen wordt. De streefwaarden gaan verder dan de Standaard. Dat betekent dat een woning op de Standaard kan komen zonder alle bouwdelen te hoeven isoleren, mits de bouwdelen die wel geïsoleerd worden verder gaan dan de Standaard. De gedachte hierachter is dat een woning met zo min mogelijk stappen de Standaard bereikt, aangezien isolatie-ingrepen door de meeste eigenaren zullen worden ervaren als ingrijpende en kostbare verbouwingen en zij dus het aantal momenten waarop zij isoleren zullen willen beperken. Het is dan beter om zoveel mogelijk te doen, wanneer je eenmaal verbouwt. Zowel de Standaard als de streefwaarden zijn theoretische concepten. In de praktijk is per woning(type) een deskundige inschatting nodig om te bepalen wat er minimaal moet gebeuren om een woning op de Standaard te krijgen. Bouwkundig adviseurs, aannemers, energieloketten en energiecoaches spelen hier een belangrijke rol in omdat zij particulieren adviseren.
De Rijksoverheid stimuleert de bekendheid van de Standaard bij deze partijen door de Standaard steeds meer als officieel referentiepunt te nemen in bijvoorbeeld Figuur 1: Schematische weergave van de relatie tussen de Standaard en Streefwaarden
Huidig
10
Standaard
Som van streefwaarden
subsidieregelingen, het woningwaarderingsstelsel, landelijke communicatie zoals www.verbeterjehuis.nl en het energielabel. Wanneer alle woningen op de Standaard zitten, zijn zij gereed voor een vorm van aardgasvrije verwarming. Hieruit volgt dat alle woningen in de regio Parkstad Limburg uiterlijk in 2050 minstens op de Standaard moeten zitten. Niet alle woningen zullen hetzelfde tempo doorlopen: in oudere woningen moet vaak meer gebeuren en er zullen hier meer ingrepen nodig zijn voordat zij de Standaard bereiken.
2.2. Berekening doelstelling Isolatie- en Verduurzamingsprogramma 2.2.1. Van aardgasvrij 2050 naar aantal isolatie-ingrepen Er zijn ruim 132.000 woningen in de regio Parkstad Limburg. Hiervan voldoen waarschijnlijk ca. 16.000 al aan de Standaard. De isolatieopgave is dus ongeveer 115.000 woningen, verdeeld over 81.000 eengezinswoningen en 34.000 meergezinswoningen. Te verwachten is dat die 115.000 woningen niet in één keer zullen isoleren naar de Standaard, maar in twee à drie stappen, afhankelijk van natuurlijke momenten zoals verhuizing, de beschikbaarheid van voldoende middelen, de mate waarin een woning al geïsoleerd is, en de technische (on)mogelijkheden van de woning. De meeste eigenaren zullen bij een isolatiestap niet meer dan één bouwdeel aanpakken. Koplopers en verhuurders zullen vaker meerdere bouwdelen in één keer aanpakken, bijvoorbeeld bij renovatie. Op basis van deze factoren is tot de berekening gekomen dat er tot en met 2050 in de regio Parkstad Limburg ruim 184.000 ingrepen moeten plaatsvinden om de hele woningvoorraad op de Standaard te brengen. Verhoudingsgewijs lijken er relatief weinig ingrepen bij meergezinswoningen nodig te zijn. Dat komt omdat bij meergezinswoningen het hele pand aangepakt moet worden, en niet alleen de woning. Ingrepen bij meergezinswoningen gaan dus over het hele gebouw, zoals het vervangen van het dak of alle beglazing.
Vervolgens is het belangrijk om te kijken in welk tempo het nemen van isolatie-ingrepen moet gebeuren. Een rechte lijn naar de doelstelling voor de Stadsregio Parkstad Limburg voor aardgasvrij in 2050 betekent ongeveer 6.600 isolatie-ingrepen per jaar. Tabel 1: Indicatoren doelstelling Stadsregio Parkstad Limburg
Indicator
Waarde
Opgave per jaar (2023 t/m 2050)
Aantal woningen
132.305
Aantal woningen waarschijnlijk nog niet op de Standaard
115.753
Inschatting aantal isolatie-ingrepen
~184.400
6.600
Waarvan bij eengezinswoningen
~170.400
6.100
Waarvan bij meergezinswoningen
~14.000
500
2.2.2. Uitsplitsing van de doelstelling naar gemeenten en categorieën De doelstellingen zijn concreter gemaakt door deze op te splitsen in enkele categorieën. Deze categorieën volgen uit het NIP en zijn gekoppeld aan landelijke regelingen, geldstromen en regelgeving. Het NIP maakt ten eerste onderscheid in koop- en huurwoningen. Huurwoningen worden opgesplitst in woningcorporatiehuur en particuliere huur. De Rijksoverheid wil energiebesparing in deze sector stimuleren door enerzijds bindende afspraken te maken met verhuurders (normering) en anderzijds middelen beschikbaar stellen. Voor deze sectoren zijn het dus in eerste instantie de verhuurders zelf die aan de slag moeten met hun vastgoed, met behulp van landelijke middelen en normering. Koopwoningen zijn onderverdeeld in twee groepen: koopwoningen ‘op eigen initiatief’ en koopwoningen waarvoor de gemeente de lokale aanpak organiseert. Koopwoningen op eigen initiatief zijn woningen van
11
eigenaren die de komende jaren met hulp van landelijke regelingen stapsgewijs verduurzamen. Daarentegen is de lokale aanpak van gemeenten gericht op intensieve ondersteuning van woningeigenaren waarvoor landelijke regelingen en informatievoorziening niet toereikend zijn, en die dus hulp nodig hebben van de gemeente. De lokale aanpak moet aansluiten op de TVW en bewonersinitiatieven, en gemeenten krijgen hier geld voor van de Rijksoverheid via de NIP-regeling. De Rijksoverheid wil dat gemeenten tot 2030 prioriteit leggen op de slechtst geïsoleerde koopwoningen (energielabels D, E, F en G) van eigenaren die de meeste ontzorging nodig hebben. Overigens is er ook een grote groep die wel ontzorging en ondersteuning nodig heeft, maar die niet per se extra subsidie nodig heeft. Ook deze groep wordt met het IVP bediend. De NIP-regeling bevat een verdeelsleutel die geld verdeelt over gemeenten op basis van het aantal particuliere woningeigenaren met relatief lage inkomens en vermogens. Op basis van deze verdeelsleutel gaat het in de Stadsregio Parkstad Limburg om 17.400 woningen. Op basis van deze informatie is de doelstelling voor het IVP nader uitgewerkt voor de periode 2023-2026. Tabel 2: Doelstelling Stadsregio Parkstad Limburg uitgesplitst naar eigendomscategorie, in isolatie-ingrepen per jaar
Categorie
Isolatie-ingrepen per jaar (2023 t/m 2050)
Koopwoningen ‘eigen initiatief’
2.650
Koopwoningen ‘lokale aanpak’
990
Huurwoningen sociale huur
1.710
Huurwoningen particulier
870
Eigendom onbekend11
360
2.3. Het IVP als groeimodel Het verduurzamen van woningen en panden is een enorme opgave. Daarbij gaat het om meer dan alleen isolatie. De Parkstad-gemeenten willen inwoners en bedrijven in de breedte helpen bij het verduurzamen. Het IVP is dan ook een groeimodel. De primaire focus van het IVP in deze fase is energiebesparing en isolatie. Omdat de isolatieopgave in de regio groot is, kunnen de maatregelen en activiteiten stapsgewijs uitgebouwd en de doelgroepen verbreed worden in een groeimodel. Daarnaast richt het groeimodel zich op de opgaven circulariteit en klimaatadaptatie. Het IVP kan dus komende jaren worden uitgebreid met activiteiten gericht op die thema’s. Waar van toepassing zijn daar in het programma al verwijzingen en mogelijkheden voor genoemd. 2.3.1. Circulariteit De vraag naar grondstoffen neemt wereldwijd toe. Ook voor de energietransitie zijn veel grondstoffen nodig, de energietransitie kan daarom ook als grondstoffentransitie worden gezien. Grondstoffen worden gebruikt voor bijvoorbeeld isolatie, voedsel, elektrische apparaten en kleding. Daarom werkt de overheid samen met het bedrijfsleven, kennisinstituten, natuur- en milieuorganisaties, overheden, vakbonden, financiële instellingen en andere maatschappelijke organisaties om zuiniger en slimmer met grondstoffen om te gaan.
De Rijksoverheid heeft het landelijke programma Circulaire Economie opgesteld, met het doel een volledig circulaire economie in Nederland in 2050. Het kabinet benoemt hierin 3 doelstellingen12: 1. Bestaande productieprocessen maken efficiënter gebruik van grondstoffen, zodat er minder grondstoffen nodig zijn;
11 Op basis van eigendomsdata van het Kadaster is van een aantal woningen niet met zekerheid vast te stellen of het particulier
eigendom of verhuur door een particulier betreft. Deze woningen zijn daarom als onbekend geclassificeerd. 12 Rijksoverheid: https://open.overheid.nl/documenten/ronl-669a180a-7f09-4336-890c-633cf2c3b852/pdf
12
2. Wanneer nieuwe grondstoffen nodig zijn, wordt zoveel mogelijk gebruikgemaakt van duurzaam geproduceerde, hernieuwbare (onuitputtelijke) en algemeen beschikbare grondstoffen. Zoals biomassa, dat is grondstof uit planten, bomen en voedselresten. Dit maakt Nederland minder afhankelijk van fossiele bronnen en het is beter voor het milieu. 3. Nieuwe productiemethodes ontwikkelen en nieuwe producten circulair ontwerpen. Circulariteit biedt volop kansen. Een circulaire transitie stelt ons namelijk in staat om ons duurzaam economisch groeipotentieel maximaal te benutten door slimmer te produceren en te consumeren. Zo kunnen we door het toepassen van circulaire strategieën grondstoffen behouden die hard nodig zijn om welvaart voor huidige en komende generaties te waarborgen. Daarnaast draagt een circulaire transitie bij aan de vermindering van CO2-uitstoot. De Stadsregio Parkstad Limburg werkt momenteel aan beleid op het thema circulariteit. Met dit beleid zetten we als regio Parkstad Limburg koers naar een circulaire regio in 2050. De circulaire transitie is een integrale opgave die vanuit de regio en Parkstad gemeenten niet binnen één domein kan worden ondergebracht.
Om tot een circulaire regio Parkstad Limburg te komen is het essentieel dat het circulaire gedachtegoed en de uitvoering hiervan binnen alle domeinen wordt verankerd, waarin elk programma kijkt hoe circulariteit als middel kan dienen om de doelstellingen van desbetreffende programma’s te verwezenlijken. De circulaire transitie heeft een groot effect op de gebouwde omgeving. Het is dus van belang dat de opgaven binnen de transformatie van de gebouwde omgeving – dus van de TVW en de circulaire economie – slim met elkaar in verbinding worden gebracht zodat deze elkaar kunnen versterken in het realiseren van leefbare, vitale en duurzame wijken. Zo liggen er bijvoorbeeld nu al kansen in het gebruiken van circulaire bouw- en isolatiematerialen. 2.3.2. Klimaatadaptatie Om heel Nederland klimaatbestendig en waterrobuust in te richten, is het nodig dat klimaatadaptatie onderdeel is van overheidsbeleid en uitvoering. Er is een landelijke aanpak opgesteld, bestaande uit twee programma’s: het Nationaal Deltaprogramma13 en de Nationale klimaatadaptatiestrategie14. In het Nationaal Deltaprogramma staat hoe Nederland beschermd wordt tegen overstromingen, zorgt voor voldoende zoetwater en werkt aan een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. Het Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen en verschillende maatschappelijke organisaties werken samen aan deze opgaven.
De Nationale klimaatadaptatiestrategie (2016) beschrijft de belangrijkste klimaatrisico’s voor Nederland en zet de koers uit om deze risico’s aan te pakken. Deze koers is in het uitvoeringsprogramma 2018-2019 vertaald naar plannen en acties. Dit programma richt zich op sectoren, ketens, thema’s en klimaatrisico’s die niet in het Deltaprogramma en het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie voorkomen en vult een aantal thema’s hieruit aan. De regio Parkstad Limburg vindt het realiseren van een klimaatbestendige woon- en werkomgeving een belangrijke opgave. In 2050 is de regio Parkstad Limburg nog steeds een regio waar het aangenaam, veilig en gezond wonen, werken en recreëren is15. In de Regionale Klimaatadaptatiestrategie van Stadsregio Parkstad Limburg, opgesteld in samenwerking met Waterschap Limburg en Waterleidingmaatschappij Limburg, worden de effecten van klimaatverandering voor de regio geduid. Ook is de ambitie vastgelegd om de regio Parkstad Limburg zo in te richten dat de regio leefbaar blijft en in staat is om te gaan met de gevolgen van klimaatverandering16. De visie richt zich op de volgende speerpunten: • •
Een klimaatbestendige regio Parkstad Limburg Bijdrage aan duurzaamheidsdoelstellingen
13 Rijksoverheid: https://www.deltaprogramma.nl/ 14 Kennisportaal Klimaatadaptatie: https://klimaatadaptatienederland.nl/publish/pages/120542/nas_rapport_5_1.pdf 15 Stadsregio Parkstad Limburg: Parkstad 2040 een grenzeloos perspectief. Regionaal Afstemmingskader GOVI’s Parkstad.
Versie: Gemeenteraden Q1 2023 16 Stadsregio Parkstad Limburg: Klimaatadaptatiestrategie Parkstad Limburg
13
• •
Verbinding met andere thema’s en opgaven De samenleving betrekken
In het regionaal Actieprogramma Klimaatadaptatie Parkstad Limburg zijn de ambities vertaald naar concrete doelstellingen, acties en maatregelen. Daarnaast wordt er onder verantwoordelijkheid van provincie Limburg uitvoering gegeven aan het programma Waterveiligheid en Ruimte Limburg17. In het kader van verduurzaming zijn er in en rondom woningen en gebouwen volop mogelijkheden om klimaatadaptieve maatregelen te treffen. Denk aan het realiseren van meer groen, zoals groene daken, gevels en tuinen, het aanbrengen van zonwering of juist het zorgen voor waterberging en waterbuffers. Klimaatadaptieve maatregelen in de gebouwde omgeving richten zich vaker op verkoeling van woningen. Door het treffen van isolatiemaatregelen kan de woning in warm zomerweer ook beter koel blijven, omdat de warmte buitengehouden wordt18.
17 Provincie Limburg: https://www.limburg.nl/actueel/nieuws/nieuwsberichten/2022/juli/rijk-limburgse-overheden-presenteren/ 18 HIER: https://www.hier.nu/themas/investeren-in-je-huis/wist-je-dat-isoleren-je-huis-ook-verkoelt
14
3. Doelgroepen Doelgroepen zijn van belang zodat de regio haar inzet kan prioriteren en omdat de landelijke geldstromen ook deels gekoppeld zijn aan specifieke doelgroepen. Daarbij is belangrijk om te vermelden dat doelgroepen elkaar kunnen overlappen en doelgroepen ook verschillende subdoelgroepen kunnen bevatten.
3.1. Prioriteit 2023 – 2026 Een aantal doelgroepen krijgt prioriteit in het IVP in de komende jaren tot en met 2026. Deze prioritering is bepaald in afstemming met de regiegroep van gemeenten en de klankbordgroep van stakeholders, en getoetst bij de Bestuurscommissie Duurzaamheid van Stadsregio Parkstad Limburg. De prioritering is ingegeven door de landelijke geldstromen, de omvang van deze doelgroepen in de regio Parkstad Limburg en actuele problematiek zoals energiearmoede. 3.1.1. Koopwoningen met energielabels D, E, F, G en lage WOZ-waarde Er zijn 58.685 woningen in de regio Parkstad Limburg met een energielabel D, E, F of G, waarvan er 33.079 in eigendom zijn van particulieren. Niet alle woningen hebben een afgemeld (‘geldig’) energielabel. Woningen zonder afgemeld energielabel zijn ingeschat op basis van bouwjaar en woningtype. Koopwoningen met een slecht energielabel die daarnaast ook nog een WOZ-waarde hebben onder het gemeentelijk gemiddelde of de NHG-grens zijn de doelgroep voor de ‘lokale aanpak’ van het Nationaal Isolatieprogramma. In heel de regio Parkstad Limburg gaat het daarbij om 18.398 woningen volgens het CBS19. Koopwoningen met slechte labels komen overal in de regio Parkstad Limburg voor, maar hebben een groter aandeel in de woningvoorraad van de kleine kernen. Dit komt vooral omdat daar relatief weinig huurwoningen zijn.
Bij de WOZ-waarde zien we een soortgelijk patroon, namelijk hogere WOZ-waardes in de kleine kernen dan in de stedelijke kernen. Hierbij moet worden opgemerkt dat de gemiddelde WOZ-waarde tussen de Parkstad gemeenten verschilt. In alle gemeenten ligt de gemiddelde WOZ-waarde ruim onder de NHG-grens, die in 2023 405.000 euro bedraagt. Tabel 3: Omvang 'lokale aanpak', eigendomsverhoudingen en WOZ-waarde 2022 in de regio Parkstad Limburg Lokale aanpak koopwoningen (NIPregeling) Koopwoningen 'Lokale aanpak': slecht label en lage WOZ-waarde Aandeel koopwoningen ‘lokale aanpak’ op totale voorraad Aandeel overige koopwoningen op totale voorraad Gemiddelde WOZ-waarde (x1000)
Parkstad (geheel) 17.370
Heer len
Voeren -daal 850
Kerkrade 2.720
Brunssum 2.470
Landgraaf 2.800
Simpel -veld 765
Beekdaelen 2.905
15%
4.86 0 12%
16%
13%
19%
18%
16%
19%
40%
33%
50%
39%
39%
45%
41%
50%
241
219
319
211
219
247
256
296
3.1.2. Huishoudens met (risico op) energiearmoede Een zeer actuele doelgroep is de doelgroep energiearmoede, die zowel uit kopers als huurders bestaat. In 2022 zijn eenmalige uitkeringen van de Rijksoverheid uitgekeerd aan de gemeente om deze doelgroep te helpen met energiebesparende maatregelen. Er zijn verschillende definities van energiearmoede. TNO en CBS definiëren energiearmoede als een combinatie van laag inkomen, slechte energetische kwaliteit van het huis en onvoldoende mogelijkheid om te investeren in een betere energetische kwaliteit. De doelgroep die daadwerkelijk kampt met energiearmoede bedraagt volgens onderzoek van TNO ca. 13.600 huishoudens in de regio Parkstad Limburg in 202020. In 2022 is dit onderzoek geactualiseerd en is het aantal volgens TNO opgelopen tot ca. 14.80021.
19 CBS: https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2022/39/verdeelsleutel-nationaal-isolatieprogramma-2020 20 TNO: https://www.tno.nl/nl/over-tno/nieuws/2021/9/tno-brengt-energiearmoede-gedetailleerd-in-kaart/ 21 TNO: https://www.tno.nl/nl/newsroom/2023/01/energiearmoede-onderzoek-2022/
15
Voor het IVP is het nodig om deze groep ook geografisch gedetailleerd in kaart te brengen. Dit is ingewikkeld vanwege de beperkte beschikbaarheid van privacygevoelige data op huishoudenniveau. Daarom heeft de regio Parkstad Limburg een onderzoek laten uitvoeren door Stantec om de omvang en locatie van deze doelgroep zo goed mogelijk met openbare data te benaderen22. Door Stantec is gekeken naar een combinatie van lage inkomens op buurtniveau en slechte energieprestatie van de woning. Uit die analyse komen 39.000 huishoudens met een verhoogd risico op energiearmoede. Op figuur 4 is te zien dat de doelgroep energiearmoede in de regio Parkstad Limburg zich met name concentreert in buurten met veel huurwoningen, zowel sociale huur als particuliere huur, en in veel mindere mate voorkomt in de kleine kernen. Met name grote clusters in Heerlen-Noord, Brunssum en Kerkrade vallen op. Dit is consistent met de conclusie van TNO dat energiearmoede in de regio Parkstad Limburg sowieso relatief veel voorkomt. Van alle Nederlandse gemeenten is er in Heerlen, volgens de laatste statistieken, met 15,4% van de huishoudens relatief sprake van de meeste energiearmoede. Het tegengaan van energiearmoede is ook een van de speerpunten van het Nationaal Programma Heerlen-Noord. Ook in Kerkrade (11,4%) betreft het een relatief groot aantal huishoudens.
Figuur 2: Woningen in Parkstad met een D, E, F of G energielabel.
22 Stantec 2022: Potentieanalyses Transitievisies Warmte Parkstad
16
Figuur 3: Gemiddelde WOZ-waarde per woning per CBS-vierkant (100x100m) peiljaar 2022
17
Figuur 4: Woningen waarvan de bewoners waarschijnlijk een verhoogd risico hebben op energiearmoede
3.1.3. (Gemengde) VvE’s Naar schatting zijn er ca. 13.400 woningen in de regio die behoren tot een Vereniging van Eigenaren (VvE) en die nog niet de landelijke isolatiestandaard bereikt hebben. Slechts één op de vier van deze woningen is een koopwoning, wat erop duidt dat er relatief veel zogenaamde gemengde VvE’s zijn, waarbij een complex bestaat uit zowel huur- als koopwoningen. Het aandeel huurwoningen in een VvE kan zowel een kans als een uitdaging zijn voor verduurzaming: veel verschillende eigenaren bemoeilijkt vaak besluitvorming, en een eigenaar met een meerderheidsbelang kan verduurzaming versnellen maar ook tegenhouden. In de regio Parkstad Limburg zien we dat woningen in een gemengde VvE vooral voorkomen in de stedelijke kernen. Dat
18
is logisch omdat zich hier ook de meeste appartementsgebouwen en woningcorporatiebezit bevinden. Een aanpak gericht op (gemengde) VvE’s is dan ook het meest logisch voor Heerlen en Kerkrade.
Figuur 5: Woningen in Parkstad die behoren tot een VvE en die waarschijnlijk nog niet op de landelijke isolatiestandaard zitten
19
3.1.4. Historische bebouwingspatronen en bijzondere woningen De regio Parkstad Limburg kent veel historische bebouwingspatronen. Dit kunnen lintdorpen, mijnkoloniën of historische kernen zijn. Dit zijn ook gebieden waar relatief veel oude gebouwen met uiteenlopende gebruikersfuncties zijn, waarvan enkele ook monumentale status hebben. Zo kennen diverse gemeenten beschermd stads- en dorpsgezicht, zoals Beekdaelen (Terstraten), Brunssum (historische mijnwerkerswijken Treebeek-Haansberg, Schuttersveld, Rozengaard, De Egge en Langeberg), Heerlen (Eikenderveld, Beersdal, Tempsplein en omgeving, Maria Christinawijk, en Molenberg), Landgraaf (Lauradorp, Rimburg) en Voerendaal (Winthagen). In deze gebieden is het verduurzamen bovengemiddeld kostbaar en ingewikkeld, enerzijds Figuur 6: Historische bebouwingspatronen in de regio Parkstad Limburg
20
vanwege de (deels) beschermde staat van sommige gebouwen, maar ook vanwege de hoge kosten die gepaard gaan met verduurzaming in deze gebouwen. Verduurzaming van gebouwen van voor 1920 is bijna altijd maatwerk. In aantallen is deze doelgroep relatief klein: minder dan 1 op de 10 woningen in de Parkstad Limburg zijn gebouwd voor 1920.
Figuur 7: Beschermde Stads- en Dorpsgezichten in Parkstad Limburg
21
3.1.5. Vergrijzing De regio Parkstad Limburg heeft te maken met relatief veel vergrijzing en een beroepsbevolking die niet of nauwelijks meer groeit23. Dit brengt ook uitdagingen voor de woningvoorraad met zich mee. De kwantitatieve vraag naar woningen is minder groot dan elders in het land, en de kwalitatieve vraag sluit niet altijd aan op het woningaanbod. Hoewel ouderen meestal honkvast zijn, is er voor een deel van de ouderen behoefte aan een geschikte woning en woonzorgconcepten, liefst nabij voorzieningen. Daarnaast zijn oudere mensen vaak minder gemotiveerd om te investeren in verduurzaming van de eigen woning, terwijl ze vaak wel over veel Figuur 8: Percentage van de bevolking dat ouder is dan 65 jaar in de regio Parkstad Limburg
23 Stadsregio Parkstad Limburg: https://parkstad-limburg.nl/wp-content/uploads/2022/11/Strategische-Agenda-2021-2030-
web.pdf?x53204
22
overwaarde beschikken. Bij het bereiken en activeren van oudere woningeigenaren is het daarom belangrijk om rekening te houden met de kenmerken en motivaties van deze specifieke groep.
3.2. Overige doelgroepen Naast de prioritaire doelgroepen zijn er doelgroepen benoemd die weliswaar belangrijk zijn, maar waar nu minder urgentie is om gemeentelijke inspanningen vanuit het IVP op te richten, bijvoorbeeld omdat landelijke geldstromen en taakstellingen ontbreken of omdat er nog belangrijke regelgeving uitgewerkt wordt. 3.2.1. Maatschappelijke vastgoed Maatschappelijk vastgoed is vaak in eigendom van de gemeente of in eigendom van organisaties die gesubsidieerd worden door de gemeente of een andere overheid. Het gaat dan bijvoorbeeld om sporthallen, gemeentehuizen, ziekenhuizen, culturele instellingen en brandweerkazernes. Ook bij deze gebouwen is er een Figuur 9: Gebouwen met een maatschappelijke functie in de regio Parkstad Limburg naar vloeroppervlakte.
23
verduurzamingsopgave, en dit is een verantwoordelijkheid van de gemeente als de gemeente voor het betreffende vastgoed de beheerder of eigenaar is. Anders dan bij woningen is verduurzaming van maatschappelijk vastgoed veel meer een kwestie van strategisch portefeuillemanagement en draait de verduurzaming van deze gebouwen vaak meer om verduurzaming van de installaties dan van de schil. Te zien is dat maatschappelijk vastgoed zich met name concentreert in de grote kernen en in Heerlen als centrumgemeente, waar grote onderwijs- en zorgclusters zich bevinden. Ook in andere stedelijke kernen zien we vaak een clustering van maatschappelijke gebouwen. Een voorbeeld hiervan is het centrum van Kerkrade, waar zich in of nabij het stadshart een zwembad, diverse sportverenigingen en zorginstanties bevinden. 3.2.2. Kantoorpanden en bedrijfsvastgoed Voor kantoren en bedrijfsvastgoed geldt net als voor maatschappelijk vastgoed dat verduurzaming volgt uit planmatig en strategisch voorraadbeheer van een doorgaans grote verhuurder. En net als bij maatschappelijk vastgoed speelt het verduurzamen en inregelen van installaties hier doorgaans een grotere rol dan het isoleren Figuur 10: Kantoren en bedrijfsvastgoed in de regio Parkstad Limburg, naar vloeroppervlakte
24
van de schil. Voor kantoren geldt al sinds januari 2023 een verplichting om minimaal te voldoen aan energielabel C. In de praktijk wordt deze verplichting nog niet overal gehaald. Toezicht en handhaving is een verantwoordelijkheid van de gemeenten, en belegd bij de Regionale Uitvoeringsdienst (RUD) Zuid-Limburg. In de regio Parkstad Limburg zijn grote clusters van kantoren en bedrijfsvastgoed zichtbaar op bedrijventerreinen en centrumlocaties, zoals Heerlen Centrum, de Beitel in Heerlen, Spekholzerheide en Dentgenbach in Kerkrade en Strijthagen in Landgraaf. 3.2.3. Particulier verhuurde woningen Particuliere verhuurders zijn een ingewikkelde doelgroep omdat de gemiddelde energieprestatie van particuliere huurwoningen slechter is dan bij koopwoningen en corporatiehuurwoningen. Ook zijn de eigenaren Figuur 11: Particulier verhuurde woningen in de regio Parkstad Limburg die waarschijnlijk nog niet op de landelijke isolatiestandaard zitten
25
van deze woningen een zeer diverse doelgroep, van particulieren die een woning verhuren tot institutionele beleggers zoals pensioenfondsen. Particuliere verhuurders hadden tot voor kort geen prikkel om hun woningen te verduurzamen en pas sinds 2022 bestaat er een financiële regeling om hen te helpen bij verduurzaming. Het kabinet heeft wel wetgeving aangekondigd om de isolatie van huurwoningen (zowel particulier als sociaal) aan te pakken, zodat er per 2030 ook geen woningen mogen worden verhuurd met EFG-labels24. In de regio Parkstad Limburg zijn er naar schatting nog ongeveer 13.800 particulier verhuurde woningen die nog niet op de Standaard zitten. Deze bevinden zich met name in de meer stedelijke gemeenten. 3.2.4. Kansrijke hybride warmtepompen Bij deze doelgroep gaat het om woningen waar hybride warmtepompen een kansrijke oplossing zijn om op korte termijn relatief veel gas en CO2 te besparen. Hybride warmtepompen zijn een belangrijk speerpunt van landelijk beleid en kunnen ook bijdragen aan een snelle CO2-reductie in de regio Parkstad Limburg. De Rijksoverheid werkt nog de normering uit die ertoe moet leiden dat hybride warmtepompen vanaf 2026 de nieuwe standaard worden voor het verwarmen van woningen in de bestaande bouw. Bij de stimulering of normering van de hybride warmtepomp voorziet het Rijk vooralsnog geen rol voor gemeenten.
Ook is het bij hybride warmtepompen van belang dat er niet binnen 10 jaar gestart wordt met de ontwikkeling van een warmtenet of een ander aardgasvrij alternatief in de buurt. De Transitievisies Warmte 1.0 van de Parkstad gemeenten doen hier nog geen uitspraak over. In de Transitievisies Warmte 2.0 van de individuele Parkstad gemeenten wordt inzicht gegeven in welke gebieden een hybride warmteoplossing op korte termijn als kansrijk alternatief voor aardgas wordt gezien.
24 Rijksoverheid: https://www.rijksoverheid.nl/regering/bewindspersonen/hugo-de-jonge/nieuws/2022/06/01/duurzaam-wonen-
voor-iedereen
26
Figuur 12: Woningen in de regio Parkstad Limburg waar een hybride warmtepomp mogelijk kansrijk is
27
4. Activiteitenprogramma 2023 – 2026 Het activiteitenprogramma 2023-2026 is opgebouwd uit vier programmalijnen. Programmalijn A bevat ondersteunende activiteiten, zoals de gemeentelijke organisatie en monitoring. Programmalijn B gaat over een lokale aanpak voor koopwoningen, en richt zich zowel op het benutten van de meerjarige NIP-gelden voor de NIP-doelgroep als overige koopwoningen waar nog een isolatieopgave is. Programmalijn C zet in op aanvullende maatregelen ter bestrijding van energiearmoede. Programmalijn D richt zich op de zakelijke doelgroepen. Waar mogelijk wordt ook de koppeling naar de groeithema’s circulariteit en klimaatadaptatie gemaakt. A: Ondersteunende activiteiten •
CDOKE en eigen middelen
• • • •
Programmamanagement en ondersteuning Monitoring Inzet WoonWijzerWinkel Uitbreiden loketten sociaal domein Collectieve ontheffing Wnb
B: Lokale aanpak koopwoningen • • • • • •
Collectieve acties Activerings- en communicatiecampagne Minima-aanpak Doe-het-zelversaanpak VvE-aanpak NIP-regeling
NIP-regeling
D: Zakelijke doelgroepen SPUKs energiearmoede. Na 2024 eigen middelen
C: Aanvullende maatregelen energiearmoede • • • •
Energieknip Witgoedregeling E-kookregeling Vouchers waterzijdig inregelen
• • • •
Activeren particuliere verhuurders Activeren hypotheekadviseurs en makelaars Commercieel & maatschappelijk vastgoed Stimuleren opleiding technisch personeel en erfgoedverduurzaming
Eigen middelen
4.1. A – Ondersteunende activiteiten In deze programmalijn zijn ondersteunende activiteiten ondergebracht. Het gaat hier om de gemeentelijke en regionale organisatie, bijdrage aan de WoonWijzerWinkel en monitoring. 4.1.1. Programmamanagement en ondersteuning Dit betreft de aansturing van het gehele programma: budget bewaken, personeel coördineren en afstemming met interne en externe stakeholders. Hoewel het IVP een regionaal programma is, zullen sommige activiteiten op gemeentelijk niveau georganiseerd moeten worden en sommige op regionaal niveau. Dat onderscheid is per activiteit nu nog niet volledig te maken. Gelet op de beschikbare capaciteit bij de gemeenten en de omvang van het programma gaat het IVP ervan uit dat het programmamanagement regionaal wordt georganiseerd. De belangrijkste taak op regionaal niveau is coördinatie van en (bij)sturing op de verschillende programmalijnen, beheer van de budgetten in overleg met de gemeenten die formeel de begunstigden zijn van de NIP-gelden, bestuurlijke afstemming en het monitoren van de voortgang. De gemeenten en Stadsregio Parkstad Limburg kunnen jaarlijkse afspraken maken over inzet, financiering en middelen. Naast de centrale coördinatie vergt het programma 2 à 3 fte aan projectleiderscapaciteit, verdeeld over de vier programmalijnen maar vooral in programmalijn B, en variërend per jaar.
Het IVP gaat ervan uit dat er 1 fte projectleiding op regionaal niveau wordt georganiseerd, en dat de resterende projectleiderscapaciteit op gemeentelijk niveau wordt ingezet, aangezien een deel van de activiteiten daar zal moeten worden uitgevoerd.
28
Tot slot is er naar verwachting ca. 1,5 fte aan uitvoeringscapaciteit nodig. Dit zit met name in het inregelen en toepassen van regelingen, maar ook in werkzaamheden voor een communicatiemedewerker en inzet van uitvoerende juniorcapaciteit. Deze capaciteit zal grotendeels bij gemeenten georganiseerd moeten worden. Het regionaal IVP is van toegevoegde waarde voor de regio Parkstad. De gemeente kan door de samenwerking bijv. inkoopacties organiseren die aansluiten bij de verduurzamingsopgave. Door regionaal in te kopen ontstaat er schaalvoordeel en kan de uitvoeringskracht bij de bedrijven efficiënt worden georganiseerd. De toevoegde waarde voor de regio zit niet alleen in het isoleren, maar ook in de kansen om vanuit de samenwerking met regionale partijen ruimte te bieden voor omscholing en daarmee het arbeidspotentieel in de regio aan te boren. In welke mate deze kansen daadwerkelijk verzilverd kunnen worden, wordt pas duidelijk in de verdere uitwerking van het aanbod in het IVP. Daarnaast kan er bij de uitvoering van het IVP verkend worden hoe er samengewerkt kan worden met andere organisaties, zoals woningcorporaties en energiecoöperaties, en of en hoe er eventueel aangesloten kan worden op andere projecten en initiatieven. 4.1.2. Monitoring Het programma heeft een meerjarige opzet en er zijn nog onzekerheden die invloed hebben op de conversies van activiteiten.
Die conversies zijn gebaseerd op ervaringen uit het verleden, van voor de huidige energie- en materiaalprijzen, personeelsschaarste en geopolitieke veranderingen. Ook is het landelijk beleid deels nog in ontwikkeling, en zijn de gemeentelijke uitkeringen uit het NIP na 2024 nog niet bekend. Om deze redenen is het belangrijk om voortdurend het IVP te monitoren en bij te sturen waar nodig. Voor het meten van de effectiviteit wordt een dashboard ingericht met belangrijke indicatoren om de aanpak te kunnen monitoren. De volgende onderdelen zijn voor de monitoring van belang: •
•
•
Input: alle acties gericht op bereik en conversie, zoals: verstuurde brieven, deelname aan activiteiten, gebruik van landelijke en lokale regelingen, het aantal energiecoaches en het aantal contactmomenten van uitvoeringspartners. Deze informatie kan grotendeels worden aangeleverd door uitvoeringspartners. Deels moet deze informatie zelf verzameld worden, bijvoorbeeld bij RVO of bij de betrokken communicatiemedewerker. Hiervoor zijn uren opgenomen in het programma. Output: aantal geïsoleerde bouwdelen naar onderscheid eengezinswoningen en meergezinswoningen en het aantal woningen waar laagdrempelige maatregelen zijn gemonteerd bij de doelgroep energiearmoede. Deze informatie kan door de uitvoeringspartners worden aangeleverd. Het is belangrijk dat de gemeente in haar aanbestedingen meegeeft dat het bijhouden van deze data (binnen de kaders van privacyregelgeving) een uitvoeringsvoorwaarde is. Dit in verband met de verantwoording voor de besteding van de middelen. Effect: over de looptijd van het programma kan het effect gemeten worden door verschillende criteria te meten, zoals voor temperatuur gecorrigeerd gasverbruik en afgemelde energielabels. Het dashboard wordt gekoppeld aan Klimaatmonitor25 zodat de voortgang op energiebesparing gemonitord kan worden. Er is nog geen landelijk geaccepteerde methodologie om het aantal woningen te monitoren dat de Standaard heeft bereikt.
Dit kan namelijk niet volledig en feilloos uit energielabels worden afgeleid. Meer generieke effecten zoals energieverbruik en CO2-reductie worden gemeten als onderdeel van PALET.
25 Klimaatmonitor: https://klimaatmonitor.databank.nl/
29
Om het dashboard in te richten en bij te houden zijn uren en out-of-pocketkosten opgenomen in het Isolatie- en Verduurzamings-programma. Cruciaal bij voortdurende monitoring en bijsturing is dat alle betrokkenen deze werkwijze onderschrijven, omdat het flexibiliteit in de uitvoering vraagt. Wanneer conversies achterblijven bij wat in dit programma is ingeschat wordt bijgestuurd door bijvoorbeeld extra of andere activiteiten te organiseren om de benodigde conversie wel te behalen. Figuur 13: Impressie dashboard voor monitoring uitvoeringsprogramma.