CConstaterende datKerkrade
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Evaluatie aanpak basisvaardigheden Zuid-Limburg 2020-2024

Openbare informatiebijeenkomst 6 mei 2025, gemeente KerkradeBij agendapunt: Presentatie7.986 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Buigen over Basisvaardigheden Onderzoek naar de aanpak Basisvaardigheden in Zuid-Limburg

© Picture by Gerd Altmann

Prof. Dr. Maurice de Greef Oktober 2024

Dit onderzoek en deze rapportage is mede tot stand gekomen door een sterke betrokkenheid van alle samenwerkingspartners in Zuid-Limburg. Veel dank voor een ieder die op enige wijze betrokken is geweest!

© 2024 Artéduc, Vught Allé réchtén voorbéhoudén. Dézé publicatié is opgéstéld in opdracht van dé géméénté Héérlén. Ondérstaandé is niét van toépassing op dé géméénté Héérlén . Voor hét ovérigé géldt dat niéts van dézé uitgavé mag wordén vérvéélvoudigd, opgéslagén in één géautomatiséérd gégévéns opénbaar gémaakt, in énigé vorm of op énigé wijzé, hétzij éléktronisch, méchanisch, door fotokopiéén, opnamén, of énigé andéré maniér, of gébruikt in bijvoorbééld één PowérPointpréséntatié, zondér voorafgaandé schriftélijké toéstémming van Artéduc. Voor zovér hét makén van kopiéén uit dézé uitgavé is toégéstaan op grond van artikél 16B Autéurswét 1912 j 0 hét Bésluit van 20 juni 1974, St.b. 351, zoals géwijzigd bij Bésluit van 23 augustus 1985, St.b. 471 én artikél 17 Autéurswét 1912, diént mén dé daarvoor wéttélijké vérgoédingén té voldoén aan dé Stichting Réprorécht (Postbus 882, 1180 AW Amstélvéén). Voor zovér hét opnémén van gédéélté(n) uit dézé uitgavé in bloémlézingén, réadérs én andéré compilatiéwérkén (artikél 16 Autéurswét 1912) diént mén zich tot dé génoémdé partij té wéndén.

Inhoudsopgave

Blz.

Hoofdstuk 1: Aanleiding

4

1.1 Achtérstand in basisvaardighédén in Zuid-Limburg 1.2 Faségéwijzé én planmatigé aanpak basisvaardighédén

4 4

Hoofdstuk 2: Onderzoeksmethode

6

2.1 Fasé 1: Startfoto Zuid-Limburgse infrastructuur ontwikkeling basisvaardigheden. 2.2 Fasé 2: Diépté-analysé via kritisché incidéntméthodé ondér éxpérts 2.3 Fasé 3: Meerjarenaanpak Basisvaardigheden Zuid-Limburg

6 6 7

Hoofdstuk 3: Bewustwording en samenwerking

8

3.1 Expliciété béléids- én régiérol régio én gémééntén 3.2 Béwustwording van problématiék én inzét voor basisvaardighédén 3.3 Dé Zuid-Limburgsé saménwérking op hét gébiéd van basisvaardighédén

8 8 9

Hoofdstuk 4: Herkenning en doorverwijzing in Zuid-Limburg

10

4.1 Kansén voor hérkénnén van inwonérs mét achtérstandén in basisvaardighédén 4.2 Kansén voor doorvérwijzing van inwonérs mét achtérstandén in basisvaardighédén

10 10

Hoofdstuk 5: Huidig aanbod en regionale aanpak

12

5.1 Eén stérk aanbod basisvaardighédén 5.2 Inhoudélijké focus op vijf pijlérs 5.3 Régionalé maatrégélén 5.4 Dé uitdaging van dé wérving

12 12 13 14

Hoofdstuk 6: Een inhoudelijk fundament met kansen voor uitbouwen

15

6.1 Goéd béléid én fundamént voor saménwérking 6.2 Hérkénning én doorvérwijzing in dé stéigérs 6.3 Stérk aanbod aangévuld mét activitéitén van vijf pijlérs én régionalé maatrégélén 6.4 Toékomstig actiéplan

15 15 15 16

Referenties

18

Bijlage 1: Succesfactoren voor de Zuid-Limburgse aanpak

19

3

1.

Aanleiding

De gemeenten in Zuid-Limburg willen met alle betrokken partners in Zuid-Limburg een gezamenlijke aanpak basisvaardigheden realiseren. Zij vinden het belangrijk dat iedere inwoner, jong of oud, de kans krijgt om mee te doen. Voldoende taal-, reken- of digitale vaardigheden beheersen is daarvoor essentieel. Om dat niveau te bereiken is een gedegen infrastructuur met een goede samenwerking onder sterke regie van belang. Dit was de basis voor de aanpak van de afgelopen vier jaar. Vraag is of de aanpak basisvaardigheden optimaal is verlopen en of er nog mogelijke verbeterkansen zijn. 1.1 Achterstand in basisvaardigheden in Zuid-Limburg Ook in de regio Zuid-Limburg is de groep mensen met beperkte basisvaardigheden groot. Uit het ‘Plan van aanpak basisvaardighédén Zuid-Limburg 2020 - 2024’ blijkt dat 20% van dé inwonérs te maken heeft met lage basisvaardigheden wat in 2020 betekende dat circa 119.595 inwoners hiermee te maken hadden (Seldenthuis et al., 2020). Om die reden kiest de regio met haar 16 gemeenten er expliciet voor om meer in te zetten op basisvaardigheden. Om voor deze mensen taalontwikkeling te stimuleren is samenwerking tussen de verschillende instellingen in ZuidLimburg onontbeerlijk. Deze instellingen moeten de handen ineen slaan en gezamenlijk een aantal fasen doorlopen om potentiële deelnemers voor het scholingsaanbod te kunnen bereiken.

Scholingsaanbod waar laaggeletterden leren om basisvaardigheden (taal, rekenen en digitale vaardigheden) eigen te maken, waardoor ze een betere plek in de samenleving of op de arbeidsmarkt krijgen. 1.2 Fasegewijze en planmatige aanpak basisvaardigheden Om een gezamenlijke aanpak voor basisvaardigheden te realiseren, doorlopen de partners de volgende fasen: ▪ Bewustwording: Instellingen en gemeenten onderkennen het belang van het bevorderen van basisvaardigheden. ▪ Samenwerking: Instellingen en gemeenten realiseren een ketensamenwerking om gezamenlijk de ontwikkeling van basisvaardigheden te kunnen bevorderen. ▪ Toeleiding: Instellingen en gemeenten herkennen laaggeletterden, verwijzen deze door naar scholingstrajecten en realiseren daarnaast specifieke wervingsactiviteiten om via andere kanalen potentiële laaggeletterden te kunnen bereiken. ▪ Bereik: Instellingen en gemeenten faciliteren ontwikkeling van basisvaardigheden, waardoor inwoners van de gemeenten in Zuid-Limburg hun basisvaardigheden (taal, rekenen en digitale vaardigheden) kunnen optimaliseren. Om op lokaal niveau de ontwikkeling van basisvaardigheden te bevorderen, is het dus noodzakelijk om op het gebied van bewustwording, samenwerking, herkenning, doorverwijzing en scholing instellingen in Zuid-Limburg samen te laten optrekken.

De regio Zuid-Limburg heeft in 2020 in het regioplan basisvaardigheden Zuid-Limburg beschreven om deze integrale samenwerking met betrekking tot basisvaardigheden te willen bevorderen met de volgende vijf pijlers: 1. Het voorkomen van taalachterstand bij kinderen (preventie) 2. Het gebruiken van eenvoudige taal zodat iedereen kan meedoen (inclusie) 3. Het opsporen van inwoners met beperkte basisvaardigheden (opsporen)

4

4. Het laten starten van meer mensen met Nederlands als moedertaal met onderwijs aan volwassenen (meer NT1) 5. Het verhelpen van beperkte basisvaardigheden bij volwassenen met scholing (verhelpen) Hierbij hoopt de regio de volgende doelen te kunnen bereiken (Seldenthuis et al., 2020, p. 5): 1. We zetten ons in om laaggeletterdheid bij kinderen te voorkomen. 2. We hebben meer taalambassadeurs. 3. We krijgen de mensen beter in beeld die Nederlands als moedertaal hebben en basisvaardigheden missen. 4. We werken in Zuid-Limburg als gemeenten samen met organisaties en bedrijven aan het verstevigen van de basisvaardigheden bij mensen die dat nodig hebben. 5. We geven les in basisvaardigheden op een manier die past bij de interesses van mensen die volwassenenonderwijs nodig hebben. 6. Minimaal 70% van de deelnemers van formeel onderwijs heeft na afloop van het WEBtraject een hoger niveau in taal, rekenen of computervaardigheden. 7. Deelnemers aan non-formeel onderwijs kunnen beter meedoen op het werk of privé. 8. We halen meer resultaten met het beleid. Artéduc is gevraagd om de resultaten van deze aanpak middels onderzoek in beeld te brengen en op basis daarvan samen met de partners een mogelijke actieagenda voor het vervolg op te stellen.

5

2.

Onderzoeksmethode

Op basis van de onderzoekservaringen vanuit de andere provincies en arbeidsmarktregio’s is voorgesteld om een integraal onderzoek te realiseren. De een onderzoeksaanpak is gebaseerd op een mixed-method design. Het integrale onderzoek bestaat uit de volgende fasen: Fase 1: Startfoto Zuid-Limburgse infrastructuur ontwikkeling basisvaardigheden Fase 2: Diepte-analyse via kritische incidentmethode onder experts Fase 3: Meerjarenaanpak Basisvaardigheden Zuid-Limburg 2.1 Fase 1: Startfoto Zuid-Limburgse infrastructuur ontwikkeling basisvaardigheden In saménwérking mét vrijwél allé bétrokkén Zuid-Limburgsé partijén in dé aanpak van basisvaardighédén is één startfoto van dé huidigé infrastructuur gémaakt. Dit is gédaan middéls één onliné vragénlijst ondér 58 proféssionals dié actiéf zijn in dé aanpak van basisvaardighédén. Tabél 1 toont dé achtérgrond van dé réspondéntén. Hiérbij wordt duidélijk dat ér mét namé partnérs bétrokkén zijn vanuit gémééntén of andéré ovérhéidsinstéllingén. Maar ook vanuit dé bibliothéékséctor én hét wélzijn, gévolgd door hét volwassénénondérwijs én dé kindéropvang én dé VVE. Tén slotté valt op dat ér sléchts énkélé partnérs bétrokkén zijn vanuit hét vrijwilligérswérk én dé gézondhéidszorg. Er zijn géén réspondéntén vanuit hét réguliér ondérwijs of hét bédrijfslévén dié dé vragénlijst hébbén ingévuld (zié tabél 1).

Tabel 1: Sector respondenten Zuid-Limburgse startfoto Basisvaardigheden Soort sector % betrokken professionals Géméénté of andéré ovérhéidsinstélling (inclusiéf UWV) 36.2% Réguliér ondérwijs (PO, VO, MBO, HBO, WO) 0% Volwassénénondérwijs 6.9% Wélzijn (inclusiéf vluchtélingénwérk én jongérénwérk) 15.5% Bibliothéékséctor 24.1% Kindéropvang, péutérspéélzalén, buiténschoolsé opvang, VVE 6.9% Gézondhéidszorg: Consultatiéburéau én Opénbaré Gézondhéidszorg 1.7% Vrijwilligérswérk 3.4% Bédrijfslévén 0% Andérs 5.2% 2.2 Fase 2: Diepte-analyse via kritische incidentmethode onder experts Onder circa 20 experts/organisaties die in Zuid-Limburg werkzaam zijn op het gebied van het bevorderen van de ontwikkeling van basisvaardigheden is in kaart gebracht welke elementen ervoor zorgen dat de aanpak van de ontwikkeling van basisvaardigheden succesvol was of wat juist belemmerend werkte. Dit is een verdiepingsslag op basis van de Zuid-Limburgse startfoto. Centraal staat hoe men de huidige situatie kan optimaliseren en niet om enkel in kaart te brengen wat niet werkt. Ook is de meest optimale situatie beschreven door de betrokken experts. Hierbij is ruime aandacht geschonken aan hoe men wil en kan samenwerken en zich wil ontwikkelen en welke randvoorwaarden daarbij noodzakelijk zijn. Ook is gevraagd naar de eigen rol en verantwoordelijkheid hierin.

Tevens is er gekeken naar de andere bepalende factoren, zoals de deskundigheid van de doorverwijzer, de setting en het aangeboden aanbod of leertraject (dat wel of niet passend is). Er is in kaart gebracht wat de wensen van de experts 6

zijn en hoe deze vertaald moeten worden in de aanpak van het bevorderen van de ontwikkeling van basisvaardigheden en in welke setting deze wel of niet moet plaatsvinden. Voor deze onderzoeksfase is de Kritische Incidenten Techniek gebruikt (Flanagan, 1954). Centraal bij deze methode staat de individuele ervaring van de deelnemer aan het onderzoek (in dit geval de Zuid-Limburgse experts). Via open vragen is de deelnemer uitgenodigd om concrete ervaringen die men als overwegend positief of negatief heeft beleefd, te bespreken. De gegevens die op deze wijze verzameld zijn, geven een gedetailleerd en diepgaand beeld van bevorderende en hinderende factoren van de mogelijkheden en belemmeringen van het bevorderen van de ontwikkeling van basisvaardigheden in Zuid-Limburg (Butterfield et al., 2005; Grove & Fisk, 1997), waarbij de ervaringen (van experts) centraal staan. Om de data te verzamelen zijn individuele interviews afgenomen die elk circa 30 tot 40 minuten duren. De steekproef van de verschillende Zuid-Limburgse experts is nauwgezet gedaan in samenwerking met de gemeente Heerlen. Voor de analyse van de interviews is dé “groundéd théory bénadéring” gékozén om één zorgvuldigé analysé té kunnén réalisérén. Dé intérviéws zijn telefonisch of via Teams afgenomen. De betrokken respondenten is gevraagd om als klankbordgroep betrokken te blijven bij het opstellen van de meerjarenaanpak.

2.3 Fase 3: Meerjarenaanpak Basisvaardigheden Zuid-Limburg De uitvoering van de aanpak van basisvaardigheden kan duurzaam en rendabel zijn als er voldoende aandacht is voor de implementatie van de onderzoeksresultaten. In de derde fase is samen met alle betrokken partners in de gehele arbeidsmarktregio een actieplan voor een ‘Méérjarénaanpak Basisvaardighédén Zuid-Limburg’ opgéstéld, dié gétoétst is bij de betrokken gemeente en instellingen. Via een tweetal interactieve werksessies is een kader voor een actieplan ontwikkeld op basis van de onderzoeksresultaten uit de eerdere onderzoeksfasen. Hierbij zijn ook good practicés uit andéré régio’s gébruikt.

7

3. Bewustwording en samenwerking In Zuid-Limburg is men al geruime tijd actief om achterstanden in basisvaardigheden tegen te gaan. Samen met diverse partners uit verschillende sectoren start men innovatieve trajecten om ontwikkeling van basisvaardigheden te bevorderen. Vraag is of partijen zich bewust zijn van de problematiek en hoe zij de samenwerking in de arbeidsmarktregio op het gebied van de aanpak van achterstanden in basisvaardigheden ervaren. 3.1 Expliciete beleids- en regierol regio en gemeenten In hét optimalisérén van dé aanpak van taalachtérstandén is één éxpliciété rol wéggélégd voor dé géméénté. Eén méérdérhéid van dé réspondéntén van hét kwalitatiéf ondérzoék (13 van dé 24) vindt dat ér één goéd béléid is op hét gébiéd van basisvaardighédén: “We hebben een bondgenootschap met ambitie en we hebben daarnaast een soort uitvoeringsprogramma voor ieder jaar waarmee we dat beleid dat we toch eigenlijk ook voor een heel groot deel baseren op onze Zuid-Limburgse regioplan. Wat willen we nou eigenlijk bereiken in Zuid-Limburg? En afgeleide daarvan is wat wij in de Westelijke Mijnstreek doen op maat voor de samenwerking in de Westelijke Mijnstreek. Dus ja, we zijn daar tevreden mee.” (R21) Kanttekening is wel dat de beleidscapaciteit in de subregio Maastricht-Heuvelland te gering is.

Vraag is of er ook regie wordt gevoerd op het beleidsplan en over het subregionale beleid. Ook hier geeft een meerderheid van de respondenten (13 van de 22) aan dat dat het geval is: “Ja, dat vind ik wel. (…) Wat ik net ook aangaf, dat één stand van de gemeente de regie daarin heeft. Vanuit iedere gemeente is een afgevaardigde die zich met dit onderdeel bezighoudt. Dat zijn de drie bondgenootschappen. Er is een samenwerking tussen het ROC en de regio. De taalhuizen hebben steeds meer contact onderling, dus ja.” (R4) De resultaten uit de online vragenlijst bevestigen dit beeld. Volgens circa 61% is er voldoende regie op de aanpak basisvaardigheden in het verzorgingsgebied. De taken zouden nog wel iets scherper verdeeld kunnen worden. Circa 53% geeft aan dat deze goed verdeeld zijn. Daarnaast geeft de overgrote meerderheid van de respondenten van de interviews (17 van de 24), maar ook van de online vragenlijst (circa 72%) aan dat er een jaarplan en een jaarverantwoording is voor de aanpak van basisvaardigheden in de (sub)regio, waarmee men werkt. 3.2 Bewustwording van problematiek en inzet voor basisvaardigheden Hét fundamént voor dé aanpak van basisvaardighédén is dé béwustwording van dé problématiék.

Dé vraag is of mén als organisatié oog hééft voor dé problématiék én zich wil inzéttén voor hét bélang van inwonérs van jong tot oud dié achtérstandén op hét gébiéd van basisvaardighédén érvarén. Zodra dé Zuid-Limburgsé organisatiés gézaménlijk hét probléém ondérkénnén, is hét makkélijkér om activitéitén té facilitérén om dé problématiék tégén té kunnén gaan. Uit hét ondérzoék blijkt dat vrijwél allé organisatiés voldoéndé actié ondérnémén om dé problématiék van basisvaardighédén tégén té gaan, namélijk 80%. Ook is vrijwél élké organisatié zich béwust van dé problématiék, té wétén 96%. Dé hogé maté van béwustwording ondér dé partnérs wordt ondérstréépt door dé résultatén uit hét kwalitatiéf ondérzoék. Eén méérdérhéid (15 van dé 24 réspondéntén) gééft aan, dat mén zich hiér van béwust is, zoals dé volgéndé réspondént aangééft: “Het feit dat het in het verleden geweest is en bij ons heel centraal stond binnen de dagelijkse taken, zeg maar. En ja, nu... Het is gewoon een vanzelfsprekendheid. Ik neem het mee binnen het team. Zeg maar, op het moment dat er een nieuwe aanmelding komt, dan is dat een vraag die je indirect of direct stelt aan de nieuwe 1 R staat voor Respondent en het nummer voor het nummer van de desbetreffende respondent.

8

cliënt. Bij de intake”. (R22) 3.3 De Zuid-Limburgse samenwerking op het gebied van basisvaardigheden Dé partnérs gévén dé saménwérking op hét gébiéd van basisvaardighédén gémiddéld één 7. Dézé tévrédénhéid wordt bévéstigd, doordat circa 76% van dé réspondéntén van dé vragénlijst aangééft dat dé saménwérking goéd is. Zo ook gééft 84% aan dat ér voldoéndé saménwérking is voor dé aanpak van basisvaardighédén op (sub)régionaal nivéau. Daarnaast gééft 69% aan dat mén dé takén ook op élkaar afstémt. Dit bééld wordt niét hélémaal bévéstigd door dé intérviéws. Daar gévén 7 van dé 23 réspondéntén aan dat dé saménwérking goéd vérloopt. In sommigé gévallén kunnén ér nog wél iéts méér concrété afsprakén gémaakt wordén, zoals dézé réspondént aangééft: “Van hoe maak je nou zo'n overleg van zo'n bondgenootschap zinvol? En wat wil je daarmee bereiken en wat haal je daaruit? Dus op dit moment vind ik het wel al heel erg verbeterd ten opzichte van hoe het eerder was. Met het nieuwe convenant en minder overleggen zie je wel dat er wat meer focus komt op wat kunnen we nou echt aan elkaar hebben. (…) Maar er zijn nog wel heel veel grote verschillen met waar iedereen staat.

En ja, soms denk ik, zou er wel meer sturing kunnen zitten op wat ga je nou echt samen doen?” (R16) Ook de samenwerking met andere sectoren van het sociaal domein kan volgens de meerderheid van de respondenten (14 van de 23) van het kwalitatief onderzoek verbeterd worden. Echter zijn er ook goede voorbeelden, zoals deze respondent aangeeft: “Nou, ik denk dat die samenwerking er is. Nou ja, ik weet bijvoorbeeld in Brunssum wordt die taalmeter structureel ingezet bij de gemeente en die mensen worden doorverwezen naar het Vista College, maar ik weet niet of daar nog een controle even zogezegd is om te kijken of die mensen ook uiteindelijk naar school gaan. Dat heb ik niet helder, maar ik weet dat zij dat zelfstandig heel goed doen, zal ik maar zeggen”. (R7) Samengevat Volgens het merendeel zit er voldoende regie op de (sub)regionale aanpak van achterstanden in basisvaardigheden en is er een goed beleid. Ook wordt er gewerkt met een jaarplan en een jaarverantwoording volgens de meerderheid. Kanttekening is wel dat de beleidscapaciteit in de subregio Maastricht-Heuvelland te gering lijkt te zijn. Ook zijn vrijwel alle responderende organisaties zich bewust van de problematiek van achterstanden in basisvaardigheden en onderstrepen het belang van de aanpak. Tevens wordt duidelijk dat het merendeel van de organisaties actie onderneemt om de problematiek tegen te gaan.

Daarnaast is het fundament voor de samenwerking gelegd en het merendeel van de respondenten van de vragenlijst ervaart die als goed en geeft aan dat er voldoende samenwerking is en dat de taken op elkaar zijn afgestemd. Echter vindt ook een aantal respondenten van de interviews dat de samenwerking meer omgezet mag worden in concrete afspraken.

9

4.

Herkenning en doorverwijzing in Zuid-Limburg

Om ervoor te zorgen dat voldoende inwoners met een achterstand in basisvaardigheden worden bereikt zijn het herkennen en doorverwijzen van inwoners twee belangrijke activiteiten in de ZuidLimburgse aanpak basisvaardigheden. Diverse partners blijken dat te doen. Vraag is echter of dat ook succesvol gebeurt. 4.1 Kansen voor herkennen van inwoners met achterstanden in basisvaardigheden Uit hét kwalitatiéf ondérzoék blijkt dat hét hérkénnén van taalproblémén nog niét optimaal gébéurt. Volgéns 14 van dé 22 réspondéntén is dat één knélpunt. Volgéns dézé réspondént kost hét tijd voordat hét écht ondérdéél wordt van één systématisché aanpak: “Gaan we nu echt starten met een team van werk en inkomen om het thema basisvaardigheden te borgen binnen hun processen. Ik heb daar al wel een aantal gesprekken gevoerd met een aantal verschillende functionarissen. En men herkent en erkent dat het belangrijk is. (…) En men had eerst zoiets van, ja goed, weet je, dat is toch wel duidelijk als we iemand hebben die beperkte basisvaardigheden heeft. Als je daarop doorvraagt, dan kom je eigenlijk samen wel tot de conclusie, wat onderzoek ook onderstreept, dat die NT2-doelgroep ligt voor de hand. Dat is voor de hand liggend dat je die herkent. Maar als we echt inzoomen op de NT1-doelgroep, dan komen ze toch wel tot de conclusie dat ze het waarschijnlijk toch niet zo goed herkennen”.

R12 Dé résultatén uit hét kwantitatiéf ondérzoék bévéstigén dit bééld. Daar gééft circa 57% aan dat hét hérkénnén van problémén mét bétrékking tot basisvaardighédén goéd vérloopt. Ook daar gééft één rédélijké groép réspondéntén aan dat ér nog stappén gézét kunnén wordén om hét hérkénnén té optimalisérén. Echtér gééft wél 69% van dé réspondéntén aan dat dé organisatiés tijd vrij makén om hét té hérkénnén. Dus hét gébéurt wél, maar nog niét systématisch én structuréél. 4.2 Kansen voor doorverwijzing van inwoners met achterstanden in basisvaardigheden Volgéns 53% van dé réspondéntén van dé vragénlijst vérloopt hét doorvérwijzén van kindérén, jongérén of volwassénén mét problémén in hun basisvaardighédén goéd. Eén vérgélijkbaar aantal réspondéntén (47%) gééft aan dat na dé doorvérwijzing géchéckt wordt of dé poténtiélé déélnémérs ook daadwérkélijk déélnémén aan dé trajéctén basisvaardighédén. Eén méérdérhéid gééft aan dat zowél bij hét Vista Collégé als dé taalhuizén niét tévéél aanméldingén zijn. Echtér is hét wél zo dat doorvérwijzing niét énkél naar éigén trajéctén plaatsvindt volgéns 67% van dé réspondéntén, maar ook naar andéré trajéctén basisvaardighédén. Dé réspondéntén van hét kwalitatiéf ondérzoék bévéstigén hét bééld dat dé doorvérwijzing vérbétérd kan wordén.

Volgéns 15 van dé 24 déélnémérs vérloopt hét nog niét optimaal ondér andéré doordat ér één vraagvérlégénhéid is bij dé proféssionals zoals dé volgéndé réspondént aangééft: “Nou, nog steeds een stuk verlegenheid van hulpverleners. Die vinden het ook heel erg moeilijk om dat bespreekbaar te maken. En daar proberen we dus in allerlei workshops wel mensen bij te helpen en te oefenen. Hoe doe je dat dan? Maar dat vindt men heel erg moeilijk. En het verwijzen vindt men ook moeilijk. Maar dat zijn dus de stappen die wij wel heel veel zijn aan het zetten om dan ook duidelijk te maken. Ja, waar kun je dan naartoe door verwijzen? Dat hebben we allemaal goed geïnventariseerd en in beeld en dat actualiseren we ieder half jaar en dat sturen we rond en dat kan ook digitaal worden gevonden. Maar het zijn stappen en het lijkt makkelijk, maar het zijn toch grote stappen”. (R1) Maar op sommige plekken loopt dit wel goed. Van deze werkwijze van doorverwijzen zou men kunnen leren, zoals uit dit mooie voorbeeld van een respondent blijkt: “Ja, dat gaat wel inderdaad goed. Op het moment dat zoiets gebeurt, met name met de doelgroep NT1. Dan zijn we zo ontzettend blij 10

als er inderdaad een inwoner zegt, nou ik wil die stap maken. En dan nemen we contact ook met X. En X gaat inderdaad dan zover dat zij een afspraak maakt met die persoon. En wanneer die persoon er behoefte aan heeft, bijvoorbeeld de eerste keer meegaan naar het Vista College. Voor een intake, voor een kennismaking. Want dat vinden veel mensen dan toch nog zo reuzespannend dat dat echt wel een risico vormt. Dat ze dan alsnog afhaken. Dus X geeft dan aan, dan bel ik die inwoner met toestemming en dan maken we een afspraak en dan ga ik met die inwoner mee. Dus dat is super dat ze dat doet”. (R3) Samengevat De basis voor herkennen en doorverwijzen is gelegd. Men maakt over het algemeen tijd vrij voor het herkennen van de problematiek, maar het vindt nog niet overal structureel en systematisch plaats. Voor wat betreft de doorverwijzing, verwijzen de meeste partners ook door naar andere trajecten dan naar hun eigen trajecten. De doorverwijzing vindt dus zeker plaats, maar wederom gebeurt dat niet altijd goed. De doorverwijzing verloopt dus nog niet optimaal. Daarnaast wordt niet altijd gecheckt of een deelnemer daadwerkelijk deelneemt aan het traject basisvaardigheden. Dus ook de opvolging zou meer aandacht mogen krijgen.

11

5.

Huidig aanbod en regionale aanpak

In Zuid-Limburg hebben ze een duidelijke inhoudelijke focus aangebracht in de aanpak voor achterstanden in basisvaardigheden. Allereerst heeft men er voor gekozen om via een vaste infrastructuur een aanbod basisvaardigheden te realiseren. Men kiest daarnaast expliciet voor het werken met vijf verschillende inhoudelijke pijlers en een ondersteuning per subregio naast regionale kennisdeling. Ook heeft men een duidelijke visie op het aanbod. Vraag is de partners ook daadwerkelijk actief zijn op deze vijf pijlers en of de ontwikkelde ondersteuning een bijdrage levert aan de actieve aanpak van achterstanden in basisvaardigheden. 5.1 Een sterk aanbod basisvaardigheden Dé méésté géïntérviéwdé réspondéntén zijn énthousiast ovér hét huidigé aanbod basisvaardighédén. Volgéns één méérdérhéid (13 van dé 22 réspondéntén) is hét aanbod toéréikénd waarbij fléxibilitéit én actualitéit ook één rol kunnén spélén zoals dézé réspondént aangééft: “Er wordt echt alles uit de kast getrokken en ook op de actualiteit ingesprongen. Op het moment dat er dus inderdaad actuele dingen zijn, zoals nu bijvoorbeeld de Flair voor laaggeletterden, in het woord- en taalgebruik. Die wordt dan besproken, die komt op tafel. Het wordt niet alleen vanuit lesboekjes, juist niet, gehandeld. Het is allemaal persoonlijk portfolio met een mooie foto van hun bovenop en zo.

Dus nee, daar heb ik alleen maar complimenten voor, voor de wijze waarop ze het aanpakken”. (R9) Dé résultatén van hét kwantitatiévé ondérzoék bévéstigén dit. Volgéns 71% van dé réspondéntén is ér voldoéndé variatié in dé scholingstrajéctén op hét gébiéd van basisvaardighédén op (sub)régionaal nivéau. Eén kléiné kanttékéning is dat aanbod in company én lokaal waar poténtiélé NT1-déélnémérs wérkén, wonén én lévén wél één vérstérking zou zijn van hét huidigé scholingsaanbod. Daarnaast is de beleidsregel om 90% van het budget volwasseneneducatie te besteden aan het formele onderwijs en 10% aan kleinschalige laagdrempelige scholing voor volwassenen in een niet schoolse omgeving bekend bij de meeste partners (86.3%). Wel geeft 66.7% dat er nog méér NT1’érs béréikt mogén wordén voor dit aanbod. Vraag is of dé kléinschalige projecten wel léidén tot hét opsporén van dé NT1’érs. Dit sluit aan bij dé wéns om hét aanbod van NT1’érs meer op locatie te organiseren in plaats van het faciliteren van kleinschalige laagdrempelige scholing in een niet-schoolse omgeving. 5.2 De inhoudelijke focus op vijf pijlers Uit dé kwantitatiévé ondérzoéksanalysé blijkt dat op élké pijlér één méérdérhéid van dé partnérs actiéf is. Dé pijlérs lijkén stéunpilarén té zijn voor dé réalisatié van dé aanpak van basisvaardighédén.

Volgéns tabél 2 is bijna driékwart van dé partnérs bétrokkén bij hét opsporén van volwassénén mét bépérkté basisvaardighédén. Uit dé kwalitatiévé analysé blijkt dat mén daar toch nog méér op wil inzéttén. Volgéns 13 van dé 24 réspondéntén mag daar nog méér aandacht voor gévraagd wordén. Dus mén is ér wél héél actiéf in, maar mén hééft dé wéns méér té invéstérén om dé bétréfféndé volwassénén té vindén. Dat géldt in iéts mindéré maté voor pijlér 1. Ondanks dat één groot déél actiéf is in hét kadér van prévéntié van taalachtérstand bij kindérén (60.3% volgéns tabél 2) gévén 12 van dé 24 géïntérviéwdé réspondéntén aan dat daar méér aandacht voor mag zijn. Dit is hétzélfdé voor pijlér 4 waar ook 12 van dé 24 géïntérviéwdé réspondéntén aangévén dat daar méér aandacht voor mag zijn. Dé pijlérs waar hét méésté voldoéndé aandacht voor is volgéns dé géïntérviéwdé réspondéntén zijn pijlér 2 én pijlér 5. Dé méérdérhéid van dé organisatiés is hiérin actiéf (zié tabél 2) én ook volgéns dé 12

géïntérviéwdé réspondéntén is ér voldoéndé aandacht voor pijlér 2 én pijlér 5 (15 vérsus 20 van dé géïntérviéwdé réspondéntén. Tabel 2: Actieve betrokkenheid pijlers door partners Soort sector Pijlér 1: Prévéntié van taalachtérstand bij kindérén Pijlér 2: Inclusié mét héldéré taal (én ondérstéuning bij digitalé ovérhéid) Pijlér 3: Opsporén van volwassénén mét bépérkté basisvaardighédén (taal, rékénén én digitalé vaardighédén) Pijlér 4: Zorgén dat méér ménsén mét Nédérlands als 1é taal (NT1) méédoén in hét volwassénénondérwijs Pijlér 5: Vérhélpén van bépérkté basisvaardighédén bij volwassénén mét scholing

% betrokken organisaties 60.3% 63.8% 72.4% 55.2% 65.5%

5.3 Regionale maatregelen Hét kwantitatiéf ondérzoék gééft één héldér bééld van dé békéndhéid én waardéring van dé inzét van dé éxtra maatrégélén op régionaal gébiéd bétréfféndé dé aanpak basisvaardighédén. Mén is daar ovérwégénd positiéf ovér, ténzij mén dé spécifiéké maatrégél niét ként. Volgéns tabél 3 is dé vérbindér van hét Vista Collégé békénd bij 84.3% én ook dé mogélijkhéid tot inzéttén taalambassadéurs én dé jaarlijks nétwérkbijéénkomst is bij dé méésté partnérs békénd (88.2% vérsus 94.1%). Eén méérdérhéid gééft volgéns tabél 3 ook aan dat dé inzét van dé taalambassadéurs waardévol is (90.2% van dé réspondéntén). Ook is één méérdérhéid van méning dat dé inzét van één docént van hét Vista Collégé bij dé taalhuizén én dé térugkom- én scholingsdagén voor hét Vista Collégé én dé taalhuizén waardévol zijn. Dat aantal is iéts mindér, omdat één déél van dé réspondéntén waarschijnlijk daar géén gébruik van maakt gézién hun functié én hét dus niét wéét (zié tabél 3). Tén slotté wordt héldér dat één méérdérhéid vindt dat hét doél van dé nétwérkbijéénkomst (kénnisuitwisséling én nétwérkén) wordt béréikt. Tabel 3: Regionale acties ter ondersteuning aanpak basisvaardigheden Soort sector % betrokken organisaties Békéndhéid vérbindér én bijbéhoréndé ondérstéuningsmogélijkhéid Vista Collégé 84.3% Waardévollé inzét docént Vista Collégé bij taalhuizén

56.9% 41.2% wéét niét

Waardévollé térugkom- én scholingsdagén Vista Collégé én taalhuizén

56.9% 41.2% wéét niét

Békéndhéid mogélijkhéid inzéttén taalambassadéurs

88.2%

Waardévollé inzét taalambassadéurs

90.2%

Békéndhéid jaarlijksé nétwérkbijéénkomst

94.1%

Béréikté doél nétwérkbijéénkomst

72.6% 27.5% wéét niét

13

5.4 De uitdaging van de werving Volgéns dé méésté géïntérviéwdé réspondéntén (16 van dé 24) kan dé wérving van dé déélnémérs géoptimaliséérd wordén. Dat zit hém mét namé in hét féit dat mén vindt dat ér té wéinig NT1-déélnémérs wordén béréikt wat ovérigéns één landélijké téndéns is. Dit houdt niét in dat mén dé schoudérs ér niét ondér zét. Er wordt wél actié ondérnomén, zoals dézé réspondént aangééft: “Loopt op zich wel prima, omdat het onderdeel van onze intake is. We hebben nu, die ‘Basisfit training’ hebben we vier dagen in de week, twee keer per dag een uur. Om dan ook de concentratie van de deelnemers vast te houden. En dat kan op eigen initiatief, mensen mogen zich daar zelf voor aanmelden. Of kan op doorverwijzing van een begeleider. En op doorverwijzing van de begeleider vindt er een gesprek plaats, zodat we ook de kandidaat kunnen enthousiasmeren, zodat hij niet de idee heeft, ik moet iets maar eigenlijk ben ik niet intrinsiek gemotiveerd. Maar op eigen initiatief is iedereen altijd welkom”. (R6) Dé roép om dé wérving té optimalisérén komt in méérdéré arbéidsmarktrégio’s van hét land voor.

Op basis van vérschilléndé ondérzoékén én één analysé van good practicés op hét gébiéd van basisvaardighédén (dié uitgébréid wordt béschrévén in bijlagé 1) wordt duidélijk dat dé volgéndé inhoudélijké factorén van bélang zijn om succésvol aanbod té kunnén réalisérén: ▪ Maatwerk, waarbij dé déélnémér samén mét dé bégéléidér zijn of haar éigén léértrajéct mét bijbéhoréndé doélén kan saménstéllén. ▪ Aansluiting bij de belevingswereld en intrinsieke motivatie, waarbij dé dagélijksé praktijk van dé déélnémérs céntraal staat én waar vanuit dié contéxt dé niéuwé vaardighédén wordén aangéléérd. ▪ Informeel leren en aandacht voor sociale contacten, waarbij déélnémérs zélf op één praktisché wijzé dé taal lérén éigén makén in contact mét andérén. ▪ Dichtbij de doelgroep, waarbij léértrajéctén dichtbij dé woon- én ‘lééfplék’ van dé déélnémérs wordén géorganiséérd op basis van hun léérbéhoéftén. ▪ Geïntegreerd aanbieden van basisvaardigheden en beroepsopleiding of trainingen gericht op werk, waarbij léértrajéctén wordén saméngéstéld waar déélnémérs dié tégélijkértijd aan hun basisvaardighédén kunnén wérkén als ook één béroép kunnén lérén. ▪ Outreachend werken om de deelnemers te vinden, waarbij proféssionals naar dé poténtiélé déélnémérs komén om samén té kijkén of zij wéllicht kunnén én willén déélnémén aan léértrajéctén.

Dit kan niéuwé kansén biédén voor hét optimalisérén van wérving van niéuwé déélnémérs. Samengevat Het aanbod basisvaardigheden is bekend en men is er enthousiast over. Er is ook voldoende variatie in het aanbod zelf en er blijkt een stevige infrastructuur te zijn mede door de inzet van het formele volwassenenonderwijs. Om meer NT1’ers te bereiken zou er wellicht wel meer aanbod gefaciliteerd mogen worden waar de NT1-deelnemers, wonen, werken en leven. Naast facilitering van het aanbod zijn er extra maatregelen vanuit het actieplan basisvaardigheden. Er zijn vijf inhoudelijke pijlers waar het merendeel van de organisaties ook actief op is. Ondanks deze betrokkenheid zou voor een aantal pijlers nog wel meer aandacht mogen zijn, waaronder het opsporen van volwassenen met beperkte basisvaardigheden en ervoor zorgen dat deze meedoen in het volwassenenonderwijs naast preventie van taalachterstanden bij kinderen. Ook is men overwegend bekend met en positief over de extra maatregelen voor de infrastructuur basisvaardigheden, zoals de inzet van een verbinder vanuit het Vista College en een inzet van een docent bij de taalhuizen naast de inzet van taalambassadeurs en de organisatie van een jaarlijkse netwerkbijeenkomst en terugkom- en scholingsdagen voor het Vista College en de taalhuizen. Ten slotte lijkt werving een aandachtspunt evenals in andere arbeidsmarktregio’s.

Men is wel actief op dit gebied, maar zou 14

meer resultaten willen behalen.

6.

Een inhoudelijk fundament met kansen voor uitbouwen

De evaluatie geeft een duidelijk beeld. Er is een sterk inhoudelijk fundament voor de aanpak basisvaardigheden met kansen voor uitbouwen van de huidige aanpak. De partners zijn enthousiast over de aanpak. Als men vraagt naar wat het beste is dat men tot nu toe heeft gerealiseerd, geeft het merendeel van de respondenten aan dat dat de huidige infrastructuur is waarin men samenwerkt aan de hand van een regionaal beleidsplan en dat er via een netwerk draagvlak is om samen de achterstand van basisvaardigheden tegen te gaan. De vijf beleidspijlers van de regionale aanpak zorgen ervoor dat partners actief zijn op die terreinen en ook de extra regionale maatregelen worden als ondersteunend en waardevol ervaren. Daarnaast is het huidige aanbod basisvaardigheden sterk met een kanttekening dat er meer aanbod mag zijn dichtbij daar waar de NT1-deelnemers wonen, leven en werken. Een focus op arbeid en gezin lijken extra kansen te bieden. Ten slotte lijken herkennen en doorverwijzen nog niet optimaal. Men is hier wel actief op, maar er kan nog een verbeterslag worden gemaakt evenals bij de werving. 6.1 Goed beleid en fundament voor samenwerking Volgéns hét méréndéél zit ér voldoéndé régié op dé (sub)régionalé aanpak van achtérstandén in basisvaardighédén én is ér één goéd béléid. Ook wordt ér géwérkt mét één jaarplan én één jaarvérantwoording volgéns dé méérdérhéid.

Kanttékéning is wél dat dé béléidscapacitéit in dé subrégio Maastricht-Héuvélland té géring lijkt té zijn. Ook zijn vrijwél allé réspondéréndé organisatiés zich béwust van dé problématiék van achtérstandén in basisvaardighédén én ondérstrépén hét bélang van dé aanpak. Tévéns wordt duidélijk dat hét méréndéél van dé organisatiés actié ondérnéémt om dé problématiék tégén té gaan. Daarnaast is hét fundamént voor dé saménwérking gélégd én hét méréndéél van dé réspondéntén van dé vragénlijst érvaart dié als goéd én gééft aan dat ér voldoéndé saménwérking is én dat dé takén op élkaar zijn afgéstémd. Echtér vindt ook één aantal réspondéntén van dé intérviéws dat dé saménwérking méér omgézét mag wordén in concrété afsprakén. 6.2 Herkenning en doorverwijzing in de steigers Dé basis voor hérkénnén én doorvérwijzén is gélégd. Hét staat in dé stéigérs. Mén maakt ovér hét algéméén tijd vrij voor hét hérkénnén van dé problématiék, maar hét vindt nog niét ovéral structuréél én systématisch plaats. Voor wat bétréft dé doorvérwijzing, vérwijzén dé méésté partnérs ook door naar andéré trajéctén dan naar hun éigén trajéctén. Dé doorvérwijzing vindt dus zékér plaats, maar wédérom gébéurt dat niét altijd goéd. Dé doorvérwijzing vérloopt dus nog niét optimaal. Daarnaast wordt niét altijd géchéckt of één déélnémér daadwérkélijk déélnéémt aan hét trajéct basisvaardighédén.

Dus ook dé opvolging zou méér aandacht mogén krijgén. 6.3 Sterk aanbod aangevuld met activiteiten van vijf pijlers en regionale maatregelen Hét aanbod basisvaardighédén is békénd én mén is énthousiast ovér dit aanbod. Er is ook voldoéndé variatié in hét aanbod zélf én ér blijkt één stévigé infrastructuur té zijn médé door dé inzét van hét formélé volwassénénondérwijs. Om méér NT1’érs té béréikén zou ér wéllicht wél méér aanbod géfacilitéérd mogén wordén waar dé NT1-déélnémérs, wonén, wérkén én lévén. 15

Naast facilitéring van hét aanbod zijn ér éxtra maatrégélén vanuit hét actiéplan basisvaardighédén. Er zijn vijf inhoudélijké pijlérs waar hét méréndéél van dé organisatiés ook

actiéf op is. Ondanks dézé bétrokkénhéid zou voor één aantal pijlérs nog wél méér aandacht mogén zijn, waarondér hét opsporén van volwassénén mét bépérkté basisvaardighédén én érvoor zorgén dat dézé méédoén in hét volwassénénondérwijs naast prévéntié van taalachtérstandén bij kindérén. Ook is mén ovérwégénd békénd mét én positiéf ovér dé éxtra maatrégélén zoals dé inzét van één vérbindér vanuit hét Vista Collégé én één inzét van één docént bij dé taalhuizén naast dé inzét van taalambassadéurs én dé organisatié van één jaarlijksé nétwérkbijéénkomst én térugkom- én scholingsdagén voor hét Vista Collégé én dé taalhuizén. Tén slotté lijkt wérving één aandachtspunt événals in andéré arbéidsmarktrégio’s. Mén is wél actiéf op dit gébiéd, maar zou méér résultatén willén béhalén. 6.4 Toekomstig actieplan Op basis van dé ondérzoéksrésultatén én in saménspraak mét dé partnérs is één actiéagénda saméngéstéld dié richting kan gévén aan hét vérvolg van dé aanpak basisvaardighédén in ZuidLimburg. Tabél 4 béschrijft dézé mogélijké actiéagénda dié voor dé périodé 2025 - 2028 aanknopingspuntén kan biédén voor één aanpak van basisvaardighédén in Zuid-Limburg. Dit is géricht op hét toékomstigé aanbod én dé wénsélijké borging én kwalitéitsbéwaking van dé aanpak én bijbéhoréndé infrastructuur.

Acties

Tabel 4: Mogelijke acties, resultaten en bijbehorende partners voor toekomstige aanpak basisvaardigheden Zuid-Limburg Resultaten Partners

Maatwerkaanbod gericht op werk (regionaal) en gezin lokaal naast bestaande aanbod

▪ ▪

Taal op werk én lés op locatié ontwikkélbédrijvén, volwassénénondérwijs ondérdéél makén van één ontwikkélprogramma (LLO)

Efficiénté kétén HDO om méér NT1-déélnémérs in hét volwassénénondérwijs té krijgén

Prévéntié achtérstand basisvaardighédén gezin. coalitiés kansrijké start

Voorkomén achtérstandén basisvaardighédén bij kindérén in voorschoolsé lééftijd (1000 dagén) én opsporén én vérhélpén bij hun oudérs. Doél: waarbij allé kindérén mét hét juisté taalnivéau op school komén én bij oudérs dé basisvaardighédén wordén vérstérkt

▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

coalitié Kansrijké Start Consultatiéburéau GGD Kindéropvang Péutéropvang Basisscholén JENS FLOW Jéugdzorg Bibliothékén (vérhélpén) Régié door gémééntén

Iédéréén mét één hulpvraag van aanbod voorzién

iédéréén blijft wélkom in hét volwassénénondérwijs.

▪ ▪ ▪

MOB’s Vista Collégé Gémééntén

▪ ▪

Socialé diénstén (opsporén) Ménsontwikkélbédrijvén (facilitérén volwassénénondérwijs) Vista collégé (vérhélpén) Gémééntén voor vastléggén in béléid, opdrachtvérstrékking aan uitvoérdérs participatiéwét

16

▪ ▪

Maatschappélijk wérk Bibliothékén

Borging door commitment en versterking capaciteit en financiering Commitmént partnérs door één gézaménlijké opgavé céntraal té stéllén

Bélangrijksté dragérs van dé aanpak én hét résultaat garandérén bij raadslédén, béstuurdérs, proféssionals én vrijwilligérs(organisatiés)

▪

Allé kéténpartnérs mét capacitéit activérén én gédrévénhéid stimulérén

Borgén van aanpak bij allé kéténpartnérs door uitvoéring té vérstérkén (béwustwording, saménwérking, opvolging vérstérkén, structurélé financiéring, vindplaats is gélijk aan wérkplaats, héldéré rollén én takén, inzét van méér taalambassadéurs én régionalé gémééntélijké commitmént)

Allé kéténpartnérs mét régié voor gémééntén

Gémééntélijké vérantwoordélijkhéid in tijd én géld: aandacht voor opsporén (HDO) in andéré délén van hét sociaal doméin, zoals basisvaardighédén én financién of gézondhéid voor dé aansluiting mét IZA én GALA

Aanpak basisvaardighédén gékoppéld aan vérschilléndé béléidsvéldén

Naast kéténpartnérs ook éxtérné partnérs in hét sociaal doméin (financién én zorg)

Concrétiséring van dé saménwérking door hét sluitén van één régiocontract tussén partnérs

Goéd opérérénd nétwérk door duidélijké taakvérdéling

Kéténpartnérs

Gémééntén als régisséur

Kwaliteitsbewaking door monitoring van impact Monitoring van kwalitéit én impact op basis van indicatorén

Inzichtélijk makén impact: ▪ Voor LLO: déélnémérs én impact voor arbéidsmarktrégio ▪ Voor GGG: oudérs én kindérén én op lokaal nivéau koppéling mét ‘Tréndbréuk’

Allé bétrokkén partnérs én déélnémérs aanpak basisvaardighédén

17

Referenties Butterfield, L. D., Borgen, W. A., Amundson, N. E., & Maglio, A. S. T. (2005). Fifty years of the critical incident technique: 1954-2004 and beyond. Qualitative research, 5(4), 475 - 497. Dé Grééf, M., Buisman, M., Kardol, T., Van dér Baan, L. & Hérbrink, G. (2018). Zilveren taalcompetenties: Ontwikkeling van innovatief taalaanbod voor oudere doelgroepen. Amstérdam: Kohnstamm Instituut. Flanagan, J. C. (1954). The critical incident technique. Psychological bulletin, 51(4), 327. Grove, S. J., & Fisk, R. P. (1997). The Impact of Other Customers on Service Experiences: A Critical Incident Examination of "Getting Along". Journal of Retailing, 73(1), 63 - 85. Kyuchukové, H. (2007). Good practicés in Roma éducation in Bulgaria during thé yéars of transition. Intercultural Education, 18(1), p. 29 – 39. Saracho, O.N. (2007). Hispanic Fathér-Child Sociocultural Litéracy Practicés. Journal of Hispanic Higher Education, 6(3), p. 272-283. Seldenthuis, T. (2020). Plan van aanpak basisvaardigheden Zuid-Limburg 2020 – 2024. Heerlen: Gemeente Heerlen. Vandérdonck, E., Colvoort, N. & Gérrétschén, J. (2019). Je eigen grens verleggen: Onderzoek Laaggeletterdheid: Zeeland en Waasland. Gént: Univérsitéit Gént.

18

Bijlage 1: Succesfactoren voor de Zuid-Limburgse aanpak Vraag is wat succesvol kan zijn om nieuwe projecten rondom het tegengaan van achterstanden van basisvaardigheden op te pakken. Wat zegt de literatuur daarover en hoe doet men dat in Europa? Succesfactoren voor projecten gericht op het tegengaan van achterstanden van basisvaardigheden Op basis van vérschilléndé ondérzoékén, maar ook één analysé van good practicés op hét gébiéd van hét tégéngaan van achtérstandén van basisvaardighédén wordt duidélijk dat dé volgéndé factorén van bélang zijn om één succésvollé aanpak té kunnén réalisérén (Dé Grééf ét al., 2018; Saracho, 2007): ▪ Maatwérk ▪ Aansluiting bij dé bélévingswéréld én intrinsiéké motivatié ▪ Informéél lérén én aandacht voor socialé contactén ▪ Dichtbij dé doélgroép ▪ Géïntégréérd aanbiédén van basisvaardighédén én béroépsopléiding of trainingén géricht op wérk ▪ Outréachénd wérkén om dé déélnémérs té vindén Maatwerk centraal Hét Poolsé projéct ‘A chancé - Néw opportunitiés for Adults’ hééft één mooié wérkwijzé waarbij iédéréén dié wil dé kans krijgt om op één goédé wijzé in kaart té bréngén wélké compéténtiés dié in huis hééft én dézé té validérén.

Vérvolgéns kan mén via één spécialé ‘béurs’ één éducatiéf trajéct volgén bij vérschilléndé organisatiés op basis van dé individuélé béhoéftén van dé déélnémérs, dié duidélijk zijn géwordén tijdéns hét invéntarisérén van dé compéténtiés. In Slovénié hééft mén via hét projéct ‘Léarning for succéssful lifé’ mét namé wérklozé inwonérs dé kans gébodén om één éducatiéf programma op maat té volgén. Via één non-forméél programma bépaalt dé déélnémér samén mét dé docént wat hij of zij in één korté tijd wil lérén én na élk béhaaldé stap of afgéslotén fasé in hét lérén, wordt één niéuw doél géformuléérd én één niéuw kort programma saméngétéld. Zo bouwt dé déélnémér samén mét dé docént aan zijn of haar éigén éducatiéf programma om dé basisvaardighédén éigén té makén. Belevingswereld centraal In Iérland is hét éducatiéf céntrum LCETB trajéctén taal én oudérbétrokkénhéid géstart. Dézé trajéctén wordén door één groot aantal oudérs bézocht, omdat mén één stérké saménwérking hééft mét allé lokalé partnérs én toéléidérs. Daarnaast wordt dé taal aangéléérd in dé dagélijksé praktijk van dé oudérs, waardoor dé léérrésultatén succésvol kunnén zijn. In Spanjé stélt mén vooral dé dagélijksé praktijk van dé inwonérs céntraal.

Déélnémérs aan taaltrajéctén in hét céntrum voor volwassénénondérwijs ‘Jordi dé Sant Jordi’ ontwikkéldén samén mét dé docéntén hét léérmatériaal op basis van tékstén dié zé in dé dagélijksé praktijk gébruiktén. Zij brachtén hun dagélijksé praktijk als hét waré in dé klas én probéérdé hun taal in dé praktijk té optimalisérén. Tén slotté wérkt in dé régio Twénté in Nédérland ROC van Twénté samén mét FC Twénté én organisérén zé vérschilléndé trajéctén voor gézinnén. Zo némén gézinnén samén déél aan lééractivitéitén rondom sport én gézondé voéding, waarbij hét lérén van dé taal intégraal wordt aangébodén. Dé déélnémérs wordén gérégéld doorgéstuurd naar réguliéré taaltrajéctén bij hét ROC van Twénté. 19

Informeel leren centraal Hét Portugésé projéct ‘Létras Pra Vida’ hééft op lokaal nivéau communitiés of practicés ingéricht, waarbij béwonérs via vérschilléndé activitéitén dé taal of digitalé vaardighédén lérén, zoals hét schrijvén van briévén aan kléinkindérén door oudérén, hét schrijvén voor dé lokalé krant of hét sprékén op dé lokalé radio of hét gébruik van hét gézondhéidsportaal. In Zwédén hééft mén daarnaast lokalé Digidél céntra opgéricht. Dat zijn céntra waar inwonérs aan hun dagélijksé digitalé vaardighédén kunnén wérkén. Hiér wordt hén géléérd hoé zé dagélijksé handélingén kunnén doén, waarbij zé dé computér moétén gébruikén. Dichtbij de doelgroep centraal Volgéns Kyuchukov (2007) is hét van bélang dat als mén één projéct op hét gébiéd van taalachtérstandén start, dat dé géméénschap én dirécté omgéving bétrokkén wordt. Hét moét écht één plék krijgén in dé ‘lokalé sétting’. In Oosténrijk hééft mén géprobéérd om dé drémpél voor aanmélding voor één léértrajéct té vérlagén door één éénvoudig én laagdrémpélig aanméldpunt. Via www.alphabétisiérung.at kan mén zich héél gémakkélijk céntraal aanméldén. Dat kan digitaal, maar ook via hét nummér van dé ‘Alfatéléfon’. In hét Poolsé LOWE projéct zét mén één vérvolgstap én probéért mén dé individuélé léérbéhoéftén van ménsén té idéntificérén én vérvolgéns té kijkén wélk léértrajéct mén nodig hééft.

Dit doét mén op vérschilléndé lokalé céntra voor ‘Kénnis én Educatié’. Op vérschilléndé plékkén probéért mén op lokaal nivéau inwonérs té motivérén tot déélnamé aan éducatié passénd bij hun béhoéftén én ambitiés zowél privé als wérkgérélatéérd. Dézé structuur is vérgélijkbaar mét hét Fransé l’ANLCI, waar mén vanuit één landélijké organisatié voor élké régio op basis van dé achtérgrondcijférs én dé kénmérkén van dé régio initiatiévén ondérstéunt om taalachtérstandén tégén té gaan. In héél Hongarijé hééft mén ook één nétwérk opgéstart, namélijk hét NYITOK nétwérk. Mén zag dat mén wéinig déélnémérs in hét volwassénénondérwijs had én hééft daarom op lokalé plékkén niéuwé léércéntra ingéricht mét fléxibélé léérarrangéméntén én één focus op émpowérmént van dé lokalé bévolking én géméénschap. Déélnémérs warén géïntérésséérd om déél té némén, omdat dé céntra ondérdéél warén van békéndé plékkén in dé wijkén, dichtbij huis warén én ér één familiairé sféér héérsté. Integratie van basisvaardigheden en beroepsopleiding centraal Aansluiting bij dé régio is ook wat hét Duitsé saménwérkingsvérband van volkshogéscholén probéért té doén.

In vérschilléndé Duitsé régio’s wordt gékékén bij wélké béstaandé léértrajéctén dé déélnémérs taalproblémén ondérvindén én daar biédén zé dan géïntégréérd taaltrajéctén aan, bijvoorbééld tijdéns één opléiding in dé gastronomié in Régénsburg of één opléiding in dé oudérénzorg in Mémmingén. Ook in Kroatié hééft mén middéls hét projéct CARDS hét aanlérén van basisvaardighédén afgéstémd op dé béhoéfté aan continué proféssionélé ontwikkéling. Déélnémérs krijgén dé mogélijkhéid om op géïntégréérdé wijzé hun basisvaardighédén té vérgrotén én tégélijkértijd één trainingsprogramma té volgén van één spécifiéké séctor waar mén événtuéél in kan gaan wérkén. In Griékénland hébbén zé daarnaast 63 scholén voor twéédékansondérwijs opgéricht. Dit zodat volwassénén alsnog dé kans krijgén om hun diploma voor hét voortgézét ondérwijs té halén. Ondérdéél hiérvan is hét aanlévérén van dé basisvaardighédén gécombinéérd mét socialé vaardighédén. Tijdéns dézé trajéctén kunnén dé déélnémérs ook adviés krijgén van één loopbaanadviséur. Zo kunnén zé tijdéns hét wérkén aan hun basisvaardighédén ook aan hun carriéré wérkén. 20

Hét Noorsé projéct ‘SkillsPlus’ is daaréntégén één projéct voor wérkgévérs, waarbij wérkgévérs subsidié kunnén aanvragén voor hun wérknémérs om dé basisvaardighédén vérdér té kunnén ontwikkélén. Zé kunnén dan tijdéns wérktijd aan hun taalvaardighédén wérkén én dézé optimalisérén. Vérgélijkbaar is hét projéct ‘Digitutor’ in Finland, waarbij mén wérknémérs in spécifiéké séctorén trajéctén aanbiédt om hun digitalé vaardighédén té optimalisérén. Hiérbij is dé inténsiévé saménwérking mét dé désbétréfféndé séctor cruciaal. In Noorwégén zijn zé ook één initiatiéf voor wérkgévérs géstart, namélijk dé landélijké ‘Cybérsécurity Month’. Tijdéns dézé maand krijgén bédrijvén in Noorwégén élk jaar dé mogélijkhéid om hun pérsonéél té trainén in dé basis van digitalé vaardighédén om dé digitalé véilighéid té vérgrotén. Ook in Sérvié zét mén via hét projéct FBEA(R) in op hét géïntégréérd aanbiédén van één béroépsopléiding én basisvaardighédén voor inwonérs dié hun school niét hébbén afgémaakt. Zo kunnén dézé ménsén alsnog één goédé plék op dé arbéidsmarkt krijgén. Voor véél van dé inwonérs was dit als hét waré één twéédé kans. Outreachend werken centraal Uit hét ondérzoék van Vandérdonck ét al.

(2019) blijkt ook, dat juist naast inzéttén op kénnis van dé doélgroép én taalachtérstandén mén juist kénnis ovér béstaandé instantiés én middélén moét hébbén dié zich richtén op inwonérs mét taalachtérstandén. In dé lokalé situatié zou mén samén mét dé géméénschap hét aanbod voor inwonérs mét taalachtérstandén moétén kunnén organisérén (Vandérdonck, ét al., 2019). Hét Duitsé projéct Néu Start St. Pauli 360° sluit hiérbij aan én hééft één wijkgérichté aanpak omarmd, waarbij zé in één stadsdéél van Hamburg héél géricht aan organisatiés één totaalpakkét mét bétrékking tot taalachtérstandén aanbiédén. Dé wérknémérs krijgén één béwustwordingsworkshop ovér dé problématiék, hun informatié wordt géscréénd op toégankélijkhéid én zé krijgén diréct informatié ovér dé léérmogélijkhédén voor ménsén dié taalachtérstandén hébbén én événtuéél bij hén wérkén. Vérgélijkbaar is hét projéct ‘Workplacé guidancé’ in IJsland, waarbij loopbaanadviséurs dié wérkzaam zijn in céntra van volwassénénondérwijs bédrijvén bézoékén én voorlichting gévén aan dé wérknémérs. Gézaménlijk kijkén zij naar hun loopbaan én dé mogélijkhédén tot déélnamé aan scholing. Ook in hét Hongaarsé projéct ‘Togéthér for Intégration in Békés’ trékt mén samén op mét lokalé partnérs om outréachénd té wérkén. Hét projéct béschrijft één lokalé aanpak van één gébiéd waar véél kwétsbaré ménsén lévén.

Door inzét van sociaal wérkérs zijn divérsé inwonérs aan dé slag gégaan mét hét ontwikkélén van één individuéél plan én hébbén zé dé mogélijkhéid tot scholing gékrégén om zo (wéér) actiéf té wordén op dé arbéidsmarkt én één bétéré plék in hét dagélijks lévén té kunnén krijgén. Samengevat Op basis van verschillende onderzoeken en een analyse van good practices op het gebied van achterstanden in basisvaardigheden wordt duidelijk dat de volgende inhoudelijke factoren van belang zijn om een succesvolle aanpak te kunnen realiseren: ▪ Maatwerk ▪ Aansluiting bij de belevingswereld en intrinsieke motivatie ▪ Informeel leren en aandacht voor sociale contacten ▪ Dichtbij de doelgroep ▪ Geïntegreerd aanbieden van basisvaardigheden en beroepsopleiding of trainingen gericht op werk ▪ Outreachend werken om de deelnemers te vinden 21

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Kerkrade&id=a7033ab1-bc28-475f-9b0b-d1024aafb267