beantwoording vragen fractie SP bij de jaarrekening 2025
Tekst van het document
Vragen fractie SP Rekeningresultaat daalt met 80% In 2024 bedroeg het rekeningresultaat € 6,4 miljoen positief. In 2025 resteert slechts € 1,246 miljoen. Zie jaarrekening 2024 pagina 11 en jaarrekening 2025 pagina 11. Vraag 1: Kan het college verklaren waarom het rekeningresultaat in één jaar tijd met ruim € 5 miljoen is afgenomen? Antwoord: In 2024 was een grote meevaller de vaste normbedragen voor opvang Oekraïne van bijna € 2,3 mln. Deze hadden we in 2025 niet. Sociaal domein (wmo, jeugd, participatie) 2024 gaf in totaal voordelen van circa € 3,4 mln, in 2025 was dit circa 2,6 mln, oftewel circa 0,8 mln minder. In 2024 gaf de decembercirculaire een meevaller van bijna € 0,8 mln, in 2025 was eindejaar nog een tegenvaller van bijna € 0,5 mln, oftewel een verschil van € 1,3 mln. In 2025 moest de voorziening wethouderspensioenen met ruim € 2,2 miljoen worden versterkt, in 2024 was dit met € 0,6 miljoen beduidend minder. Daar staat tegenover dat we in 2024 de meevaller van € 1,1 bijdrage realisatiestimulans niet hadden. De tegenvallers aan de personele kant (inclusief vergoeding raadsleden) en de meevaller op de leges omgevingsvergunningen houden elkaar in 2025 grotendeels in evenwicht, in 2024 was dit niet (in die mate) aan de orde.
Vraag 2: Welke structurele oorzaken liggen ten grondslag aan deze verslechtering? Antwoord: Dit betreft dan toch met name de neerwaartse aanpassingen door het Rijk van de vergoedingen voor opvang Oekraïne vanaf 2025. Zonder deze incidentele meevaller in 2024 en zonder de incidentele tegenvaller wethouderspensioenen 2025 zouden de resultaten van beide jaren al veel dichter bij elkaar liggen (€ 3.478 in 2025 resp. € 4.153 in 2024). Het jaar 2025 sluit nog steeds positief af. Vraag 3: Acht het college deze ontwikkeling incidenteel of structureel? Antwoord: Zie het antwoord op vraag 2. Meerjarig blijkt uit de in november 2025 vastgestelde Begroting 2026 wel een financiële uitdaging met het oog op het zgn. Ravijnjaar, zoals bij de raad bekend. In de Begroting 2027 komen weer de actuele ontwikkelingen en hun financiële effecten aan de orde. Incidentele baten versus structurele financiële positie Op pagina 11 van de jaarrekening 2025 worden onder meer de volgende voordelen genoemd: Realisatiestimulans woningbouw € 1.099.000; Leges omgevingsvergunningen € 1.071.000; Jeugd € 1.032.000. Vraag 4: Kan het college aangeven welk deel van het rekeningresultaat van € 1,246 miljoen bestaat uit incidentele baten? Antwoord: Voor het antwoord op deze vraag verwijzen wij u graag naar pagina 181/182”, onderdeel Overzicht structurele/incidentele lasten en baten.
Vraag 5: Wat zou het rekeningresultaat zijn geweest indien de woningbouwsubsidie en de extra legesopbrengsten buiten beschouwing worden gelaten? Antwoord: Indien voordelen weggelaten zouden worden, dan zou het resultaat met deze bedragen afnemen. Omgekeerd werkt dit hetzelfde. Indien we willekeurige nadelen weglaten stijgt het resultaat navenant. Vraag 6: Kan het college inzichtelijk maken wat het structurele exploitatieresultaat over 2025 bedraagt? Antwoord: Voor het antwoord op deze vraag verwijzen wij u graag naar pagina 181”, onderdeel Overzicht structurele/incidentele lasten en baten. Vraag 7: Erkent het college dat zonder diverse incidentele voordelen het resultaat aanzienlijk lager zou zijn uitgevallen? Antwoord: Zie antwoord op vraag 5
1
Weerstandsvermogen en financiële weerbaarheid Volgens Deloitte stijgt de beschikbare weerstandscapaciteit van € 11,7 miljoen naar € 16,5 miljoen en bedraagt de ratio weerstandsvermogen 1,8. Vraag 8: Welke concrete mutaties verklaren de stijging van de weerstandscapaciteit met bijna € 5 miljoen? Antwoord: De stijging wordt voornamelijk veroorzaakt door de toename van het vrije deel van de reserve exploitatie (+4,2M t.o.v. 2024) Vraag 9: Hoeveel van deze weerstandscapaciteit is direct beschikbaar voor het opvangen van tegenvallers? Antwoord: In beginsel is het totaal van de weerstandscapaciteit beschikbaar voor het opvangen van onverwachte tegenvallers. Aanwending daarvan betekent echter ook weer dat deze capaciteit weer, al dan niet geleidelijk, opgebouwd moet worden. Vraag 10: Welke risico's zijn meegenomen in de berekening van de ratio weerstandsvermogen van 1,8? Antwoord: Voor een overzicht van de risico’s waarmee gerekend is verwijzen wij u graag naar pagina 104 uit de jaarrekening 2025. Vraag 11: Heeft het college scenario's doorgerekend voor de financiële gevolgen van de ravijnjaren vanaf 2027? Antwoord: De ratio in de jaarrekening betreft 2025. De doorkijk naar 2027 en verder komt aan bod in de begroting 2027.
Vraag 12: Wat gebeurt er met de ratio weerstandsvermogen indien de gemeentelijke inkomsten uit het gemeentefonds verder onder druk komen te staan? Antwoord: De ratio weerstandsvermogen zou kunnen dalen, maar dat is lastig te zeggen op basis van één specifieke variabele met een onbekend bedrag. In de a.s. begroting 2027 zullen de cijfers weer worden geactualiseerd op basis van de dan bekende gegevens (waaronder het gemeentefonds). Pensioenvoorziening wethouders In 2025 wordt een storting van € 2,314 miljoen in de voorziening pensioenverplichtingen verantwoord. Daarnaast wordt een extra last van € 2,232 miljoen genoemd. Vraag 13: Waarom moest de voorziening wethouderpensioenen in 2025 met meer dan € 4,5 miljoen worden verhoogd? Antwoord: Het is niet correct om de twee bedragen op te tellen. De toename van de voorziening in totaliteit bedraagt € 2.314.000. Hiervan is € 82.000 regulier (inhouding pensioenpremie via de salarisadministratie). Zoals op pagina 11 staat, is aanvullend € 2.232.000 verplicht gestort. De Commissie BBV schrijft voor dat gemeenten een voorziening wethouderspensioenen moeten vormen, omdat wethouderspensioenen op grond van de Appa (Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers) door de gemeente zelf worden gedragen. Het gaat dus om een verplichting die in de toekomst tot uitbetaling komt. De voorziening moet jaarlijks actuarieel worden aangepast.
De gemeente moet al in de jaarrekening 2025 extra aan de voorziening toevoegen, omdat de overgang naar het ABP per 1 januari 2028 volgens het BBV wordt gezien als een nieuwe, harde verplichting die nu al voldoende zeker en betrouwbaar te ramen is. Vraag 14: Welke invloed heeft de Wet toekomst pensioenen op deze verhoging? Antwoord: De Wet toekomst pensioenen (Wtp) zorgt ervoor dat het Nederlandse pensioenstelsel overstapt naar een nieuwe manier van pensioen opbouwen en uitkeren. Voor ABP en gemeenten betekent dit vooral: • Pensioenfondsen stappen uiterlijk per 1 januari 2028 over op een nieuwe premieregeling waarin pensioenen meer meebewegen met de economie. •
Bestaande pensioenrechten worden ingevaren in het nieuwe systeem.
• De rekenregels veranderen: door een lagere rente, hogere levensverwachting, en een strengere waardering worden de pensioenverplichtingen hoger.
2
•
Voor gemeenten leidt dit tot een forse stijging van de voorziening wethouderspensioenen.
Vraag 15: Hoeveel bedraagt de totale voorziening wethouderpensioenen ultimo 2025? Antwoord: De totale voorziening wethouderspensioenen bedraagt ultimo 2025 € 5.572.000. Vraag 16: Welke financiële gevolgen heeft deze aanpassing voor toekomstige begrotingen? Antwoord: Twee perioden moeten worden onderscheiden: de periode tot 1 januari 2028 en de periode vanaf 1 januari 2028. Vanaf 1 januari 2028 zijn gemeenten geen eigen pensioenfonds meer. Vanaf dat moment is het ABP pensioenfonds voor de wethouderspensioenen. De eerste periode komt overeen met de huidige situatie. De gemeente houdt een voorziening aan. Deze wordt jaarlijks gevuld met de pensioenpremies die op de wedde van de wethouders wordt ingehouden en deze wordt daarnaast jaarlijks actuarieel verhoogd of verlaagd. De ingegane pensioenen worden ten laste van de gemeente door uitvoerder Visma/Idella aan de gepensioneerde wethouders of diens nabestaanden of gewezen partners uitbetaald. In de tweede periode worden de pensioenuitkeringen door het ABP betaald en niet meer door de gemeente. De pensioenpremie wordt ingehouden op de wedde van de wethouders en afgedragen aan het ABP. De voorziening gaat helemaal weg. Een bedrag ter hoogte van de voorziening wordt door de gemeente aan het ABP betaald ter financiering van alle op dat moment bestaande pensioenverplichtingen.
De gemeente wordt vanwege deze eenmalige overboeking geconfronteerd met kapitaallasten (rentelasten). Vraag 17: Hoe verhoudt Kerkrade zich op dit punt tot vergelijkbare gemeenten? Antwoord: De gemeente Kerkrade beschikt niet over de cijfers van andere gemeenten. Wel is bekend dat alle gemeenten in Nederland geconfronteerd zijn met de verplichte overgang naar het ABP per 1 januari 2028 en met de voorschriften van de Commissie BBV. Personeelslasten en overhead Op pagina 11 worden diverse tegenvallers genoemd: overwerk en bereikbaarheidsdiensten € 347.000; overige personeelskosten € 416.000; formatie-uitbreidingen € 148.000; P-budget/inhuur/opleiding € 294.000. Vraag 18: Hoeveel fte is de gemeentelijke organisatie gegroeid sinds 2022? Antwoord: De gemeentelijke organisatie is in de periode 1 januari 2022 tot en met 1 juni 2026 gegroeid van 397 Fte naar 506 Fte. Vraag 19: Wat waren de totale kosten van externe inhuur in 2025? Antwoord: De totale kosten van externe inhuur in 2025 bedroegen € 5.365.000. Vraag 20: Waarom blijken de personeelsbudgetten opnieuw ontoereikend? Antwoord: De overschrijding van € 294.000 heeft verschillende oorzaken. In hoofdlijnen geldt het volgende. De inrichting van het sinds 2024 in gebruik genomen personeelsinformatie-systeem van AFAS en de inrichting van geautomatiseerde werkprocessen en van dashboards vereist extra inhuur van specialisten.
Sinds de invoering van de WNRA in 2020 zijn gemeentelijke werkgevers aangewezen op de inschakeling van een arbeidsrechtadvocaat bij het voeren van arbeidsrechtelijke procedures. Ook in 2025 is de noodzaak mede vanwege een langslepende kwestie hoog geweest. De kosten voor de arbodienst en bedrijfsarts zijn in de afgelopen jaren behoorlijk gestegen als gevolg van loonstijgingen. Noodzakelijke opleidingskosten en reis- en verblijfkosten zijn hoger geweest dan begroot. Zie ook de toelichting bij de ‘Afwijkingen rekening 2025 – begroting na wijziging 2025’ in de jaarrekening.
3
Vraag 21: Welke maatregelen neemt het college om verdere groei van overheadkosten te beperken? Antwoord: In het algemeen geldt dat college, directie en leidinggevenden actief sturen op nut en noodzaak van uitgaven. Waar mogelijk worden opdrachten en diensten aanbesteed. Voor P&O specifiek geldt dat de ontwikkeling van formatie en loonsom voortdurend aandacht heeft van college, management en P&O. De positieve effecten van technologische ontwikkelingen op formatie omvang en formatie samenstelling worden actief onderzocht en waar mogelijk benut. Bij het verlenen van opdrachten wordt scherp op de prijs-kwaliteitverhouding onderhandeld en aanbesteed. Zo is bijvoorbeeld recent de arbodienstverlening Europees aanbesteed; dit proces loopt op dit moment nog. Externe expertise wordt alleen ingeschakeld als dat strikt noodzakelijk is. WMO en sociaal domein Op pagina 11 wordt een nadeel van € 575.000 genoemd voor begeleiding en dagbesteding binnen de WMO. Vraag 22: Is deze overschrijding incidenteel of structureel? Antwoord: Deze overschrijding moet in een bredere context gezien worden. De Wmo als geheel staat financieel onder druk. Een aanzienlijk deel van de toekomstige tekorten wordt inderdaad veroorzaakt door een toename in de kosten voor begeleiding en dagbesteding, met name als gevolg van verplichte indexeringen.
Er kan gesteld worden dat het tekort op de begeleiding en dagbesteding en daarmee het tekort op de Wmo als geheel structureel is. Vraag 23: Welke ontwikkeling ziet het college in de vraag naar Wmo-voorzieningen in de komende jaren? Antwoord: Over het algemeen is de landelijke tendens dat het aantal mensen dat aanspraak doet op de Wmo, o.a. als gevolg van vergrijzing en de hervorming van de langdurige zorg, blijft stijgen. Echter, vanwege een succesvolle transformatie van het zorglandschap (nieuwe werkwijze HbH), gaat Gemeente Kerkrade uit van een stabiel blijvend (dus niet stijgend) klantenbestand en daarmee een stabiel blijvende vraag naar voorzieningen. De HbH draagt immers voor circa 50% bij aan het totale klantenbestand en daarmee ook aan de totale begroting binnen de Wmo en is daarmee essentieel voor de ontwikkeling van de Wmo als geheel. Op verdere transformatie van het zorglandschap binnen andere Wmo-onderdelen, zoals Begeleiding/Dagbesteding, wordt ingezet. Vraag 24: Welke financiële risico's ziet het college binnen het sociaal domein voor de periode 2026-2028? Antwoord: Voor de periode 2026-2028 ziet het college binnen het sociaal domein enkele financiële risico's, die grotendeels voortkomen uit landelijke ontwikkelingen waarop de gemeente slechts beperkt invloed heeft.
Het eerste risico betreft de algemene kostenontwikkelingen en indexeringen die de uitgaven onder druk zetten. Binnen de jeugdhulp wordt dit bijvoorbeeld versterkt door een toenemende vraag naar complexe zorg, personeelstekorten en stelselwijzigingen. Het tweede risico is de afhankelijkheid van rijksmiddelen die van jaar tot jaar kunnen schommelen of teruglopen, zoals de hoogte van specifieke uitkeringen, onderdelen van de algemene uitkering en het bijstandsbudget. Het derde risico betreft de lopende transformatieopgaven binnen jeugdhulp en Wmo, onder meer de aanstaande regionale aanbesteding van de jeugdhulp met verblijf per 2028 en de beoogde transformatie van het zorglandschap Begeleiding/Dagbesteding binnen de Wmo. Vraag 25: Zijn deze risico's volledig verwerkt in de meerjarenraming? Antwoord: De meerjarenraming verwerkt deze risico's voor zover ze op dit moment te kwantificeren zijn, op basis van de meest actuele kennis. Een deel van de risico's, zoals sterkere kostenstijgingen dan voorzien, schommelende rijksmiddelen en de nog onzekere effecten van de lopende transformaties, laat zich nu nog niet betrouwbaar ramen en is daarom uit voorzichtigheid niet opgenomen. Vraag 26: Pag. 193 Beschut werk. Het beschikbare budget voor beschut werk is in 2025 niet benut, omdat de concrete invulling en uitvoering van beschut werk nog wordt onderzocht.
Beschut werk is voor kwetsbare mensen van groot belang. Betekent dit, dat aan deze taak ten onrechte geen invulling is gegeven en dat het beschikbare budget onbenut is gebleven? Antwoord: In Kerkrade is het voorschakeltraject Samen aan de Slag ingericht voor inwoners met een beschut-indicatie. Binnen dit traject wordt samen met de inwoner gekeken naar zijn of haar mogelijkheden en welke werkzaamheden daarbij passen. De plaatsingen binnen Samen aan de Slag hebben in 2025 niet geresulteerd in een beschutte werkplek. Bovendien zijn er in 2025 geen indicaties beschut afgegeven door het UWV. Om die reden is het budget in 2025 niet aangesproken.
4
IT-beheersing en interne controle Deloitte merkt zowel in 2024 als in 2025 op dat niet volledig kan worden gesteund op de betrouwbaarheid van de geautomatiseerde gegevensverwerking. Vraag 27: Sinds welk jaar constateert de accountant tekortkomingen in de IT-beheersing? Antwoord Deloitte: “We moeten wettelijk gezien de voor accountantscontrole relevante IT-systemen in onze controle betrekken én hierover rapporteren. In onze controle betrekken wij Coda, Xworks en AFAS. Bij deze controlewerkzaamheden gaan wij in op enkele onderdelen zoals logische toegangsbeveiliging, wijzigingsbeheer en back-up and recovery. Vanuit onze werkzaamheden constateren wij enkele aanbevelingen waardoor we als accountant niet kunnen steunen op de systemen. Denk hierbij aan een periodieke gebruikersreview of de wijze van het toekennen van gebruikersprofielen. De werkwijze om niet te steunen op eerdergenoemde systemen is overigens een gezamenlijk keuze geweest in het verleden en zien wij vaker terug. Via een gegevensgerichte controle kunnen wij prima een oordeel hebben over de cijfers die in de jaarstukken staan. Dit is een stuk efficiënter en effectiever voor de gemeente Kerkrade en de accountantscontrole.
Eventuele aanvullende vragen zouden we komende donderdag in de Financiële Commissie nog kunnen bespreken.” Vraag 28: Welke concrete tekortkomingen zijn op dit moment nog aanwezig? Antwoord: Het antwoord op deze vraag is meegenomen in de beantwoording van vraag 27. Vraag 29: Welke verbetermaatregelen zijn in 2025 genomen? Antwoord: Er worden al maatregelen getroffen procesmatig e.e.a. te borgen in ons Service Management Systeem. Dit door de periodieke gebruikersreview als terugkerende taken hierin te plaatsen. Hiermee creëren we o.a. ook bewijslast. We zijn tevens bezig om een koppeling met dit Service Management Systeem te realiseren met het HR bronsysteem. Op deze manier worden automatisch meldingen gegenereerd als een indienst, uitdienst en/of doorstroom van personeel wordt doorgevoerd in het HR systeem. Vraag 30: Wanneer verwacht het college dat deze opmerkingen van de accountant verdwijnen? Antwoord: Zoals door Deloitte gemeld is het voor de controle niet persé noodzakelijk om alle aanbevelingen op te pakken. Voorzover dat kan zullen wij steeds nut/noodzaak, risico’s en kosten van beheersmaatregelen tegen elkaar afwegen. Met genoemde maatregelen verwachten we dat de opmerkingen van de accountant (grotendeels) zullen verdwijnen.
Het is op voorhand niet mogelijk om het effect van maatregelen op de controle volledig in te schatten, aangezien alle maatregelen dan ook aantoonbaar en continue moeten werken én mogelijk heeft de nieuwe accountant straks ook een iets ander perspectief op bepaalde onderdelen. Belangrijke zaken voor 2025 116 RODA PLS Overzicht kosten PLS Er worden door Kerkrade veel kosten voor Roda c.q. het Stadion gemaakt. Er is echter geen eenduidig overzicht van het totaal. Een deel is te vinden in de jaarrekening van de gemeente en een deel in de afzonderlijke jaarstukken van Holding Stadion BV (die stond deze maand bij de ingekomen stukken gemeenteraad). Het totaal van deze kosten loopt steeds verder op. De rente over €18 miljoen wordt vanaf dit jaar niet meer in rekening gebracht. Voorzichtige schatting bij 3% rente €540.000,-. Op het Stadion wordt om fiscale redenen NIET afgeschreven of geld gereserveerd voor jaarlijkse waardevermindering, hetgeen vroeg of laat tot problemen gaat leiden.
Er wordt een grote exploitatiebijdrage verstrekt en daarnaast zijn er nog fikse kosten te vinden in de jaarrekening: Stadion Verlichting: €75.000,-, Dakbedekking €169.000,-, Lift 105.000,- Waterinstallatie €45.000,Vraag 31: Deze kosten zouden toch thuishoren in de jaarstukken Stadion BV? Waarom staan die kosten daar niet vermeld? Antwoord: Deze vervangingsinvesteringen zijn ook opgenomen in de jaarstukken Stadion 2025. De door u genoemde posten maken onderdeel uit van de totale onderhoudskosten (eigenaar) van € 647.088 zoals vermeld in de jaarstukken Stadion 2025 bij de specificatie van de post huisvestingskosten ‘Onderhoudskosten’. Overigens gaat het bij de verlichting om € 175.000 zoals vermeld op pagina 116, niet om € 75.000. De gemeente verleent een even grote bijdrage voor dit eigenaarsonderhoud, vandaar dat die kosten (ook) in de gemeenterekening 2025 zijn vermeld. Deze bijdrage komt overigens ook tot uiting in de jaarstukken Stadion bij de genoemde specificatie (‘Bijdrage onderhoud Kerkrade’).
5
Afsluitende hoofdvragen: Vraag 32: Kan het college bevestigen dat het positieve rekeningresultaat van € 1,246 miljoen grotendeels wordt gedragen door incidentele baten, terwijl de structurele lasten voor personeel, pensioenen en zorg toenemen? Antwoord: Het rekeningresultaat wordt door meer bepaald dan incidentele baten. Het uitnemen van enkele posten en hier conclusies aan verbinden geeft geen compleet beeld. Wij kunnen uw conclusie dan ook niet onderschrijven. Verder verwijzen wij naar het antwoord op de vragen 1 t/m 3. Vraag 33: Erkent het college dat de onderliggende structurele financiële positie van de gemeente daardoor minder sterk is dan het positieve rekeningresultaat op het eerste gezicht doet vermoeden? Antwoord: Zie beantwoording eerder vragen. Voor het overige verwijzen wij u graag naar paragraaf 2 waar de financiële positie wordt geduid volgens de richtlijnen van de toezichthouder. Meerjarig blijkt uit de in november 2025 vastgestelde Begroting 2026 wel een financiële uitdaging met het oog op het zgn. Ravijnjaar, zoals bij de raad bekend.
7