beantwoording SP vervolgvragen jaarrekening 2025
Tekst van het document
Datum: 29-06-2026 Vervolgvragen SP bij beantwoording jaarrekening 2025 N.a.v. de antwoorden van het college heeft de fractie van de SP nog de volgende vragen. 1. Incidentele baten en structureel resultaat. 1. Bij vraag 4 en 6 verwijst het college alleen naar pagina 181/182 van de jaarrekening. Kan het college alsnog expliciet in euro’s aangeven: - wat het totaal aan incidentele baten 2025 is. Antwoord: € 36.569.000 - wat het totaal aan incidentele lasten 2025 is. Antwoord: € 37.866.000 - wat het structurele exploitatieresultaat 2025 is. Antwoord: € 2.542.000 2. Bij vraag 5 is niet inhoudelijk geantwoord op de vraag wat het resultaat zou zijn zonder de woningbouwstimulans en extra legesopbrengsten. Kan het college bevestigen dat het rekeningresultaat zonder deze twee voordelen van samen circa € 2,170 miljoen negatief zou zijn uitgekomen, namelijk circa € 924.000 negatief? Antwoord: Rekenkundig is uw berekening correct. Indien een positief saldo van € 1.246.000 wordt verminderd met € 2.170.000 resteert inderdaad een saldo van € 924.000 negatief. 3. Erkent het college dat het positieve rekeningresultaat 2025 daardoor niet zonder meer mag worden uitgelegd als bewijs van een structureel gezonde financiële positie? Antwoord: Het rekeningresultaat van enig boekjaar geeft op zichzelf geen inzicht in de structurele financiële positie. 2. Personeelsgroei en externe inhuur. 4.
Het college geeft aan dat de organisatie is gegroeid van 397 fte naar 506 fte. Kan het college deze groei van 109 fte uitsplitsen naar: - wettelijke taken - tijdelijke projecten - beleidsintensiveringen - overhead/management - uitvoering/frontoffice - sociaal domein Antwoord: De groei van de organisatie in de periode 1 januari 2022 tot en met 1 juni 2026 komt vanwege de toegenomen wettelijke taken, overheveling van rijkstaken, intensivering van bedrijfsvoering en de politiekbestuurlijke ambities. Verder geldt dat het college bewust inzet op het verminderen van dure inhuur en tegelijkertijd op het behouden van expertise door goede medewerkers aan de gemeente te binden. Hierover is in de voorbij jaren frequent verslag gedaan. In onze administratie is de toedeling naar wettelijke taken, gemeentelijke ambitie en grote opgaven niet geregistreerd. Dat is ook niet goed mogelijk, omdat uitbreiding (of krimp) veelal niet toe te rekenen is aan sec. wettelijke taken, gemeentelijke ambities of grote opgaven. Verder kent onze administratie geen differentiatie in tijdelijke projecten, overhead en beleidsintensiveringen. De groei van het management moet geschat worden, omdat we sinds 1 januari 2024 gebruik maken van een nieuw personeelsinformatie- en salarissysteem (Afas). De groei wordt op basis van een vergelijk van de organogrammen mei 2021 en januari 2026 geschat op 5 fte.
Uitvoering/frontoffice en sociaal domein zijn te algemeen om concrete antwoorden te geven. Wordt hier alleen de frontoffice bij afdeling Burgerplein bedoeld of ook de frontoffice bij afdeling Werk en Inkomen, cluster Handhaving? En wat wordt precies onder frontoffice verstaan? Wat wordt onder uitvoering verstaan? Wat wordt bedoeld met sociaal domein? Is dat de afdeling Werk en Inkomen? Of ook de afdeling Zorg? Is ook inzicht nodig in de formatieontwikkeling bij de beleidsafdelingen Werk en Welzijn en Jeugd, Inkomen en Zorg. 5. De externe inhuur bedroeg in 2025 **€ 5,365 miljoen**. Welk deel daarvan betreft tijdelijke piekbelasting en welk deel betreft structureel terugkerende werkzaamheden? Antwoord: De inhuur van WSW-medewerkers betreft structurele werkzaamheden. Deze is in dit bedrag inbegrepen. De inhuur WSW bedroeg in 2025 € 1.391.406 ex. Btw.
Het overige gedeelte betreft inhuur van de accountant, advocaten, projectleiders, architecten, bouwkundigen, adviseurs en overige specialisten. Onze administratie is niet ingericht om op korte termijn inzicht te verschaffen in de aard (structureel/tijdelijk) van deze inhuur. In vergelijking met 2024 is de inhuur in 2025 gedaald van € 6.724.000 naar € 5.365.000. Afgezet tegen de cijfers van de Personeelsmonitor van het A&O fonds gemeenten is de inhuurindicator van de gemeente Kerkrade beduidend lager: 10,37 tegen 16,1% (2025) en 13,52% tegen 17,5% (2024). 6. Welke concrete norm, taakstelling of plafond hanteert het college om verdere groei van formatie, overhead en externe inhuur te beheersen? Antwoord: Maatgevend voor de benodigde personele capaciteit is het werk dat gedaan moet worden. Een plafond is in die zin niet te geven. Voortdurend weegt het management, directie en bestuur zorgvuldig af wat de meest efficiënte inzet van personeel is. Waar mogelijk wordt gebruik gemaakt van techniek. De organisatie breidt uit en krimpt voortdurend. 3. WMO en sociaal domein. 7. Bij vraag 25 geeft het college aan dat sommige risico’s in het sociaal domein niet in de meerjarenraming zijn opgenomen omdat ze nog niet betrouwbaar te ramen zijn. Kan het college deze niet-verwerkte risico’s alsnog opnemen in een aparte risicoparagraaf met bandbreedtes laag/midden/hoog? Antwoord: Nee.
Juist omdat ze nog volstrekt niet betrouwbaar te ramen zijn, zijn er ook geen bandbreedtes mogelijk. In de risicoparagraaf is in elk geval voorzien in een totaalbedrag voor de risico’s sociaal domein. De huidige werkwijze is eerder besproken in de Financiële Commissie en afgestemd met de accountant. 8. Het college gaat uit van een stabiel WMO-klantenbestand door de nieuwe werkwijze hulp bij huishouden. Welke objectieve cijfers onderbouwen dat dit geen gevolg is van strengere toegang, minder uren ondersteuning of verschuiving naar mantelzorg? Antwoord: Dit is inderdaad grotendeels een gevolg van het verhogen van de zelfredzaamheid van burgers, een van de steunpilaren van het reablement-gedachtegoed dat gemeente Kerkrade naleeft. Hierdoor stromen burgers minder snel door naar een maatwerkvoorziening. Uit het klanttevredenheidsonderzoek blijkt dat de klanten die dit betreft gelukkiger zijn, omdat zij meer in hun eigen kracht worden gezet. De objectieve cijfers volgen uit het registratiesysteem X-Works, waarmee de ontwikkeling van het klantenbestand gemonitord wordt. Hierbij dient te worden opgemerkt dat Hulp bij het Huishouden (HbH) ongeveer 50% van het totale Wmo-klantenbestand vormt. De relatief stabiele ontwikkeling binnen deze grote doelgroep compenseert daarmee deels de negatieve effecten van demografische ontwikkelingen, zoals de vergrijzing, op het totale klantenbestand.
4. Beschut werk. 9. Het college antwoordt dat in 2025 geen UWV-indicaties beschut werk zijn afgegeven en dat geen beschutte werkplek is gerealiseerd. Hoeveel inwoners zaten in 2025 in het voorschakeltraject “Samen aan de Slag”? Antwoord: In 2025 zaten vier inwoners met een beschut indicatie in het voorschakeltraject Samen aan de Slag. 10. Hoeveel van deze inwoners zijn actief beoordeeld op mogelijke geschiktheid voor beschut werk? Antwoord: Binnen het voorschakeltraject wordt nader inzicht verkregen in de vaardigheden, persoonlijke situatie en kwaliteiten van de deelnemer. Gedurende het traject vindt een doorlopende beoordeling plaats van de participatiemogelijkheden. Dit geldt eveneens voor de vier hiervoor genoemde inwoners met een indicatie beschut werk. 11. Hoeveel inwoners zijn daadwerkelijk begeleid naar een UWV-aanvraag voor beschut werk? Antwoord: Er zijn geen inwoners begeleid naar een UWV-aanvraag voor beschut werk in 2025. 12. Welke verklaring heeft het college ervoor dat dit in 2025 heeft geleid tot “nul indicaties” en “nul beschutte werkplekken”? Antwoord: Een indicatie beschut werk wordt afgegeven door de gemeente op basis van een positief advies van het UWV. Het UWV beoordeelt of sprake is van beschut werk en brengt hierover advies uit aan de gemeente, waarna de gemeente een beschikking afgeeft. In 2025 zijn geen positieve adviezen van het UWV ontvangen.
Hierdoor zijn in dat jaar geen nieuwe indicaties beschut werk afgegeven en zijn er ook geen nieuwe beschutte werkplekken gerealiseerd. In het daaropvolgende jaar zijn wel twee indicaties beschut werk verstrekt en tot nu toe één beschut werkplek gerealiseerd.
5. IT-beheersing. 13. Bij vraag 27 is niet beantwoord sinds welk jaar de accountant constateert dat niet kan worden gesteund op de ITsystemen. Kan het college alsnog exact aangeven vanaf welk controlejaar deze bevinding terugkomt? Antwoord: Tot en met 1995 had Kerkrade een eigen accountantsdienst. Zij hebben voorzover bekend nooit systeemgericht gecontroleerd. Van de externe accountants vanaf 1996 is bekend dat zij nooit systeemgericht gecontroleerd hebben. 14. Kan het college per systeem — “Coda, X-works en AFAS” — aangeven welke tekortkomingen nog openstaan, welk risico daarbij hoort en wanneer herstel gepland is? Antwoord: Deze vraag/dit antwoord vraagt mogelijk om een verduidelijking. Het gaat er hier om of de accountant om te komen tot een oordeel over de getrouwheid van de jaarrekening voor zijn controle kan steunen op de relevante systemen. In die zin is er vaktechnisch een ‘tekortkoming’ om een systeemgerichte benadering toe te kunnen passen. Maar het alternatief, de gegevensgerichte benadering, bleek steeds een stuk efficiënter en effectiever voor de gemeente én de accountant, zoals Deloitte in haar eerdere antwoord ook al aangaf. Overigens zien we daar nu ook al een ontwikkeling waarbij door de huidige technieken het soms zelfs al veel efficiënter kan zijn om rechtstreeks de datasets gegevensgericht te controleren in plaats van via de systeembenadering.
Het betreft aanbevelingen zoals (zichtbaar vastgelegde) periodieke gebruikersreview, de wijze van het toekennen van gebruikersprofielen ingeval van indienst, uitdienst en/of doorstroom van personeel. Dit betreft alle 3 systemen. De accountant kan het alternatief, de gegevensgerichte benadering, prima toepassen. Overigens kunt u bij het antwoord op vraag 29 al lezen dat er (desondanks) in 2025 al aanvullende beveiligingsmaatregelen genomen zijn om de aanbevelingen op dit vlak op te pakken. Dit zal in 2026/2027 verder worden gemonitord om nóg duidelijker (zichtbaar en toetsbaar) te borgen dat het risico van ongewenste toegang tot systemen verder wordt verkleind. 15. Bij vraag 30 geeft het college aan dat niet alle aanbevelingen per se worden opgepakt. Welke aanbevelingen worden bewust niet opgepakt, waarom niet, en welk resterend risico accepteert het college daarmee? Antwoord: Dit was bedoeld als een algemene opmerking dat ingeval van aanbevelingen altijd de toegevoegde waarde van (verdere) risicoverkleiningen moet worden afgewogen ten opzichte van de extra inspanningen/kosten, de invloed op ‘werkbaarheid’ of eventuele alternatieven moet worden afgewogen. Er zijn overigens geen aanbevelingen van de huidige accountant die momenteel bewust niet worden opgepakt.