CConstaterende datKerkrade
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Gezamenlijke commissies 27 mei 2024, gemeente Kerkrade26.196 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

De Europese regels op het gebied van chemische stoffen die in het water kunnen terecht komen zijn onder andere, naast in de KRW en de hierop gebaseerde Richtlijn prioritaire stoffen, hoofdzakelijk vastgelegd in de REACH-verordening, de Richtlijn Industriële Emissies en de Richtlijn voor het duurzaam gebruik van pesticiden. De belangrijkste bronnen van dit soort verontreiniging zijn hierbij industrie, stedelijk afvalwater (via rioolwaterzuiveringsinstallaties) en landbouw. Uit onderzoeken en berichten, voor het laatst van het kabinet op 12 december 2023, blijkt dat de doelen van de KRW in Nederland niet voor alle watersystemen tijdig worden behaald. Wel zijn er (veel) acties in gang

11

Begroting Omgevingsdienst RUD Zuid-Limburg 2025

gezet in het KRW-impulsprogramma om zoveel mogelijk wél te gaan voldoen. Vanaf 2027 zijn er nog zeer beperkt uitzonderingsmogelijkheden om de doelen van de KRW te halen. Deze zijn: 1. Uitstel als gevolg van natuurlijke omstandigheden. Hierbij geldt dat alle maatregelen al wel zijn uitgevoerd, maar het beoogde effect vanwege natuurlijke omstandigheden nog niet is ingetreden. Het kan namelijk een tijd duren voordat effecten van eerder genomen maatregelen zichtbaar zijn, bijvoorbeeld dat planten en dieren zich vestigen. 2. Het vaststellen van lagere doelen als een waterlichaam zodanig door menselijke activiteiten is aangetast (denk aan het voorkomen van persistente stoffen die doelbereik onmogelijk maken) of de natuurlijke gesteldheid van dien aard is dat het bereiken van de doelstellingen technisch niet haalbaar is of onevenredig kostbaar. Aan een dergelijke bijstelling stelt de KRW uitgebreide voorwaarden en ook mag de toestand van het waterlichaam niet verder achteruitgaan. De keuze en onderbouwing van deze uitzonderingsmogelijkheden is een verantwoordelijkheid van provincies als het gaat om grondwater en regionaal oppervlaktewater (vaak gebaseerd op informatie van de waterschappen). Voor het hoofdwatersysteem, zoals de rivier de Maas, ligt deze taak bij de Minister van IenW (gebaseerd op informatie van Rijkswaterstaat).

Met de uitvoering van VTH-taken draagt onze dienst bij aan het terugdringen van emissies door bedrijven, via de lucht, bodem en bedrijfsafvalwater via de riolering (indirecte lozingen) naar water, en draagt zo bij aan het behalen van de doelstellingen van de KRW. Wij voorzien richting einde 2027, dat het beleid van onze deelnemers versterkte aandacht zal gaan geven aan het aspect waterkwaliteit. Het is aan ons om, binnen de opgedragen bevoegdheden, te zorgen voor voldoende personeel met de juiste kennis om hieraan invulling te geven. In de begroting 2025 zijn nog geen financiële consequenties verwerkt betreffende de KRW. Wijziging Wet gemeenschappelijke regelingen Voor 1 juli 2024 dient de tekst van onze gemeenschappelijke regeling te zijn aangepast aan de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) per 1 juli 2022. Doel van de gewijzigde Wgr is om de democratische legitimiteit van gemeenschappelijke regelingen en de kaderstellende rol van gemeenteraden en provinciale staten te versterken en te verbeteren. In gezamenlijkheid met andere gemeenschappelijke regelingen in Limburg, onder begeleiding van externe juridische adviseurs, is eind 2022 gestart met het aanpassingstraject. Doel hiervan is het zoveel mogelijk uniformeren van de teksten en het zoveel mogelijk gelijktijdig laten behandelen van de wijzigingen in de vergaderingen van de raden en provinciale staten.

Op 10 juli 2023 heeft het algemeen bestuur van onze dienst ingestemd met de ontwerpwijzigingen van onze gemeenschappelijke regeling. De colleges van burgemeester en wethouders respectievelijk het college van gedeputeerde staten hebben na eigen besluitvorming, de wijzigingen voor een zienswijze voorgelegd aan de raden respectievelijk provinciale staten. In de eerste helft van 2024 loopt de toestemmingsprocedure bij onze deelnemers, opdat in mei/juni de colleges definitief kunnen besluiten tot de wijzigingen. Wet open overheid De Wet open overheid (Woo) legt aan bestuursorganen een aantal verplichtingen op. Eén van deze verplichtingen betreft het geven van een impuls aan openbaarheid door in de begroting en het

12

Begroting Omgevingsdienst RUD Zuid-Limburg 2025

verantwoordingsverslag in de jaarstukken aan te geven hoe rekening wordt gehouden met de bepalingen uit de Woo. Deze paragraaf is de invulling van deze verplichting in de begroting 2024. De Wet open overheid kent, samengevat, een viertal belangrijke aspecten: 1. de verplichting voor ieder bestuursorgaan om een Woo-contactfunctionaris aan te wijzen, 2. verplichtingen gericht op passieve openbaarmaking, 3. verplichtingen gericht op actieve openbaarmaking en 4. het op orde brengen van de (digitale) informatiehuishouding. Woo-contactfunctionaris Onze organisatie beschikt over een Woo-contactfunctionaris. Passieve openbaarmaking De werkwijze en doorlooptijd van verzoeken tot (passieve) openbaarmaking van informatie onder de Wet open overheid worden in 2025 gecontinueerd zoals ingezet bij inwerkingtreding van de Woo. Uitgangspunten daarbij zijn transparantie en snelheid. Actieve openbaarmaking De Woo stelt de verplichting om diverse benoemde informatiecategorieën actief te publiceren. Deze verplichting geldt niet voor alle 17 categorieën tegelijk. Drie informatiecategorieën worden reeds actief openbaar gemaakt door de rijksoverheid: - wetten en algemeen verbindende voorschriften; - overige besluiten van algemene strekking; - vergaderstukken Staten-Generaal.

Eind december 2023 heeft de staatssecretaris van Koninkrijksrelaties en Digitalisering, de Eerste Kamer laten weten dat een deel van de overige categorieën binnen twee jaar verplicht actief openbaar kunnen worden gemaakt. Maar ook dat het niet haalbaar en realistisch is dat alle bestuursorganen binnen twee jaar alle categorieën (verplicht) actief openbaar kunnen maken. Het voornemen is om in de eerste helft van 2024 een planning te maken met daarin het kwartaal waarin de Koninklijke Besluiten zullen worden opgesteld. Het moment van inwerkingtreding wordt, conform de landelijke implementatiestrategie van 8 juli 2022, als volgt bepaald: pas als aan twee voorwaarden is voldaan wordt de verplichting tot actieve openbaarmaking van een informatiecategorie opgelegd. Deze voorwaarden zijn: 1. de centrale ICT-infrastructuur moet bestuursorganen in staat stellen om hun gepubliceerde documenten via de Woo-index vindbaar (sinds 19 juni 2023 online) en doorzoekbaar te maken. Momenteel lopen er onderzoeken die moeten resulteren in een set technische eisen t.b.v. het centraal doorzoekbaar maken van het ‘eigen’ publicatieplatform van een bestuursorgaan. Het streven is zo’n set in de eerste helft van 2024 beschikbaar te hebben; 2. het actief openbaar maken van een informatiecategorie op een zelf gekozen publicatieplatform moet voor bestuursorganen praktisch realiseerbaar zijn.

Aan beide voorwaarden is ten tijde van het opmaken van deze ontwerpbegroting nog niet voldaan. Wij zullen de wettelijke fasering van de informatiecategorieën volgen. Informatiehuishouding op orde

13

Begroting Omgevingsdienst RUD Zuid-Limburg 2025

De Woo verplicht dat de digitale informatiehuishouding binnen 8 jaar na inwerkingtreding van de Woo op orde wordt gebracht. Dit betekent dat er op basis van een in 2024 vast te stellen nieuw Informatiebeleidsplan maatregelen moeten worden genomen om informatiebestanden duurzaam toegankelijk te maken en te houden.

14

Begroting Omgevingsdienst RUD Zuid-Limburg 2025

2

BEHEER VAN DE OMGEVINGSDENST

Taken Onze taken zijn het in opdracht van gemeenten en Provincie, individueel en collectief, uitvoeren van wettelijke taken en adviestaken op het terrein van milieu, op een zo efficiënt mogelijke wijze en op een goed kwaliteitsniveau. De organisatie heeft daartoe werknemers in dienst en verwerft op contractbasis personele capaciteit en/of specifieke kwaliteit van extern personeel. Activiteiten Op dienstniveau worden afspraken gemaakt met de opdrachtgevers over inhoudelijke en financiële verantwoording. Naast het rapporteren van gegevens als zodanig, is ook het tijdig bespreken en tussentijds communiceren met de opdrachtgevers een belangrijk aspect. De activiteiten worden opgenomen in een jaarlijks werkprogramma dat besproken en afgestemd wordt met de opdrachtgevers, waarna door hen het werkprogramma wordt vastgesteld. Van de dienst kunnen de opdrachtgevers verwachten dat de taakuitvoering conform de vastgestelde kwaliteitscriteria is. Speerpunt Proactief informeren van opdrachtgever

Periodiek overleg opdrachtgever

Uitvoeringskwaliteit op landelijk niveau

2.1

Prestatie indicator 2 maal per jaar voortgangsrapportage en 1 eindrapportage conform planning in werkprogramma Per kwartaal overleg tussen opdrachtgever en opdrachtnemer (contracthouders en accountmanagers) Werken conform de kwaliteitscriteria

Vergunningverlening

Voor alle 16 Zuid-Limburgse gemeenten en de Provincie Limburg verzorgen we voor wat betreft de milieutaken over de gehele breedte van de Omgevingswet de vergunningverlening en afhandeling van milieu meldingen. Voor de locaties met als bevoegd gezag de provincie Limburg, beslaan de activiteiten tevens de behandeling van aanvragen voor het bouwen van een bouwwerk of wijzigingen daartoe. Daarnaast stellen we voor een aantal gemeenten diverse ontheffingen op, bijvoorbeeld voor het tijdelijk overschrijden van geluidnormen, vervoeren van ‘gevaarlijke stoffen’ of een ontheffing stookverbod. Voor de provincie Limburg voeren we tot slot de diverse vuurwerk-taken uit, zoals de afhandeling van vuurwerkmeldingen en het verlenen van ontbrandingstoestemmingen. Een bijzondere wettelijke taak hebben we als een van de zes landelijke omgevingsdiensten voor de Sevesoen Rie-4 bedrijven. Vanuit onze expertise zijn wij belast met de uitvoering van het volledige VTH-pakket voor Seveso-inrichtingen in de gehele provincie Limburg, voor zowel milieu als bouw.

15

Begroting Omgevingsdienst RUD Zuid-Limburg 2025

We werken vanuit Vergunningen aan de volgende speerpunten en streven ernaar de benoemde prestatie indicatoren te behalen. Speerpunt Tijdige vergunningen

Prestatie indicator 90% van de omgevingsvergunningen, voorbereid met de uitgebreide procedure, dient binnen de wettelijke termijn behandeld te zijn, tenzij door de aanvrager wordt ingestemd met termijnoverschrijding.

Informatievoorziening/meten VTH-applicatie op basis van aanvraag- én besluitdatum Communicatie middels voortgangsrapportages

95% van de omgevingsvergunningen voorbereid met de reguliere procedure, dient binnen de wettelijke termijn behandeld te zijn, tenzij door de aanvrager wordt ingestemd met termijnoverschrijding. Tijdige advisering over de te nemen beslissing op een aanvraag

95% van de adviezen over de te nemen beslissing op een aanvraag dient binnen de afgesproken termijn gegeven te zijn, tenzij wordt ingestemd met termijnverlenging

VTH-applicatie op basis van adviesaanvraag én adviesdatum

Kwaliteit

Omgevingsvergunningen c.q. adviezen over de te nemen beslissing op een aanvraag voldoen aan de meest actuele wet- en regelgeving (normen, BREF’s, richtlijnen etc.) en het beleid van de opdrachtgever. Van de bezwaar- en beroepschriften mag maximaal 15% gegrond worden verklaard.

Rechterlijke toets c.q. uitspraak Raad van State. Communicatie middels voortgangsrapportages

Actualiteit

Omgevingsvergunningen worden binnen de daarvoor geldende termijnen geactualiseerd naar aanleiding van nieuwe BBTconclusies/BREF’s.

Rechterlijke toets c.q. uitspraak Raad van State in relatie tot toezichts- en handhavingsacties

16

Begroting Omgevingsdienst RUD Zuid-Limburg 2025

2.1.1.1 Afronden MBA project ‘van inrichting naar MBA’ In 2025 vindt de afronding plaats van het project ‘van inrichting naar MBA’. Dit project is gestart in 2023 en omvat zowel de daadwerkelijk omzetting van inrichtingen naar MBA’s en vervolgens de registratie in de VTHregistratie van de dienst. 2.1.1.2 Actualisatie van overige vergunningen In het jaar 2025 willen wij aanvullend het plan van aanpak voor het actualiseren van de vergunningen van de overige (niet zijnde Seveso-inrichtingen en Rie-4) vergunningplichtige locaties ten uitvoer brengen. Dit plan van aanpak is eerder opgesteld, maar is door capaciteitsgebrek (nog) niet eerder in uitvoering gebracht. Dit project zal starten ná afronding van het project ‘van inrichting naar MBA’, aangezien pas hierna duidelijk is hoe het vergunningenbestand onder de nieuwe Omgevingswet eruit ziet. Voor de realisatie van dit project is uitgaande van zo’n 385 bedrijven die in 5 jaar tijd een actualiseringstoets ondergaan, is extra inzet nodig die we proberen binnen de formatie uit te voeren. 2.1.1.3 Nieuwe basistaken In 2024 is er met de komst van de Omgevingswet een aantal MBA’s gedefinieerd als basistaak die dat eerder niet waren. Dit leidt via de meldingen die door de vergunningverleners worden behandeld tot een extra capaciteitsvraag van 2 fte. De onderbouwing van deze capaciteitsbehoefte is gegeven in par.

1.2 onder de tabel op bladzijde 9. Het betreft taken die eerder door gemeenten werden uitgevoerd dus de meerkosten die dat met zich meebrengt vanwege de inbreng in de omgevingsdienst leiden tot besparingen aan de kant van de gemeenten die deze taak tot nu toe zelf moesten uitvoeren. 2.1.1.4 Project Financiële zekerheidstelling Met de Omgevingswet ontstaat er voor gemeenten en provincie een nieuwe bevoegdheid, namelijk tot het van bedrijven (kunnen) eisen van een financiële zekerheidstelling. Deze om bij faillissement van een bedrijf de overheid en daarmee de samenleving niet op te laten draaien voor milieukosten als het verwijderen van afvalstoffen met een negatieve restwaarde. De inzet van financiële zekerheidstelling is een complexe opgave, want nieuw en nog met veel onzekerheden omgeven. Tevens is ook inzet van financiële en civielrechtelijke expertise nodig. Met het oog op zorgvuldigheid en uitvoerbaarheid hebben de provincies landelijk afgesproken om in 2024 en 2025 te starten met pilots. Jaarlijks zullen telkens 3 bedrijven aan de pilot deelnemen, waarbij gestart wordt met bedrijven waarvoor de verplichting tot financiële zekerheidstelling uit de wet volgt. Voor deze “moet” bedrijven is in alle gevallen de provincie bevoegd gezag.

Voor bedrijven uit de afvalsector, waarvoor een financiële zekerheidstelling kan worden gesteld, de “kan” bedrijven, dient eerst beleid te worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat een opeisbare financiële zekerheid ook juridisch standhoudt. Dit geldt voor elk bevoegd gezag afzonderlijk. Wij gaan er vooralsnog vanuit dat zowel in 2024 als 2025 enkel financiële zekerheidstelling in het kader van de pilots zal gaan gebeuren. Het bevoegd gezag in kwestie is in dat geval uitsluitend de provincie Limburg. Praktisch en logischerwijs wordt pas na het einde van de pilots een verdere uitrol van de nieuwe bevoegdheid verwacht. 17

Begroting Omgevingsdienst RUD Zuid-Limburg 2025

Voor het uitvoeren van dit project bij de afdeling vergunningen is in 2025 een budget van € 117.000 benodigd. Financiering vindt plaats via een opdrachtverstrekking door de Provincie Limburg. 2.1.1.5 Landelijke Maatwerkaanpak verduurzaming industrie Om de klimaatdoelen te halen zet het kabinet, naast diverse andere instrumenten, in op een maatwerkaanpak voor de 20 grootste industriële CO2-uitstoters. Met de ambities van het Rijk om de CO₂uitstoot tegen 2030 met maar liefst 10 megaton te verminderen, wordt verwacht dat dit zal leiden tot een veelvoud van extra vergunningaanvragen. Daarnaast zal er sprake zijn van nieuwe technieken en processen. Hiervoor moet nieuwe kennis en expertise opgebouwd worden en is landelijke afstemming tussen omgevingsdiensten nodig om een level playing field te garanderen. Binnen de provincie Limburg gaat het om Sabic, OCI, AnQore en Fibrant (allen gelegen op site Chemelot). Deze maatwerkaanpak betekent de komende jaren nogal wat voor de inzet van de omgevingsdiensten waaronder de onze. In elk geval is ten minste vroegtijdige betrokkenheid van onze dienst bij het voorbereiden van maatwerkafspraken nodig. Om deze aanpak te faciliteren wordt door het ministerie extra geld aan de betreffende provincies beschikbaar gesteld en is door de omgevingsdiensten een voorstel uitgewerkt hoe het proces rondom deze maatwerkaanpak zou kunnen verlopen.

Er zal worden gewerkt met casusteams per bedrijf en met een landelijke experten pool. Om te komen tot financiering én opdrachtverstrekking vinden in 2024 gesprekken plaats met de provincie. 2.1.1.6 Project Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) Zeer Zorgwekkende Stoffen (hierna: ZZS) gaan een belangrijker rol spelen bij de VTH-taken. De ZZS zijn afgelopen jaren flink onder de aandacht gekomen onder andere door het onderzoeksrapport ‘Industrie en omwonenden’ opgesteld door de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV) en de toegenomen media-aandacht inzake casussen als Tata Steel, Chemours en de asfaltcentrale te Nijmegen. Mede naar aanleiding van het project ‘Decentrale benadering ZZS’ heeft het Rijk besloten meer aandacht en energie te stoppen in de aanpak met als doel ZZS door bedrijven te verbeteren en verminderen. Voorgaande betekent dat een grotere impuls en inspanning geleverd moet worden inzake ZZS bij het uitvoeren van hun VTH-taken. Met name bij de provinciale inrichtingen gaat ZZS een grotere rol spelen. Bij vergunningsprocedures wordt ZZS meegenomen in de overweging bij vergunning plichtige bedrijven en worden daartoe geleverde vermijd- en reductieprogramma’s (VRP) beoordeeld. Om te komen tot financiering én opdrachtverstrekking vinden in 2024 gesprekken plaats met de provincie.

18

Begroting Omgevingsdienst RUD Zuid-Limburg 2025

2.2

Toezicht en handhaving

Algemeen Met een toenemende focus op duurzaamheid en milieuwetgeving is het essentieel dat ons milieutoezicht nauwkeurig wordt afgestemd op zowel actuele als komende uitdagingen. In deze begroting verkennen we de cruciale aspecten van ons milieutoezicht en richten we ons op de verdere implementatie van een regionale risicoanalyse, de implicaties van de Omgevingswet, ontwikkelingen binnen het Seveso-toezicht en vooruitgang op het gebied van data-analyse. In dit onderdeel staat onze toezichtscapaciteit centraal, met name gericht op het uitvoeren van (reguliere) milieu- en veiligheidsinspecties, het afhandelen van milieuklachten en incidenten. Deze taken worden uitgevoerd volgens afgestemde planningen en werkprogramma's. Onze focus ligt met name op majeure risicobedrijven in de provincie Limburg, zoals de Seveso-bedrijven en de RIE4-bedrijven onder de Richtlijn Industriële Emissies. Een essentieel aspect van ons toezicht is de afstemming op nationaal niveau met collega Sevesoomgevingsdiensten en inspectiepartners van de Veiligheidsregio, Nederlandse Arbeidsinspectie, Openbaar Ministerie, de waterkwaliteitsbeheerder en het Rijk. Daarnaast richten we toezichtscapaciteit in op milieubelastende activiteiten (MBA's). Regionale risicoanalyse Een van de sleutelfactoren in 2025 is de verdere implementatie van een regionale risicoanalyse voor milieutoezicht.

De focus van het milieutoezicht ligt op een (meer) risicogerichte aanpak. Deze aanpak stelt ons in staat om onze middelen efficiënter in te zetten en zorgt voor een meer gepersonaliseerde benadering van milieutoezicht, wat cruciaal is voor het behalen van positieve milieueffecten. De prioriteiten van het milieutoezicht worden vastgesteld op basis van de in 2024 door de deelnemers vast te stellen regionale risicoanalyse. De prioriteiten liggen bij die activiteiten die het meeste risico met zich meebrengen. Vooral daarop richten we onze aandacht. Dat betekent overigens niet dat geen aandacht wordt gegeven aan risico’s en taken waar geen hoge prioriteit aan vastzit. Het spreekt vanzelf dat ook daar de wettelijke VTH-taken worden vervuld. Bij de activiteiten die geen betrekking hebben op de hoogst geprioriteerde wordt meer reactief dan proactief gehandeld en wordt meer globaal getoetst en toezicht gehouden. Omgevingswet: Implicaties voor milieutoezicht Als gevolg van de Omgevingswet vallen meer MBA's onder het basistakenpakket en deze moeten worden ingebracht in onze dienst, wat consequenties heeft voor onze toezichtscapaciteit. Deze dient hierop te worden aangepast. Data-analyse / monitoring Een andere belangrijke pijler voor het milieutoezicht is de voortdurende investering in data-analyse.

Door steeds meer geavanceerde analysetechnieken te omarmen, streven we naar diepgaande inzichten in

19

Begroting Omgevingsdienst RUD Zuid-Limburg 2025

milieuprestaties en trends. Dit stelt ons niet alleen in staat om proactief te handelen bij potentiële risico's, maar ook om onze strategieën voortdurend te verbeteren op basis van feitelijke gegevens. Programmatische aanpak milieutoezicht bij provinciale inrichtingen Eind 2022 heeft de Zuidelijke Rekenkamer de rapportage “Vergunningverlening, toezicht en handhaving provincie Limburg” aangeboden over de kwaliteit van de uitvoering op het gebied van milieu en externe veiligheid. Naast de observatie dat de uitvoering van onze dienst overwegend op orde is staan er conclusies en aanbevelingen in om de uitvoering te intensiveren en om op onderdelen meer door te pakken. De provincie Limburg heeft samen met ons het initiatief genomen om in 2024 de aanpak van het milieutoezicht bij de complexe bedrijven te intensiveren. Dit betekent dat we aanvullende provinciale middelen benutten om de (thema)controles te intensiveren, de afdoening van constateringen te optimaliseren en om nieuwe ontwikkelingen in het toezicht te integreren. In 2024 gaan we starten met het werken op basis van een programmatische aanpak en de monitoring van de effecten van de intensivering. Het streven is om de programmatische aanpak te bestendigen in 2025 en verdere jaren op basis van gebleken effectiviteit.

Her- en bijscholing (milieu)toezichthouders Om te blijven voldoen aan de landelijke kwaliteitscriteria worden de toezichthouders bijgeschoold. Voor de toezichthouders bij Seveso-inrichtingen (voorheen Brzo-inrichtingen) worden daarnaast nog specifieke opleidingen ingepland. Met een overspannen arbeidsmarkt voor VTH-personeel en vergrijzend personeelsbestand staat onze beschikbare toezichtcapaciteit onder druk. Wij sluiten niet uit dat dit ook in 2025 consequenties zal hebben voor de uitvoering van de werkprogramma’s. Dan zullen we hierover het gesprek voeren met de opdrachtgevers. Bij toezicht wordt informatie verzameld over het feit of een activiteit voldoet aan de in de vergunning en/of algemene regels gestelde eisen. Waarna over de verzamelde informatie een oordeel wordt gevormd. Onder handhaving wordt verstaan: het overgaan tot het opleggen van bestuursrechtelijke en/ of strafrechtelijke (herstel)sancties indien uit het toezicht blijkt dat niet aan de gestelde eisen wordt voldaan. Bij het opleggen van sancties is steeds juridisch advies aan de orde. Speerpunt Kwaliteit

Tijdigheid Uniformiteit

Prestatie indicator Toezichtrapporten voldoen aan de meest actuele wet- en regelgeving en het beleid van de opdrachtgever. 95% van de handhavingsbesluiten worden genomen binnen de daarvoor afgesproken termijn. Uitvoering werkprogramma opdrachtgever zoals onderling afgesproken Hanteren van vastgesteld handhavingsbeleid opdrachtgever

Informatievoorziening/meten Rechterlijke toets c.q. uitspraak Raad van State VTH applicatie op basis van (verzoek- én) besluitdatum Voortgangsrapportages Voortgangsrapportages 20

Begroting Omgevingsdienst RUD Zuid-Limburg 2025

Bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving en vervolging In 2014 is de Landelijke Handhavingsstrategie (LHS) ingevoerd, die nu opgevolgd wordt door de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO). De kern van de strategie is nagenoeg hetzelfde gebleven. De terminologie is geactualiseerd, waardoor deze aansluit op de Omgevingswet. Daarnaast is de bestuurlijke boete toegevoegd. Verder is de relatie tussen bestuursrecht en strafrecht beter beschreven en geborgd. Aan de hand van de LHSO zal in een concreet geval beoordeeld dienen te worden welke weg het meest passend is: de bestuursrechtelijke of de strafrechtelijke of een eventuele samenloop hiervan. De LHSO heeft als uitgangspunt om de meest effectieve interventie in te zetten ter bescherming van het milieu. Om hieraan concreet invulling te geven heeft de Provincie Limburg begin 2023 reeds besloten 2 fte aan capaciteit ter beschikking te stellen ten behoeve van zogenaamde buitengewoon opsporingsambtenaren (BOA’s). Deze 2 BOA’s worden dan ook ingezet ten aanzien van activiteiten waarvoor de provincie het bevoegd gezag is. Incidentele inzet bij de gemeentelijke deelnemers zou mogelijk via na-facturatie verrekend kunnen worden. Gelet op het IBP VTH, pijler 2, de versterking van de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving, wordt vanaf 2025 een derde fte BOA nodig.

Deze zal werken ten behoeve van de gemeentelijke opdrachtgevers. Dit ook om zeker aan de maat te zijn voor de kwaliteitscriteria 2.3 en de komende 3.0. BOA- taken zijn/worden belegd bij werknemers die toegerust en opgeleid zijn om BOA-taken te verrichten. Dat wil zeggen inzetten van strafrecht ten behoeve van milieuovertredingen en ook bijvoorbeeld binnen de vakgebieden bodem, asbest en energie. Hiermee kan invulling gegeven worden aan zowel bestuurs- als strafrechtelijke handhaving conform de LHSO, die in de eerste helft van 2024 naar verwachting door al onze deelnemers is vastgesteld. 2.3

Advisering en Onderzoek

De afdeling Advies en Onderzoek heeft medewerkers die verantwoordelijk zijn voor het toetsen, controleren, adviseren en uitvoeren van onderzoeken en metingen op het gebied van energie, geluid, lucht en omgevingsveiligheid. Deze medewerkers spelen ook een rol in de ontwikkeling, uitvoering en evaluatie van beleid op deze terreinen. Ze houden rekening met mogelijke innovaties in de uitvoering van hun werkzaamheden en geleverde producten. In het onderstaande overzicht worden de prestatie-indicatoren van deze afdeling gepresenteerd en is aangegeven op welke wijze wordt getoetst of deze indicatoren behaald zijn en hoe daarover eventueel wordt gecommuniceerd. Speerpunt

Prestatie indicator

Informatievoorziening/meten

Kwaliteit

De adviezen bevatten heldere conclusies en zijn transparant in de afwegingen

Tevredenheid opdrachtgever

Tijdigheid

95% van de adviezen is voor de afgesproken termijn aan de opdrachtgever verzonden

Voortgangsrapportages

Adviestaken Specialistische adviezen buiten het werkprogramma om worden op basis van een kostenraming achteraf gefactureerd. Begroting Omgevingsdienst RUD Zuid-Limburg 2025

21

Consequenties a.g.v. aanscherping van de energiebesparingsplicht Sedert 2019 zijn bedrijven en instellingen met een energiegebruik van 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m³ aardgasequivalent op grond van de zgn. informatieplicht energiebesparing verplicht om alle mogelijke energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder te treffen. Mede door de energiecrisis van het afgelopen jaren is deze energiebesparing landelijk een steeds belangrijker onderwerp geworden. Dit uit zich o.a. in de recente aanscherping van de wet- en regelgeving op dit gebied en de koppeling van de informatieplicht energiebesparing aan de energiebesparingsplicht uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Niet alleen vallen er nu meer bedrijven onder de plicht en gelden er meer maatregelen, maar er zijn ook strengere eisen gesteld aan de te nemen maatregelen dan voorheen. Bovendien dient er extra aandacht besteed te worden aan onderwerpen zoals duurzame energieopwekking, het gebruik van restwarmte, isolatie en elektrische aandrijvingen. Daarnaast is ook de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de energiebesparingsverplichting verbeterd.

Zo is het toezicht en de handhaving op de energiebesparingsplicht, inclusief de bijbehorende informatie- en eventuele onderzoeksplicht, opgenomen in het basistakenpakket van de omgevingsdiensten. Dit laatste betekent dat de toezichthoudende taak van de energiebesparings- en de informatieplicht door alle bevoegde gezagen verplicht als basistaak bij de Omgevingsdienst in moet worden gebracht en dat daarmee het toezicht op de energiebesparingsplicht komt te liggen bij één regionale instantie, hetgeen uiteindelijk ook de professionalisering en kennisopbouw ten goede zal komen. Het inbrengen van deze taken heeft zowel financiële als personele gevolgen voor de dienst als haar deelnemers. Zo moeten bedrijven met een energiebesparingsplicht eens in de 4 jaar rapporteren aan het bevoegde gezag. Deze meldplicht was voorheen ook al voorgeschreven, maar door aanscherpingen in de regelgeving zullen in de toekomst meer bedrijven onder deze meldplicht gaan vallen. Het is de taak van de omgevingsdienst om te controleren of alle bedrijven die moeten voldoen aan de energiebesparingsplicht, tijdig hebben gerapporteerd en, als dit niet het geval is, de verzuimende bedrijven aan te schrijven en indien nodig de bijbehorende juridische procedures op te starten.

Voor bedrijven en instellingen met een jaarlijks energiegebruik vanaf 10 miljoen KWh elektriciteit of 170.000 m3 aardgas(equivalent) geldt de onderzoeksplicht energiebesparing. Deze onderzoeksplicht is verbonden aan de energiebesparingsplicht uit het Besluit activiteiten leefomgeving en bepaalt dat zij elke 4 jaar een onderzoeksrapport moeten (laten) opstellen. Onder de onderzoeksplichtige bedrijven vallen bijvoorbeeld de bedrijven die participeren in het Europese systeem voor emissiehandel (ETS of Emission Trade System). De omgevingsdienst bezoekt vervolgens zowel de informatie- als onderzoeksplichtige bedrijven en instellingen en controleert of ze de verplichte energiebesparings- en verduurzamingsmaatregelen hebben genomen. Onduidelijk is op dit moment wat de exacte consequentie is van bovenstaande nieuwe regelgeving, want de doelgroep van potentiële bedrijven is op dit moment niet exact bekend. Sedert juli 2019 is wel bekend dat er in het werkgebied van onze dienst een kleine 2000 bedrijven zich gemeld hebben en daarmee invulling hebben gegeven aan de 1ste ronde van de informatieplicht, maar dat dit zeker niet alle bedrijven zijn die wettelijk verplicht waren om zich te melden. Landelijk is hierover geconcludeerd dat ongeveer een percentage van 70% daadwerkelijk invulling heeft gegeven aan die meldplicht in de periode 2019-2023. Daarnaast waren in die 22

Begroting Omgevingsdienst RUD Zuid-Limburg 2025

eerste ronde van de informatieplicht niet alle bedrijven (denk o.a. aan de “vergunningsplichtige” bedrijven) verplicht om zich te melden. Concluderend kan gesteld worden dat de hiervoor aangegeven werkzaamheden door omgevingsdiensten opgepakt gaan worden, maar dat op dit moment nog niet bekend is hoe groot de daarvoor benodigde capaciteit moet zijn en welke extra financiële middelen daarvoor eventueel benodigd zijn dan wel gereserveerd moeten worden. Niet alleen het aantal bedrijven dat onder deze regelgeving valt is onbekend, maar ook de exacte omvang van de daarbij uit te voeren werkzaamheden is op dit moment (nog) niet volledig uitgekristalliseerd. Het jaar 2024 wordt dan ook gebruikt om hier meer duidelijkheid over te krijgen en dat betekent dat we gedurende het jaar de extra benodigde capaciteit per opdrachtgever niet alleen in beeld zullen brengen, maar ook de bijbehorende extra financiële middelen die daarvoor benodigd zijn zullen bepalen. Vervolgens is het de bedoeling om dat deze informatie vanaf het kalenderjaar 2026 wordt verwerkt in de individuele werkprogramma’s van onze opdrachtgevers. Rapportageverplichting werkgebonden personenmobiliteit Nederland heeft in het kader van het klimaatakkoord afgesproken om op termijn de totale CO2-uitstoot te gaan verminderen.

Onderdeel daarvan is de CO2-uitstoot van zakelijk verkeer en woon-werkverkeer van werknemers, want de CO2-uitstoot van dit soort verkeer is volgens schattingen voor meer dan 50% van de gereden kilometers in Nederland verantwoordelijk. Om hierover meer inzicht te verkrijgen wil het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) beginnen met te bekijken hoeveel CO2 het zakelijk verkeer en het woonwerkverkeer van werknemers momenteel uitstoot. Het heeft een tijdje geduurd vooraleer de ministerraad de ingangsdatum van deze rapportageverplichting vast heeft gesteld, maar in november 2023 heeft deze raad dan toch besloten dat per 1 juli 2024 deze verplichting moet worden uitgevoerd. Dit betekent dat organisaties die 100 of meer werknemers in dienst hebben uiterlijk 30 juni 2025 de eerste keer moeten gaan rapporteren over de CO2-uitstoot van de werkgebonden personenmobiliteit van hun organisatie over de tweede helft van 2024. Daarbij gaat het met name om het totaal aantal kilometers dat de desbetreffende werknemers in dat kalenderjaar hebben afgelegd voor zakelijk en woon-werkverkeer en hoe de verdeling van dat jaartotaal aan kilometers verdeeld kan worden over het soort vervoermiddel en het mogelijk daarvoor gebruikte brandstoftype.

Landelijk is bepaald dat het toezien op de naleving van het frequent, tijdig, goed en volledig indienen door organisaties van een dergelijke CO₂-rapportage als extra basistaak door overheden (gemeenten en provincies) moet worden ingebracht bij de omgevingsdiensten en dat deze diensten verder uitvoering geven aan de daadwerkelijke bijbehorende werkzaamheden. Dit betekent dat wij in Zuid-Limburg verantwoordelijk worden voor de controle op de rapportageverplichting en daarbij controleert of een organisatie die onder de regelgeving valt ook daadwerkelijk de rapportage opstuurt. Landelijk is ingeschat dat rekening moet worden gehouden met een totale werklast voor de uitvoering van bovengenoemde werkzaamheden van 0,4 fte per provincie. Dit betekent dat er bij de dienst per 1 januari 2025 extra financiële middelen benodigd zijn om 0,2 fte (schaal 9) capaciteit hiervoor beschikbaar te hebben.

23

Begroting Omgevingsdienst RUD Zuid-Limburg 2025

3

FINANCIEEL

Voor de gemeenschappelijke regeling is het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) van toepassing. Conform het BBV zijn wij verplicht de baten en lasten uit te splitsen in taakvelden. Aangezien wij voor zowel de Provincie Limburg als voor de Zuid-Limburgse gemeenten werken dienen wij hierbij onze baten en lasten te splitsen volgens de gemeentelijke indeling. Volgens deze gemeentelijke indeling werken wij voor onze primaire taakuitvoering uitsluitend in één taakveld, namelijk het taakveld "Milieubeheer". Het taakveld Overhead is opgenomen in hoofdstuk 5 van deze begroting. Algemeen Zie het financieel overzicht in paragraaf 5.4 voor de totale begroting en bijlage 6.2 voor de bijdrage per deelnemer. Aanpassingen De belangrijkste wijzigingen in 2025 ten opzichte van de gewijzigde begroting 2024 zijn: Toename begrote kosten x € 1.000,Autonome ontwikkeling Loonindex Index materiële kosten subtotaal autonome ontwikkelingen

885 48 933

Ontwikkeling wetgeving (basistaken) Toename direct personeel agv toename basstaak

1.001

Eerdere besluitvorming basistaken Toename bodem volgens ingroeimodel Bijdrage groei basistaken aan robuustheid

220 1.221

Volwaardige strafrechtpoot BOA ten behoeve van gemeenten

126

Ontwikkeling bedrijfsvoering in kader robuustheid Bedrijfsvoering (ingroeimodel in 2025)

736

Subtotaal groei naar robuustheid

2.083

Totaal mutaties ten opzichte van gewijzigde begroting 2024

3.016

• Toename personeel. . Zie toelichting in paragraaf 1.2 •

De prijsindex 2025 24

Begroting Omgevingsdienst RUD Zuid-Limburg 2025

Voor 2025 is de prijsindex gebruikt van het CPB voor overheidssalarissen en materiele overheidsconsumptie. Deze bedragen resp. 5,4% en 1,6%, hiermee sluiten wij aan op de index zoals die ook gehanteerd wordt door de Veiligheidsregio Zuid-Limburg. 3.1

Lasten

Personeelskosten De personeelskosten zijn in 2025 gebaseerd op een formatie omvang van de RUD Zuid-Limburg van 153,8 fte, waarvan 130,8 fte direct. Deze formatie wordt niet volledig ingevuld met vast personeel, maar er wordt gewerkt met een flexibele schil om pieken en dalen op te vangen. De flexibele schil is in personen gerekend bij het opstellen van deze begroting 16%, in fte gerekend is het ongeveer 11%. Opleidingskosten personeel Het bedrag dat is opgenomen in de begroting als opleidingskosten betreft het onder meer op peil houden van de kennis van volledig voor de taakuitoefening toegerust personeel om aan de landelijke kwaliteitscriteria te voldoen. Eveneens valt onder deze post de opleidingskosten om medewerkers zich verder te laten ontwikkelen maar ook om nieuwe jonge medewerkers in de vorm van een traineeship aan te trekken. Het belang van opleiding(en) voor eigen medewerkers manifesteert zich meer en meer zeker nu ervaren medewerkers moeilijk te vinden zijn in de gespannen arbeidsmarkt. Men mag van onze dienst tevens verwachten dat wij inzetten op behoud en uitbouw van kennis, ook op het vlak van digitalisering. Zeker in een toekomstige, krimpende arbeidsmarkt. Kosten van ICT De kosten van ICT zijn in deze begroting uitsluitend geïndexeerd met de inflatie-index In de loop van 2024 zal er een nieuw beleidsplan worden opgesteld voor de periode 2025-2028.

Er is nog € 373.098 beschikbaar van de bestemmingsreserve ICT. Deze is oorspronkelijk gevormd om de aansluitingen aan landelijke systemen te financieren en de overgang naar het VTH systeem dat hiervoor nodig was. Nu de afrekening van dit project bekend is blijken de totale kosten lager dan was voorzien bij de vorming van de reserve. Wij denken echter dat de ICT kosten in de toekomst aanzienlijk zullen zijn. Om in 2025 een goede start te kunnen maken met het beleidsplan wordt het AB gevraagd akkoord te gaan met de herbestemming van de bestemmingsreserve ICT voor het beleidsplan ICT 2025-2028. Indien ontoereikend om het beleidsplan volledig te financieren komen we hierop terug bij de begroting 2026 / meerjarenraming 2027-2029. Kapitaallasten De opgenomen kapitaallasten zijn gebaseerd op het afschrijvings- en vervangingsplan dat is afgestemd met de provincie, aangezien nagenoeg alle kapitaalgoederen worden gebruikt voor de taakuitvoering van de meetdiensttaken ten behoeve van de Provincie Limburg. Deze kosten worden rechtstreeks doorbelast en zijn niet in de uurtarieven opgenomen. 3.2

Baten

Hoofdinkomsten De inkomsten van de RUD Zuid-Limburg bestaan nagenoeg volledig uit bijdragen van de deelnemers in de gemeenschappelijke regeling RUD Zuid-Limburg. Deze bijdragen zijn gebaseerd op het afgesproken 25

Begroting Omgevingsdienst RUD Zuid-Limburg 2025

werkprogramma, waarin per deelnemer de uit te voeren taken en daarmee gemoeide uren zijn beschreven, alsmede overige te verlenen diensten. Bij de start van de RUD Zuid-Limburg is afgesproken dat er vanaf 2017 wordt gewerkt met outputfinanciering recent is de productcatalogus geactualiseerd. De uitgangspunten voor de outputfinanciering blijven overeind. • Er worden prijzen gehanteerd per product uit de productencatalogus; • Tarieven zijn afhankelijk zijn van de complexiteit van de taak; • Er zijn 4 complexiteitsniveaus met elk een tarief; • Elk tarief is gebaseerd op integrale uurkosten van de directe personeelsleden belast met de uitvoering; Alle kosten gemoeid met afschrijving, exploitatie en huisvesting van de overgebrachte taken van de meetdienst lucht en geluid worden afzonderlijk doorbelast naar de Provincie Limburg. De uurtarieven voor 2025 zijn voor de 4 complexiteitsniveaus als volgt: zeer complex € 135,00 complex € 118,00 gemiddeld € 107,00 eenvoudig € 96,00 Dit betreft tarieven exclusief gebruik materieel. De tarieven worden bepaald door de totale kosten te verdelen door de productieve uren van de uitvoerende functies. De tarieven zijn geïndexeerd ten opzichte van 2024. De toegepaste index is voor 2025 gemiddeld 7%. Dit betreft 5,2% inflatie en 1,8% voor toename overhead.

Het percentage van de inflatie is berekend als gewogen gemiddelde van de index voor personeelskosten en materiele kosten. De toename van de overhead vloeit voort uit de toename van 6 fte bedrijfsvoering in 2025, hierdoor stijgt het aandeel overhead personeel relatief (was in 2024 10% van totaal ) ten opzichte van de uitvoerenden (in 2025 13% van het totaal), daar staat tegenover dat andere overhead relatief afneemt door de volumetoename in de uitvoering. Zie ook het overzicht op blz. 36 Adviestaken Specialistische adviezen buiten het werkprogramma om worden op basis van een kostenraming achteraf gefactureerd. Materieel budget Provincie en huisvesting locatie Sittard De Provincie stelt een specifiek materieel budget beschikbaar voor de uitvoering van de provinciale taken. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de exploitatiekosten en de afschrijvingskosten en rentekosten van de specifiek voor de Provincie bestemde voertuigen en meetinstrumenten. Hiervoor is in de begroting opgenomen € 435.377. Dit betreft de door de Provincie ingebrachte taken lucht en geluid. Dit bedrag zal in zijn geheel in rekening worden gebracht aan de Provincie zodat er geen financiële gevolgen ontstaan, conform eerder geaccordeerde begrotingen, voor de overige deelnemers. Hetzelfde geldt voor de huisvesting op locatie Sittard die met deze taken gemoeid is. Dit betreft een bedrag van € 33.624.

In de begroting maakt dit onderdeel uit van de post “Verbruikskosten en onderhoudskosten materieel” Exploitatiesaldo Er wordt bij het opstellen van de begroting ervan uitgegaan dat er geen exploitatiesaldo is. De begroting wordt geacht precies kostendekkend te zijn via de werkprogramma’s doorgerekend aan de deelnemers in de gemeenschappelijke regeling. 26

Begroting Omgevingsdienst RUD Zuid-Limburg 2025

4

VERPLICHTE PARAGRAFEN

In het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) staat aangegeven dat in de Programmabegroting ten minste de navolgende paragrafen opgenomen moeten zijn: 1. Lokale heffingen 2. Weerstandsvermogen en risicobeheersing 3. Onderhoud kapitaalgoederen 4. Financiering 5. Bedrijfsvoering 6. Verbonden partijen en 7. Grondbeleid. De paragrafen "lokale heffingen", "verbonden partijen" en "grondbeleid" zijn niet van toepassing, omdat de dienst niet wordt gefinancierd door heffingen, niet participeert in verbonden partijen en geen gronden in bezit heeft. De overige paragrafen zijn hieronder toegelicht. 4.1 Lokale heffingen Niet van toepassing. 4.2 Weerstandsvermogen en risicobeheersing Het weerstandsvermogen geeft aan hoe robuust de meerjarenbegroting is en geeft inzicht in de financiële draagkracht van de organisatie indien zich onvoorziene gebeurtenissen voordoen. Een exact sluitende meerjarenbegroting zonder toereikende buffer betekent dat elke onvoorziene financiële tegenvaller direct dwingt tot bezuinigen om alsnog een structureel sluitende begroting te houden. In dat geval staat het beleid ook direct onder druk. Daarom heeft de dienst op elk moment voldoende weerstandscapaciteit nodig.

Begripsomschrijving Het weerstandsvermogen is de relatie tussen de risico's, waarvoor geen specifieke maatregelen zijn getroffen enerzijds, en de capaciteit van middelen en mogelijkheden (weerstandscapaciteit) die de organisatie heeft om niet begrote kosten op te vangen anderzijds (art. 11 BBV). Hoe groot die weerstandscapaciteit moet zijn, is afhankelijk van de risico's die de RUD Zuid-Limburg op dat moment loopt. Hiertoe worden strategische risico's onderscheiden van de reguliere. Reguliere risico's doen zich regelmatig voor en zijn over het algemeen goed meet- en beheersbaar. Voorbeelden van beheersmaatregelen zijn het afsluiten van verzekeringen, het vormen van voorzieningen, het creëren van bestemmingsreserves en het inrichten van de administratieve organisatie en interne controle. Kenmerkend aan strategische risico's is dat er sprake is van niet of nauwelijks beïnvloedbare (externe) risico's. Meestal is de kans dat het risico zich voordoet klein, terwijl de financiële gevolgen groot kunnen zijn. Beide zijn moeilijk in te schatten. Dergelijke risico's kunnen samenhangen met rijksbrede bezuinigingen, onvoorziene kostenstijgingen, productiviteitsverlies en veranderingen in de vraag. Om te voorkomen dat de RUD Zuid-Limburg bij het voordoen van een niet afgedekt strategisch risico ingrijpende wijzigingen moet 27

Begroting Omgevingsdienst RUD Zuid-Limburg 2025

doorvoeren, dient de RUD Zuid-Limburg weerstandscapaciteit te bezitten om tegenvallers te kunnen opvangen. De verhouding tussen de beschikbare weerstandscapaciteit en de benodigde weerstandscapaciteit geeft het weerstandsvermogen aan. Het weerstandsvermogen wordt daarom uitgedrukt in de ratio. De paragraaf weerstandvermogen bevat een aanduiding van het risicoprofiel, de risico's en het gewenste weerstandsvermogen. Vervolgens wordt ingegaan op de termijn die naar verwachting nodig is om het weerstandsvermogen op niveau te brengen. Hiermee wordt een indicatie gegeven hoe robuust de begroting is. Er is een risicomatrix opgesteld ten behoeve van het bepalen van het weerstandsvermogen. Beleid inzake risico’s en weerstandsvermogen Het beleid inzake risico's en weerstandsvermogen is vastgesteld door het algemeen bestuur. Het weerstandvermogen (ratio) aldus bepaald komt voor 2024 uit op 3,5% van de omzet. In de gemeenschappelijke regeling artikel 30 is bij de vorming van de dienst de gewenste weerstandscapaciteit bepaald op maximaal 10% van de structurele omzet. Risicoprofiel Gemiddeld profiel

Benodigde omvang weerstandscapaciteit <10,0 % van de structurele omzet

Uitgangspunt is dat de begroting van onze organisatie sluitend is. Echter als de dienst geconfronteerd wordt met incidentele uitgaven die leiden tot een nadelig exploitatieresultaat, dan wordt dit additionele nadelige resultaat ten laste gebracht van de deelnemers in de gemeenschappelijke regeling. Het weerstandsvermogen vormt een buffer en voorkomt dat er ingeval van tegenvallers onmiddellijk actie moet worden ondernomen in de richting van de deelnemers. Het weerstandsvermogen/de algemene reserve wordt gevoed uit de positieve exploitatieresultaten, totdat de vereiste weerstandscapaciteit is bereikt. Indien de vereiste weerstandscapaciteit niet binnen afzienbare tijd wordt bereikt zal er een afzonderlijk plan worden voorgelegd om de vereiste weerstandscapaciteit te bereiken. De vereiste weerstandscapaciteit is bepaald door een inventarisatie van risico's die jaarlijks wordt uitgevoerd, deze inventarisatie wordt uitgevoerd tezamen met een afvaardiging van onze deelnemers. Kengetallen met betrekking tot weerstandsvermogen en risicobeheersing De BBV-kengetallen zijn geënt op begroting en verantwoording van gemeenten en provincies en verplicht (maar beperkt toepasbaar) voor de dienst.

Aangezien er geen sprake is van een bancaire schuld (en deze ook niet voorzien is in de komende jaren) en ook geen exploitatieruimte en geen grondexploitatie en geen belastingen heft zijn deze niet van toepassing. Voor de dienst is het enige relevante verplichte kengetal de solvabiliteitsratio. Deze wordt berekend door de verhouding Eigen vermogen gedeeld door Totaal Vermogen (balanstotaal). We zien een geleidelijk teruglopen van de solvabiliteitsratio in de komende jaren. Dat betekent dat het eigen vermogen ten opzichte van het totaal vermogen (balanstotaal) afneemt. De reden hiervoor ligt in de afname van componenten in het balanstotaal die als eigen vermogen zijn te bestempelen. Met name de uitkering van het onverdeeld resultaat en de inzet van bestemmingsreserves zijn hier de oorzaak van. 28

Begroting Omgevingsdienst RUD Zuid-Limburg 2025

4.3

Onderhoud kapitaalgoederen

Het betreft kapitaalgoederen die gebruikt worden in de uitoefening van de primaire taken, met uitzondering van meetapparatuur ‘lucht en geluid’, die de dienst heeft overgenomen van de Provincie Limburg. De RUD Zuid-Limburg kiest ervoor de kapitaalgoederen buiten bovenbedoelde meetapparatuur ‘lucht en geluid’, bij voorkeur voor lease in plaats van koop van kapitaalgoederen en daarmee is de omvang van de kapitaalgoederen op de balans laag. Daar staat tegenover een verschuiving naar de gebruikskosten. De kosten worden gedekt in de gehanteerde tarieven. Voor specifieke apparatuur en speciale voertuigen is een aparte opslag in de tarieven berekend teneinde ook deze kostendekkend te kunnen exploiteren en de kosten daar te laten landen waar deze diensten worden afgenomen. De lasten van de overgenomen meetapparatuur ‘lucht en geluid’ worden conform afspraak volledig in rekening worden gebracht aan de Provincie Limburg. Bij inzet van deze apparatuur voor anderen dan de Provincie Limburg worden in overleg met de Provincie Limburg tarieven aan deze opdrachtgevers in rekening gebracht.

4.4 Financiering De financieringsparagraaf in de begroting is, in samenhang met de financiële verordening die in artikel 212 Gemeentewet en artikel 216 van de Provinciewet is voorgeschreven, een belangrijk instrument voor het transparant maken en daarmee voor het sturen, beheersen en controleren van de financieringsfunctie. In het Treasurystatuut zijn het begrippenkader en de doelstellingen van de treasuryfunctie geformuleerd en geconcretiseerd naar de verschillende deelgebieden van treasury, risicobeheer, financiën en kasbeheer. Ook zijn de organisatorische randvoorwaarden weergegeven. Tot slot zijn in het statuut de uitgangspunten vastgelegd voor de informatie die noodzakelijk is om het gehele proces beheersbaar en meetbaar te houden. 4.4.1 Algemene ontwikkelingen De treasuryfunctie is gebaseerd op de Wet Financiering Decentrale Overheden (Wet FIDO). Een belangrijk element daarbij is het meer zicht krijgen op de ontwikkeling van de financieringspositie, zowel op de korte als lange termijn. Dit betreft dan met name het in beeld brengen van de behoefte aan financieringsmiddelen, gerelateerd aan de investeringsplanning en de inzet van vrijvallende dan wel beschikbaar komende financieringsmiddelen.

4.4.2 Risicobeheer De algemene uitgangspunten met betrekking tot het risicobeheer luiden als volgt: De dienst beperkt haar interne liquiditeitsrisico’s door haar treasuryactiviteiten te baseren op een adequate/actuele liquiditeitsplanning. Het Dagelijks Bestuur neemt bij het aantrekken van financieringen de volgende uitgangspunten in acht: • Financieringen worden enkel aangetrokken ten behoeve van de uitoefening van de publieke taak. • Financiering met vreemd vermogen wordt zoveel mogelijk beperkt door primair de beschikbare liquide middelen te gebruiken teneinde het renteresultaat te optimaliseren.

29

Begroting Omgevingsdienst RUD Zuid-Limburg 2025

4.4.3 Renterisicobeheer De algemene uitgangspunten met betrekking tot het renterisicobeheer zijn: • De kasgeldlimiet wordt volgens de ministeriële regelingen beheerd; • De renterisiconorm wordt niet overschreden conform ministeriële regelingen; • Nieuwe leningen/uitzettingen worden afgestemd op de bestaande financiële positie, rentevisie en de liquiditeitenplanning. De rentetypische looptijd en het renteniveau van de betreffende lening/uitzetting wordt zoveel mogelijk afgestemd op de actuele rentestand en de rentevisie. 4.4.4 Kasgeldlimiet Met de kasgeldlimiet is in de wet FIDO een norm gesteld voor het maximumbedrag waarop de organisatie haar financiële bedrijfsvoering met kortlopende middelen (looptijd < 1 jaar) mag financieren. Deze norm bedraagt voor 2024 8,5% van het begrotingstotaal aan lasten voor bestemming, dus met uitzondering van de stortingen in de reserves 8,5% van € 21,2 miljoen (omvang begroting) = € 1,8 miljoen. Aangezien de norm voor 2025 nog niet bekend gemaakt is staat de norm voor 2024 hier vermeld. De liquide middelen betreffen rekening-courant tegoeden, deposito's komen voort uit de financiering van het lopende bedrijf en de bestemmingsreserves. De huidige financiële positie geeft geen aanleiding om op de korte termijn maatregelen voor te stellen.

30

Begroting Omgevingsdienst RUD Zuid-Limburg 2025

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Kerkrade&id=82f5b738-961c-4fad-ac15-7561302b9cb0