23it01504 Verordening uitvoering en handhaving (omgevingsrecht) verordening
Tekst van het document
it 'î’ift.o 'Sú4
Verordeninguitvoeringen handhaving(omgevingsrecht) Besluitvande raadvande gemeenteKerkrade(behoort bij 23Rb061)tot vaststelling vande Verordeninguitvoeringen handhaving(omgevingsrecht) GemeenteKerkrade2023 (Verordeninguitvoeringen handhaving(omgevingsrecht) gemeenteKerkrade2023)
De raad van de gemeente Kerkrade;
gelezen het voorstelvan burgemeester en wethouders van 20 juli 2023, 23TI054; overwegende dat: 1.
gemeenten, provinciesen de gemeenschappelijke dienstendie in hun opdracht werken, zich bij de zorg vooreen gezonde en veilige fysieke leefomgeving met oog voorde maatschappelijke functiesdaarvan, waar die zorg gestalte krijgt in de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving van het omgevingsrecht, voorde gezamenlijke opgave gesteld zien om in landelijk verband de kwaliteit van deze uitvoeringen handhaving te bevorderen, te borgen en te beoordelen;
2.
het met het oog daaropwenselijk is om regels vast te stellen, in onderlingeafstemming ophet niveau van omgevingsdienst RUD-Zuid Limburg, doorde deelnemendegemeenten en provincie;
3.
het richtsnoer voorde kwaliteitsbevordering de in landelijke samenwerking opgestelde vigerende kwaliteitscriteria zijn die opbasis van technische en maatschappelijke ontwikkelingen,indiendaartoe aanleiding is, met betrokken partijen in landelijke afstemming zullenwordenaangepast;
gelet opde artikelen 18.20, derde lid, en 18.23, eerste lid, aanhef en ondera, van de Omgevingswet en artikel 149 van de Gemeentewet;
gezien het advies van de commissie Grondgebied en EconomischeZaken; besluit vast te stellen de volgende verordening:
GemeenteKerkrade2023 Verordening uitvoeringen handhaving(omgevingsrecht) Artikel1. Definities In deze verordeningen daarop berustende bepalingen wordt onderbetrokkenwetten verstaan: Omgevingswet en Wet milieubeheer, voorzover paragraaf 18.3.3 van de Omgevingswet van overeenkomstigetoepassing is verklaard. Artikel2. Reikwijdte Deze verordeningis van toepassing opde uitvoeringen handhaving van de betrokkenwetten doorof in opdracht van burgemeester en wethouders. Artikel3. Betrokkenheid vande raad De raad ziet toe opde hoofdlijnenvan het doorburgemeester en wethouders gevoerde beleid voorde kwaliteit van de uitvoeringen handhaving van de betrokkenwetten.
Artikel4. Kwaliteitsdoelen 1 . Burgemeester en wethouders beoordelende kwaliteit van de uitvoeringen handhaving van de betrokkenwetten in het licht van daarvoordoorhen gestelde doelenin de uitvoerings-en handhavingsstrategie. 2. De doelenin de uitvoerings-en handhavingsstrategie voorde betrokkenwetten hebben in ieder geval betrekking op: a. de dienstverlening; b. de uitvoeringskwaliteitvan dienstenen producten; c. de financiën. Artikel5. Kwaliteitsborging 1 . Op de uitvoeringen handhaving van de betrokkenwetten doorof in opdracht van burgemeester en wethouders zijn de actuele kwaliteitscriteria van toepassing die in landelijke samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkelden beschikbaar gesteld zijn inzake de beschikbaarheid en de deskundigheid van organisaties die met de kwaliteit van de uitvoeringen handhaving van de betrokkenwetten zijn belast. 2. Over de naleving van de kwaliteitscriteria doen burgemeester en wethouders jaarlijks mededeling aan de raad. 3. Voorzover de kwaliteitscriteria niet zijn of kondenwordennageleefd, doenburgemeester en wethouders daarvan gemotiveerd opgave. Artikel6. Inwerkingtredingen citeertitel 1 . Deze verordeningtreedt in werking na inwerkingtreding van de Omgevingswet en de Verordening Kwaliteit Vergunningverlening,Toezicht en Handhaving Omgevingsrecht gemeente Kerkrade 2016 wordt na inwerkingtreding van de wet ingetrokken. 2.
Deze verordeningwordt aangehaald als: Verordeninguitvoeringen handhaving (omgevingsrecht) gemeente Kerkrade 2023. Aldus vastgesteld in de openbareraadsvergadering van 4 oktober2023. De voorzitter van de raad, _______ dr. T.P. Dassen-Housen
De grrfaér,
1
drs. D.G.M.G. Franssen
Toelichting Algemeen Deze verordeningregelt de kwaliteit van de uitvoeringen handhaving van het omgevingsrecht dooren in opdracht van burgemeester en wethouders. Achtergrond enaanleiding In 2015 kwamen de VNG en het IPO met een uniformemodelverordeningkwaliteit vergunningverlening,toezicht en handhaving omgevingsrecht. Deze uniformemodelverordeningwerd opgesteld omdat gemeenten, provinciesen de gemeenschappelijke dienstendie in hun opdracht werken, zich vooreen gezamenlijke opgave gesteld zagen. De opgave was om in landelijk verband de kwaliteit van de uitvoeringen handhaving te bevorderen, te borgen en te beoordelenbij de gedeelde zorg vooreen gezonde en veilige fysieke leefomgeving (zie VNG ledenbrief Lbr. 15/055 van 7 juli 2015). De grondslag van deze verordeningwerd destijds opgenomenin de artikelen 5.4 en 5.5van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo). Sindsdienzijn de kwaliteitscriteria 2.1, en later per 1 juli 2019, kwaliteitscriteria 2.2, voorde uitvoeringvan de Wabo ontwikkelden beschikbaar gesteld in brede samenwerking tussenbevoegde gezagen. Het uitgangspuntvoorde kwaliteitsbevordering is de in landelijke samenwerking opgestelde kwaliteitscriteria 2.2, die opbasis van technische en maatschappelijke ontwikkelingenmet betrokken partijen in landelijke afstemming zullenwordenaangepast.
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet (hierna: Ow) vervalt de Wabo als grondslag voorde verordening. De Verordeninguitvoeringen handhaving (omgevingsrecht)heeft de artikelen 18.20 en 18.23 van de Ow als grondslag en is om die reden opnieuwvastgesteld. De hierbij doorde raad vast te stellen verordeningvolgt de Model Verordeninguitvoeringen handhaving (omgevingsrecht), die voorgemeenten en provinciesgelijkluidend doorde VNG en het IPO is opgesteld. Reikwijdte:eenbredeverantwoordelijkheid voorkwaliteit Deze verordeninggaat uit van een brede verantwoordelijkheidvan gemeenten en provinciesvoor kwaliteit. Dat wil zeggen dat als vertrekpuntwordt genomendat alle uitvoerings-en handhavingstaken van burgemeester en wethouders opgrond van de Ow, onderwerpvan de verordeningvormen. Het gaat dan om thuistaken, die burgemeester en wethouders “in eigen huis” verrichten, de basistaken die krachtens artikel 18.22 van de Ow in opdracht van burgemeester en wethouders door omgevingsdienstenwordenverricht en de plustaken,die burgemeester en wethouders naast de basistaken hebben belegd bij de omgevingsdienst. Behalve milieutaken betreft het dus ook uitdrukkelijkde zogenaamde "BRIKS-taken" (inzake bouw-, reclame-, inrit-, kap- en sloopvergunningen). Deze verordeningstelt regels die vooralle gemeenten en provinciesgelijk zijn.
In alle gevallen zullen burgemeester en wethouders beleid moetenvoerenover de kwaliteit (zie ookartikel 3). Dit beleid komt tot uitdrukkingin de uitvoerings-en handhavingsstrategie, bedoeld in artikel 13.5 van het Omgevingsbesluit. Deze verordeningregelt waarover de doelenvan dit beleid ten minste moeten gaan. Deze verordeningregelt bovendiendat de verrichtingen van de gemeentelijke organisaties en de omgevingsdiensten, waar het de uitvoerings-en handhavingstaken betreft, in het licht van die doelenwordenbeoordeeld.Tot slot regelt de verordeningdat de raad, in het kader van het horizontale toezicht, inhoudelijkdebat voert over de hoofdlijnenvan het meerjarige kwaliteitsbeleid dat burgemeester en wethouders voeren. Samenhang met andere domeinen Onderwerpendie tot het bereik van de verordeningbehoren, kunnenonderdeelblijven uitmakenvan andere thema's dan die van de fysieke leefomgeving alleen. De verordeningbelemmert bijvoorbeeld niet dat onderwerpenmet betrekking tot fysieke veiligheid ookaan de orde kunnenkomenin beoordelingenof rapportages opandere domeinen.Zoals bij de openbareorde en veiligheid binnen gemeenten, waar raakvlakken bestaan tussenbijvoorbeeld de Ow en de Alcoholwet, de Wet bevordering integriteitsbeoordelingendoorhet openbaarbestuur en andere bijzonderewetten.
De uniformeregeling van de verordeningbetekent ookdat voorbijvoorbeeld de taken opgrond van artikel 18.22, tweede lid, van de Ow geen specifieke, aanvullendeeisen wordengesteld. Ook hier is het relevante kader breder dan de Ow alleen en vindt taakuitoefeningplaats in samenwerking met andere bevoegde gezagen. De basis van de kwaliteitscriteria blijven ookhier de afspraken die in het kader van het Programma Uitvoering met Ambitie (PUMA) zijn gemaakt. De criteria voorde omgevingsdiensten met taken, bedoeld in artikel 18.22, tweede lid, van de Ow, zijn in Nederland
hetzelfde. In afstemming met de andere bevoegde gezagen kunnenaanvullendeafspraken gemaakt worden. Hoofdlijnen vande verordening De verordeningvormt het kader voorde kwaliteit van de uitvoerings-en handhavingstaken ophet terrein van de Ow doorde gemeente en in opdracht daarvan handelende (omgevings)diensten. De verordeningdrukt commitmentuit van de raad aan kwaliteit. De verordeningverbindt daarmee inhoudelijkeambities voorkwaliteit aan bestaande, deels in ontwikkelingzijnde, andere kaders die doorprocedureleof inhoudelijkenormeringvan uitvoeringen handhaving bijdragen aan deze kwaliteit. Denk bijvoorbeeld aan de Gemeentewet, de Provinciewet, de Ow, de Wet milieubeheer (hierna: Wm), de Algemene wet bestuursrecht en de Wet gemeenschappelijke regelingen (hierna: Wgr). Bij ontwikkelingen bekendmaking van de kwaliteitscriteria wordendeze kaders ookbetrokken. Van deze kaders is de Ow en daarop gebaseerde regelgeving wellicht de belangrijkste. Zo bevat artikel 13.5 e.v. van het Omgevingsbesluit procedureleregels voorhet uitvoerings-en handhavingsbeleid en de vergunningverleningdoorhet bevoegd gezag. Dit houdt in dat burgemeester en wethouders verplicht zijn tot het stellen van doelen, het identificerenvan activiteiten ter uitvoering daarvan, de inrichting van de uitvoeringsorganisatie,het monitorenen het rapporterendaarover.
In de praktijk zijn bovendienverschillende kaders gebruikelijk voorhet beoordelenvan de kwaliteit doorde omgevingsdienst (respectievelijk de eigen diensten),doorburgemeester en wethouders en tot slot doorde raad. Vertrekpuntzijn de actuele kwaliteitscriteria (waarvan de toepassing is verankerd in artikel 5, zie de toelichting aldaar) en andere standaarden en methoden die doorhet bevoegde gezag al veel wordengehanteerd. Deze zijn ontwikkelden wordenverder ontwikkeldmet als doel de kwaliteit van uitvoerings-en handhavingstaken te waarborgen en te bevorderen. Of deze kaders gerealiseerd zijn en hoe deze bijdragen aan de kwaliteit van de uitvoering-en handhavingstaken, moet jaarlijks wordenbeoordeelddoorburgemeester en wethouders. Hiervooris inputnodig van de omgevingsdiensten en van de internegemeentelijke organisatie. Burgemeester en wethouders zullendus beoordelen"of het goed gaat" opbasis van de doorhenzelf geformuleerde beleidsdoelenvoorin ieder geval de dienstverlening, uitvoeringskwaliteitvan productenen dienstenof de financiën(artikel 4, tweede lid, ondera tot en met c). Uiteindelijk zullenburgemeester en wethouders hierover verantwoordingafleggen aan de raad (horizontaleverantwoording).De leden van de raad vormenimmers ookeen eigen oordeel"of het goed gaat ” in het licht van de kwaliteit van de leefomgeving.
De politiek-bestuurlijkeoverwegingen van de raad zullenbetrekking hebben opde meerjarige hoofdlijnenvan het beleid, niet opde organisatorische kwesties van bezetting die tot de competentievan de directeurenvan de diensten behoort. Daarbij zal ookhet verband gelegd kunnenwordentussende strategische plannenen visies over de hoofdlijnenvan het omgevingsbeleid binnende gemeente, zoals vastgelegd in de omgevingsvisie. De raad oefentinvloeduit opde formuleringvan doelenen indicatorendoor burgemeester en wethouders en opde bijstelling daarvan zoals bijvoorbeeld welke informatie de raad wil terugzien in de verantwoordingsrapportagesvan burgemeester en wethouders. In die zin worden de kaders voorde beoordeling van de raad overgelaten aan het politiekedebat. Zo ordentde verordeningde kwaliteit van uitvoeringen handhaving, doorde betrokkenactoren met elkaar te verbindenvanuitieders competentie: - De organisaties werken overeenkomstigde actuele kwaliteitscriteria met betrekking tot deskundigheid en beschikbaarheid, en leggen rekenschap af aan burgemeester en wethouders of gedeputeerde staten die hiervoor verantwoordingafleggen aan de raden en provincialestaten.
- Burgemeester en wethouders zijn, als bevoegd bestuursorgaan,belast met het stellen van beleidsdoelenvoorde kwaliteit van de uitvoerings-en handhavingstaken overeenkomstigde procesregels van het Omgevingsbesluit, - De raad oefenthorizontaal toezicht uit opburgemeester en wethouders en gebruikt, waar nodig, de krachtens de Gemeentewet en de Wgr - aan haar toekomendemogelijkheden. Impactvandezeverordening: meerdanregelsalleen Deze verordeningis een blijvend kader voorhet bevorderen, beoordelenen borgen van de kwaliteit van uitvoeringen handhaving. Blijvende goede verrichtingen in dit kader vergen meer dan regels alleen. De kwaliteitscriteria zijn in dat kader in 2019 geactualiseerd naar een versie 2.2. Om de kwaliteitscriteria up-to-datete houdenzullendeze optermijn in brede samenwerking met andere
gemeenten en provinciesen omgevingsdienstengeactualiseerd moetenworden. Hetzelfde geldt voor de doelenen de daarvoorgehanteerde indicatoren,die doorbevoegde gezagen wordengebruikt. Interbestuurlijke regeldruk, uitvoerbaarheid enhandhaafbaarheid Deze verordening beoogt zo veel mogelijk aan te sluitenbij bestaande rapportage- en informatiestromen,opbasis van afdelingen 13.2 en 13.3 van het Omgevingsbesluit en de organieke wetgeving (Gemeentewet, Provincieweten Wgr). De verordeningintroduceertgeen nieuwe rapportageverplichtingenmaar vereist wel extra inputvoorbestaande rapportages. Een goede, tijdige en transparanteuitvoeringvan de bestaande verplichtingen faciliteert ieders rol in de kwaliteitsketen. De verordeningis vanuitdeze bestaande competentieverdelinggericht ophorizontaal toezicht. Van regeldruk voorburgers en bedrijven is geen sprake. Artikelsgewijs Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven, wordenhieronder nader toegelicht. Artikel1. Definities In dit artikel zijn geen begrippen opgenomendie al zijn gedefinieerd in de Ow. Als betrokken wettenwordenaangemerkt de Ow zelf, en de Wm, voorzover bij of krachtens die wetten is bepaald dat paragraaf 18.3.3 van de Ow van overeenkomstigetoepassing is. Dat de Wm van toepassing is, is bepaald in artikel 18.1a van de Wm.
Op de uitvoeringof handhaving van een geheel andere wet, zoals bijvoorbeeld de Alcoholwet, is deze verordeningniet van toepassing (wat onverletlaat dat over overlappendeonderwerpenelders wordt gerapporteerd, zie het algemeen deel van de toelichting). Het begrip omgevingsdienst is niet apart gedefinieerd omdat hiervoor is aangesloten bij de omgevingsdienstenwaarvan melding wordt gemaakt in artikel 18.21 van de Ow. Artikel2. Reikwijdte De reikwijdte van de verordeningheeft een inhoudelijkeafbakening en een afbakening naar bevoegd gezag. Ten eerste moet het gaan om de uitvoeringof handhaving van de betrokkenwetten. De terminologie“uitvoeringen handhaving ” duidt opde uitvoerings-en handhavingstaak, bedoeld in artikel 18.20 van de Ow. “Uitvoering en handhaving ” betekent dan vergunningverlening,toezicht en handhaving. Dat wil zeggen alle taken tot uitvoeringof handhaving van de Ow en van de Wm, voor zover dat in die wet is bepaald. Zie daarover de toelichting bij artikel 1 . Ten tweede moet het gaan om de uitvoeringof handhaving doorof in opdracht van burgemeester en wethouders. De verordeningis dus van toepassing als het gaat om de uitvoeringvan de betrokkenwetten doorburgemeester en wethouders zelf of, in opdracht van burgemeester en wethouders dooreen omgevingsdienst of een private partij (maar vanwege burgemeester en wethouders).
Uitvoering van de Ow of de Wm door andere bevoegde gezagen, zoals het provinciebestuur en andere gemeentebesturendie hun verordeningenopbasis van hetzelfde model vaststellen, het waterschapsbestuur of de minister van Infrastructuuren Waterstaat of de minister van EconomischeZaken en Klimaat, valt buiten het bereik van deze verordening.Waar hier wordt gesprokenover de uitvoeringof handhaving van taken doorof in opdracht van het bevoegd gezag wordt gedoeld opde uitvoeringdoorgemeentelijke dienstenen regionale uitvoeringsdiensten. Artikel3. Betrokkenheid vande raad Dit artikel is van belang voorde rolverdeling tussende raad en burgemeester en wethouders. Ingevolge de systematiek van afdelingen 13.2 en 13.3 van het Omgevingsbesluit, is de jaarlijkse beoordeling van en rapportage over kwaliteit een taak voorhet bevoegd gezag. Dat wil zeggen: burgemeester en wethouders. Bezien vanuitde Gemeentewet, is kaderstelling juist de taak van de raad. De kaderstellende rol krijgt allereerst gestalte doorde vaststelling van deze verordeningals geheel. Daarnaast is het echter, gelet opde samenhang met afdelingen 13.2 en 13.3 van het Omgevingsbesluit, van belang uitdrukkingte geven aan het feit dat de raad vooralvanuitde hoofdlijnenbetrokken is bij het beleid en zal toezienopde continuïteitvan de kwaliteit over meerdere járen.
Het horizontale toezicht doorde raad ophet (regionale) uitvoerings-en handhavingsbeleid door burgemeester en wethouders, zal daarom plaatsvindenin het licht van het strategische beleid dat op hoofdlijnenwordt gevoerd voorde fysieke leefomgeving, zoals omgevingsvisies, milieubeleidsplannen en structuurvisies.
Artikel 3 richt zich tot de raad. Indirect is het artikel eveneensvan belang voorburgemeester en wethouders, en de omgevingsdienstendie in hun opdracht werken, omdat de rol van de raad zich juist bij de meerjarenprogrammering en hoofdlijnenlaat gelden. Voorhet waarmaken van deze rol, beschikt de raad reeds over de mogelijkheden die de organieke wetgeving biedt en de kaders die op strategisch niveau voorde fysieke leefomgeving in plannenen visies zijn vastgelegd. Om deze rol waar te kunnenmaken is het vanzelfsprekendvan belang dat burgemeester en wethouders de raad daartoe doortijdige informatieverstrekking in staat stellen. Dat daarvoor eveneensinformatievan de omgevingsdienst van belang kan zijn, spreekt voorzich en is opgrond van de Wgr en de opdrachten aan de omgevingsdiensten voldoendegewaarborgd. Artikel4. Kwaliteitsdoelen Afdelingen 13.2 en 13.2 van het Omgevingsbesluit verplichten het bevoegd gezag (lees: burgemeester en wethouders) om beleid te formulerenvoorde kwaliteit van de uitoefeningvan de uitvoerings-en handhavingstaken. Er is dan sprake van een uitvoeringsbeleid en handhavingsbeleid, waarover onderlingeafstemming plaats dient te vindentussende bevoegde gezagen ophet niveau van de omgevingsdienst.
Welk beleid moet wordengeformuleerd laat het Omgevingsbesluit inhoudelijkopen.Dit artikel strekt ertoe een inhoudelijkeambitie te geven aan de procesverplichting om kwaliteitsbeleid te vormen. Ten eerste doorvoorte schrijven dat burgemeester en wethouders naar de kwaliteit van de uitvoering en handhaving kijken in het licht van het geformuleerde (regionale) beleid, waarbij de doelenvan dat beleid betrekking moetenhebben opeen aantal voorgeschreven inhoudelijkethema's. Het gaat er daarbij telkens om die doelente zien, niet vanuitelke mogelijke factor die daaraan kan bijdragen, maar vanuithet perspectiefvan de prestaties en kwaliteit van de uitvoeringvan de eigen organisaties. Het gaat dan in ieder geval om dienstverlening, uitvoeringskwaliteitvan productenen dienstenen financiën. Er is voorgekozen in deze verordeninggeen voorschriftente geven over de te gebruiken indicatoren. Dat is in de eerste plaats een taak voorde bevoegde gezagen, die daarmee in de praktijk al ruime ervaring hebben. Artikel5. Kwaliteitsborging Dit artikel geeft een verankering aan de kwaliteitscriteria 2.2 en de opvolgersdaarvan. De kwaliteitscriteria wordendoorbevoegde gezagen in brede samenwerking opgesteld. De kwaliteitscriteria hebben betrekking opde deskundigheid van de uitvoerendeen handhavende organisaties.
De meest actuele versie van de kwaliteitscriteria wordendoorde VNG en het IPO (en andere organisaties) bekendgemaakt. Op het momentvan vaststellen van deze verordening is de meest actuele set (kwaliteitscriteria 2.2 van 1 juli 2019) te vindenop: https://vnq.nl/sites/default/files/vth wabo kwaliteitscriteria versie 2.2 2019 deel b.pdf. Vanwege de verdere ontwikkelingvan de kwaliteitscriteria wordt dynamisch verwezen. Bij een volgende versie van de kwaliteitscriteria hoeft de verordeningniet te wordenaangepast. Artikel 5 strekt ertoe te regelen dat van die kwaliteitscriteria voorde uitvoeringvan uitvoerings-en handhavingstaken in de praktijk gebruik gemaakt wordt. Het gaat immers om kwaliteitscriteria waaraan zorgvuldig en met grote deskundigheid is gewerkt doorde betrokken bevoegde gezagen. Van belang is dat deze kwaliteitscriteria relevante inputleveren voorde kwaliteit. Dat geeft vanzelfsprekendgeen garantie dat de doelendie doorburgemeester en wethouders zijn gesteld op grond van artikel 4 ookzondermeer in alle gevallen wordengehaald. Het bereiken van deze doelen zal immers niet alleen afhankelijk zijn van de goede verrichtingen van de uitvoerendeorganisaties. Van de naleving van de kwaliteitscriteria zal daarom jaarlijks mededeling gedaan moetenwordenaan de raad.
Het gaat hier om een belangrijke inhoudelijkemededelingsplicht die kan worden meegenomen in bestaande jaarlijkse rapportages, in de opgrond van afdelingen 13.2 en 13.3 van het Omgevingsbesluit opte stellen documenten. Omgekeerd wil het evenminzeggen dat, als de kwaliteitscriteria (nog) niet in alle relevante taken wordentoegepast, dat de kwaliteit per definitie te wensenzal overlaten. In dit geval zal echter wel gemotiveerd moetenwordenwaarom de kwaliteitscriteria niet toegepast zijn, of kondenworden,en hoe wel voorde gestelde kwaliteit wordt gezorgd. De kwaliteitscriteria zijn derhalve een cruciaal richtsnoer waarvoor, opgrond van het derde lid, geldt: pas toe of leg uit, “complyor explain’’. Artikel6. Inwerkingtredingen citeertitel Dit artikel regelt de inwerkingtreding van de verordening.Overgangsrecht is niet nodig gelet opde aard van de gestelde regels.