22Tl042 Rekenkamer def.docx
Tekst van het document
Nota van toelichting Nummer.: 22Tl042
Kerkrade, 15 juli 2022
Behorend bij ontwerpbesluiten nummers 22Rb064 en 22Rb065
Onderwerp Instellen Rekenkamer en bemensing rekenkamer Beslispunten Instellen rekenkamer I. de Verordening Rekenkamercommissie en Rekeningcommissie gemeente Kerkrade 2017 in te trekken; II. de Verordening op de Rekenkamer gemeente Kerkrade 2022, welke als zodanig deel uitmaakt van dit besluit, vast te stellen; III. de vergoeding voor de voorzitter en de externe leden van de Rekenkamer Kerkrade vast te stellen op 250 euro per maand voor de voorzitter en 200 euro per maand voor de externe leden; IV. het budget voor de rekenkamer op te hogen tot 45.000 euro per jaar. Bemensing rekenkamer I. het ontwerpbesluit 22Rb033 houdende de benoeming van de heren Essers en Noël als lid van de rekenkamercommissie in te trekken; II. de heer L. Cloodt te benoemen als voorzitter van de Rekenkamer Kerkrade voor de resterende tijd van zijn laatste zittingstermijn (tot december 2024); III. de heer R. Sluijsmans te benoemen als extern lid van de Rekenkamer Kerkrade voor de resterende tijd van zijn huidige zittingstermijn (tot december 2024); IV. de heer S. Hannen te (her)benoemen als extern lid van de Rekenkamer Kerkrade voor een tweede zittingsperiode van zes jaar (tot oktober 2028).
Inleiding/aanleiding De gemeente Kerkrade heeft nu één verordening voor zowel de Rekenkamercommissie als de Rekeningcommissie. De rekenkamercommissie en de rekeningcommissie zijn twee aparte commissies met een andere samenstelling, andere doelen en andere werkzaamheden. Daarnaast heeft de Tweede Kamer onlangs ingestemd met het wetsvoorstel Versterking decentrale rekenkamers. Hierin wordt voorgesteld om gemeenten te verplichten om een rekenkamer in te stellen, waardoor andere constructies, zoals een rekenkamercommissie of een andere invulling van de rekenkamerfunctie, wettelijk niet meer is toegestaan. Het definitieve besluit van de Eerste Kamer volgt waarschijnlijk in de 2e helft van 2022. Daarover later meer. Door de aanstaande wettelijke verandering ten aanzien van de rekenkamer(commissies) is nu een moment om de verordening te splitsen. Doel Door middel van het bijbehorende raadsbesluit wordt uw raad voorgesteld om voor het rekenkamerwerk een aparte verordening vast te stellen en vooruitlopend op de wetswijziging nu al de stap te zetten om de rekenkamercommissie om te zetten in een rekenkamer.
1
Argumenten Een stukje geschiedenis Voortvloeiend uit de invoering van de Wet dualisering in 2002 zijn gemeenten sinds 1 januari 2006 verplicht om een rekenkamer of een rekenkamerfunctie in te stellen. De gemeenteraad van Kerkrade besloot in september 2005 tot het instellen van een rekenkamerfunctie in de vorm van een rekenkamercommissie. Tijdens dezelfde vergadering werd de bijbehorende verordening vastgesteld. Er werd gekozen voor een rekenkamercommissie in plaats van een rekenkamer, omdat hierin ook raadsleden zitting kunnen nemen. In de verordening werd bepaald dat de Rekenkamercommissie Kerkrade zou bestaan uit zes leden, waarvan drie externe leden en drie raadsleden. Van de drie raadsleden zouden twee leden van de coalitie zijn en één lid van de oppositie. Het lid van de oppositie zou tevens voorzitter van de rekenkamercommissie zijn. Die samenstelling is zo gebleven tot de aanpassing van de verordening op de rekenkamercommissie in 2017. Deze aanpassing was bedoeld om een aantal zaken te formaliseren. Zo was er destijds vanuit de oppositie geen animo om een voorzitter te leveren. In de nieuwe verordening werd de samenstelling dan ook zodanig gewijzigd, dat er nog maar twee interne leden waren; een raadslid namens de oppositie en een raadslid namens de coalitie. In de nieuwe verordening werd het voorzitterschap voortaan ingevuld door één van de externe leden.
Het budget voor de werkzaamheden van de rekenkamercommissie werd destijds vastgesteld op 50.000 euro. Met het vaststellen van de begroting 2014 heeft de raad in oktober 2013 ingestemd met een halvering van dat budget naar 25.000 euro. Ontwikkelingen Sinds het voorstel van minister Plasterk in 2015 om gemeenten te verplichten tot het instellen van een rekenkamer en raadsleden niet langer toe te staan als lid van een rekenkamercommissie wordt er op landelijk niveau al gediscussieerd over een aanpassing van de Gemeentewet. Die aanpassing verplicht gemeenten om een rekenkamer in te stellen, waardoor eventuele andere constructies (rekenkamercommissie of andere invulling van de rekenkamerfunctie) wettelijk niet langer zijn toegestaan. Eind mei 2022 is het wetsvoorstel Versterking Decentrale Rekenkamers door de Tweede Kamer aangenomen. Een amendement van het CDA om toch de rekenkamerfunctie te behouden werd verworpen. Als de Eerste Kamer in de tweede helft van 2022 ook instemt, vervalt binnenkort dan ook de mogelijkheid van een rekenkamerfunctie voor gemeenten. Invoeringsdatum wordt dan naar verwachting 1 januari 2023. Uit evaluatiegesprekken met de interne leden, die zitting hadden in de rekenkamercommissie in de periode 2018-2022, is gebleken, dat zij hun deelname aan de rekenkamercommissie niet echt als een meerwaarde voor de commissie hebben ervaren.
Dit terwijl het een intensieve commissie is met veel leesvoer en regelmatige vergaderingen. Een mogelijkheid is om af te wachten tot de wetswijziging een feit is, maar de nieuwe raadsperiode is een goed moment om vooruitlopend op die wetswijziging als gemeente de regie in eigen hand te nemen en zelf de stap te zetten om een rekenkamer met enkel onafhankelijke externe leden in te stellen, ook gezien de ervaringen van de interne leden. Op landelijk niveau staan ook de budgetten van rekenkamers ter discussie. Er is een motie overgenomen door de minister, die oproept om de budgetten van rekenkamers en rekenkamercommissies in kaart te brengen en een indicatie te geven van een redelijk normbedrag voor het budget om het werk ook goed te kunnen uitvoeren. De Kamer sprak over normbedragen, omdat gemeenteraden in de ogen van de Kamer onverantwoord bezig zijn door weinig uit te geven aan hun rekenkamercommissie. De hoogte van dat normbedrag is nog niet helder. Er is discussie over een op te leggen normbedrag, omdat dat in feite ingrijpt op het budgetrecht van de raad. Daarover later meer.
2
Belangrijkste verschillen tussen een rekenkamer versus een rekenkamerfunctie Rekenkamer
Rekenkamerfunctie
Ingesteld op basis van de wet
Ingesteld op basis van een gemeentelijke verordening
Onafhankelijkheid gewaarborgd in de wet
Onafhankelijkheid afhankelijk van invulling raad
Verstrekkende bevoegdheden via de wet geregeld
Beperkte bevoegdheden via de wet geregeld, aanvullende verordening noodzakelijk
Benoeming lid/leden voor 6 jaar
Benoemingsperiode is een keuze van de raad (in Kerkrade externe leden ook 6 jaar)
Altijd externe invulling
Ook mogelijk om raadsleden (interne leden) te Benoemen (termijn gelijk aan bestuurstermijn)
Secretaris mag niet tevens werk verrichten voor een ander orgaan van de gemeente
Secretaris mag uit de gemeentelijke organisatie komen (meestal griffie)
Afstemming behoeften van de raad moet separaat geregeld worden via klankbordgroep, auditcommissie of ander gremium (bijv. seniorenconvent)
Afstemming behoeften van de raad door inbreng interne leden
De Gemeentewet regelt tot nu toe voor de rekenkamerfunctie alleen de taken en bevoegdheden, het uitbrengen van adviezen en rapporten en de regeling voor onverenigbare functies. De overige zaken dient de gemeenteraad zelf via een verordening te regelen. Een rekenkamer is verankerd in de Gemeentewet. Voor een rekenkamer zijn zaken verstrekkender geregeld in die wet. Zo is de rekenkamer bevoegd alle documenten die berusten bij het gemeentebestuur te onderzoeken. Verder mag een rekenkamer informatie inwinnen en onderzoeken instellen bij publiekrechtelijke en privaatrechtelijke samenwerkingsverbanden waaraan de gemeente deelneemt. Beide zaken zijn voor de rekenkamercommissie niet in de wet geregeld. Er zijn gemeenten, die dat voor hun rekenkamerfunctie wel ‘geregeld’ hebben in een verordening. Het is echter de vraag of zo’n bevoegdheid wel in een verordening kan worden geregeld. Met een dergelijke bepaling worden namelijk andere organen dan het eigen gemeentebestuur gebonden aan regels, die gesteld worden door de gemeenteraad. Daar is feitelijk een wettelijke grondslag voor nodig, die de Gemeentewet niet biedt. Zo kan een rekenkamercommissie niet zomaar onderzoek doen bij een gemeenschappelijke regeling. Een rekenkamer heeft die bevoegdheid wel. Onderzoek naar GR-en wordt ook steeds belangrijker.
Vooruitlopend op de op handen zijnde wijziging van de wetgeving wordt in deze nota dan ook voorgesteld om een rekenkamer in te stellen en daarvoor een verordening vast te stellen. Samenstelling Ook bij de instelling van een rekenkamer zijn er varianten mogelijk ten aanzien van de personele invulling. In de huidige rekenkamercommissie hebben op dit moment drie externe leden – waarvan één voorzitter – zitting. Bij de overstap naar een rekenkamer kunnen die externe leden deel gaan uitmaken van de rekenkamer. De raad beslist uiteraard over het aantal leden, maar gezien de huidige personele bezetting 3
van externen wordt voorgesteld om dat voor de toekomst te continueren en ook voor de rekenkamer drie externe leden te benoemen, waarvan één voorzitter (artikelen 2 en 3 van de verordening). De lopende zittingstermijnen kunnen dan ook worden voortgezet in de rekenkamer. In de huidige rekenkamercommissie werd de behoefte van de raad gepeild via de beide interne leden. In de nieuwe rekenkamer wordt de afstemming met de raad gezocht via de bestaande raadscommissies (artikel 7). Taken/taakverdeling De taak van de rekenkamer is net als bij een rekenkamercommissie het onderzoeken van de doelmatigheid, doeltreffendheid en rechtmatigheid van het gemeentebestuur. In de uit te voeren onderzoeken wordt de vraag beantwoord of bijvoorbeeld het geld van de gemeente zinnig, zuinig en zorgvuldig is besteed. De taakverdeling binnen de rekenkamer gebeurt normaliter in onderling overleg (artikel 5). Er wordt besproken wie van de externe leden (waaronder ook de voorzitter) een onderzoek gaat begeleiden. Van de voorzitter wordt initiërend en inspirerend leiderschap verwacht en creativiteit in het vinden van manieren om de gemeenteraad te ondersteunen. Daarnaast is de voorzitter verantwoordelijk voor het tijdig en periodiek bijeenroepen van de rekenkamer, het leiden van de vergaderingen, het bewaken van de onderzoeksopdracht en de werkwijze en het bevorderen van een zorgvuldige besluitvorming.
Verder is de voorzitter verantwoordelijk voor adequate en tijdige informatievoorziening naar zowel leden als externen en voor de functionele aansturing van de ambtelijk secretaris. De voorzitter is daarnaast het eerste aanspreekpunt voor de vertegenwoordiging van de rekenkamer naar buiten en treedt op als woordvoerder. Indien aard en/of omvang van een onderwerp daar aanleiding voor geeft, kan de voorzitter een ander lid van de rekenkamer aanwijzen als vertegenwoordiger c.q. woordvoerder. De totstandkoming van een onderzoek gebeurt volgens een vast stramien. Voor de toekomst is het goed als de rekenkamer dat zelf vastlegt in een soort onderzoeksprotocol, zodat voor eenieder helder is welke stappen in dat traject doorlopen worden. Secretaris In de huidige wetgeving mogen ambtenaren, die werkzaamheden verrichten voor de rekenkamer, niet ook werkzaamheden verrichten voor een ander orgaan van de gemeente. Met de komst van de nieuwe wet wil de wetgever een uitzondering maken voor ambtenaren, die werkzaam zijn op de griffie (wijziging van artikel 81j, 3e lid). Het vierde lid van artikel 81j blijft ongewijzigd, nl. dat ambtenaren die werkzaam zijn voor de rekenkamer uitsluitend verantwoording schuldig zijn aan de rekenkamer. In de huidige situatie is een medewerker van de griffie de secretaris van de rekenkamercommissie.
Gezien de huidige capaciteit kan dit met het oog op de uitzondering in de nieuwe wet ook in de toekomst voortgezet worden. Mocht de rol van secretaris in de toekomst groeien of de werkbelasting van de medewerker bij de griffie groeien, dan zal dit echter heroverwogen moeten worden (artikel 2). Vergoeding In het verleden is de vergoeding voor externe leden van de rekenkamercommissie bepaald op 200 euro per vergadering, exclusief reiskosten. De reiskosten werden bepaald op 0,19 euro per kilometer, waarbij de afstand v.v. tussen woonadres en raadhuis leidend was. De vergoeding per vergadering was eerst bepaald op 125 euro per vergadering, maar is destijds op basis van de functie-eisen van de externe leden van de rekenkamercommissie opgeschroefd naar 200 euro per vergadering. Die eisen omvatten destijds ook onderzoekskennis en aantoonbare ervaring met het analyseren, beoordelen en interpreteren van informatie. Bij de overstap naar een rekenkamer moet ook de vergoedingssystematiek en de hoogte van de vergoeding voor de leden en de voorzitter door de raad worden vastgesteld. Systematiek vergoeding 4
Ten aanzien van de systematiek van de vergoeding komen een aantal varianten voor: een vaste vergoeding per maand; een vaste vergoeding per vergadering; een variabele vergoeding op declaratiebasis; een combinatie van een vaste vergoeding per vergadering en een variabele vergoeding op declaratiebasis voor werkzaamheden buiten de vergadering. Elke vergoedingsvorm heeft zijn voor- en nadelen. Een vaste vergoeding per uur (uur vergaderen of uur begeleiding/onderzoek) heeft volgens de NVRR (Nederlandse Vereniging van Rekenkamers en Rekenkamercommissies) als nadeel, dat de vergoeding variabel is. Een correcte registratie van de uren vergt daarnaast ook enige administratie. Bovendien kan een dergelijk model leiden tot een ongewenst neveneffect; een prikkel om meer uren te declareren. Advies van de NVRR is dan ook om geen gebruik te maken van vergoedingen per uur. Een vaste vergoeding per vergadering heeft ook een nadeel, aangezien het begrip vergadering in de praktijk moeilijk te definiëren is. Een vergadering duurt niet altijd even lang. Daarnaast betekent een vergoeding per vergadering, dat er geen juridische grondslag ligt voor een vergoeding voor het begeleiden van onderzoek of andere werkzaamheden, omdat er dan geen sprake is van een vergadering conform de onderliggende verordening.
In de praktijk zijn er dan ook gemeenten waar het begrip vergadering ruim geïnterpreteerd wordt om op die manier een vergoeding toe te kennen voor uren, die besteed worden aan begeleiding. Een dergelijk ruime interpretatie van ‘vergadering’ is echter niet wenselijk, omdat elke grens dan discutabel wordt. Een vergoeding per vergadering zou kunnen, maar dan moet het begrip vergadering goed gedefinieerd worden, zodat daar geen misverstand over kan bestaan. Ook zaken zoals een presentatie in een commissie of het aanhaken bij een regionaal onderzoek vergen immers tijd van de externe leden. Die extra werkzaamheden zouden naast de vergoeding per vergadering ook per uur betaald kunnen worden (de genoemde mengvorm), maar ook dan geldt dat een correcte registratie enige administratie vergt en er ook weer een ongewenst neveneffect kan optreden. De voorkeur van de NVRR gaat uit naar een vaste vergoeding per maand, omdat externe leden dan een vaste vergoeding ontvangen. Daarbij is de vergoeding voor een voorzitter in de regel hoger dan voor een lid, omdat de voorzitter een aantal extra taken heeft (zie Taken/taakverdeling hiervoor). Een vaste vergoeding per maand biedt helderheid voor de externe leden en heeft daarnaast het voordeel, dat voor de rekenkamer helder is welk beslag de vergoeding voor externe leden legt op het budget en wat er daarna nog over is voor onderzoek.
Hoogte van de vergoeding De wetgever schrijft in artikel 81k Gemeentewet dat leden van de rekenkamer een bij verordening van de raad vastgestelde vergoeding voor hun werkzaamheden en een tegemoetkoming in de kosten ontvangen. De wetgever schrijft niet voor hoe hoog de vergoeding moet zijn. In de praktijk is deze (maandelijkse) vergoeding afhankelijk van het aantal uren en de vergoeding per uur. Leden van commissies die zelf onderzoek doen (onderzoekscommissies), besteden over het algemeen meer tijd aan de (neven)functie en ontvangen een hogere vergoeding per maand (meestal in de vorm van een vaste vergoeding per maand of per gewerkt uur). Commissies die de onderzoeken laten uitvoeren door een onderzoeksbureau (begeleidingscommissies) ontvangen een lagere vergoeding per maand (vaak in de vorm van een vaste vergoeding per vergadering). De vergoeding per uur ligt in de praktijk ergens tussen de € 25 en € 80 per uur. Het besluit over de te hanteren systematiek en de hoogte van de vergoeding is aan uw raad. Voorgesteld wordt om de voorkeur van de NVRR te volgen en voor zowel voorzitter als leden een vergoeding per maand te gaan hanteren. Ook uit de vergelijking met andere gemeenten (bijlage B) blijkt dat in de meeste gevallen een maandelijkse vergoeding wordt toegepast. Op basis van dat overzicht van vergoedingen kan 5
geconcludeerd worden, dat de vergoedingen voor leden van rekenkamers die zelf onderzoek verrichten hoger liggen dan voor leden van rekenkamers die het onderzoek uitbesteden. In de huidige situatie worden de onderzoeken uitbesteed. Voorgesteld wordt om voor nu de huidige werkwijze ook in de toekomst te continueren en daar ook de vergoeding op te baseren. Om een beeld te krijgen van een billijke vergoeding voor de toekomst zijn de gemiddelde vergoedingen (per bijgewoonde vergadering inclusief eventuele reiskosten) over de afgelopen jaren (vanaf januari 2018 t/m juli 2022) van de drie externe leden in kaart gebracht. De vergoeding per lid, omgerekend naar gemiddelde bedragen per maand, bedroeg als volgt: • 125,43 euro • 143,51 euro • 140,29 euro De afgelopen twee jaar vertonen echter ook een toename in de werkzaamheden. Als dezelfde rekenmethode wordt toegepast over de afgelopen 2 jaar (juli 2020 tot en met juni 2022) bedroeg de vergoeding, omgerekend naar gemiddelde bedragen per maand, als volgt: • 150,97 euro • 204,82 euro • 183,91 euro Het verschil in gemiddelden tussen de drie leden heeft te maken met het feit, dat één lid in die periode een regionaal onderzoek heeft begeleid (extra onderzoek bovenop reguliere werkzaamheden). In bovenstaande bedragen (omgerekend naar bedragen per maand) is de betaalde reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer al meegenomen.
Om de personele kosten zo helder mogelijk te houden, wordt voorgesteld om deze reguliere reiskosten ook niet meer apart op te nemen, maar te verdisconteren in de maandelijkse vergoeding. Het totale bedrag aan vergoeding is natuurlijk afhankelijk van diverse factoren, zoals wel of niet een (regionaal) onderzoek begeleiden, wel of niet een presentatie in de commissie verzorgen, etc.. Uit bijlage B blijkt, dat de vergoedingen nogal uiteenlopen, maar dat dat deels ook te maken heeft met de werkwijze. Uitgaande van een continuering van de huidige werkwijze (geen eigen onderzoek) wordt voorgesteld om de vergoeding van de voorzitter vast te stellen op 250 euro per maand en de vergoeding van de externe leden op 200 euro per maand (artikel 7). De hogere vergoeding voor de voorzitter heeft te maken met het feit, dat deze ook expliciete extra taken heeft, zoals eerder in dit stuk is aangegeven. Dat betekent, dat de kosten voor vergoedingen maandelijks 650 euro gaan bedragen en dat resulteert in een jaarlijkse last van 7.800 euro. Budget In de hele landelijke discussie over de Wet versterking decentrale rekenkamers speelt zoals gezegd ook het budget van rekenkamers een rol. Artikel 81j lid 1 van de wet luidt: De raad stelt, na overleg met de rekenkamer, de nodige middelen ter beschikking voor een goede uitoefening van haar werkzaamheden.
In de wet wordt er dus van uitgegaan dat de raad het budget van de rekenkamer vaststelt in overleg met die rekenkamer. In de Inspiratiekaders effectieve invulling lokale rekenkamer (gepubliceerd door het ministerie van BZK in november 2020; zie bijlage) biedt het tweede inspiratiekader hulp bij de bepaling van het budget. Er wordt echter geen concrete ondergrens genoemd, omdat dat strijdig zou zijn met het budgetrecht van de raad. 6
Men spreekt van een passend budget en er worden overwegingen en stappen meegegeven voor het vaststellen van dat budget. Zo wordt aan de hand van een tabel op pagina 23 in een voorbeeldscenario op basis van het inwonersaantal een indicatie meegegeven voor het aantal uit te voeren onderzoeken per jaar. Bij een inwonertal tussen 20.000 en 50.000 wordt daarbij uitgegaan van 1,5 tot 2,5 onderzoek per jaar. Op diezelfde pagina wordt ook de uit 2004 daterende informele norm van 1 euro per inwoner genoemd die – geïndexeerd – nu minimaal 1,30 euro per inwoner zou bedragen (kaders dateren uit 2020). Uitgaande van het voorbeeldscenario zou ook die eerste informele norm van 1 euro per inwoner al te krap zijn. Het budget van de rekenkamercommissie van Kerkrade was vroeger 50.000 euro. Budget dat niet werd opgesoupeerd, vloeide terug in de algemene middelen. Bij het vaststellen van de begroting 2014 is dat budget gehalveerd tot 25.000 euro. De rekenkamercommissie van Kerkrade verricht de onderzoeken niet zelf, maar besteedt deze uit aan externe onderzoeksbureaus. Elk onderzoek wordt volgens de aanbestedingsregels van de gemeente Kerkrade aanbesteed; in de regel gebeurt dat zelfs meervoudig onderhands. Gegund wordt op basis van de economisch meest voordelige inschrijving (EMVI).
Bij het uitzetten van een dergelijke aanbesteding is vooraf niet helder voor welke prijs de externe bureaus zullen inschrijven. Gunnen op basis van EMVI betekent, dat de prijs in principe niet doorslaggevend is. Bij het halveren van het budget heeft de gemeenteraad aangegeven bereid te zijn om het budget te verhogen als een onderzoek duurder zou uitvallen en het reguliere budget ontoereikend zou zijn. Dat is in de praktijk echter moeilijk te regelen. Als blijkt dat het budget niet toereikend is voor de economisch meest voordelige inschrijving zou het verhogen van het budget moeten worden voorgelegd aan de raad. Dat kost tijd, terwijl de beslissing over de gunning ook aan tijd gebonden is. Dat betekent, dat een besluit van de raad vóórdat de beslissing over de gunning genomen moet worden, in de regel niet haalbaar is. Bij het bepalen van het jaarprogramma en bij de opdrachtverstrekking houdt de huidige rekenkamercommissie al zo veel mogelijk rekening met het beschikbare budget en zijn daarnaast ook inschrijvende partijen op de hoogte van dat budget. Een gang naar de raad om deze te vragen om extra middelen voor een onderzoek betekent – nog los van de haalbaarheid in tijd – dat de wettelijk vastgelegde onafhankelijke positie van de rekenkamer in het gedrang is. Ter illustratie de cijfers over de afgelopen twee jaar.
In 2020 heeft de rekenkamercommissie 12.624 euro uitgegeven; in dat jaar is mede door corona geen onderzoek opgestart, maar enkel een eerder opgestart onderzoek afgerond. In 2022 bedroegen de totale kosten ten laste van de rekenkamercommissie echter 27.059 euro. Dat betekende een overschrijding van het budget met 2.059 euro; deze is opgevangen binnen de budgetten van de raad/griffie. Bij het bepalen van een budget moet bekeken worden welk deel van dat budget per jaar op gaat aan vergoedingen voor de externe leden en het lidmaatschap van de NVRR. Wat overblijft, is beschikbaar voor onderzoek. En dat resterende bedrag zou voldoende moeten zijn om minstens één goed onderzoek per jaar uit te voeren. Uitgaande van de berekening hiervoor zou bij een vergoeding van 250 euro voor de voorzitter en 200 euro voor de leden 7.800 euro begroot moeten worden voor de vergoedingen. Bij een budget van 25.000 euro zou er dan nog 17.200 euro overblijven voor onderzoek. In het rapport “De staat van de rekenkamer” van de NVRR van februari 2013 staat het volgende: “Het gemiddelde budget per inwoner ligt op € 1,08 en varieert tussen € 0 en € 6,54 per inwoner.”. Zoals al eerder aangegeven, is er ook op landelijk niveau nog discussie over wat een passend budget nou precies is.
Vooruitlopend op de uitkomst daarvan wordt het met name met het oog op die onafhankelijke positie en de mogelijkheid om tenminste één onderzoek per jaar te kunnen uitvoeren wel al voorgesteld om het budget van de rekenkamer aan te passen. Voorgesteld wordt dan ook om vooralsnog het gemiddelde van ca. 1 euro per inwoner (op basis van cijfers van 2013) te hanteren en het budget van de rekenkamer op te hogen naar 45.000 euro per jaar. 7
Kanttekeningen Het instellen van een rekenkamer brengt een aantal wijzigingen met zich mee, die vragen kunnen oproepen. Bij de vaststelling van de verordening op de rekenkamercommissie heeft de raad meer vrijheid t.a.v. op te nemen bepalingen dan bij een verordening op de rekenkamer. Er kunnen wel nadere bepalingen in de verordening worden opgenomen, zoals de bezetting van de rekenkamer, systematiek van de vergoeding en de hoogte van die vergoeding, maar verder is er in de wet al veel geregeld voor een rekenkamer. Daarmee zijn er ook zaken geregeld, die in het geval van een rekenkamercommissie niet goed geregeld kunnen worden, zoals het onderzoeken van verbonden partijen. Daarnaast hebben ook de ervaringen van de interne leden uit de afgelopen periode bijgedragen aan de timing van dit voorstel. Zij hebben vier jaar zitting gehad in de rekenkamercommissie; gedurende die periode vele vergaderingen bijgewoond en heel veel stukken gelezen. Zij hebben hun aanwezigheid en inbreng echter niet ervaren als een meerwaarde voor het functioneren van de rekenkamercommissie. Uitgangspunt van deze verordening is de modelverordening van de VNG en de verordening op de rekenkamercommissie en hier en daar een actualisering op basis van de praktijk. Op diverse plaatsen in de verordening wordt verwezen naar artikelen uit de Gemeentewet.
Voor de helderheid zijn deze ondergebracht in een bijgevoegd overzicht (Bijlage A). Een en ander kan geëvalueerd worden op basis van het jaarlijks jaarverslag van de rekenkamer. Dat biedt dan de mogelijkheid om als raad samen met de rekenkamer jaarlijks het gesprek te voeren over jaarverslag en toekomst. Financiën Het opplussen van het budget naar 45.000 euro per jaar betekent een structurele toename van 20.000 euro. Voorgesteld wordt om het verhoogde budget te laten ingaan per 1 januari 2023. Bij een positief besluit van de raad dienen de financiële consequenties verwerkt te worden in de begroting 2023 en volgende. Communicatie De verordening wordt openbaar gepubliceerd. Vergaderingen van de rekenkamer zijn niet openbaar. Vergaderstukken in iBabs zijn enkel voor leden te raadplegen. De onderzoeksrapporten en jaarverslagen zijn wel openbaar. Deze zullen ook openbaar via de website te raadplegen zijn.
8