22Rb095 Verordening op de heffing en invordering van ozb 2023 ontwerpbesluit.pdf
Tekst van het document
GemeenteKerkrade
Ontwerpbesluit Nr.: 22Rb095
De raad van de gemeente Kerkrade;
overwegende, « dat jaarlijks de noodzakelijketariefaanpassingenworden bezien in relatie tot de begroting;
gelezen, » de notavan toelichting, nr. 22Tİ061,
geletop, » artikel 220 tot en met 220h
behorende bij dit besluit;
van de Gemeentewet;
besluit: 1.
.In te trekken de Verordening opde heffing en de invordering van onroerendezaakbelastingen
2.
2022 vastgesteld d.d. 15 december 2021; .Vast te stellen de volgende "Verordening opde heffing en de invordering van onroerendezaakbelastingen2023" welke als bijlage bij dit besluit is toegevoegd en als zodanig
3. 4.
deel uitmaakt van dit besluit; De datum van intrekking van de onder 1 . vermelde verordening is gelijk aan de datum van inwerkingtreding van de onder 2. vermelde verordening; De onder 2. vermelde verordening treedt in werking met ingang van 1 januari2023.
Aldus vastgesteld in openbareraadsvergadering
van de gemeente Kerkrade van 14 december 2022.
De voorzittervande raad,
De griffier,
dr. T.P. Dassen-Housen
mr. drs. D.G.M.G. Franssen
MIX
FSC
Papier van verantwoordeherkomst
FSC* C01 7488
ParkstadLimburg Gemeente Kerkrade maakt deel uit van Parkstad Limburg
Bijlagebehorende bij raadsbesluit nr. 22Rb095
Pag. I
Verordeningop de heffing en de invorderingvanonroerendezaakbelastingen 2023 Artikel 1 Belastbaar feit en belastingplicht 1.
Onder de naam "onroerendezaakbelastingen"worden voorbinnende gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven: a.
een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerendezaak die niet in hoofdzaak tot woningdient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen:gebruikersbelasting;
b. 2.
een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerendezaak het
genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen:eigenarenbelasting. Bij de gebruikersbelasting wordt: a.
gebruik door degene aan wie een deel van een onroerendezaak in gebruik is gegeven, (verder: de gebruiker), aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; (verder: de gebruikgever); de gebruikgever is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op de gebruiker;
b.
het ter beschikking stellen van een onroerendezaak voorvolgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerendezaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerendezaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen opdegene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.
3.
Voorde eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de Basisregistratie Kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij opdat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
Artikel2 Voorwerp vande belasting 1.
Voorwerpvan de belasting is een onroerendezaak
2.
Als onroerendezaak wordt aangemerkt de onroerendezaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerendezaken.
3.
Een onroerendezaak dient in hoofdzaak tot woningindien de waarde, die opgrond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerendezaken is vastgesteld, voordie onroerendezaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerendezaak die dienen tot woningdan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 3 Maatstafvan heffing 1.
De heffingsmaatstaf is de opde voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerendezaken voor de onroerendezaak vastgestelde waarde voorhet kalenderjaar bedoeld in artikel 1 .
2.
Als vooreen onroerendezaak geen waarde is vastgesteld opde voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerendezaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerendezaak bepaald met overeenkomstigetoepassingvan het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid van de Wet waardering onroerendezaken.
Bijlagebehorende bij raadsbesluit nr. 22Rb095
Pag. 2
Artikel4 Vrijstellingen 1 . In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buitenaanmerking gelaten, voorzover dit niet al is gebeurd bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: a.
voor de land- of bosbouwbedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond,daaronder mede begrepen de opengrond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voorde kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;
b.
glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voorde kweek ofteelt van gewassen, voorzover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond;
c.
onroerendezaken die in hoofdzaak zijn bestemd voorde openbareeredienst ofvoorhet houden van openbarebezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijkeaard, een en ander met uitzonderingvan delen van zodanige onroerendezaken die dienen als woning;
d.
éénof meer onroerendezaken die deel uitmakenvan een opde voet van de Natuurschoonwet1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaardengenoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet1928, met uitzonderingvan de daarop voorkomendegebouwde eigendommen;
e.
natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen,heidevelden, zandverstuivingen, moerassenen plassen,die door rechtspersonenmet volledige rechtsbevoegdheid
welke zich
uitsluitendof nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden; f.
openbareland- en waterwegen en banenvooropenbaarvervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;
g.
waterverdedigings-
en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen,
instellingenof diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen,met uitzonderingvan de delen van zodanige werken die dienen als woning; h.
werken die zijn bestemd voorde zuivering van riool-en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingenof diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen,met uitzonderingvan de delen van zodanige werken die dienen als woning;
i.
werktuigen die van een onroerendezaak kunnenworden afgescheiden zonder dat beschadiging
van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet opzichzelf als
gebouwde eigendommen zijn aan te merken; j.
onroerendezaken voorzover die bestemd zijn te worden gebruikt voorde publiekedienst van de gemeente, met uitzonderingvan delen van zodanige onroerendezaken die bestemd zijn te worden gebruikt voorhet geven van onderwijs;
k.
straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen- welke zijn geplaatst voorhet belang van het publiek,ten dienste van het verkeer ofter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen,banken,abri's, hekken en palen;
l.
plantsoenen, parkenen waterpartijen,die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzonderingvan delen van zodanige onroerendezaken die dienen als woning;
m. begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzonderingvan delen van zodanige onroerendezaken die dienen als woning; n. onroerendezaken waarvan een ongebouwd eigendom de hoofdzaak vormt, met inbegrip van de gebouwde eigendommen of gedeelten van gebouwde eigendommen die deel uitmaken van de onroerendezaak en dienstbaar zijn aan het ongebouwdeeigendom, en met
Bijlagebehorende bij raadsbesluit nr. 22Rb095
Pag. 3
uitzonderingvan de overige gebouwde eigendommen of gedeelten van gebouwde 2.
eigendommen die deel uitmakenvan de onroerendezaak; De vrijstelling voorde in onderdeel j van het eerste lid bedoelde onroerendezaken voorde eigenarenbelasting geldt niet voorzover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.
3.
In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voorde gebruikersbelasting buitenaanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerendezaak die in hoofdzaak tot woningdienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel5 Belastingtarieven Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: 1.
de gebruikersbelasting
2.
de eigenarenbelasting a.
vooronroerendezaken die in hoofdzaak tot woningdienen
b.
vooronroerendezaken die niet in hoofdzaak tot woningdienen
0,4181 7o
0,16987o 0,53827o
Artikel6 Wijze vanheffing De belastingen worden bij wege van aanslag geheven. Artikel 7 Termijnenvan betaling 1.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in twee gelijke termijnen,waarvan de eerste vervalt opde laatste dag van de maand volgend opde maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn een maand later.
2.
In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de opéénaanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar éénaanslag bevat en het bedrag daarvan niet hoger is dan C 20.000,- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incassokunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moetenworden betaald in zoveel gelijke termijnenals er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog niet geëindigde maanden in het kalenderjaar overblijven,met dien verstande dat het aantal termijnenten minste vier en ten hoogste tien bedraagt.
3.
Betaling van de termijnenzoals bedoeld in de leden 1 en 2 is mogelijk via automatische incasso, mits wordt voldaan aan de voorwaardenvan de Uitvoeringsregeling automatische incassovan de Belastingsamenwerking Gemeentenen Waterschappen (BsGW).
4.
De Algemene termijnenwetis niet van toepassingopde in de voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel8Minimum aanslag 1.
Belastingbedragen van minder dan C 5,00 worden niet geheven.
2.
Voorde toepassingvan het vorig lid wordt het totaal van de opéénaanslagbiljet verenigde aanslagen aangemerkt als éénbelastingbedrag.
Bijlagebehorende bij raadsbesluit nr. 22Rb095
Pag. 4
Artikel9 kwijtschelding De regelgeving inzake de kwijtschelding is vastgelegd belastingen 2023.
in de Regeling kwijtschelding gemeentelijke
Artikel 10 Inwerkingtredingen citeertitel 1.
De "Verordening opde heffing en de invordering van onroerendezaakbelastingen2022", 15 december 2021,
vastgesteld
wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van
ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassingblijft opde belastbare feiten die zich voordie datum hebben voorgedaan. 2. 3.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. De datum van ingang van de heffing is 1 januari2023.
4.
Deze verordening wordt aangehaald als "Verordening onroerendezaakbelastingen2023".