CConstaterende datKerkrade
Koppel je AI →
Document · PDF

21Rb006 verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Kerkrade 2021 ontwerpbesluit.pdf

Gemeenteraad 24 februari 2021, gemeente KerkradeBij agendapunt: Ontwerpbesluit inzake verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Kerkrade 202122.047 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

X

X

X

23

andere arbeidsvoorwaarden die gelden voor de uitzendCAO(ABU). Locatie/accommodatie «

Het gebouw voldoet aan de wettelijke vereiste (brand­ veiligheid e.d.) en het gebruik van het gebouw past binnen het bestemmingsplan

X

X

Het gebouw van waaruit de activiteiten, ondersteuning en begeleiding worden geboden, is integraal toegankelijk voor cliënten, bezoekers en familie. Er heerst een veilige, huiselijke sfeer. Dit kunnen zowel instellingen zijn als wijkcentra, inloop- en informatiepunten in de wijk. Inzet vrijwilligers

X

X

X

X

»

Om de gewenste transformatie te realiseren is het voor de gemeenten van belang dat aanbieders bijdragen aan de ontwikkeling van het versterken van het netwerk van vrijwilligers en informele zorg. Aanbieders dienen over een beleid te beschikken waarin is vastgelegd hoe wordt omgegaan met vrijwilligers en mantelzorgers. Aanbieders overleggen het vrijwilligersbeleid op verzoek van de gemeenten. In dit beleid komen ten minste de volgende aspecten naar voren: »

De wijze waarop de opdrachtnemer vrijwilligers werft, aan zich bindt en waardeert;

*

De wijze waarop opdrachtnemer zorg draagt dat vrijwilligers worden getraind en ondersteund bij het uitvoeren van de werkzaamheden(onder toezicht en aansturing van professional);

X

X

*

De wijze waarop opdrachtnemer vrijwilligers inzet (type werkzaamheden);

X

X

»

De wijze waarop opdrachtnemer zorgt dat vrijwilligers niet overbelast worden

X

X

X

X

X

X

Communicatie, controle en handhaving Medewerking aan onderzoek Zorgaanbieder/zorgverlener verleent volledige medewerking aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door de Gemeente (of door ons daartoe aangewezen derden) op de naleving van de contracteisen, inhoudelijke kwaliteit en op presentie- en financiële administratie waaronder begrepen: formele- en materiële onderzoeken, kwaliteitsonderzoeken, rechtmatigheid- en doelmatigheid onderzoeken, onderzoeken n.a.v. calamiteiten/geweldsincidenten, detailcontroles, fysieke controles op locatie en fraudeonderzoeken. Voor zover bij een controle of onderzoek op persoonsniveau een voorafgaande toestemmingverklaring is vereist, is zorgaanbieder gehouden om deze te vragen aan de betreffende cliënten. Meldplicht Zorgaanbieder is bekend met en handelt conform het document "Eerste stappen bij het melden van een calamiteit" van de Wmotoezichthouder GGD Zuid Limburg. Dit betekent in ieder geval dat zorgaanbieder calamiteiten en geweldsincidenten die plaatsvinden

X

24

bij de verstrekking van een voorziening in het kadervan de Wmo 2015 zo spoedig mogelijk (uiterlijk binnen drie werkdagen) meldt aan aangewezen toezichthouder Wmo GGD Zuid-Limburg. Kwaliteitsrichtlijnen op cliëntniveau Deze worden gemonitord en geëvalueerd op cliëntniveau middels de tussen- en eindrapportages. Iedere aanbieder mag zijn eigen systeem hiervoor hanteren en inzetten. Sociaal netwerk en participatie Het sociale netwerk van de cliënt wordt betrokken en ingezet waar kan. Er is ondersteuning bij het participeren in de maatschappij via ontmoeting, activiteiten in de wijk, maatjes en (vrijwilligers)werk. Wederkerigheid is hierbij een belangrijk uitgangspunt: degene die ondersteuning of hulp krijgt, kan zelf ook iets doen voor een ander. Er wordt zo veel (als) mogelijk de verbindingen gezocht met X ondersteuningsmogelijkheden die er aanwezig zijn in de omgeving van de cliënt, denk hierbij aan bestaande welzijnssport- en cultuuractiviteiten in wijken en buurten, netwerken en inzet van vrijwilligers en informele zorg en soms zelfs werkgevers en/of kleine ondernemers; * ln bepaalde gevallen zal bij het bepalen van de doelen, X resultaten en arrangementen al rekening gehouden zijn met de mogelijkheden zoals hiervoor beschreven. Het kan echter ook zo zijn dat er onder andere ondersteuning nodig is om daadwerkelijk deze verbindingen mogelijk te maken. Indien dit leidt c.q.

kan leiden tot minder Wmo ondersteuning treedt de opdrachtnemer in overleg met opdrachtgever. Aandacht voor omstandigheden van de cliënt: maatwerk Er is aandacht voor het verbeteren van de kwaliteit van het leven X van de cliënt, in plaats van het oplossen van alleen de kwaal. Zelfstandig functioneren en het flexibel inspelen op (veranderende) omstandigheden van de cliënt zijn hierbij van belang. Regie van de cliënt/het gezin De cliënt/het gezin heeft regie over de ondersteuning en begeleiding X die hij/zij ontvangt, wordt betrokken bij beslissingen en wordt gezien als een gelijkwaardige gesprekspartner. De ondersteuner of hulpverlener legt verantwoording af aan de cliënt/het gezin over zijn handelen. Plannen en evaluaties worden ondertekend door cliënt of diens wettelijke vertegenwoordiger. Verlenging Maatwerkvoorziening *

Indien de toewijzing afloopt en verlenging van de maatwerkvoorziening gewenst is, dient zorgaanbieder samen met de cliënt een nieuwe melding in en wordt er ten behoeve van een herindicatie altijd een evaluatieverslag aangeleverd. Bij de evaluatie staat de actuele ondersteuningsbehoefte van de cliënt centraal en wordt duidelijk aangegeven welke doelen al dan niet bereikt zijn (met vermelding reden).

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

25

Veiligheid Er is sprake van de bescherming van de cliënt en er wordt veiligheid geboden. Het gaat om het voorkomen dat de cliënt (of zijn directe omgeving) in onveilige of beschamende situatie terecht komt. Cliënttevredenheid Cliënttevredenheid is van groot belang in de nieuwe Wmo. De gemeenten hebben hierin een belangrijke taak maar ook de opdrachtnemer is verantwoordelijk voor het in gezamenlijkheid met de cliënt bespreken en monitoren van de cliënttevredenheid. De wijze waarop de opdrachtnemer dit doet is vrij of contractueel bepaald.

X

X

X

X

X

Als de inschatting is dat de rol van hulpverlener voor de ouder tot overbelasting leidt, kan de gemeente oordelen dat de ouder geen geschikte hulpverlener is. Dit dient ter bescherming van de ouder en ouder-kindrelatie. Professionele hulpverleners die in aanmerking willen komen voor het formele tarief, moeten naast bovenstaande eisen ook aan de volgende eisen voldoen: *

Een professionele hulpverlener staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Deze inschrijving moet in relatie staan tot de uitgevoerde werkzaamheden in het kader van de Wmo.

»

Alle medewerkers voldoen aan de kwaliteitseisen die voor betreffende ondersteuning worden gesteld.

»

Medewerkers ontvangen een salaris dat overeenkomstig is met de betreffende ondersteuning die wordt geboden.

* *

Eigenaar en medewerkers zijn geen eerste- of tweedegraads familie van de cliënt. Een professionele hulpverlener beschikt over een locatie waar meerdere cliënten tegelijk kunnen verblijven, als (tijdelijk) verblijf c.q. dagbesteding/behandeling aan de orde is. Een professionele hulpverlener heeft een meldplicht bij calamiteiten en geweld. Een professionele hulpverlener werkt volgens de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling.

« «

Wordt aan één van deze eisen niet voldaan? Dan is er sprake van het informele tarief.

26

TOELICHTING VERORDENING

c Kerkrade

maatschappelijke ondersteuning gemeente Kerkrade

2021

27

HOOFDSTUK 1: Begrippen Artikel 1. Begripsbepalingen Algemeen gebruikelijke voorziening: Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken (zie o.a. CRvB 03-072001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16-04-2008, nr. 06/4668 WVG, CRvB 14-07-2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16-08-2012, nr. AWB 11/5564). Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt (zie CRvB 17-11-2009, nr. 08/3352 WMO). De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een rol spelen: Is de voorziening gewoon te koop? Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht? Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen? 2.

Aanbieder: Geen nadere toelichting

3.

Bijdrage in de kosten: Uit artikel 2.1.4 en 2.1.4a van de wet vloeit de bevoegdheid voort tot het vragen van een bijdrage in de kosten. Cliënten zullen voor hun ondersteuning, als de gemeente daarvoor kiest, een bijdrage moeten betalen. De hoogte van de bijdrage voor één of meerdere maatwerkvoorzieningen, persoonsgebonden budgetten of krachtens artikel 2.1.4, derde lid, aangewezen voorzieningen, tezamen, met uitzondering van beschermd wonen, de maatwerkvoorziening opvang of andere bij algemene maatregel van bestuur omschreven maatwerkvoorzieningen, bedraagt C 19,- per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen..

4.

Budgetolan: Indien iemand bij de gemeente Kerkrade een PGB aanvraagt dient diegene als onderdeel van die aanvraag een volledig ingevuld en ondertekend budgetplan mee testuren. In dit plan wordt aangegeven waarom een PGB wordt aangevraagd en welke ondersteuning diegene daarmee wil inkopen. Uit het budgetplan moet blijken welke doelen worden nagestreefd en op welke wijze en binnen welke termijn dit wordt ingevuld. Indien de cliënt niet in staat is om de aan het PGB verbonden verplichtingen zelf na te komen moet uit het budgetplan duidelijk blijken wie hem hierin gaat ondersteunen.

5.

Centrumgemeente: De verantwoordelijkheid voor beschermd wonen ligt bij alle gemeenten. Voor beschermd wonen is tussen Rijk en de VNG afgesproken om net als bij opvang te werken met centrumgemeenten.

6-

Collectieve maatwerkvoorziening: Tot nu toe is het collectief (vraagafhankelijk) vervoer (CVV) het meest duidelijke voorbeeld. CVV is geen algemene voorziening, omdat de normale aanvraagprocedure geldt, er een

28

beschikking wordt afgegeven en bezwaar en beroep mogelijk is. 7.

Dagactiviteit: Dit houdt een structurele tijdsbesteding in met een welomschreven doel waarbij de cliënt actief wordt betrokken en die hem zingeving verleent. Dit wordt gezien als maatschappelijk nuttige activiteiten. Hieronder wordt niet verstaan een reguliere dag structurering zoals die in de woonVverblijfsituatie wordt geboden of een welzijnsactiviteit zoals zang, bingo, uitstapjes en dergelijke.

8.

Formele ondersteuning Van formele ondersteuning is sprake als de ondersteuning verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de Ie of 2e graad van de cliënt: a.

personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het PGB uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma's die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of;

b.

personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het PGB uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma's die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.

9.

Gemeenschappelijke ruimten: Geen nadere toelichting.

10. Gebruikelijke hulp: Onder echtgenoot wordt ook verstaan de partner met wie een duurzaam huishouden wordt gevoerd. 11. Hoofdverblijf: Geen nadere toelichting. 12. Hulpvraag: De hulpvraag is de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.1.4 eerste lid van de wet. Als iemand die behoefte heeft aan maatschappelijke ondersteuning zich tot het college wendt, is het van belang dat allereerst wordt onderzocht wat de hulpvraag van betrokkene is. Wanneer de betrokkene zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet op voorhand duidelijk of en in welke vorm het college in actie moet komen. Een zorgvuldig onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 vierde lid van de wet is noodzakelijk. 13. Informele ondersteuning: *

Ondersteuning die geboden wordt door personen, al dan niet uit het sociaal netwerk, die niet voldoen aan de criteria zoals genoemd met betrekking tot formele ondersteuning;

«

Ondersteuning die wordt geboden door personen die wel voldoen aan de criteria als genoemd onder formele ondersteuning (a en b), maar bloed- of aanverwanten in de le of 2e graad zijn van cliënt.

14. Ingezetene: De cliënt kan als hij ingezetene is van de gemeente Kerkrade in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie (artikel 1.2.1 van de wet). 29

Om voor een maatwerkvoorziening gericht op beschermd wonen en opvang in aanmerking te komen moet de cliënt in ieder geval ingezetene van Nederland zijn, maar niet persé van de gemeente. Uit de Memorie van Toelichting volgt dat een ingezetene zich, voor een maatwerkvoorziening, moet wenden tot het college van de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' is niet verder uitgelegd. Uit de jurisprudentie bij de Wmo 2007 (CRvB 22-092010, nr. 09/1743 WMO ) volgt dat het gaat om de feitelijke verblijfplaats, waarbij een inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) belangrijk is maar niet doorslaggevend. 15. Leefeenheid: Geen nadere toelichting. 16. Mantelzorg: Geen nadere toelichting. 17. Melding: Eenieder kan zich melden bij zijn gemeente met een hulpvraag. Door het melden maakt de cliënt de hulpvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding zal het college in samenspraak met de cliënt zo spoedig mogelijk een onderzoek (laten) instellen. Indien een ingezetene alleen informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen. 18. Nadere regels Wmo: Geen nadere toelichting. 19.

Normaal gebruik van de woning: Onder het normale gebruik van de woning wordt bedoeld het kunnen verrichten van de elementaire woonfuncties gericht op zelfredzaamheid (eten, slapen, lichaamsreiniging en koken), het verrichten van belangrijke huishoudelijke taken, horizontale en verticale verplaatsingen in en om de woning, waaronder ook de toegang van de woning. Daar kan onder omstandigheden tevens de berging, de toegang tot de tuin of balkon van de woning worden verstaan. Voorbeelden van elementaire woonfuncties volgens de jurisprudentie zijn: wonen, douchen en slapen (zie CRvB 27-03-2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5695); de veiligheid in en rond de woning en de toegankelijkheid van de woning (zie Rechtbank 's-Hertogenbosch 19-03-2010, ECLI:NL:RBSHE:2010:BL9340 en Rechtbank 's-Hertogenbosch 07-06-2010, nr. AWB 09/2976 WMO); toegankelijkheid van de woning (CRvB 25-05-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1929); het gebruik maken van de keuken (zie Vzr. Rechtbank Alkmaar 30-12-2008, nrs. 08/3200 Wmo e.a.); het aan- en uitkleden, wassen en verschonen van een baby, die geheel van de verzorging door een belanghebbende afhankelijk is (zie CRvB 02-08-2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY6560); het doen van essentiële huishoudelijke werkzaamheden, zoals de was en het strijken en opbergen ervan (zie CRvB 06-08-1999, nr.

98/3172 WVG en CRvB 0706-2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT8015); slapen, eten en lichaamsreiniging (zie CRvB 24-12-1999, 98/7777 WVG); dat kinderen zonder gevaar voor eigen gezondheid in de woonruimte kunnen spelen (zie CRvB 23-04-1999, ECLI:NL:CRVB:1999:AA8552), waartoe ook de tuin wordt gerekend(CRvB 19-11-1999, 98/4307 WVG).

30

Geen elementaire woonfunctie is: de bereikbaarheid van een hobbykamer of studeerkamer (zie CRvB 07-06-2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT8015, Rechtbank Gelderland 07-06-2013, ECLI:NL:RBGEL:2013:CA3199 en Rechtbank Alkmaar 01-07-2010, nr 09/157 WMO) 20. Participatie; Geen nadere toelichting. 21. PGB: Geen nadere toelichting 22. Persoonlijk plan: In het plan kan de cliënt — al dan niet tezamen met zijn persoonlijke netwerk - de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 tweede lid onder a tot en met e van de wet, en de maatschappelijke ondersteuning die door hem wordt gewenst, beschrijven. De omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 tweede lid onder a tot en met e van de wet, worden onderzocht door het college. Doordat de cliënt hieromtrent voorafgaand aan het onderzoek door het college een persoonlijk plan kan overleggen, is het college direct bekend met de wijze waarop de cliënt zelf vorm wil geven aan zijn persoonlijk arrangement dat nodig is om zelfredzaam te kunnen zijn en te participeren. Door de cliënt een persoonlijk plan te laten opstellen, wordt de eigen regie en de betrokkenheid van het sociale netwerk van cliënten in de wet versterkt. 23. Sociaal netwerk: Geen nadere toelichting 24. Team Opvang en Beschermd wonen (TOBW): Het TOBW is ondergebracht onder de verantwoording van de centrumgemeente (Heerlen). 25. Uitvoeringsbesluit: Geen nadere toelichting. 26.

Wet: Geen nadere toelichting. 27. Wetteliļke voorliggende voorziening: Geen nadere toelichting. 28. Woonvoorziening: Aanpassing die gericht is op het opheffen of aanzienlijk verminderen van restricties die een persoon met beperkingen ondervindt bij het normale gebruik van de woonruimte. Dit kunnen onroerende woonvoorzieningen zijn (aanpassingen van bouwkundige of woon technische aard) of roerende woonvoorzieningen (een losse woonvoorziening, niet aard- en nagelvast met de woning verbonden). 29. Zelfredzaamheid: Geen nadere toelichting.

31

HOOFDSTUK 2: Procedureregels (melding, onderzoek, aanvraag) Artikel 2. Melding De cliënt doet een melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning: de hulpvraag. De melding is, zo blijkt uit de Memorie van Toelichting, niet gebonden aan een vorm of locatie. De melding kan elektronisch of telefonisch worden gedaan en zowel op het gemeentehuis als bijvoor­ beeld op locatie bij het sociale wijkteam. De melding kan door of namens de cliënt worden gedaan, wat betekent dat ook iemand uit de omgeving van de cliënt als vertegenwoordiger kan optreden. In het tweede lid is vermeld dat het college de ontvangst bevestigt, ofschoon dit ook blijkt uit artikel 2.3.2 eerste lid van de wet. Uit wet noch toelichting blijkt dat de bevestiging van de ontvangst van de melding schríftelijk moet. De gemeente Kerkrade kiest hiervoor in verband met de registratie en zorgvuldigheid. In het derde lid is overeenkomstig artikel 2.3.3 van de wet een uitzondering vervat voor spoedeisende gevallen. Het college is op grond van de wet verplicht in dergelijke gevallen een passende tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek dat volgt na de melding. Artikel 3. Cliëntondersteuning De verplichtingen die in dit artikel genoemd worden, zijn ook neergelegd in de artikelen 2.2.4, eerste lid onder a en 2.3.2 derde lid van de wet.

In de bevestiging van de melding wordt de cliënt gewezen op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. Cliëntondersteuning is gedefinieerd in artikel 1.1.1 van de wet. De cliëntondersteuning is gratis. Artikel 4. Persoonlijk plan Het persoonlijk plan neemt in de volgorde van de procedure een specifieke plaats in. Het persoonlijk plan is in de wet opgenomen door middel van een amendement (TK 2013-2014, 33841 nr. 70). De cliënt kan voorafgaand aan het onderzoek door het college een persoonlijk plan overleggen. Hierdoor is het college direct bekend met de wijze waarop de cliënt zelf vorm wil geven aan zijn persoonlijk arrangement waarvan hij denkt dat dit nodig is om zelfredzaam te kunnen zijn en te participeren. Hiermee komt de regie bij de cliënt te liggen. Het indienen van een persoonlijk plan is een mogelijkheid, maar geen verplichting voor de cliënt. Artikel 5. Informatie en identificatie Voor deze bepaling geldt dat de verplichtingen voortvloeien uit de wet, concreet de artikelen 2.3.2 zevende lid en 2.3.4 eerste lid . Analoog aan artikel 4:2 Algemene wet bestuursrecht, dat voor de aanvraagfase van een besluit regelt dat de aanvrager de nodige gegevens moet verstrekken, is met lid 1 van artikel 6 geregeld dat de cliënt daartoe ook in de voorafgaande onderzoeksfase gehouden is. In de Memorie van Toelichting op artikel 2.3.4.

eerste lid van de wet is beschreven welke documenten onder artikel 1 Wet op de identificatieplicht vallen, zoals bedoeld in het tweede lid van artikel 5. In artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht worden de volgende documenten genoemd: 1. een geldig reisdocument of een Nederlandse identiteitskaart; 2. de documenten waarover een vreemdeling ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie; 3. een geldig nationaal, diplomatiek of dienstpaspoort dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, voor zover de houder de nationaliteit van die andere lidstaat bezit; 4. een geldig rijbewijs. Bovenstaande geldt zowel voor de cliënt als voor zijn vertegenwoordiger. 32

Artikel 6. Onderzoek Het onderzoek vormt de kern van de procedure. De wet beschrijft in artikel 2.3.2 vierde lid de zaken die tijdens het onderzoek aan bod moeten komen. Het gesprek wordt in de wet niet expliciet genoemd, maar impliciet wordt er vanuit gegaan dat persoonlijk contact tussen gemeente en cliënt plaatsvindt. In dit artikel wordt benadrukt dat in principe wordt uitgegaan van een gesprek als onderdeel van het onderzoek. Als echter de hulpvraag voldoende bekend is, kan het college in overleg met de cliënt afzien van een gesprek. In het vierde lid is bepaald dat de weergave van het onderzoek ook een verslag van het gesprek bevat. Dit kan een beknopte weergave zijn van hetgeen besproken is. In het gesprekverslag heeft de cliënt de mogelijkheid om aan te geven of hij het eens is met de Ínhoud van het gespreksverslag. Indien gewenst kan de cliënt op het formulier aanvullingen weergeven. Er wordt een brug geslagen tussen de melding en de aanvraag, doordat de cliënt de mogelijkheid heeft het ondertekend verslag (eventueel met aanvullingen) te laten aanmerken als aanvraag. Dit zorgt ervoor dat de cliënt vrijwel drempelvrij doorstroomt van de onderzoeksfase naar de aanvraagfase en voorkomt onnodige handelingen en juridisering. Artikel 7.

Advisering Lid 1 van dit artikel in de verordening bepaalt dat het college bevoegd is degene door of namens wie een melding of aanvraag is ingediend op te roepen, in persoon te verschijnen en te bevragen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en te laten onderzoeken en/of bevragen door een of meer daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet zijn van het onderzoek. Dit geldt ook voor de overige personen uit de leefeenheid van de cliënt. Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht, geeft in een aantal artikelen enige algemene bepalingen over (externe) advisering. Artikel 3:5 eerste lid Algemene wet bestuursrecht geeft aan dat in deze afdeling onder adviseur verstaan wordt: een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan. In de wet is niet geregeld dat er een adviseur benoemd moet worden. Advies zal in het kader van de uitvoering van de wet echter vaak onontbeerlijk zijn. Het college dient één of meer adviseurs aan te wijzen om in het kader van de wet advies uit te brengen. In de verordening wordt niet opgenomen wie de adviseur is. Men kan immers meer adviseurs in verschillende, zelfs wisselende situaties hebben, wat een eenduidige vermelding onmogelijk maakt.

Artikel 8. Aanvraag Zoals opgenomen in de wet kan de aanvraag pas worden ingediend na het onderzoek of na het verstrijken van de zes wekentermijn. Artikel 2.3.5, eerste lid van de wet maakt duidelijk dat de aanvraag gericht is op een maatwerkvoorziening. Andere oplossingen die tot tevredenheid kunnen bijdragen aan zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie kunnen zonder aanvraag en dus zonder beschikking worden ingezet. Met dit artikel wordt ook uitgewerkt de verplichting, neergelegd in artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a van de wet, waarin is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt.

33

HOOFDSTUK 3: Maatwerkvoorziening Artikel 9. Criteria voor maatwerkvoorziening In dit artikel is het algemene afwegingskader dat in deze Wmo centraal staat nogmaals uiteengezet. De nadruk ligt, nog meer dan onder de Wmo 2007, op de eigen kracht en hulp van anderen. De maatwerkvoorziening vormt slechts het sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning. In artikel 2.1.3 tweede lid onder a van de wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat het college kan volstaan met de goedkoopst adequate voorziening.

Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat als de meest goedkope voorziening te zijn. Dit impliceert dat een maatwerkvoorziening proportioneel en doeltreffend hoort te zijn. Het is niet zo dat de aanvrager in exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie wordt gebracht door een pakket aan ondersteuning (bijvoorbeeld een maatwerkvoorziening en/of algemene voorziening) dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had. De gevraagde ondersteuning moet in een redelijke verhouding staan tot wat de situatie van de aanvrager was voor hij ondersteuning nodig had (CRvB 18-05-2016, nr. 15-4490 WM015, CRvB 18-05-2016, nr. 15-5356 WM015 en CRvB 18-052016, nr. 16-948 WM015). Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten.

Het is uiteraard wel mogelijk een adequaat voorziening te verstrekken die duurder is dan de goedkoopst adequate voorziening, mits de belanghebbende bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Het begrip goedkoopst adequaat geeft het college mogelijkheden tot sturen binnen het beleid. De omvang van de maatwerkvoorziening wordt begrensd door artikel 2.3.5 derde lid van de wet. Dit artikel bepaalt dat een maatwerkvoorziening een passende bijdrage moet leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de cliënt. Hieruit vloeit voort dat indien het onderzoek uitwijst dat in het concrete geval maatwerk moet worden geboden, niet kan worden volstaan met standaardoplossingen. Het is aan het college, waar mogelijk rekening houdend met de redelijke wensen van de aanvrager, om te besluiten op welke wijze het de aanvrager ondersteunt en met welk pakket van de op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de persoon afgestemde diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen een passende bijdrage aan de zelfredzaamheid of participatie wordt geleverd. In het derde lid is aangegeven dat een collectieve maatwerkvoorziening voorgaat op een individuele maatwerkvoorziening. Denk hierbij aan het collectief vraagafhankelijk vervoer.

34

Artikel 10. Voorwaarden en weigeringsgronden 1. Een maatwerkvoorziening kan worden geweigerd: o. voor zover deze niet langdurig noodzakelijk is; Langdurig noodzakelijk betekent dat een voorziening min of meer blijvend noodzakelijk is. Hierbij wordt overwogen dat de grens tussen kortdurend en langdurend bepaald wordt aan de hand van de vraag: gaat het probleem over of is het blijvend. Als iemand een probleem heeft dat 8 of 10 maanden zal duren maar daarna over zal zijn, mag ervan worden uitgegaan dat geen sprake is van langdurige noodzaak. Dat geldt overigens niet bij een aanvrager die terminaal is. Als de levensverwachting 4 maanden is, is duidelijk dat het geen tijdelijk probleem is, maar een probleem tot de dood erop volgt. Er moet dan uitgegaan worden van langdurige noodzaak. De kortdurende hulp bij het huishouden valt onder de Wmo 2015. Dat betekent dat de gemeente ook verantwoordelijk is voor de kortdurende hulp bij het huishouden, bijvoorbeeld na een ziekenhuisopname. b. indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Kerkrade. De term ingezetene wordt in de wettekst van de Wmo 2015 gebruikt, bijvoorbeeld in artikel 1.2.1 van de wet. c.

indien het college door de cliënt niet in staat wordt gesteld om door middel van onderzoek, als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, vast te stellen of er een resultaatsverplichting is voor het college Indien iemand niet wenst mee te werken aan een onderzoek kan dit als gevolg hebben dat de aanvraag buiten behandeling wordt gesteld of wordt afgewezen d.

voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling of een regeling bestaat; Voor zover er met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat, wordt er geen maatwerkvoorziening toegekend. Uit de jurisprudentie tot stand gekomen ten tijde van de Wmo 2007 volgt dat de cliënt aanspraak moet hebben op de voorziening, om te kunnen spreken van een voorliggende voorziening (CRvB 0911-2011, nr. 11/3583 WMO en CRvB 28-09-2011, nr. 10/2587 WMO). Dat wil niet zeggen dat cliënt de voorziening daadwerkelijk moet hebben, maar dat hij daarop aanspraak heeft. Er is geen sprake van een voorliggende voorziening indien de voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling is afgewezen (CRvB 03-08-2011, nr. 11/517 WMO) of indien vaststaat dat cliënt daarvoor niet in aanmerking komt (CRvB 19-04-2010, nr. 09/1082 WMO). Indien de voorziening op grond van een andere specifieke wettelijke regeling slechts gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking komt, is er sprake van een voorliggende voorziening (CRvB 22-052013, nr. 10/6782 WMO). De cliënt kan dan niet voor het overige gedeelte van de kosten een beroep doen op de wet.

De wetgever heeft volgens de Raad nadrukkelijk bedoeld een duidelijke scheiding tussen zorg en verantwoordelijkheid aan te brengen. Dat wil zeggen als iemand een Wlz indicatie heeft of deze kan verkrijgen, het college, behoudens het overgangsrecht van artikel 8.6a van de wet, niet verplicht is een maatwerkvoorziening te verlenen ( CRvB2018:1525). e.

voor zover de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen Dit betreft de herhaling van het algemene toetsingskader, zoals dat in de wet centraal staat. Door het hier te herhalen kan het dienst doen als afwijzingsgrond.

35

f.

voor zover de cliënt met gebruikmaking van algemene voorzieningen de beperkingen kan wegnemen; Een algemene voorziening gaat vóór op verstrekking van een maatwerkvoorziening. Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning (art. 1.1.1. van de wet) Ook dit is een uitvloeisel van het algemene toetsingskader van de wet. Het is hier opgenomen om dienst te doen als afwijzingsgrond. g. indien de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is; Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken (zie o.a. CRvB 03-07-2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16-04-2008, nr. 06/4668 WVG, CRvB 14-07-2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16-08-2012, nr. AWB 11/5564). Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt (zie CRvB 17-11-2009, nr. 08/3352 WMO).

De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een rol spelen: Is de voorziening gewoon te koop? Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht? Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen? h.

indien het een voorziening betreft die de cliënt na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schríftelijk toestemming heeft verleend; Hier wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een voorziening aanvraagt nadat deze reeds door de cliënt gerealiseerd of aangekocht is. Omdat het college dan geen mogelijkheden meer heeft de voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de voorziening worden geweigerd. Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst adequate c.q. compenserende voorziening beschouwt. ;.

voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die aan cliënt al eerder is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is. Uitzonderingen op bovengenoemde regel zijn: de eerder vergoede of verstrekte voorziening is verloren gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; de cliënt komt geheel of gedeeltelijk tegemoet in de veroorzaakte kosten; In dit onderdeel wordt aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgevonden, terwijl het de cliënt verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet indien de cliënt geen schuld treft. Ook hier kan de eigen verantwoordelijkheid van een cliënt een rol spelen. Indien bijvoorbeeld in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstaIverzekering gedekt te worden. Indien vervolgens bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan. De genoemde afschrijvingstermijnen zijn richtlijnen. 36

j. voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht; De maatwerkvoorziening is gericht op de individuele cliënt. Het past hier niet om generieke voorzieningen te treffen. Daarvoor zijn de algemene maatregelen en algemene voorzieningen geschikte instrumenten. k.

de cliënt niet adequaat, binnen de eigen mogelijkheden, heeft ingespeeld op de aanwezige beperkingen en het verloop hiervan; De in de wet genoemde eigen kracht' gaat niet zover gaat dat de burger dient te anticiperen op alle mogelijke gebreken die verband houden met het ouder worden. De wet bevat geen wettelijke grondslag hiervoor. De wet biedt wel ruimte om voorzieningen te weigeren als iemand iets aanschaft of verhuist zonder rekening te houden met zijn reeds aanwezige beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan (ECLI:NL:CRVB:2018:2603). l.

Indien de gevraagde voorziening een anti revaliderend effect heeft op het functioneren van de cliënt of dat behandeling voorliggend is; Zowel onder de WVG als de Wmo 2007 oordeelde de CRvB dat een voorziening met een antirevaliderend karakter niet als doeltreffend kan worden aangemerkt, omdat deze voorziening niet is gericht op het opheffen of verminderen van de beperkingen (zie CRvB 11-05-2016, ECLI:IML:CRVB:2016:1741, CRvB 23-10-2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2254, CRvB 15-01-2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1077 en Vzr. Rechtbank Maastricht 25-07-2008, ECLI:NL:RBMAA:2008:BD9826). In CRvB 25-02-2015, nr. 13/6531 Wmo e.a. heeft het college de aanvraag voor een elektrische rolstoel (om zich binnenshuis zittend te kunnen verplaatsen) ter vervanging van de scootmobiel afgewezen. Er bestaat volgens het college geen noodzaak tot het verstrekken van een elektrische rolstoel. Bovendien zou toekenning van een elektrische rolstoel anti-revaliderend kunnen werken. Het college baseert zich hierbij op een medisch advies van MO-zaak, waaruit ook blijkt dat als de afleiding buitenshuis wegvalt, een forse toename van chronische klachten valt te verwachten. De rechtbank is van oordeel dat het college mocht afgaan op het medisch advies van MO-zaak. De CRvB oordeelt dat er op grond van de voorhanden medische gegevens geen aanleiding is om af te wijken van het oordeel van de rechtbank.

De CRvB voegt daaraan toe dat in het bijzonder van belang is dat denkbaar is dat cliënt door het gebruik van een elektrische rolstoel in plaats van een scootmobiel minder beweegt binnenshuis en minder activiteiten buitenshuis onderneemt, hetgeen voor haar tot nadelige gevolgen kan leiden. In een andere zaak volgt uit het medisch advies dat langdurige hulp bij het huishouden een antirevaliderende werking heeft in het geval van cliënte. Cliënte heeft artrose in haar rechterpols- en hand. Volgens het medisch advies moet cliënte de arm en hand echter blijven gebruiken ondanks pijnklachten. Het ontlasten van de rechter arm, pols en hand versneld de artrose. De voorzieningenrechter van de CRvB oordeelt dat het medisch advies zorgvuldig tot stand is gekomen en verklaart het beroep van cliënte ongegrond (CRvB 14-12-2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4697). Indien uit medisch advies blijkt dat een cliënt nog behandeling kan ondergaan om tot een vermindering van zijn beperkingen te komen, dient dit betrokken te worden bij de afweging wel of niet verstrekken van een voorziening.

37

2.

Een maatwerkvoorziening in de vorm van een woonvoorziening kan worden geweigerd indien:

o.

er geen rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de ondervonden beperkingen en één of meer bouwkundige of woon-technische kenmerken van de door de cliënt bewoonde woning; Het komt voor dat een woning dusdanig is ingericht dat de inrichting leidt tot beperkingen. Het is de verantwoordelijkheid van de cliënt om de inrichting van de woning dusdanig aan te passen dat er geen sprake meer is van beperkingen in de woning. Denk daar bij aan vloerkleden, overdaad aan meubels etc. b. de beperkingen niet in de woning zelf in de noodzakelijke gebruiksruimte(n) in verband met het normale gebruik van de woning (waartoe ook de toegankelijkheid van de woning moet worden begrepen) worden ondervonden of de gevraagde maatwerkvoorziening in de verplaatsing in de woning niet gericht is op het bereiken van de noodzakelijke gebruiksruimte(n). Bijvoorbeeld een garage die niet bereikbaar hoeft te zijn in verband met de stalling van een verstrekte maatwerkvoorziening. Het aanpassen van een tuin wordt alleen gedaan indien er hoogteverschillen aanwezig zijn om de stalling van een voorziening te bereiken. Hier valt regulier onderhoud van (het straatwerk van) een tuin buiten, evenals het aanleggen van straatwerk om de stalling te bereiken. Het blijft echter maatwerk, dus in specifieke gevallen wordt het mogelijk wel gedaan als het noodzakelijk is en de wet hierin voorziet. c.

voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; Wanneer de cliënt materialen heeft verwerkt in de woning die een negatieve invloed hebben op de beperkingen en belemmeringen van de cliënt, zal het college geen maatwerkvoorziening verstrekken. Een voorbeeld hiervan is een houten trapleuning die door de cliënt is vervangen door een (scheeps)touw welke nu als trapleuning wordt gebruikt. Een ander voorbeeld is het plaatsen van hoogpolig tapijt terwijl de cliënt al gebruik maakte van een rollatorof een rolstoel. d.

het aanpassingen betreft van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers Uitgangspunt is dat een voorziening langdurig door de cliënt dient te kunnen worden gebruikt. Voor de woningen/woonruimten zoals genoemd in dit onderdeel geldt dat het woningen/woonruimten betreft die in principe niet voor langdurig gebruik worden aangemerkt (er is geen sprake van woonruimten die aangemerkt zijn voor permanente bewoning; uitgezonderd leef- en woongemeenschappen en in sommige gevallen kloosters). Om te voorkomen dat het college meerdere keren, op verschillende locaties, voor één en hetzelfde probleem een voorziening dient te verstrekken, is dit onderdeel opgenomen in de verordening. Dit heeft uiteraard betrekking op voorzieningen die op enigerlei wijze niet herbruikbaar zijn in andere woningen/woonruimten. e.

voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten in die (woon)gebouwen die zijn aangemerkt als woongebouw voor gehandicapten, minder validen en ouderen Het ligt in de lijn der verwachting dat wanneer een (woon)gebouw wordt gerealiseerd welke wordt aangemerkt als (woon)gebouw voor gehandicapten, minder validen en ouderen, het uitrustingsniveau van het (woon)gebouw is afgestemd op gehandicapten, minder validen en ouderen. Hierbij kan worden gedacht aan elektrische deuropeners bij de centrale toegang, elektrische deuropeners bij deuren op de galerijen, aanwezigheid van een lift etc. In de beoordeling wordt ook meegenomen of de noodzakelijke aanpassingen zonder noemenswaardige meerkosten mee (hadden) kunnen worden genomen bij een eventuele reeds geplande of noodzakelijke 38

renovatie. Bovendien zijn voorzieningen die in het kader van de wet worden verstrekt in beginsel toegespitst op het individu. Voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten zijn niet op het individu gericht. Meerdere bewoners, ook bewoners zonder beperkingen die geen aanspraak kunnen maken op de wet, zouden zodoende gebruik kunnen maken van door de wet gerealiseerde voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten. f.

voor zover het voorzieningen betreft in gemeenschappelijke ruimten, anders dan: het verbreden van toegangsdeuren; het aanbrengen van elektrische deuropeners; aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang van het gebouw (mits de woningen in het woongebouw te bereiken zijn met een rolstoel); het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders; Geen nadere toelichting. g.

indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is; Dit onderdeel heeft betrekking op de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt. Wanneer een cliënt die reeds bekend is met beperkingen die niet leiden tot belemmeringen in de huidige woning verhuist naar een woning waar de beperkingen wel leiden tot belemmeringen, is het de verantwoordelijkheid van de cliënt om deze belemmeringen op te heffen. Hij is gezien zijn beperkingen immers verhuisd van een geschikte woning naar een niet geschikte woning. Was hij verhuist naar een woning waarbij hij rekening had gehouden met zijn beperkingen, dan zouden de belemmeringen niet aanwezig zijn. h.

indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college; Zie onderdeel h. Indien er op moment van de noodzakelijke verhuizing geen geschikte woning beschikbaar is, kan het college schriftelijk toestemming geven tot verhuizing naar een niet geschikte woning. Dit legt een verplichting bij het college om deze woning geschikt te maken tegen de goedkoopst adequate oplossing waarvoor het college op grond van de wet verantwoordelijk is. In een dergelijke situatie zal altijd worden beoordeeld of: - de huidige woning reeds geschikt is, of - het aanpassen van de huidige woning goedkoper is dan het aanpassen van de woning waarnaar de cliënt wenst te verhuizen. Wanneer bovenstaande het geval is, zal het college de woning waarnaar de cliënt wenst te verhuizen niet aanpassen. Om dit te voorkomen, zal de cliënt moeten wachten totdat het college schriftelijk al dan niet toestemming verleent voor de verhuizing naar de niet geschikte woning. i.

de noodzaak tot het treffen van een maatwerkvoorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud of alleen bedoeld is ter renovatie van de woning of om deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan een woning mogen worden gesteld; Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld het verzoek tot het aanpassen van een badkamer. Op grond van de wet wordt de goedkoopst adequate voorziening gerealiseerd. Mocht het een badkamer betreffen die meer dan 20 jaar oud is, dan is het aannemelijk dat deze badkamer aan renovatie toe is. Bij de renovatie kan het geschikt maken van de badkamer meegenomen worden en zal naar alle waarschijnlijkheid niet leiden tot meerkosten op de renovatiekosten. Het is gebruikelijk dat men spaart om renovatiewerkzaamheden aan een woning uit te kunnen voeren. Een cliënt kan dan ook worden gewezen op de eigen verantwoordelijkheid in deze. Indien er toch sprake is van meerkosten als gevolg van de beperkingen, komen deze meerkosten mogelijk wel in aanmerking voor vergoeding. Per individuele situatie zal worden beoordeeld door het college of hiervan sprake 39

kan zijn. Wat als termijn voor renovatie kan worden gehanteerd, hangt af van wat er wordt gerenoveerd en de afschrijvingstermijn van het te renoveren object. Er zal per situatie worden gekeken wat als algemene afschrijvingstermijnen wordt gehanteerd. j. bij de (nieuw)bouw rekening gehouden had kunnen worden met het aanbrengen van een of meer voorzieningen die de toegankelijkheid garanderen en op weinig ingrijpende wijze en zonder of met beperkte (meer)kosten tot stand zouden kunnen worden gebracht. In de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz) is een algemene norm voor toegankelijkheid opgenomen, uitgewerkt in artikel 6 van het Besluit van 7 juni 2017, houdende regels omtrent de algemene toegankelijkheid voor personen met een handicap of chronische ziekte (Besluit toegankelijkheid voor personen met een handicap of chronische ziekte). In dit artikel wordt diegene tot wie het verbod van onderscheid zich richt verplicht tot het treffen van voorzieningen van eenvoudige aard en gaandeweg zorg te dragen voor de algemene toegankelijkheid voor personen met een handicap of chronische ziekte, tenzij dat voor hem een onevenredige belasting vormt. Onder een voorziening van eenvoudige aard wordt verstaan: een voorziening die op weinig ingrijpende wijze en zonder of met weinig kosten tot stand kan worden gebracht. k.

de woning naar verwachting binnen 2 jaar wordt gesloopt. Uitgangspunt is dat een voorziening langdurig door de cliënt dient te kunnen worden gebruikt. l.

een woonvoorziening betrekking heeft op een woonwagen, wordt deze niet verstrekt als: de technische levensduur van de woonwagen minder dan 5 jaar is en/of; de standplaats binnen vijfjaar voor opheffing in aanmerking komt en/of; de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag niet op een binnen de gemeente Kerkrade formeel als zodanig aangemerkte standplaats staat. Geen nadere toelichting.

3.

Een maatwerkvoorziening in de vorm van huishoudelijke ondersteuning wordt geweigerd voor zover deze geen betrekking heeft op de ruimten die gericht zijn op het normale gebruik van de woning. Onder het normale gebruik van de woning wordt bedoeld het kunnen verrichten van de elementaire woonfuncties gericht op zelfredzaamheid (eten, slapen, lichaamsreiniging en koken. Artikel 11. Beschikking De cliënt moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de cliënt goed en volledig informeert. In dit artikel zijn de hoofdpunten opgenomen die in ieder geval in de beschikking moeten worden opgenomen. Artikel 12. Persoonsgebonden budget —nadere voorwaarden Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een PGB verstrekken dan wel weigeren. Middels dit artikel wordt uitvoering gegeven aan dit artikel. Van belang is dat een PGB alleen wordt verstrekt indien de cliënt dit gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6, tweede lid, onder b). Cliënten dienen de motivatie weer te geven in het budgetplan. Volgens artikel 2.3.6 tweede lid onder a van de wet dient een cliënt in staat te zijn tot een redelijke waardering van zijn belangen om de aan het PGB verbonden taken op een verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren.

De cliënt moet zelf zorgverleners inhuren, goede afspraken maken, zorgverleners aansturen, zorgdragen voor tijdige declaratie van ondersteuning, de administratie bijhouden, bijdragen aan tijdige en correcte betaling door de Sociale verzekeringsbank (of het college) via het zogeheten 40

trekkingsrecht, op basis van declaraties en zorgovereenkomsten. De cliënt is er primair zelf verantwoordelijk voor dat de kwaliteit van de ondersteuning die hij inhuurt voldoende is. Ook dient hij zelf zorg te dragen voor vervanging tijdens ziekte en verlof. Derhalve is het belangrijk dat de cliënt, of in voorkomende gevallen diens vertegenwoordiger, voldoende kennis en vaardigheden heeft om het PGB te beheren en zijn belangen te behartigen.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

10 punten pgb-vaardigheid U overziet uw eigen situatie.

U bent in staat om een pgb-administratie bij te houden.

U bent in staat om zelfstandig te handelen en voor een zorgverlener te kiezen.

U kunt beoordelen of de geleverde zorg kwalitatief goed is.

O

U bent in staat om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen.

U bent op de hoogte van de regels en verplichtingen die horen bíj het pgb.

t O

U moet uit uzelf en zelfverzekerd kunnen communiceren met andere partijen.

ü bent in staat om O afspraken te maken en vastte leggen.

Q

U kunt de inzet van zorgverleners coördineren.

© U heeft voldoendejuridische kennis over het werk- of opdrachtgeverschap of weet deze kennis te vinden.

Het college acht een persoon niet in staat de aan een PGB verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren, als sprake is van de hieronder genoemde omstandigheden. Deze omstandigheden geven het signaal aan de beoordelaar dat dóór de omstandigheden, cliënt niet in staat wordt geacht zelf een PGB te kunnen beheren. In het gespreksverslag (en eventueel in de afwijzende beschikking) dient deze beoordeling per cliënt goed onderbouwd en gemotiveerd te worden. Van een categorale uitsluiting is derhalve geen sprake. Mocht de cliënt alsnog een PGB wensen, dan dient er een vertegenwoordiger te zijn die de aan het PGB verbonden taken kan uitvoeren. De vertegenwoordiger dient ook te voldoen aan de gestelde eisen en wordt eveneens getoetst op de onderstaande aspecten.

41

Bij de beoordeling van PGB-vaardigheid kan onder meer gebruik gemaakt worden van de PGB-test zoals deze wordt aangeboden door Per Saldo. Voor deze test kan de cliënt niet slagen of zakken en de uitslag op zich kan dan ook geen reden zijn om een PGB af te wijzen of toe te kennen. De test is bedoeld om cliënt en het college meer inzicht te geven in de mate waarin cliënt beschikt over de vaardigheden die noodzakelijk zijn om een PGB te beheren. De test kan gebruikt worden als hulpmiddel bij het gesprek dat het college voert met de cliënt over de keuze voor PGB of zorg in natura. Relevante omstandigheden met betrekking tot de contra-indicatie ten aanzien van de PGBvaardigheid: Problematische schuldenproblematiek Problematische schuldenproblematiek maakt de kans groot en aannemelijk dat er bij cliënt voor het beheren van een PGB belangrijke financiële vaardigheden en verantwoordelijkheden ontbreken. Het is daarom niet wenselijk dat een cliënt, zolang hij zijn financiële zaken niet goed en zelfstandig op orde heeft, zelf een PGB beheert.

Signalen die kunnen wijzen op problematische schulden bij de cliënt (of zijn vertegenwoordiger), zijn bijvoorbeeld dat de cliënt zelf aangeeft dat er (verwijtbare) schulden zijn, cliënt in de schuldsanering zit, onder bewindvoering staat, dan wel een indicatie heeft gekregen voor ondersteuning op het vlak van financiën, zonder een vertegenwoordiger te hebben. Ernstige verslavingsproblematiek Ernstige verslavingsproblematiek bij een cliënt maakt dat deze vanwege de verslaving niet in staat is regie te voeren over zijn eigen leven, laat staan over een PGB. Ook de omstandigheid van een problematische ex-verslaving of de omstandigheid dat de cliënt bezig is de verslaving de baas te worden maakt dat de cliënt minder in staat geacht wordt om regie te voeren over zijn eigen leven, of over een PGB. Bij vermoedens van ernstige verslaving kan daar in het onderzoek nader onderzoek naar gedaan worden, bijvoorbeeld door het opvragen van een medische verklaring dan wel inschakeling van het verslavingsteam, consultatie- en diagnoseteam (CDT) of expertiseteam jeugd. Signalen die kunnen wijzen op verslavingsproblematiek bij de cliënt, zijn bijvoorbeeld dat dit onderdeel is van de melding en uit het onderzoek komt, of dat cliënt verslaving gerelateerd gedrag vertoont.

Aangetoonde fraude begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag Wanneer een cliënt eerder frauduleus heeft gehandeld, op welk terrein dan ook, is het aannemelijk dat de verleidingsrisico's bij het verstrekken van een PGB te groot zijn. Dit geldt te meer indien de cliënt, dan wel vertegenwoordiger, dan wel het bedrijf waar de vertegenwoordiger werkt, dan wel de beoogde PGB-aanbieder, eerder betrokken is geweest bij PGB-fraude. Een aanmerkelijke verstandelijke beperking Een indicatie voor een verstandelijke beperking is een (zeer) laag IQ. Tevens zijn er beperkingen in de sociale aanpassing die- zonder ondersteuning- participatie in de weg staan. Er is vaak sprake van moeite met concentratie en aandacht en een laag zelfbeeld; soms zijn er bijkomende lichamelijke problemen dan wel een kwetsbare gezondheid. Signalen die kunnen wijzen op een aanmerkelijke verstandelijke beperking bij de cliënt zijn bijvoorbeeld dat de cliënt behoort tot de cliëntgroep Verstandelijk Beperkten Intramuraal of Verstandelijk Beperkten Extramuraal, of het ruim onvoldoende scoren op de Per Saldo test. Een ernstig psychiatrisch ziektebeeld Bij GGZ-problematiek die in ernstige mate aanwezig is, is de kans groot dat het vrijwel onmogelijk is voor de cliënt om op stabiele en consistente wijze de regie te kunnen voeren over een PGB.

Met name de beoordeling of de geleverde zorg doeltreffend en professioneel is, zal ingewikkeld zijn. Dat 42

maakt dat er een verhoogd risico is op niet wenselijke afhankelijkheidsrelaties tussen de cliënt en de PGB-aanbieder. Een aanbod van zorg in natura past vaak beter in het (zorg)belang van de cliënt. Vastgestelde blijvende cognitieve stoornis Wanneer een cliënt een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis heeft, is het aannemelijk dat client daarmee de regie over zijn leven niet in de hand heeft. Voorbeelden van blijvende cognitieve stoornissen zijn de diverse vormen van dementie, niet-aangeboren hersenletsel (NAH) en de ziekte van Korsakov. Het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal, in woord en geschrift Het beheren van een PGB is niet mogelijk wanneer cliënt de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Het voldoende kunnen begrijpen (en dus kunnen lezen) van alle voorwaarden en eisen ten aanzien van een PGB, zijn met mogelijk bij een onvoldoende beheersing van het Nederlands. Ook het opstellen en afsluiten van bijvoorbeeld zorgovereenkomsten, is dan buiten bereik. Hiervan afgeleid kan tevens worden gesteld dat men voldoende kennis dient te hebben van de Nederlandse samenleving, zodat men bijvoorbeeld de vraag kan beantwoorden wat de Sociale verzekeringsbank is en doet in relatie tot het PGB.

Twijfels op andere gronden over de PGB-vaardigheid Er kunnen, naast de eerder genoemde omstandigheden, ook twijfels zijn op andere gronden over de PGB-vaardigheid van de cliënt, dan wel vertegenwoordiger, waardoor sterk de indruk bestaat dat iemand niet in staat is om een PGB te beheren. Een beslissing hieromtrent dient goed onderbouwd en gemotiveerd worden. Bijvoorbeeld, als een cliënt ondersteuning aanvraagt en aangeeft deze zelf met te kunnen organiseren of aan te sturen (zoals een particuliere huishoudelijke hulp), dan is dat een indicatie dat cliënt ook niet PGB-vaardig is. In het derde lid worden voorwaarden gesteld aan een eventuele (wettelijke) vertegenwoordiger. De client kan (of moet) zich, laten vertegenwoordigen in de uitoefening van het budgethouderschap. Een derde wordt dan gemachtigd om voor hem de taken, verbonden aan het PGB, uit te voeren. De vertegenwoordiger dient PGB-vaardig te zijn en de verklaring te ondertekenen. Wanneer de cliënt wijzigingen wil aanbrengen in de wijze waarop hij wordt vertegenwoordigd, dient hij dit te melden bii de gemeente. Uitgangspunt is dat degene die de cliënt vertegenwoordigt, de belangen van de cliënt centraal stelt. Deze vertegenwoordiger kan niet ook de uitvoerder zijn van de ondersteuning die met het PGB wordt ingekocht.

De vertegenwoordiger mag geen financiële relatie hebben met de uitvoerder van de ondersteuning/zorgaanbieder. Hierdoor wordt immers een objectieve beoordeling van wat noodzakelijk is voor de cliënt, en de aansturing van de werkzaamheden bemoeilijkt. Dit kan ten koste gaan van het bereiken van de gewenste resultaten. Het uitgangspunt is dat er geen belangen­ verstrengeling mag ontstaan doordat deze hulp twee taken in zich verenigt, namelijk van hulpverlener en beheerder van het PGB. Er worden om deze reden ook grenzen gesteld aan het maximaal aantal cliënten dat een persoon kan vertegenwoordigen. In het vierde lid wordt verwezen naar de kwaliteitseisen uit bijlage 1. In het vijfde lid worden de voorwaarden voor de besteding beschreven, deze behoeven geen verdere toelichting. In het vijfde lid sub b is geconcretiseerd welke termijn is verbonden aan de besteding van het PGB budget. Dit dient de rechtszekerheid en voorkomt de situatie waarin het recht oneindig open zou moeten staan. Onder sub c worden regels gesteld ten aanzien van PGB besteding in het buitenland.

43

Het zesde en zevende lid gaan in op de zorgovereenkomst en declaraties, zodat gecontroleerd kan worden of het PGB rechtmatig wordt besteed. Het opnemen van het derde beding beschermt die cliënt indien een zorgaanbieder opzettelijk onjuiste informatie verstrekt, nu er door het derdenbeding een rechtstreeks relatie ontstaat tussen de zorgaanbieder en de gemeente, waardoor eventuele schade ten gevolge van fraude op deze aanbieder kan worden verhaald. In het achtste lid wordt benadrukt dat het van belang is dat er sprake is van continuïteit in de ondersteuning, zodat de ondersteuning uiteindelijk efficiënt kan worden uitgevoerd. Dit vergroot de doelmatigheid van de ondersteuning. Om deze reden zijn er grenzen gesteld aan de frequentie waarmee een cliënt mag wisselen tussen PGB zorgaanbieders of tussen verstrekkingsvorm van een indicatie. Nu het college dient te waarborgen dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt, dient een cliënt dit te melden. Artikel 13. Persoonsgebonden budget weigeringsgronden In het artikel worden de weigeringsgronden uitgelegd. Het onderzoek hiernaar dient altijd zeer zorgvuldig plaats te vinden. Artikel 14.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Kerkrade&id=37a9d9ed-744d-41e8-b01a-1d79be241afc